Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 7. Principia in de wetenschap.

A. Het Rationalisme.

Pillon, L’ évolution historique de l’idealisme, L’année philosoplique, 1892 en verv. Art.. van Troeltsch, in PRE3 VIII 612-637. Drews, Die deutsche Spekulation I 89 v. 247 v. E. von Hartmann, Neukantianismus, Schopenhaurianismus und Hegelianismus 1877. Id. Kritische Grundlegung des trauscendentalen Realismus 1885. Id. Das Grundproblem der Erkenntnisstheorie, Ausgewählte Werke I 2 bl. 40 v. Strümnpell, Einl. in die Philosofie 1886 bl.165 v. Paulsen, Einl. in die Philosofie 1892 bl. 354 v. Land, Inl. tot de wijsbeg. 1889 bl. 82. Opzoomer, Wetenschap en Wijsbeg. 1857 hoofdst. 1. Pierson, Gids Juni 1871. Glossner, Der moderne Idealismus, Münster 1880 E.L. Fischer, Die grundfragen der Erkenntnistheorie, 1887 b1. 49 v. Al. Schmid. Erkenntnisslehre 1800 II 134. Thilo, Die Wissenschaftlichkeit der modernen specul. Theol.1851. Flügel, Die specul. Theol. der Gegenwart 1888. Nathusius, Das Wesen der Wissenschaft 1885 bl. 265 v. Beck, Vorles. über christl. Glaubenslehre 1887 bl. 44. Von Oettingen, Luth. Dogm. I Grétillat, Exposé de théol. syst. I 63 v.

64. Wetenschap bestaat altijd in een logische relatie tussen subject en object. De verhouding, waarin wij deze beide tot elkaar stellen, bepaalt onze opvatting van de wetenschap. Te allen tijde zijn er twee richtingen geweest, die in dit opzicht lijnrecht tegenover elkaar staan, het rationalisme en het empirisme. Ze zijn al opgekomen in de Griekse filosofie. Reeds daar werd de tegenstelling gemaakt van aisyhsiv en logov, van zinlijke waarneming en denken, en dus ook van doxa en episthmh. De school van Elea, Plato, de Neoplatonici stonden aan de zijde van het rationalisme; de zinlijke waarneming geeft geen kennis, zij heeft tot object wisselende verschijnselen, en leert ons alleen kennen dat iets is en zo is, maar niet waarom het zo is; bovendien bedriegt zij ons menigmaal en verschaft ons valse voorstellingen, b.v. de krommen stok in het water, de opgaande zon enz., welke alleen door het denken van haar onwaarheid kunnen gereinigd worden. Daarom staat het denken ver boven de zinlijke waarneming. Dit alleen levert ons episthmh; wetenschap komt niet van buiten, zij is een product van de menselijke geest. In de nieuwere filosofie is deze rationalistische richting weer opgekomen met Cartesius, die, alles wegwerpende, tenslotte zijn vast uitgangspunt vond in het denken en daaruit concludeerde tot het zijn, cogito ergo sum. Daarmee werd de denknoodzaak, het logisch verband, de mathematische orde van grond en gevolg bij Spinoza de maatstaf van de waarheid. De zinnelijke wereld is hoogstens aanleiding maar geen bron van onze kennis, de menselijke geest kan alle kennis uit zichzelf, met eigen middelen, denkende, voortbrengen. Nos idées, même celles des choses sensibles, viennent de notre propre fond1. Kant heeft nu dit rationalisme wel in zover getemperd, als hij niet de stof maar alleen de vormen van de waarneming afleidde uit de menselijke geest (transcendentaal, kritisch idealisme). Maar Fichte zag terecht in, dat zulk een onderscheiding onmogelijk was, en sprak daarom uit, dat alle elementen van onze kennis, tot zelfs de waarneming toe, apriorisch waren en door het Ik werden geponeerd (absoluut idealisme). Nu werd dit rationalisme bij deze wijsgeren nog altijd beperkt tot het gebied van het kenvermogen, en dus alleen bedoeld in erkenntniss-theoretischen zin. Maar dit subjectief rationalisme werd door Fichte, Schelling en Hegel tot een objectief rationalisme uitgebreid; niet slechts de kennis, maar ook het zijn, niet alleen de voorstellingen maar ook de dingen zelf zijn alleen uit het denken voortgekomen, denken en zijn zijn één (metafysisch idealisme). Er is gang in deze historie van het rationalisme: het denken, niet de zinlijke waarneming, geeft waarheid; het brengt daartoe in zichzelf de principia, de semina van alle kennis, mee; het schept de vorm van onze gedachtenwereld (Kant), en ook haar stof en inhoud (Fichte), ja het schept en construeert de hele wereld, niet alleen van het denken, maar ook van het zijn.

In welke verschillende vormen dit rationalisme ook is opgetreden, het heeft toch altijd één grondgedachte, n.l. dat de oorsprong van de kennis te zoeken is in het subject. Het is goed te begrijpen, dat men tot deze gedachte kwam. Afgezien toch van de onbetrouwbaarheid van de zinlijke waarneming, er is tussen de voorstellingen in ons en de dingen buiten ons zulk een wezenlijk verschil, dat de eerste niet uit de laatste zijn te verklaren. Stof kan niet werken op de geest; geestelijke verschijnselen, zoals de voorstellingen zijn, zijn alleen uit de geest te verklaren; gelijk kan alleen door gelijk worden gekend. Daaruit volgt, dat het bestaan en de samenwerking van stof en geest, van dingen buiten ons en voorstellingen in ons of alleen nog kan gehandhaafd worden door hypothesen als het occasionalisme (Geulinx), de harmonia praestabilita (Leibniz), de aanschouwing van de ideeën in God (Malebranche) enz., of dat eenvoudig de tweeheid van stof en geest moet worden ontkend, en dat ding en voorstelling, zijn en denken beschouwd worden als wezenlijk één. Immers, zo zegt het idealisme, indien ding en voorstelling twee zijn, dan moeten wij aan de kennis van het ding wanhopen; wij kunnen toch nooit onze voorstelling van het ding aan het ding zelf toetsen; wij kunnen nooit uit onszelf, uit onze voorstellingswvereld, uitkomen; nous ne pouvons nous mettre a la fenêtre, pour nous voir passer dans la rue (Scherer). Wij blijven altijd binnen de kring van onze voorstellingen en komen nooit met het ding zelf, maar altijd weer met onze voorstelling van het ding, in aanraking; alleen het bewuste bestaat voor ons; ik kan alleen de gedachte, niet het ding, denken; wat niet mijn gedachte is, is voor mij ondenkbaar, onkenbaar, bestaat voor mij niet.

Dit idealisme is dan nog versterkt door wat de fysiologie van de zintuigen thans leert. Reeds Democritus maakte onderscheid tussen zulke eigenschappen als zwaarte, dichtheid, hardheid, die objectief zijn en in de dingen zelf liggen, en andere, zoals warmte, koude, smaak, kleur, die alleen subjectief in onze gewaarwordingen aanwezig zijn. Deze onderscheiding van objectieve en subjectieve, kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen is door Cartesius, Robbes, Locke, die ze het eerst noemde primaire en secundaire eigenschappen, overgenomen, en dan in deze eeuw vooral door Helmholtz uitgewverkt. Volgens dit zogenaamd semi-idealisme zijn er buiten ons in de wereld alleen mechanische bewegingen van de atomen, de materie is kwaliteitloos. Onze zintuigen ontvangen slechts indrukken door de beweging en golving van de atomen; die indrukken zijn kwalitatief gelijk; maar in onze hersenen brengen wij uit die eenvormige bewegingen de oneindige verscheidenheid van de waarnemingswereld voort. Licht, geluid, kleur, smaak, warmte, koude, alle kwalitatieve eigenschappen, die wij in de dingen menen waar te nemen, bestaan niet buiten maar ontstaan en bestaan alleen in de menselijke geest. Eenzelfde beweging van de materie, onze tastzin rakend, maakt de indruk van warmte; en vallend in het oog, verschaft zij ons de gewaarwording van licht. De wereld is in haar substantie niet, maar toch in haar vorm een product van den mens. Zo heeft het idealisme hoe langer hoe meer in de filosofie veld gewonnen en zelfs van de natuurwetenschap krachtige steun ontvangen.

1 Leibniz, Nouveaux essais sur l’ entendement humain I ch. 1.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept