Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 11. Bijzondere openbaring.

Fritzsche, De revelationis notione biblica comm. Lips. 1828. Werken over de Theologie des O. T. van Oehler, Schultz, Dillmann, Smend, Marti, A. B. Davidson, The Theol. of the old Test., ed. by S. D. F. Salmond. Edinburgh Clark 1904. König, Der Offenbarungsbegriff des A. T. 2 Theile, Leipzig 1882. W. Lotz, Geschichte und Offenbarung im A. Test2. Leipzig 1892. Kähler, art. in PRE3 XIV 339-347. Nitzsch. Lehrb. der ev. Dogm. 124 v. W. Schmidt, Dogm. I 301 v. Von Oettingen, Luth. Dogm. I 83 v. Voigt, Fundamentaldogm. 184 v. Kuyper, Encycl. II 429 v. Riemens, Het begrip der openbaring in het Christendom. Utrecht 1905.

90. De historie leert, dat geen enkele religie aan de algemene openbaring genoeg heeft. Ook de Christelijke religie beroept zich op een bijzondere openbaring, en de Schrift is het boek der revelatio specialis. De woorden, waarmee zij het begrip der openbaring uitdrukt, zijn voornamelijk deze: hlg ontdekken, ni. ontdekt worden, zich vertonen, verschijnen, geopenbaard worden, Gen. 35:7, 1 Sam. 2.27; 3:21, Jes. 53:1; 56:1, Hos. 7:1 enz.; har zien, ni. gezien worden, zich vertonen, schijnen, Gen. 12:7; 17:1; 18:1, enz.; ery kennen, ni. pi. hi. hithp. bekend maken, onderwijzen, Num. 12:6. epifainein, verschijnen, Luk. 1:79, Tit. 1:11; subst. epifaneia, verschijning, vooral van Christus in zijn wederkomst, 2 Thess. 2:8, 1 Tim. 6:14, 2 Tim. 4:1, Tit. 2:13, 2 Tim. 1:10, van Christus’ eerste komst; emfanizein, openbaar, zichtbaar maken, pass. zich vertonen, verschijnen, Matt. 27:21-22; Joh. 14:21-22; gnwrizein, bekend maken, Luk. 2:15, Rom. 9:22, Ef. 3:3, 5, 10; dhloun, bekend maken, 1 Petr. 1:11, 2 Petr. 1:14; deiknunai, tonen Joh. 5:20. lalein, spreken, Hebr. 1:1; 2:2; 5:5; vooral ook apokaluptein en faneroun. Beide woorden zijn niet te onderscheiden als subjectieve, inwendige verlichting en objectieve, uitwendige vertoning of openbaarmaking, gelijk Scholten meende1, want apokaluptein wordt meermalen van objectieve openbaring gebezigd, Luk. 17:30, Rom. 1:17-18; 8:18, Ef. 3:5, 2 Thess. 2:3,6,8, 1 Petr. 1:5, 5:1. Ook ligt het onderscheid niet daarin, dat faneroun de algemene openbaring Gods in de natuur, en apokaluptein de bijzondere openbaring der genade aanduidt, gelijk Neander oordeelde2; want faneroun wordt menigmaal van de bijzondere openbaring gebezigd, Joh. 17:6, Rom. 16:26, Col. 1:26, 1 Tim. 3:16, 2 Tim. 1:10 enz.; en apokaluptein komt, Rom. 1:18, ook van de algemene openbaring voor. Een constant verschil in het gebruik van beide woorde laat zich in het Nieuwe Testament moeilijk aanwijzen. Maar etymologisch geeft apokaluptein te kennen het wegnemen van het bedeksel, waardoor een voorwerp verborgen was, en faneroun het openbaar maken van een zaak, die verborgen of onbekend was. Bij het eerste valt daarom de nadruk op het uit de weg ruimen van de verhindering, die het kennen van het verborgene belet; op het mysterieus karakter van datgene, hetwelk tot dusver niet ingezien werd; en op de goddelijke daad, die dat deksel wegnam en het mysterie deed verstaan. Het tweede woord wijst in het algemeen aan, dat iets, hetwelk verborgen en onbekend was, nu openbaar is geworden en in het licht is getreden. Apokaluqiv neemt de oorzaak weg, waardoor iets verborgen was. fanerwsiv maakt de zaak zelf openbaar. Daarmee hangt samen, dat fanerwsiv altijd van objectieve, apokaluqiv beide van objectieve en subjectieve openbaring wordt gebezigd; dat fanerwsiv meermalen èn de algemene èn de bijzondere openbaring aanduidt, maar apokaluqiv meest altijd de bijzondere en slechts een enkele maal de algemene. En beide woorden zijn van gnwrizein en dhloun weer zo onderscheiden, dat de beide eerste de dingen in ‘t licht doen treden, onder de waarneming brengen, en de beide laatste ze ten gevolge daarvan nu ook maken tot inhoud van ons denkend bewustzijn3.

De Christelijke religie komt dus daarin met alle historische godsdiensten overeen, dat zij zich beroept op openbaring. Maar de overeenkomst strekt zich nog verder uit, tot in de vormen en wijzen toe, waarop de openbaring geschiedt. Alle openbaringsmiddelen kunnen tot een drietal worden herleid. In de eerste plaats verlangt het religieus geloof een God van nabij en niet van verre, Hand. 17:27 ; het was daarom te allen tijde overtuigd van verschijning van goden in een of andere gedaante, onder een of ander teken, op een of andere plaats. Heilige plaatsen, heiligen tijden, heilige beelden zijn er bijna in iedere godsdienst. De goden zijn niet aan de mensen gelijk en leven niet met hen op gelijke voet; het profane gebied is van het gewijde afgezonderd; maar de goden wonen toch bij en onder de mensen op bepaalde plaatsen, in bijzondere voorwerpen, en delen hun zegen op bepaalde tijden mee. De idololatrie, opgevat in de ruimste zin, is geboren uit de behoefte aan een God van nabij4. In de tweede plaats is aan alle religies het geloof eigen, dat de goden op een of andere wijze hun gedachte en hun wil openbaren, hetzij door mensen als hun organen, zoals waarzeggers, orakels, dromers, dodenvragers, geestenzieners enz., hetzij kunstmatig en uitwendig door de sterren, de vlucht van vogels, de ingewanden van offerdieren, het spelen van de vlam, de lijnen van de hand, het toevallig opslaan en openvallen van een boek enz., mantikh, divinatio. Nemo vir magnus sine afflatu divino unquam fuit5. En eindelijk is in alle godsdiensten het geloof aanwezig aan bijzondere tussenkomst en hulp van de goden in tijden van nood; algemeen verbreid is de magie, d.i. die kunst, waardoor mensen met mysterieuze middelen, heilige woorden, formulen, amuletten, dranken enz. de goddelijke kracht aan zich dienstbaar maken en wonderbare werkingen te voorschijn brengen6. Theophanie, mantiek en magie zijn de wegen, waarlangs alle openbaring tot de mens komt. Dit algemeen religieus geloof aan verschijning, voorspelling en wonder is zeker niet, in elk geval niet uitsluitend, uit bedrog of demonische werking, noch ook uit onbekendheid met de natuurorde te verklaren, maar is een noodzakelijk element in alle religie. De religieuze behoefte zoekt bevrediging; en waar ze deze niet vindt in een haar tegenkomende, reëele openbaring van God, zoekt ze haar in de weg der eyeloyreskeia. Zij neemt die geheimzinnige krachten in de mens zelf of buiten hem in de natuur in dienst, welke hem in rapport kunnen brengen met een bovennatuurlijke wereld. De superstitie is de bastaardvorm van de echte religie. Het bijgeloof is de karikatuur van de pistiv. De hedendaagse verschijnselen van spiritisme, theosofie, telepathie, magnetisme, hypnotisme enz. strekken hiervan ten bewijze, en tonen misschien ook aan, dat er in de zogenaamde nachtzijde van de menselijke natuur krachten verscholen liggen, welke een meer onmiddellijk rapport bewerken kunnen met een bovenzinlijke wereld en in elk geval het geloof aan zodanig rapport, zonder de hypothese van opzettelijk bedrog enz., genoegzaam kunnen verklaren. There are more things in heaven and earth, than are dreamt of in your filosofy (Shakespeare). De H. Schrift schijnt aan dergelijke verschijnselen niet alle realiteit te ontzeggen, Gen. 41:8, Ex. 7:8, Deut. 13:1-2, Matt. 7:22; 24:24, 2 Thess. 2:9, 2 Tim. 3:8, Openb. 13:13-15. Maar de religie in Oude en Nieuwe Testament wil beslist met alle deze godsdienstige verschijnselen niets gemeen hebben. Zij staat er principiëel tegenover. Zij erkent noch duldt ze, zij verbiedt ze ten stelligste, Lev. 19:26,31; 20:27, Num. 23:23, Deut. 18:10,11, Hand. 8:9, 13:6, 16:16, 19:13 v., Gal. 5:20, Openb. 21:8, 22:15. Profeten en apostelen komen er ten sterkste tegen op, om op gelijke lijn geplaatst te worden met de heidense waarzeggers en tovenaars. Er mag soms, b.v. in de verschijningen aan de aartsvaders, overeenstemming van vorm zijn, maar er is verschil in wezen. Theofanie, mantiek, magie zijn evenals offerande, tempel, priesterschap, cultus enz. essentiëele elementen in de religie. Ze komen daarom in alle godsdiensten, ook in die van Israël, en in het Christendom voor. Ook de Christelijke religie heeft haar offerande, Ef. 5:2, haar priester, Hebr. 7, haar tempel, 1 Cor. 3:16 enz. Het onderscheid tussen het Christendom en de andere godsdiensten ligt niet daarin, dat al deze noodzakelijke elementen van de religie daar ontbreken, maar is hierin gelegen, dat al wat in het Heidendom voorkomt in karikatuur, in Israël tot schaduw en beeld, en hier tot waarachtige, geestelijke realiteit is geworden. Daardoor laat zich verklaren, dat Israëls godsdienst enerzijds in vorm, besnijdenis, offer, tabernakel, priesterschap enz. zoveel overeenkomst vertoont met de heidense godsdiensten en anderzijds principiëel ervan onderscheiden is, zodat alleen uit Israël de Messias is voortgekomen. Dit principiëel onderscheid ligt hierin, dat in de H. S. het initiatief in de religie niet genomen wordt door de mens, maar door God. In de heidense godsdiensten is het de mens, die God zoekt, Hand. 17:27 ; hij tracht op allerlei wijze God tot zich te doen neerdalen, en trekt Hem neer in het stof, Rom. 1:23; ; hij poogt door allerlei middelen macht over God te verkrijgen. Maar in de Schrift is het altijd God, die de mens zoekt. Hij schept hem naar zijn beeld. Hij roept hem na de val. Hij behoudt Noach. Hij verkiest Abraham. Hij geeft aan Israël zijn wetten. Hij roept en bekwaamt de profeten. Hij zendt zijn Zoon. Hij zondert de apostelen af. Hij oordeelt eens levenden en doden. Het Ethnicisme leert ons de mens kennen, in zijn rusteloosheid, in zijn ellende, in zijn onvrede, en ook in zijn edele aspiraties, in zijn eeuwige behoeften; de mens beide in zijn armoede en zijn rijkdom, in zijn zwakheid en in zijn kracht; het Ethnicisme kweekt zijn edelste vrucht in het humanisme. Maar de H. Schrift leert ons God kennen in zijn komen tot en zoeken van de mens, in zijn ontferming en genade, in zijn recht en zijn liefde. En theofanie, profetie en wonder zijn ook hier de middelen, waardoor God zich openbaart en geeft aan de mens7.

1 Scholten, L. H. K. I 165 v. 299. Dogm. Christ Initia I 26 v.

2 Neander, Gesch. der Pflanznng und Leitung der Christl. Kirche51862 bl.131 v.,

3 Verg. Dr. F. G. B. van Bell, Disput. theol. de patefactionis christianae indole ex vocabulis fan. et apok. in libris N. T. efficienda 1849. Niermeyer, Gids 1850 I 109-149. Rauwenkolf De zelfstandigheid van de Christen 1857. Cramer, Jaarb. v. wet. Theol 1870 bl. 1-70. Cremer, Wörterbuch s. v. Voigt, Fundamentaldogm. 201 v. Van Leeuwen, Prol. van Bijb. Godg. 41 v.

4 Ch. d. 1. Saussaye, Lehrb. d. Rel. Gesch. I 54 v. 114 v.

5 Cicero, de nat. deor. II 66. Verg. voorts over de mantiek Bouché-Leclercq, Histoire de la divination dans l’ antiquité. 4 vol. Paris 1879—’82. De la Saussaye t. a. p. 93 v.

6 Ennemoser, Geschichte der Magie2. Leipzig 1844. Wiedemann, Magie und Zauberei im alten Egypten. Leipzig 1905. Lehmann, Aberglanbe und Zauberei von de altesten Zeiten an bis in die Gegenwart. Stuttgart. De la Saussaye t.a.p. Zöckler in PRE3 XII 55-70.

7 Oehler, Ueber das Verhältniss der altt. Prophetie zur heidn. Mantik 1861. Id. Altt. Theologie 1882 bl. 29 v. 753 v. Tholuck, Die Propheten u. ihre Weissagungen 1860 par. 1. Staudemaier, Encycl. par. 231 v. par. 271 v. Schultz, AlttTheologie, 4e Aufl. Gattingen 1889 bl. 226 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept