Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

72. De religio subjectiva is allereerst een exiv, habitus, een zekere aanleg in den mens, welke door inwerking van de religio objectivlt in actus (cultus in- en externus) overgaat. Zulk een habitus is er in iedere mens; semen religionis omnibus inditum est1. Maat deze habitus is in de gevallen mens bedorven en brengt, door een onware en onzuivere religio objectiva bevrucht, ook een cultus voort, die idololatreia, eyeloyrhskeia is. Daarom is voor een zuivere religie nodig, dat ten eerste de van buiten tot ons komende religio objectiva ons God weer kennen doet gelijk Hij werkelijk is, en dat ten tweede de bedorven habitus religionis in de mens wordt herboren en vernieuwd. In deze zin is de religio subjectiva dus een virtus infusa a Spiritu Sancto2. Toch is hiermee nog niet genoeg gezegd. De mens heeft vele deugden, zowel in zijn verstand als in zijn wil. De eigenaardigheid van die virtus, welke in de religie werkt, moet dus nader worden aangewezen. Vroeger omschreef men deze virtus als pietas, reverentia, timor, fides enz., en zo ook tegenwoordig als eerbied, ontzag, vreze, afhankelijkheidsgevoel. Toch zijn alle deze omschrijvingen niet bepaald genoeg; al deze aandoeningen hebben wij in meerder of minder mate ook ten opzichte van schepselen. Er moet een wezenlijk onderscheid zijn tussen de cultus religiosus en de cultus civilis, tussen latreia en douleia, tussen de aandoeningen van vrees, eerbied, ontzag enz., gelijk wij die koesteren tegenover God en tegenover schepselen. Dat onderscheid kan alleen daarin zijn, dat in de religie in aanmerking komt de absoluta dignitas et potestas Dei en de absoluta subjectio onzerzijds3. Van schepselen zijn wij slechts ten dele afhankelijk; wij staan als schepselen met hen op gelijke lijn; maar God is een wezen, van hetwelk wij volstrekt afhankelijk zijn en dat in elk opzicht de beslissing heeft over ons wel en ons wee. Bij de Heidenen wordt deze absoluutheid Gods wel als het ware onder vele goden verdeeld, maar toch is iedere god op zijn terrein met zodanige macht bekleed, dat de mens voor zijn geluk of ongeluk volstrekt van hem afhankelijk is.

Het is vooral Schleiermacher geweest, die de religie omschreven heeft als schlechthiniges Abhängigkeitsgefühl. Tegen deze definitie zijn vele bedenkingen ingebracht, die o.a. door Hoekstra kort worden weergegeven4. Inderdaad heeft deze omschrijving bij Schleiermacher een zin, welke niet kan toegelaten worden. De afhankelijkheid wordt bij hem zo pantheïstisch opgevat, dat zij objectief alleen betrekking heeft op het wereldgeheel en subjectief beperkt wordt tot het gevoel. Toch ligt er in Schleiermachers definitie een gewichtig bestanddeel van waarheid. Wat de mens tot een religieus wezen maakt en tot religie drijft, is het besef, dat hij tot God in een relatie staat, die specifiek verschilt van alle andere verhoudingen, waarin hij geplaatst is. Deze relatie is zo diep en teder, zo rijk en veelzijdig, dat zij moeilijk door één begrip kan worden uitgedrukt. Maar zeker komt dat van afhankelijkheid wel het eerst en het meest hiervoor in aanmerking. Want in de religie voelt de mens zich in betrekking tot een persoonlijk wezen, dat zijn lot op ieder gebied van het leven en voor tijd en eeuwigheid in de hand heeft. Daarom wordt God in de religie nog niet uitsluitend als macht opgevat; want ook als Genadige, Barmhartige, Rechtvaardige, Heilige enz. staat God tegenover de mens toch altijd als Souverein, als Absolute, als God. En de mens staat tegenover Hem altijd als schepsel; hij is dat tegenover niemand en niets anders, hij is dat alleen tegenover God. En daarom is deze creatuurlijke afhankelijkheid niet het wezen maar toch de grondslag van de religie. De mens is echter niet alleen schepsel, maar ook een redelijk en zedelijk schepsel; zijn verhouding tot God is daarom een heel andere dan van engelen en dieren. De volstrekte afhankelijkheid, waarin de mens tot God staat, sluit daarom de vrijheid niet uit. Hij is afhankelijk, maar op een andere wijze dan de andere schepselen; hij is zo en in die zin afhankelijk, dat hij tegelijk een redelijk en zedelijk wezen blijft, dat hij Gode verwant, zijn geslacht en zijn beeld is. Volstrekt afhankelijk is hij, zodat de loochening van de afhankelijkheid hem nimmer vrij maakt, en toch haar erkenning hem nooit tot slaaf vernedert. Integendeel, in de bewuste, vrijwillige aanvaarding van deze zijn afhankelijkheid komt de mens tot de hoogste vrijheid. Hij wordt in dezelfde mate mens, als hij kind Gods is. De H. Schrift stelt geen onderzoek in naar het wezen van de religio subjectiva, zoals die nog in alle mensen en onder alle godsdiensten wordt gevonden. Het zou ook een onbegonnen werk zijn. Want de religieuze gezindheid is in de velerlei godsdiensten zo verschillend, dat er hoogstens een zeer algemeen en vaag begrip voor aangegeven kan worden. De Schrift bestenmpelt echter die religieuze gezindheid, welke de Christen tegenover God en zijn openbaring gevoelt, met de naam van geloof. Dat is het centrale begrip in de religio subjectiva van de Christen. Over de natuur van dat geloof is in de Christelijke kerk te allen tijde groot verschil geweest. Het religieuze leven is zo rijk en diep, dat het telkens van een andere zijde kan worden beschouwd. Maar in het geloof liggen toch deze twee elementen opgesloten, ten eerste, dat de mens tegenover God en zijn openbaring geheel receptief en volstrekt van God afhankelijk is, en ten andere, dat hij juist door erkenning van deze afhankelijkheid de vergeving, het kindschap, de zaligheid uit genade deelachtig wordt. Analogie van deze religio subjectiva in het Christendom is er zeker ook bij andere godsdiensten, maar alleen in de Christelijke religie is de subjectieve relatie van de mens tot God volkomen normaal. Afhankelijkheid en vrijheid zijn hier met elkaar verzoend. De soevereiniteit Gods blijft hier ten volle gehandhaafd en de verwantschap van de mens met God wordt toch volledig erkend. De mens is te religieuzer en wordt te meer het beeld van God gelijkvormig, naarmate hij zijn afhankelijkheid dieper beseft en erkent. Daarom kunnen alle deugden ten opzichte van schepselen overdreven worden; maar met betrekking tot God is er geen overdrijving mogelijk. Men kan Hem nooit te veel geloven, vertrouwen, liefhebben enz., nooit kan ‘t geloof te veel verwachten5.

De religio subjectiva gaat door de inwerking van de religio objectiva uit haar habituele toestand in daden over. De daden zijn in- of uitwendig, en maken zo onderscheid tussen de cultus internus en externus. Religio eu cultus verhouden zich als oorzaak en gevolg. Toch is hiermee niet bedoeld, dat de cultus een vrije vinding en uiting is van de subjectieve religie. Alle eyeloyrhskeia is verboden, Mt. 15:9, Mk. 7:7, Col. 2:23 . Zowel het antinomistisch Anabaptisme als het nomistisch Romanisme is hier te vermijden. God bepaalt alleen, hoe Hij wil gediend worden. En de wedergeboorte van de door de zonde bedorven religio subjectiva, van de habitus religionis, bestaat juist daarin dat de gelovigen een oprechte lust ontvangen, om niet alleen naar sommige maar naar alle geboden van God in volmaaktheid te leven. Het is hun spijze, om de wil van de vader te doen. Jezus sprak en deed nooit iets, dan waartoe Hij een gebod van de Vader had ontvangen. Daarom legt de Schrift op het wandelen in Gods geboden, op het onderhouden van zijn inzettingen enz. zo sterk de nadruk. En daartoe wederbaart God de mens, om hem, die afkerig is van Zijn dienst, weer in het innerlijkste van zijn wezen in overeenstemming te brengen met zijn wil en wet, in de religio objectiva neergelegd. De cultus internus omvat de daden van geloof, vertrouwen, vreze, liefde, gebed, dankzegging enz., en de cultus externus openbaart zich in belijdenis, gebed, gezang, dienst van het woord en van de sacramenten, gelofte, vasten, waken enz, Deze is dus deels moreel, deels ceremonieel; en kan weer solitarius en socius zijn. In het laatste geval is hij privaat of publiek; de gemeenschappelijke, openbare cultus wordt in de kerkordeningen geregeld. In al deze religieuze handelingen is het besef van de absolute afhankelijkheid de religieuze grondgedachte, het bezielend element. Daarvan losgemaakt worden zij letterdienst, lippenwerk, koud en dood formalisme. Maar daardoor bezield, krijgen zij allen hun specifiek religieus karakter. Ook schepselen zijn voorwerp van ons geloof, van onze liefde enz. Wat al deze handelingen tot religieuze stempelt, is, dat zij ons in betrekking stellen tot een Persoon, van wie wij met alle dingen in volstrekte zin en toch weer op een eigen wijze, d.i. als redelijke schepselen afhankelijk zijn. Het wezen van de religie kan toch in niets anders gelegen zijn, dan daarin dat God juist als God wordt verheerlijkt en gedankt. Elke religie, die hierin te kort schiet, komt de eer van God te na en houdt in diezelfde mate ook op, echt religieus te zijn. Daarentegen bestaat de echte religie in een zodanige gezindheid van de mens, welke enerzijds wortelt in het diep besef van zijn volstrekte afhankelijkheid van God als Schepper, verlosser, Heiligmaker enz., en andererzijds zich uitstrekt, om naar al Gods inzettingen in oprechtheid te wandelen. Daarom is er al geen schoner omschrijving van de echte religie denkbaar, dan die in de Heidelb. Catechismus vr. 94 gegeven wordt: dat ik zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen mijde en vliede, en den enigen waren God recht lere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe, vreze en ere, zo dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen zijnen wil doe.

1 Calvijn, Instit. I 4, 1.

2 Hoornbeek, Theol. practica II 207. 213.

3 Hoornbeek, tv a. p. II 205 v.

4 Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 70 v.

5 Voigt, Fundamentaldogmatik 65 v. Aug. Dorner, Stud. u. Kr. 1883 bl. 217 Kahnis, Die luth. Dogm. 2e Ausg. 1874 I 81 v. Abr. des Amorie van der Hoeven Jr. De godsdienst het wezen van den mens, Leeuwarden, 1848 bl. 38 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept