Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

84. De grote verwarring, die er in het bepalen van wezen en begrip van de openbaring heerst, spruit voor een groot deel daaruit voort, dat ook zij nog van openbaring blijven spreken, die er krachtens hun beginsel en standpunt het recht toe hebben verloren. Wel is deze handhaving van het oude spraakgebruik een bewijs, dat het begrip openbaring een waarde vertegenwoordigt, die ook buiten de Christelijke theologie door velen erkend wordt, maar zij werkt toch het misverstand en de verwarring in de hand. Openbaring is toch geen klank zonder inhoud, geen neutrale vlag, die allerlei lading dekken kan, maar een woord, dat een bepaald begrip meebrengt. Openbaring is in het algemeen mededeling of bekendmaking van iets, dat nog niet bekend is, en sluit dus op religieus terrein drie elementen in:

1. het bestaan van een persoonlijk, goddelijk wezen, dat bekendmaakt,

2. een waarheid, een feit, een gebeurtenis, die tot dusver nog niet bekend was, en

3. een menselijk wezen, waaraan de bekendmaking geschiedt.

Wanneer wij deze elementen vasthouden, spreekt het vanzelf, dat er op het standpunt van het naturalisme van geen openbaring sprake kan zijn. Het woord naturalisme wordt echter in verschillende zin verstaan. Indien men geen andere natuur kent dan de stoffelijke wereld, aan de geest de zelfstandigheid ontzegt en al het psychische uit het fysische verklaart, valt naturalisme met materialisme samen. En het valt licht in te zien, dat deze richting voor openbaring in geen enkele zin ruimte overlaat. Haeckel mag er nog van blijven spreken, voor hem is natuurkennis met de daaruit afgeleide redelijke besluiten de enige waarheid. Als God niet bestaat en naar Feuerbachs gezegde de antropologie het geheim van de theologie is, dan zijn religie en openbaring daarmee vanzelf geoordeeld en niets dan een verzinsel van de menselijke fantasie. De cultus van het ware, goede en schone moge dan met de naam van een nieuwe religie bestempeld worden, ieder erkent dat daarmee het woord religie in een betekenis gebezigd wordt, welke er ten enemale vreemd aan is. En zo is het op dit standpunt ook met het gebruik van het woord openbaring gesteld. Aan niemand kan of mag het gebruik van dit woord verboden worden, maar er moet toch een begrip bij het woord staan, indien er van nauwkeurige, wetenschappelijke redenering sprake zal kunnen zijn. In de tweede plaats kan de naam van naturalisme gegeven worden aan die richting, welke wel geen transcendent, persoonlijk God erkent, maar toch in de wereld stof en geest onderscheidt en beide beschouwt als verschijningen van een immanente, onpersoonlijke, almachtige en eeuwige kracht; in dit geval is naturalisme met pantheïsme identiek. Maar ook bij deze richting is er voor openbaring in eigenlijke zin geen plaats. Wel is er hier de erkenning, dat de inhoud van het zijn niet met de verschijning samenvalt, en dat er een “iets” is, dat achter de verschijnselen ligt en daarin voor ons openbaart wordt; maar dit is toch geen openbaring in de gewone zin van het woord. Want ten eerste weet het pantheïsme niet, wat dat “iets” is, hetwelk achter de verschijnselen ligt, en duidt het daarom met allerlei namen van natuur, substantie, rede, wil, kracht enz. aan, waarbij zich alles en niets denken laat; het leert een openbaring, die niets openbaart. Ten tweede kan het hoogstens alleen van een openbaar worden, van een openbaar zijn, van een onbewust en ongewild verschijnen spreken, maar niet van openbaring, welke, als mededeling of bekendmaking, altijd een bewuste, gewilde handeling is. Bij een mens kan men van openbaring spreken, omdat hij zich, bijv. door zijn woord, kan doen kennen; maar niemand zal op een dier, een plant of een steen het woord openbaring toepassen, omdat hun innerlijk zijn in de verschijning naar buiten treedt. Openbaring en religie onderstellen altijd, dat God en mens onderscheiden zijn, en desalniettemin in een bepaalde verhouding tot elkaar staan. De religie is, gelijk het historisch onderzoek van alle godsdiensten leert, een relatie van de mens tot een persoonlijk God en houdt om die reden op te bestaan, als God en mens in wezen één zijn. En ook is volgens datzelfde historisch onderzoek de openbaring een daad Gods, waardoor Hij zich aan de mens mededeelt en bekendmaakt. Daarom zijn openbaring en religie ook niet twee zijden van dezelfde zaak, gelijk Hegel, Hartmann, Drews e. a. het voorstellen, maar twee onderscheiden verhoudingen en betrekkingen, die echter met elkaar in nauw verband staan en waarvan de een zonder de andere onmogelijk is.

In de derde plaats kan onder naturalisme verstaan worden die richting, welke meer bekend is onder de naam van deïsme, rationalisme of antisupranaturalisme. Op dit standpunt erkent men wel een persoonlijk God, gelooft ook aan een algemene openbaring in natuur en geschiedenis, in verstand en hart van de mens, maar bestrijdt de noodzakelijkheid, mogelijkheid en werkelijkheid van een bijzondere, bovennatuurlijke openbaring. Hier heeft men inderdaad een openbaring in eigenlijke zin, een daad Gods, waardoor Hij zich aan de mens bekend maakt. Maar zodra het deïsme en ook het moderne theïsme met deze erkenning van een algemene openbaring ernst maakt, kan het zijn positie niet handhaven en moet het vooruit of achteruit. Want als er een persoonlijk, alwetend, almachtig God bestaat, dan spreekt het vanzelf, dat Hij nooit iets onbewust, maar alles altijd met gedachte doet en bij alles een doel heeft. Openbaring is dan nooit een onbewuste emanatie, een onwillekeurige doorschijning van God in zijn werken, maar altijd een vrij, opzettelijk, actief zich kenbaar maken aan de mens. De wijzen en vormen, waaronder God zich openbaart, kunnen verschillend zijn, evenals de ene mens aan de ander op verschillende manieren zich kenbaar maken kan. God kan rechtstreeks en onmiddellijk zich openbaren, en Hij kan daarbij van gewone of van buitengewone middelen zich bedienen. Deze vormen zijn in zekere zin van ondergeschikte, omdat instrumentele betekenis. Maar altijd is de openbaring, hetzij ze op gewone of ongewone wijze tot ons komt, een daad van Gods zijde. Wie nu onder de openbaring een bewuste, vrije daad Gods verstaat, waardoor Hij zich aan de mens bekend maakt, die is in beginsel supranaturalist, hij mag de mogelijkheid van een bijzondere openbaring in profetie en wonder aannemen of niet. De kwestie van het naturalisme en het supranaturalisme wordt niet eerst bij de zogenaamde bovennatuurlijke openbaring, maar wordt eigenlijk reeds hier bij de ingang, bij het begrip van de openbaring in algemene zin, beslist. Het deïsme is onhoudbaar, er is maar keuze tussen het theïsme en het pantheïsme (materialisme). In het laatste geval is ook de algemene openbaring niet te handhaven, en in het eerste geval vervalt alle reden, om een algemene openbaring aan te nemen en een bijzondere te bestrijden. Het theïsme is vanzelf supranaturalistisch, nog niet dadelijk in de historische betekenis van dit woord, maar wel in deze zin, dat het een transcendent, persoonlijk God aanneemt en dus een jenseitige wereld, een ordo supra hanc naturam erkent, waarvan, op welke wijze dan ook, een werking in deze wereld uitgaat. Religie, openbaring, supranaturalisme en theïsme hangen onverbrekelijk met elkaar samen; ze staan en vallen met elkaar. Maar voorts is het ook nog supranaturalistisch in deze zin, dat het het recht heeft verloren, om principiëel een bijzondere openbaring te bestrijden. Want indien het theïsme aan zichzelf getrouw blijft en niet in pantheïsme vervalt, houdt het de creatie en de providentie staande. Indien God echter de wereld geschapen heeft en nog steeds door zijn voorzienigheid onderhoudt en regeert, dan ligt daarin opgesloten, dat God absoluut boven de wereld verheven is en haar gebruiken kan gelijkerwijs Hij wil. Schepping en voorzienigheid beide bewijzen dan, dat God zich kan en dat Hij zich wil openbaren. De wereld is dan geen tweede god, geen anti-goddelijke macht, die onwillig of ongeschikt is, om het goddelijke in zich op te nemen, maar een instrument, door God zelf bereid, om zijn heerlijkheid te openbaren en daardoor zichzelf aan de mens bekend te maken. Ook dit laatste kan door het theïsme niet worden ontkend. Als er werkelijk een openbaring Gods is, dan heeft zij wel niet alleen maar toch ook ten doel, dat de mens daaruit God leert kennen en Hem liefhebben en dienen. Nu kan er verschil over bestaan, of de openbaring, welke in de natuur tot ons komt, daartoe nog voldoende is. De noodzakelijkheid en werkelijkheid van een bijzondere openbaring blijft vooralsnog in geschil. Maar haar mogelijkheid kan op theïstisch standpunt niet worden betwist.

Tot hiertoe werd nog slechts geredeneerd uit het begrip van de openbaring, gelijk het in het woord naar het spraakgebruik opgesloten ligt. Maar van meer gewicht is de vraag, of er zulk een openbaring, in de zin dus van een bewuste en vrije bekendmaking door God van zichzelf aan de mens, bestaat, en hoe wij dat te weten kunnen komen. Het verschillend antwoord, op deze vraag naar de methode gegeven, is een tweede oorzaak van de grote onenigheid, welke in filosofie en theologie over wezen en begrip van de openbaring bestaat. Evenals bij het onderzoek naar het wezen van de religie, wordt ook hier bij de poging om te weten te komen, wat openbaring is, door velen de religionsgeschichtliche methode als de enig ware aanbevolen. Alle godsdiensten beroepen zich immers op openbaring; het zou bevooroordeeld en onwetenschappelijk zijn, om reeds a priori ten gunste van één godsdienst uitspraak te doen en alle andere godsdiensten als valse te verwerpen. Wetenschappelijk kan alleen zulk een methode zijn, waarbij de onderzoeker, om zo te zeggen, buiten de godsdiensten en buiten hun ware of vermeende openbaringen positie neemt, onbevooroordeeld, als een rechter die buiten en boven de partijen staat, hen alle aan het woord laat komen, en daarna een zelfstandige uitspraak doet. Deze methode werd reeds vroeger besproken en weerlegd; thans zij het genoeg, om met het oog op het te onderzoeken openbaringsbegrip het volgende kort in herinnering te brengen. Het is inderdaad een verbijsterend feit, dat alle godsdiensten zich op openbaring beroepen en zich op die grond voor de ware uitgeven. Ofschoon niet goed te keuren, is het toch te begrijpen, dat velen met Lessing op het standpunt van het indifferentisme zich terugtrekken en zich trachten te troosten met de gedachte dat het er niet toe doet, wat men gelooft, mits men maar goed leeft. Maar deze troost blijkt toch spoedig ijdel te zijn. Want behalve dat de godsdienst zich zo toch niet opzij laat zetten, leert de studie van de volkeren, dat de mensheid evenzeer over de moraal en het recht als over de godsdienst verdeeld is. En al neemt de wetenschappelijke onderzoeker een zogenaamd neutraal standpunt in, aan dit ontzaglijke feit van de verdeeldheid van de mensheid over haar hoogste belangen en goederen verandert hij daarmee niets. Alle mensen, ook de manen van de wetenschap, hebben dit feit te erkennen; en zij kunnen dit alleen, wanneer zij er met Paulus een gevolg in zien van de verduistering van het verstand, een kruis, dat door de zonde aan de mensheid te dragen is opgelegd. Geen wetenschap, hoe voraussetzungslos ook, is in staat of zal ooit in staat blijken, om deze verdeeldheid te niet te doen en bij alle volken en mensen eenheid te brengen in de diepste overtuigingen van het hart. Indien er ooit eenheid zal komen, zal deze in de weg van de zending verkregen moeten worden; eenheid van godsdienst alleen zal de geestelijke eenheid van de mensheid tot stand kunnen brengen. Zolang er verschil in godsdienst is, zal ook de wetenschap het ideaal van de eenheid niet kunnen bereiken.

Indien de wetenschap heden ten dage dikwijls anders oordeelt, vergist zij zich in tweeërlei opzicht. Ten eerste daarin, dat zij meent, dat het godsdienstig geloof, ook het geloof aan een openbaring, op wetenschappelijke gronden rust en dus ooit door wetenschappelijke argumenten ontworteld zou kunnen worden; en ten andere in dit opzicht, dat ze leeft in de waan, alsof zij zelf ooit buiten de historie positie zou kunnen nemen en in dezen zin onbevooroordeeld en onpartijdig zou kunnen zijn. Evenals het onderzoek naar het wezen van de godsdienst, leidt ook dat naar het openbaringsbegrip in de verschillende godsdiensten tot geen ander resultaat, dan dat men een vage abstractie verkrijgt, waaraan niemand iets heeft, of dat men een begrip aan de hand doet, hetwelk reeds te voren als overtuiging bij de onderzoeker vaststond. Feitelijk drijft men zo een onwaardig spel met de wetenschap, en veel eerlijker en ook veel wetenschappelijker is het, om van te voren te zeggen, welke overtuigingen ons bij het onderzoek hebben geleid. Zonder zulk een overtuiging komt men toch in de studie van de godsdienst en van de openbaring niet uit. Om de openbaring in de verschillende godsdiensten te onderzoeken, hebben wij een maatstaf van nodig. Brengen wij zulk een maatstaf niet mee, hetgeen echter feitelijk onmogelijk is, dan zijn wij ten prooi aan de eindeloze verdeeldheid, die de geschiedenis van de godsdiensten te aanschouwen geeft en worden wij tenslotte tot het doen van een keuze onbekwaam. Nu is echter de openbaring niet een wijsgerig, maar een religieus begrip. De wetenschap kan en mag van te voren niet zeggen, wat openbaring is en welke feiten daaraan beantwoorden; zij zou dan haar bevoegdheid te buiten gaan en aan de grootste partijdigheid tegenover de godsdiensten zich schuldig maken. Het ware begrip van de openbaring kan alleen aan deze zelf worden ontleend; indien er geen openbaring ooit heeft plaats gehad, is alle nadenken over haar begrip vergeefse arbeid; indien zij een feit is, moet zij en zij alleen ons het begrip aan de hand doen en de maatstaf ons aanwijzen, die wij bij het onderzoek van de godsdiensten en van de openbaringen hebben aan te leggen. Het beroep op openbaringen, dat wij in alle godsdiensten aantreffen, kan voor de Christen geen argument zijn, om van zijn overtuiging aangaande de waarheid van de Christelijke religie, hetzij in zijn persoonlijk leven, hetzij bij zijn wetenschappelijk onderzoek, afstand te doen, evenmin als een logisch denkend of ethisch of esthetisch mens zijn overtuigingen aangaande de denk- of zede- of schoonheidswet prijs zal geven, omdat er duizenden zijn, die zeggen, dat waarheid, deugd en schoonheid slechts relatieve begrippen zijn en in de mens zelf haar maatstaf hebben. Natuurlijk zal een Mohammedaan, een Boeddhist enz. op dezelfde wijze redeneren en van zijn geloof bij de studie van de godsdiensten uitgaan. Maar dat blijft voor zijn rekening; een ieder zij in dit opzicht in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd; de gedeeldheid in het leven is een feit, dat wij niet ongedaan kunnen maken, en dat ook in de wetenschap doorwerkt. Een wetenschap echter, die, natuurlijk niet door dwang maar uit vrije overtuiging, bij het Christelijk geloof zich aansluit, zal in de strijd tussen de godsdiensten meer vermogen en krachtiger arbeiden aan de geestelijke eenheid van de mensheid, welke in de eenheid Gods gewaarborgd is en de hoop van alle godsdienst uitmaakt, dan een wetenschap, welke in indifferentisme heil zoekend, met godsdienst en openbaring geen weg weet en beide aan het bijgeloof prijsgeeft.

Deze methode, die van het geloof uitgaat en feitelijk door ieder toegepast wordt, verschaft aan hem, die op de bodem van de Christelijke belijdenis staat, dadelijk dit grote voordeel, dat hij niet a priori door zijn denken vaststelt wat openbaring is, maar het antwoord op die vraag zoekt bij de woorden en feiten, welke in het Christendom als bestanddelen van de openbaring zich aanbieden en in de H. Schrift vermeld worden. Niet speculatief maar positief gaat hij te werk; hij schrijft aan God niet voor, of Hij en hoe hij zich mag openbaren, maar hij luistert naar hetgeen God hem dienaangaande zelf te zeggen heeft. De volgende paragrafen hebben zich dus bezig te houden met wat de H. Schrift over openbaring, over haar subject en object, over haar wezen en inhoud, over haar wijze en bedoeling leert.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept