Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

89. Doch de revelatio generalis heeft niet alleen voor de heidenwereld, maar ook nog in en voor de Christelijke religie betekenis. Haar waarde is echter niet daarin gelegen, dat zij ons een theologia of religio naturalis, een moralische Vernunftglauben verschaft, die op zich zelf voldoende zou wezen en al het positieve in de godsdienst zou kunnen missen. Zulk een religio naturalis wordt er nergens gevonden en is ook niet bestaanbaar. Evenmin is het de bedoeling van de revelatio generalis, dat de Christen uit haar zijn eerste kennis over God, wereld en mens zou putten, om deze dan later aan te vullen met de kennis van Christus. Ritschl en zijn volgelingen stellen het zo voor, alsof de vroegere dogmaticus in de loci de Deo en de homine de stof alleen nam uit de revelatio generalis, en dan de stof voor de volgende loci eerst putten ging uit de H. Schrift. De dogmaticus zou dan eerst staan buiten en voor het Christelijk geloof, en dan bij de latere dogmata in dat geloof zijn positie nemen1. Maar dit is de methode van de reformatorische dogmatiek, althans in het begin niet geweest. Als de Christen zijn geloof belijdt in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en van de aarde, dan is dat in de volle zin Christelijk geloof. En de dogmaticus ontdoet zich niet eerst van dit zijn geloof, om uit de algemene openbaring een redelijke leer over God en de mens samen te stellen en deze later met de openbaring in Christus aan te vullen. Maar hij put zijn kennis enkel en alleen uit de revelatio specialis, d.i. uit de H. Schrift. Deze is zijn principium unicum. Maar hij beperkt deze bijzondere openbaring niet tot de persoon van Christus, gelijk die in enkele gedeelten van de Schrift, bijv. in de Synopt. Evangeliën of alleen in de Bergrede getekend wordt. De hele openbaring, die in de Schrift is samengevat, is een revelatio specialis, welke in Christus tot ons komt. Christus is middelpunt en inhoud van heel die bijzondere openbaring, welke bij het Paradijs begint en in de Apocalyps zich voltooit. De bijzondere revelatie heeft nu de algemene erkend en gewaardeerd, en heeft ze zelfs overgenomen en als het ware geassimileerd. En zo doet ook de Christen, zo ook de dogmaticus. Hij staat in het Christelijk geloof, in de revelatio specialis en ziet van daar uit ook in de natuur en geschiedenis. En nu ontdekt hij daar sporen van diezelfde God, die hij in Christus leerde kennen als zijn Vader. Juist als Christen, door het geloof, ziet hij de openbaring Gods in de natuur veel beter en duidelijker, dan hij ze vroeger opmerken kon. De psychische mens verstaat de spraak van God in de natuur en de geschiedeis niet. Hij doorzoekt het hele heelal, zonder God te vinden. Maar de Christen, gewapend met de bril van de H. Schrift2 ziet God in alles en alles in God. Daarom treffen we in de Schrift een natuurpoëzie en een geschiedbeschouwing aan, zoals die nergens wordt gevonde. De gelovige vindt zich dus met zijn Christelijke belijdeis ook in de wereld terecht; hij is er geen vreemdeling in, en ziet daar geen andere God heersen, dan die hij in Christus als zijn Vader aanroept. Door die algemene openbaring voelt hij zich in de wereld thuis; het is Gods vaderlijke hand, uit welke ook in het natuurlijke alle dingen hem toekomen.

In die algemene openbaring heeft hij verder een vaste bodem, waarop hij alle niet-Christenen ontmoeten kan. Hij heeft eenzelfde grondslag met hen gemeen. Door zijn Christelijk geloof mag hij een geïsoleerde positie innemen, hij mag zijn geloofsovertuigingen niet aan anderen kunnen bewijzen; in de algemene openbaring heeft hij toch een aanknopingspunt met al wie de naam van mens draagt. Gelijk de klassieke propaedeuse een gemeenschappelijke basis legt bij alle mannen van wetenschap, zo houdt de algemene openbaring alle mensen samen ondanks alle verschil van religie. Subjectief is bij de gelovige de kennis Gods uit de natuur posterieur aan die uit de H. Schrift. Wij worden allen in een bepaalde positieve godsdienst geboren. Alleen het oog van het geloof ziet God in de schepping; ook hier geldt, dat slechts de reine van hart God ziet. Maar objectief gaat toch de natuur aan de genade, de revelatio generalis aan de revelatio specialis vooraf; gratia praesupponit naturam3. De ontkenning, dat de religio en theologia naturalis voldoende is en een eigen, zelfstandig bestaan heeft, doet niets te kort aan het feit, dat er uit de schepping, uit natuur en geschiedeis, uit hart en geweten een sprake Gods komt tot iedere mens. Aan de macht van de revelatio generalis ontkomt niemand. De religie behoort tot het wezen van de mens. De idee en de existentie van God, de geestelijke zelfstandigbeid en de eeuwige bestemming van de mens, oorsprong en doel van de wereld, de zedelijke wereldorde en haar eindelijke triomf zijn al te zamen problemen, die de menselijke geest geen rust laten. Het metafysische Bedürfniss laat zich niet onderdrukken. De wijsbegeerte zoekt altijd weer er aan te voldoen. Het is de revelatio generalis, die deze behoefte levendig houdt. Zij belet, dat de mens zich verlaagt tot een dier. Zij bindt hem aan de bovenzinlijke wereld. Zij handhaaft in hem het besef, dat hij naar Gods beeld is geschapen en geen rust vindt dan in God. De revelatio generalis bewaart de mensheid, opdat en totdat zij door Christus gevonden en hersteld wordt. Inzover werd de theologia naturalis vroeger terecht een praeambula fidei, een goddelijke voorbereiding en opvoeding tot het Christendom genoemd. De algemene openbaring is de grondslag, waarop de bijzondere zich verheft.

En eindelijk komt de rijke betekenis van de algemene openbaring nog daarin uit, dat zij natuur en genade, schepping en herschepping, de Welt der Wirklichkeit en de Welt der Werthe met elkaar in onverbrekelijk verband houdt. Zonder de algemene openbaring verliest de bijzondere de samenhang met heel het kosmische zijn en leven. Dan ontbreekt de schakel, die het rijk van de natuur en het koninkrijk van de hemelen aan elkaar verbindt. Wie met de kritische filosofie de revelatio generalis ontkent, doet vergeefse moeite, om langs de weg van de praktische Vernunft of van de fantasie te herwinnen, wat hij verloor. Hij heeft het steunpunt voor zijn geloof verloren. Het religieuze leven staat dan los naast het gewone, menselijke zijn; het beeld van God wordt een donum superadditum; de religie wordt evenals bij de Socinianen vreemd aan de menselijke natuur; het Christendom wordt een sectarisch verschijnsel en van zijn katholiciteit beroofd; de genade in één woord staat vijandig tegenover de natuur. Consequent is het dan, om met de ethische modernen een radicale scheiding aan te nemen tussen de macht van het goede en de natuurmacht. Ethos en physis liggen totaal gescheide. De wereld der Wirklichkeit en die van de Werthe hebben niets met elkaar te maken. In beginsel wordt daarmee het Parsisme, het Manicheïsme vernieuwd. Daarentegen handhaaft de revelatio generalis de eenheid van natuur en genade, van wereld en Godsrijk, van de natuurlijke en de zedelijke orde, van schepping en herschepping, van physis en ethos, van deugd en geluk, van heiligheid en zaligheid, en in dit alles de eenheid van het goddelijk Wezen. Het is een en dezelfde God, die in de algemene openbaring zich aan niemand onbetuigd laat, en die in de bijzondere openbaring zich kennen doet als een God van genade. Algemene en bijzondere openbaring werken dus op elkaar in. Praemisit Deus naturam magistram, submissurus et prophetiam, quo facilius credas prophetiae discipulus naturae (Tertullianus).

Natura praecedit gratiam, gratia perficit naturam. Ratio perficitur a fide, fides supponit naturam4.

1 Ritschl, Rechtf. u Vers. III2 4.

2 R. de Sabunde, Theol. Natur. in de Prologus. Calvij.n, Inst. I 6, 1.

3 Overeenkomstig deze objectieve orde behoort de dogmaticus de revelatio generalis vóór de revelatio specialis te bespreken, en niet omgekeerd, zoals Kartan wil, Dogmatik bl. 40 v.

4 Verg. Hotstede de Groot, Institutio theol. nat. ed. 4. 1861. Scholten, Leer der Herv. Kerk, 4e dr. I bl. 270 v. Kuyper, Nat. Godskennis, Uit het Woord III. Voigt, Fund. dogm. 172 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept