Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

74. In de tweede plaats wordt met het streven, om de godsdienstwetenschap van alle religieuze onderstellingen los te maken, toch niet bereikt wat men beoogt. Men bedoelt er nl. mee, om aan de godsdienstwetenschap in plaats van of naast de theologie het karakter van een echte en zuivere wetenschap te geven, en gaat daarbij stilzwijgend van de onderstelling uit, dat het positivisme de ware opvatting van de wetenschap is en dat de natuurwetenschappelijke methode ook in de dusgenaamde geesteswetenschappen behoort overgenomen en toegepast te worden. Daarmee komt men voor het dilemma te staan, om de geesteswetenschappen van haar eigen karakter te beroven en ze in zuivere natuurwetenschappen om te zetten, of om ze in haar zelfstandigheid te handhaven maar dan ook openlijk uit te spreken, dat het positivistisch begrip van de wetenschap veel te eng en de natuurwetenschappelijke methode op het gebied van de geest voor geen toepassing vatbaar is. Welke term van het dilemma men kiest, wordt beheerst door de principiëele vraag, of er normen zijn, of waarheid samenvalt met of als een eigen rijk verheven is boven de werkelijkheid. Voor de behandeling van dit wijsgerig probleem is het hier de plaats niet1, maar zoveel staat toch zeker wel vast, dat de verschillende godsdiensten zichzelf altijd beschouwd hebben als onderworpen aan de categorie van waar en onwaar. De wijsgerige premisse, dat alle godsdiensten in wezen gelijk zijn en slechts in de vormen verschillen, wordt door het onbevangen, historisch onderzoek lijnrecht weersproken. Wel is de vergelijking tussen de studie van de godsdiensten en die van de talen geliefd; en er bestaat tussen beide ook in vele opzichten een treffende overeenkomst. Maar deze overeenkomst mag het verschil niet over het hoofd doen zien. In de taalstudie spreken wij niet van ketters, scheurmakers, heidenen; maar in de godsdienst treffen wij deze en dergelijke termen allerwege aan, en het is met onbevangen onderzoek in strijd, om deze van te voren als onverschillig en waardeloos ter zijde te stellen2. Het religieuze indifferentisme is om vele redenen onhoudbaar.

Alle godsdiensten toch komen formeel met elkaar overeen. Er zijn een aantal elementen, die constant in elke godsdienst terugkeren. Ten eerste is er in elke godsdienst een traditie aangaande haar goddelijke oorsprong; elke godsdienst beroept zich op openbaring; dat is het historische, het positieve bestanddeel, het bestanddeel van de traditie. Vervolgens is er in elke religie een zekere leer, waarin God aan de mens die kennis openbaart, welke tot zijn dienst onmisbaar is; deze leer wordt in de godsdienst met de naam van dogma aangeduid. Verder bevat iedere religie ook zekere wetten, welke de mens voorschrijven, wat hij te doen en te laten heeft, om met God in gemeenschap te leven; dat is de zedenleer, die iedere godsdienst meebrengt. En eindelijk is er in elke religie ook een groter of kleiner aantal ceremoniën, d.i. plechtige handelingen en gebruiken, die, in private of publieke cultus uitgeoefend, aan de gemeenschap van de mens met God een uitwendige vorm schenken en haar begeleiden en versterken; dat is het cultisch of liturgisch bestanddeel van de godsdienst. In de verschillende godsdiensten is de onderlinge verhouding van deze bestanddelen zeer verschillend; in sommige is er veel dogma en weinig cultus, in andere omgekeerd; nu eens treffen wij een rijke traditie en een gering aantal zedelijke voorschriften, dan weer het tegenovergestelde aan. Maar in alle godsdiensten zijn al de genoemde bestanddelen aanwezig; een godsdienst zonder historie, dogma, moraal, cultus en gemeenschap is er niet3. Onder deze bestanddelen van de godsdienst neemt de leer de eerste plaats in. Ook al is de gezindheid in de religie evenals in het zedelijk leven van nog zo hoge waarde, men zal met Tiele moeten toestemmen, dat de leer, welke haar vorm ook zij, de hoofdbron is voor onze kennis van een of andere godsdienst. Zij verschaft ons over wezen en karakter van een godsdienst het meeste licht. Door haar alleen weten wij, wat de mens zich voorstelt van God en van zijn betrekking tot Hem. De godsdienstige handelingen, de gebruiken van de eredienst leren mij niets, wanneer ik ze aanschouw, als ik niet door enigerlei verklaring weet, wat zij beduiden4.

Indien dit zo is, indien alle religie krachtens haar aard een kennen insluit en in haar leer de realiteit van haar object poneert, dan valt zij daarmee vanzelf onder de categorie van waar en onwaar. Religie is nooit product van gevoelen en fantasie alleen; in dat geval zou zij aan haar voorstellingen slechts een esthetische waarde hechten. Maar elke godsdienst is overtuigd van de realiteit en waarheid van zijn voorstellingen en is zonder dat geloof onbestaanbaar5. Feitelijk past ieder dan ook de categorie van waar en onwaar op de godsdiensten toe; ook de meest voraussetzungslose Religionsphilosoof gelooft niet aan de waarheid van de goden van de volken, ook al waardeert hij nog zo zeer de daarin zich uitsprekende religieuze gezindheid, en spreekt bijv. van intellectualisme, mystisch sentimentalisme, moralisme als van pathologische verschijnselen, die tegen de gezonde, levende religie overstaan6. De godsdiensten beschouwen zich zelf dan ook lang niet als indifferent tegenover elkaar; zij menen niet, dat zij een reeks vormen van lager tot hoger, maar stellen zich ieder op zijn beurt als waar tegenover elke andere godsdienst als onwaar. Frederik de Grote moge zeggen, en de godsdienstwijsgeer moge het hem naspreken: in meinem Reiche soll Jeder nach seiner Façon selig werden, de godsdiensten zelf denken er heel anders over. En zij kunnen niet anders; wat de een poneert, negeert de andere. Indien Christus de Gezondene is van de Vader, is Mohammed het niet. Indien de Roomse leer van het avondmaal de juiste is, is die van de Reformatie een dwaling. Wie anders spreekt en alle godsdiensten even waar of even vals noemt, plaatst zich in beginsel op het standpunt van de sophistiek, die in de mens de maatstaf aller dingen ziet.

In overeenstemming hiermede neemt de religio objectiva (dogma, moraal, cultus enz.) in de godsdiensten feitelijk een geheel andere plaats in, dan de wijsbegeerte van de godsdienst er gemeenlijk aan toekent. Deze beschouwt ze slechts als verschillende, wisselende uitingen van een en hetzelfde leven, en heeft er geen oog voor, dat het religieuze leven doorgaans juist onder invloed van die religio objectiva tot ontwikking komt. Alle mensen vinden haar bij hun geboorte; zij groeien erin op evenals in huisgezin en maatschappij en staat. Dit zijn allemaal objectieve instellingen en machten, die niet willekeurig uit en door de mens ontstaan, maar die hem opnemen bij zijn geboorte, hem vormen en opvoeden, en zelfs tegen zijn wil hem blijven beheersen zijn hele leven lang. Het is met de historie en de psychologie in strijd, om bij de bepaling van het wezen van de religie uit te gaan van de religio subjectiva en in de verschillende godsdiensten niets dan wisselende vormen en indifferente uitingen van het religieuze leven te zien. Op die wijze wordt de dagelijkse ervaring miskend, de macht van de religio objectiva geloochend en alle verhouding van object en subject op revolutionaire wijze omgekeerd. Zeer zeker heeft ook de religio objectiva haar oorsprong, welke opgezocht en verklaard moet worden. Maar alle godsdiensten, wier oorsprong enigermate bekend is, tonen ons, dat zij in aansluiting aan het bestaande zijn opgekomen en met heel het historisch milieu ten nauwste in verband staan. Er is geen enkele godsdienst, die zuivere schepping is van iemands religieuze gezindheid en daaruit alleen zich verklaren laat. De religio subjectiva wijzigt de bestaande religieuze voorstellingen en gebruiken, en bezielt ze dikwijls met een nieuw leven. Maar zij produceert de godsdienst niet, doch wordt zelf gewekt en ontwikkeld onder de invloed en de werking van een bestaande godsdienst. Stichters van godsdiensten zijn er daarom in eigenlijke zin niet; de religio objectiva is de haard van de religio subjectiva7. Daar komt bij, dat alle godsdiensten willen beschouwd zijn, niet als uiting en vorm van een religieuze gezindheid maar als vrucht van openbaring. Zij leiden hun oorsprong niet af uit de mens maar uit God. Men moge dit beroep op openbaring al of niet gelden laten; het feit spreekt te sterk, dan dat het zo maar als een waan veronachtzaamd zou mogen worden. Veeleer wijst het aan, dat het begrip van de openbaring onafscheidelijk met de religie verbonden is. Er is geen religie zonder openbaring. Ook de H. Schrift leidt de religio subjectiva uit openbaring af, Hebr. 1:1 . Trouwens ligt het ook in de aard van de zaak, dat religie en openbaring steeds samengaan en ten nauwste verenigd zijn. Want indien religie werkelijk bevat een leer van God en van zijn dienst, dan spreekt het vanzelf, dat God alleen mag en kan zeggen, wie Hij is en hoe Hij gediend wil worden. Hominum non est instituere et formare Dei cultum, sed traditum a Deo recipere et custodire8. Het religieuze indifferentisme gaat uit van de gedachte, dat het Gode onverschillig is, hoe Hij gediend wordt; het ontneemt Hem het recht, om de wijze van zijn dienst te bepalen, of stelt in elk geval voorop, dat God de wijze van zijn dienst niet heeft voorgeschreven. Natuurlijk kan dit indifferentisme in zake de religie zich meer of minder ver uitstrekken. Het syncretisme houdt de kerkelijke belijdenis, het deïsme houdt alle positieve godsdienst, de moderne wijsbegeerte houdt heel de religio objectiva en de morale indépendante houdt al het religieuze voor indifferent. Feitelijk en objectief is er echter niets indifferent, noch in de natuur, noch in de staat en evenmin in wetenschap of in kunst. Alles, ook het geringste, heeft zijn bepaalde plaats en betekenis in het geheel. Indifferent is de mens alleen voor wat hij niet of niet genoegzaam kent; wat hij weet, wordt ook vanzelf door hem getaxeerd en gewaardeerd. God is onverschillig voor niets, omdat Hij alles kent9.

1 Verg. mijne Christelijke Wereldbeschouwing, Kampen 1904.

2 Tiele, Inleiding tot de godddienstwetenschap I 8. 9.

3 F. A. B. Nitzsch, Lehrb. der evang. Dogm. 1889 hl. 101-108. H. Siebeck, Lehrbuch der Religionsfilosofie 1893 bl. 263 v.

4 Tiele, t. 80. p. bl. 21. 22.

5 Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. 1894 bl. 563 v. 598 v.

6 Tiele, t. a. p. bl. 8.

7 Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 123. Eisler, Krit. Einf. in die Philos. 420.

8 Conf. Helv. II art. 19.

9 Lamennais, Essai sur l’ indifférence en matière de religion, 9e éd. Paris 1835, vooral Tome I, waarvan de inleiding begint met de woorden: le siècle le plus malade n’ est pas celui, qui se passionne pour l’ erreur, mais le siècle, qui dédaigne la vérité.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept