Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

75. In de derde plaats heeft al de studie, die aan de godsdiensten besteed is, wat betreft de kennis van het wezen van de religie, tot een zeer pover resultaat geleid. Daarmee wordt volstrekt niet beweerd, dat die studie op zichzelf op geen waardering aanspraak heeft of ook in haar geheel onvruchtbaar is; het tegendeel is het geval. Maar een van de voornaamste bedoelingen, waarmee dit onderzoek ter hand genomen werd, n.l. de kennis van het algemene wezen van de religie, is er zeker niet of slechts in geringe mate door bereikt. Wat de godsdienst naar zijn wezen is, zegt Tiele in het begin van zijn Inleiding tot de godsdienstwetenschap, mag eerst de uitkomst van het gehele onderzoek zijn. Aan het einde van dat werk krijgen wij dan een definitie, die het wezen van de godsdienst omschrijft als aanbidding van de bovenmenselijke macht, waarvan wij ons afhankelijk gevoelen1. Dit resultaat munt niet door verrassende nieuwheid uit, en doet onwillekeurig de vraag opkomen, of voor zulk een uitkomst een dergelijk breed onderzoek van alle godsdiensten nodig was. En diezelfde vraag rijst op, als wij alle andere definities van het wezen van de religie voor onze aandacht laten voorbijgaan. Het zij men de godsdienst hoort omschrijven als kennis van onze plichten als goddelijke geboden (Kant), als absoluut afhankelijksgevoel (Schleiermacher), als Wissen des absoluten Geistes von sich durch Vermittelung des endlichen Geistes (Regel), als gevoel van de mens voor het oneindige (Max Muller), als aanbidding van een hoogste verstand en wil (Martineau), als geloof in een bovenzinlijke Godheid als grond en waarborg voor de verwezenlijking van het goede (Siebeck), als betoning en handhaving van de Geistigkeit van ons wezen, welke naar oneindigheid, eeuwigheid en vrijheid streeft (Eucken), als geloof in een zedelijke wereldorde (Rauwenhoff) enz., de gedachte dringt zich altijd weer op, dat de uitkomst van al de inspanning aan het zoeken naar het wezen van de religie besteed, welbeschouwd een teleurstelling is. En dat niet alleen, maar geen van deze definities, hoe algemeen en vaag ook, is geschikt, om alle godsdiensten onder zich te begrijpen; de een wordt er te zeer door verlaagd en de ander er te hoog door verheven; Tiele verdedigt zijn bepaling met het oog op de lagere natuurgodsdiensten dan ook daarmee, dat de godsdienst eerst in zijn rijpe groei zijn wezen in volle schoonheid openbaart2. Voorts zijn de definities onderling zeer verschillend; er zijn bijna even vele opvattingen van het wezen van de religie als er wijsgeren en historici zich met deze vragen hebben beziggehouden; blijkbaar staan zij allen onder invloed van de overtuigingen, welke zij bij hun onderzoek hebben meegebracht, en rusten zij veel minder op de godsdienstgeschiedenis en godsdienstwijsbegeerte dan op persoonlijke gemoedservaring. De indruk, dien men van al deze verschillende theorieën over het wezen van de godsdienst ontvangt, is, volgens het juiste oordeel van Dr. Groenewegen, kortweg deze: dat men ten aanzien van dit vraagstuk nu vrijwel is gekomen op het dode punt3.

Trouwens, de vraag zelf naar het wezen van de godsdienst is juist, omdat zij zo onbepaald is, voor geen oplossing vatbaar. Het religieuze leven is veel te diep en te rijk, dan dat het in een enkele formule zijn juiste vertolking zou kunnen vinden. De empirisch-psychologische methode, welke in de laatste tijd bij de studie van de godsdienstige verschijnselen door velen toegepast en ook door Dr. Groenewegen aanbevolen wordt, zal hierin geen verandering brengen. Hoeveel belangrijks zodanig onderzoek aan het licht kan brengen over de gesteldheid en werkzaamheid van het religieuze leven van de ziel, zij zal uit de aard van de zaak het wezen van de religie daarmee evenmin kunnen verklaren, als diezelfde methode dit kan doen ten aanzien van de normen van het denken en van het zedelijk leven. Maar ook al gelukte het, een definitie van het wezen van de religie te geven, die allen voldeed, zij zou toch nergens op neerkomen dan op een vage formule, die voor allerlei uitlegging vatbaar was en praktisch niet de minste nuttigheid had. Dit wordt bewezen door het feit, dat niemand zich met zulk een kern, wezen of geest van de godsdienst tevreden. stelt. Tiele moge zeggen dat leer en cultus evenmin tot het wezen van de godsdienst behoren als het lichaam tot het wezen van de mens, deze vergelijking gaat reeds daarom mank, omdat het lichaam wel terdege tot het wezen van de mens behoort en wordt ook overigens door de dagelijkse ervaring lijnrecht weersproken. Ieder zoekt naar een godsdienst met een dogma en moraal, met een cultus en gemeenschap. En als de moderne wijsbegeerte van de godsdienst, door haar onderzoek naar een abstract wezen van de religie, voor de godsdienstvormen onverschillig heeft gemaakt, dan heeft dit slechts deze twee vruchten gedragen: dat enerzijds de neoromantiek het oorspronkelijk wezen en de oorspronkelijke kracht van de religie is gaan zoeken in allerlei abnormale, ascetische en ecstatische verschijnselen4, en de enthousiasten is gaan verheerlijken op dezelfde wijze, als Nietzsche mannen als Nero, Cesar Borgia en Napoleon tot Uebermensen verheft; en dat men anderzijds, niet alleen in de kringen van het volk, maar ook onder de hoogste standen van de maatschappij, in spiritisme, theosofie, geestenverering, mensheidsdienst, heldencultus, ideaalvorming, ethische cultuur, kunstvergoding, en allerlei andere vormen van grovere en fijnere superstitie, een surrogaat voor de godsdienst tracht te vinden5.

En ook al vervalt men tot zulke uitersten niet, dan blijkt toch telkens het leven sterker te zijn dan de leer. Naast de wetenschap en de wijsbegeerte van de godsdienst, die dan gezegd worden volledig aan de eisen van de onbevooroordeelde wetenschap te voldoen, wordt door een achterdeur de eerst uitgedreven dogmatiek weer binnengehaald, en de taak haar opgedragen, om op wetenschappelijke wijze te beschrijven en te handhaven de inhoud van ons godsdienstig bewustzijn. Laat het nu waar zijn, dat de dogmatiek, die de geloofsinhoud beschrijft en rechtvaardigt, uit wetenschappelijk oogpunt op een wankele bodem rust, dat haar gezag en invloed veel minder van het wetenschappelijke dan van het religieuze gehalte afhangt, dat zij wel een wetenschap is maar toch die naam niet in dezelfde mate verdient als de godsdienstwetenschap, omdat zij op de grondslag van het persoonlijk geloofsleven rust, —dit alles komt voor ons doel thans minder in aanmerking en bevat in elk geval de goede, gedachte, dat de dogmatiek evenals heel de theologie een eigensoortige wetenschap is, met een eigen principium, methode en doel-;zij aanvaardt toch de geloofsinhoud als waarheid; gaat uit van de waarheld van de godsdienst, die men belijdt; spreekt over God, zijn eigenschappen, zijn wereldregering, zijn doel met de mens; zij is, in haar geloofsverzekerdheid de axiomen van het leven aanvaardende en trachtende haar “credo” als “intelligo” uit te spreken, breder, dieper en rijker dan welke metafysiek ook; de inhoud van het geloof, die zij aanvaardt, treedt op, niet slechts als het innigste, maar ook als het opperste waarheidsbewustzijn van de godsdienstige mens; het geloof is zeker van zichzelf, getuigt: ik heb de waarheid, en weerstaat, waar het moet, met zijn eurhka alle wetenschap en wijsbegeerte6. Welnu, als dat alles zo is, keert hier in formele zin geheel de oude dogmatiek terug. De concessies, eerst in de wetenschap en wijsbegeerte van de godsdienst aan de moderne, positivistische wetenschap gedaan, blijken tenslotte duidelijk niet ernstig gemeend te zijn. Als dogmatiek en godsdienstwijsbegeerte aan het einde met elkaar in strijd komen, zal voor Dr. Groenewegen, gelijk voor ieder ander, het zwaarste wegen datgene wat voor hem het zwaarste is. In naam van de geloofsverzekerdheid zal hij, als het moet, wetenschap en wijsbegeerte weerstaan, en tegenover de toonaangevende wetenschap zulk een wereldbeschouwing handhaven, waarin voor zijn godsdienst, voor het geloof aan een persoonlijk God, aan de zelfstandigheid van de geest, aan de triomf van het goede, aan een Godsrijk en een werelddoel plaats is. Zakelijk zal er tussen zijn dogmatiek en die van anderen een groot verschil bestaan. Maar formeel handelt hij op dezelfde wijze als ieder dogmaticus en als ieder gelovige. Alleen, wat Dr. Groenewegen aan het einde zegt, plaatst de Gereformeerde dogmaticus, uit overtuiging en eerlijkheidshalve, aan het begin: het geloof, dat wij belijden en waaraan de zaligheid van onze ziel hangt, dringt ons, om van de moderne, positivistische wetenschap te vragen, dat zij zichzelf herziet en aan godsdienst en Christendom, aan theologie en dogmatiek de plaats niet betwist, die aan deze verschijnselen en wetenschappen rechtens toekomt.

1 Tiele, t. a. p. II 179.

2 Tiele, t. a. p. II 179.

3 Groenewegen, De Theol. en hare wijsbegeerte bl. 67-71. Harnack, Das Wesen des Christ. 1902 bl. 6.

4 Duhm, Das Geheimnis in der Religion. Tüb. 1896. Chamberlain, Die Grundlagen des 19 Jahrh4. München 1903.

5 Druskowitz, Moderne Versuche eines Religionsersatzes. Heidelberg 1886. Heman, Ueber wissens. Versuche neuer Religionsbildungen. Bazel 1884. E. Haack, Die modernen Bemühungen um eine Zukunftreligion. Leipz. 1903. E. L. Fischer, Die modernen Ersatzversuche für das aufgegebene Christentum. Regensburg 1902. Weisz, Die religiöse Gefahr. Freiburg 1904.

6 Groenewegen, t. a. p. 55 v. 81 v. 89. 97 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept