Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

438. Ook de apostelen spreken menigmaal van de wedergeboorte, maar duiden deze met verschillende woorden aan, en vatten ze nu eens in ruimere dan in engere zin op. Jakobus zegt in c. Jak. 1:18, dat God ons naar zijn wil gebaard, voortgebracht heeft, apekuhsen (cf. hetzelfde woord in Jak. 1:15: de zonde, voleindigd zijnde, baart de dood), opdat wij eerstelingen van zijn schepping zouden zijn. Dit apokuein heeft zijn oorzaak in de wil van God, van wie alle goede gaven en volmaakte giften nederdalen, en die het grootste bewijs van zijn vaderlijke liefde daarin geeft, dat Hij ons als zijn volk voortgebracht heeft. Het kwam tot stand door middel van het woord van de waarheid, (of alleen de waarheid Jak. 3:14; 5:19, of ook de volmaakte wet, de wet van de vrijheid, de koninklijke wet, Jak. 1:25; 2:8, 12), dat niet buiten en tegenover ons is blijven staan, zodat we er alleen hoorders van zijn, maar dat in ons geplant is, volgens Hebr. 8:10; 9:16 in de tafelen van ons hart geschreven is, en dus onze zielen kan zalig maken, Jak. 1:21. En het doel van dit voortbrengen ligt daarin, dat de Christenen de eerstelingen van Gods schepping zouden zijn, dat is, het ware Israël, het bijzonder eigendom van God, gelijk het volk Israëls dat was in de dagen van het Oude Testament, Ex.19:6; Deut. 7:6; 14:2; 26:18; Ps.136:4; Jes. 43:21; Mal. 3:17, cf. 1 Petr. 1:23; 2:9, en als zodanig de eerstelingen van het koninkrijk, dat God over heel de schepping oprichten zal, cf. Rom. 8:19-23; Hebr. 12:23. Petrus bedient zich van het woord anagennan, dat in het gewone Grieks niet gebruikelijk was, (ofschoon Philo een enkele maal palingenesiv met anagennhsiv afwisselt en Porphyrius eens het adjectief anagennhtikov bezigt), en dat letterlijk opnieuw voortbrengen, wederbaren betekent. Ook Petrus schrijft deze wedergeboorte aan God en zijn barmhartigheid toe, 1 Petr. 1:3, en laat ze tot stand komen door middel van het levende en blijvende woord van God, hetwelk identiek is met het woord van het Evangelie, dat onder zijn lezers verkondigd was, vs. 23, 25. Maar Petrus onderscheidt zich van Jakobus daarin, dat hij die wedergeboorte ten nauwste enerzijds met de opstanding van Christus en anderzijds met de levende hoop in verband brengt. De opstanding van Christus is toch de middeloorzaak, door welke God hen tot levende hoop heeft wedergeboren, 1:3; de opwekking en verheerlijking van Christus is juist daartoe geschied, dat hun geloof en hoop op God zouden zijn, 1:21; de gelovigen zijn als levende steen en op Hem, de hoeksteen, opgebouwd, 2:4-6, en leven in zijn gemeenschap, 5:14. Van deze opwekking van Christus hadden zij kennis gekregen door het woord van het Evangelie, dat onder hen verkondigd was in de kracht van de Heilige Geest, die van de hemel gezonden was, 1:12, 23, 25, en dat als zulk een woord van God levend en blijvend is, 1:23.

Of dit levend en blijvend woord van God nu met het onvergankelijk zaad identiek dan wel daarvan onderscheiden is, is moeilijk tot beslissing te brengen. De afwisseling van de preposities: ek sporav en dia logou is geen afdoend bezwaar tegen de eerste opvatting, want zij laat zich genoegzaam daaruit verklaren, dat Petrus eerst de zaak in beeld, en daarna zonder beeld uitdrukt. Ook de vergelijking met 1 Joh. 3:9 bewijst het onderscheid niet, want Petrus gebruikt het woord spora en Johannes sperma; Johannes spreekt ook volstrekt niet over de wijze, waarop, of het middel, waardoor de geboorte uit God tot stand komt, maar wil blijkens het verband betogen, dat uit God geboren te zijn en te zondigen elkaar volkomen uitsluiten; wie uit God geboren is, zondigt niet en kan zelfs niet zondigen, omdat het zaad van God, dat is ongetwijfeld het nieuwe levensbeginsel, hetwelk God in zijn hart heeft geplant, in hem blijft; Petrus daarentegen wil juist in het licht stellen, dat zij, die wedergeboren zijn door het levende en blijvende woord van God, geroepen en bekwaamd zijn, om hun zielen door gehoorzaamheid aan de waarheid te reinigen en onder elkaar ongeveinsde broederlijke liefde te oefenen, 1 Petr. 1:22. Wat zo krachtig in het leven zich openbaren moet en kan, dat moet ook uit iets levends en blijvends voortgekomen zijn. En dat is het onvergankelijk zaad van het woord van God. Het verband doet dus vermoeden, dat zaad en woord dezelfde zaak aanduiden, en dit vermoeden wordt daardoor versterkt, dat in 1 Petr. 1:24-25 in het geheel niet meer van het zaad gesproken wordt, maar dat het als gras vergankelijke vlees aan het woord alleen wordt tegengesteld. Omdat nu deze wedergeboorte te danken is aan God, die ze tot stand bracht door de opstanding van Christus en door middel van het levende woord, daarom is zij een wedergeboorte-tot-levende-hoop. Dit vormt bij Petrus als het ware één begrip; het nieuwe leven heeft hoop tot inhoud; heel het leven van de gelovigen wordt door hoop gedragen en geleid; zij bepaalt hun handel en wandel. Zij is trouwens ook geen dood bezit, maar levend, werkzaam, krachtig; zij strekt zich uit naar en bindt de gelovigen vast aan de hemelse erfenis, 1 Pet. 1:4-13, zij roept en bekwaamt hen ook tot een heilige wandel, naar het voorbeeld van Christus, 1:14 v. De wedergeboorte-tot-levende-hoop is tegelijk wedergeboorte tot een nieuw, heilig leven.

Bij Paulus ligt de wedergeboorte reeds opgesloten in de roeping, welke hij steeds neemt in krachtdadige zin. Vandaar dat het woord slechts eenmaal bij hem voorkomt, in Tit. 3:5, waar hij zegt, dat God ons niet heeft zalig gemaakt uit onze werken, maar overeenkomstig zijn barmhartigheid dia loutrou palingenesiav kai anakainwsewv pneumatov agiou, di. door middel van het bad van de door de Heilige Geest gewerkte wedergeboorte en vernieuwing. Sommigen vinden hierin een zinspeling op of directe heenwijzing naar de doop; anderen menen, dat de apostel de wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest onder het beeld van een bad voorstelt. De zaak verandert er niet door, en de eerste gedachte is zonder twijfel paulinisch; Rom. 6 levert er het bewijs voor. Als degenen, die te voren door God verordineerd zijn, in de tijd worden geroepen, krachtdadig, zoals Paulus dat zelf ondervonden had op de weg naar Damascus; als zij, gelijk de apostel het elders uitdrukt, Phil. 3:12, van Jezus Christus Zelf gegrepen zijn, dan komen zij in datzelfde ogenblik tot het geloof, en door dat geloof ontvangen zij de rechtvaardigmaking en de aanneming tot kinderen, Rom. 3:22, 24; 4:5; 5:1; Gal. 3:26; 4:5, enz., met de verzekering daarvan door het getuigenis van de Heilige Geest, Rom. 8:15-16; Gal. 4:6, 2 Cor. 1:22; Ef. 1:13; 4:30. Maar dit is niet de enige verandering, die met hen plaats grijpt. De krachtdadig geroepenen worden door het geloof ook terstond opgenomen in de gemeenschap met Christus; zij worden met Hem begraven en opgewekt, Rom. 6:3 v., levend gemaakt, Ef. 2:1, 5, naar zijn beeld veranderd, Rom. 8:29-30; 1 Cor. 4:15; 2 Cor. 3:18; Gal. 4:19; Christus leeft in hen, en zij leven in Christus, Gal. 2:20. Omdat Christus echter door zijn opstanding geworden is tot levendmakende Geest, 1 Cor.15:45; 2 Cor. 3:17, kan dit ook zo worden uitgedrukt, dat zij de Geest van Christus ontvangen hebben, Rom. 5:5; 8:15; 1 Cor. 2:12; 2 Cor. 11:4; Gal. 3:2; 4:5; 5:18, dat de Geest in hen woont, Rom. 8:11, en dat zij in de Geest leven en naar die Geest wandelen, Rom. 8:1, 4, 5, 9, enz. Door het geloof is Christus of zijn Geest in de geroepenen de auteur en de oorsprong van een nieuw leven, Gal. 3:2; 4:6, zodat zij nu heel andere, nieuwe, geestelijke mensen zijn. Het oude is voorbijgegaan, en het is alles nieuw geworden, 2 Cor. 5:17. Zij zijn uit de dood overgegaan in het leven, Ef. 2:5; 5:14; Col. 3:2; zij zijn aan vlees en wereld gekruisigd, Gal. 5:24; 6:14; zij leven Zelf niet meer, doch Christus leeft in hen, Gal. 2:20; ze zijn een nieuw schepsel, 2 Cor. 5:17, Gods maaksel, Ef. 2:10, wandelen in nieuwigheid van het leven, zijn tempelen van en worden geleid door de Heiligen Geest, Rom. 6:4; 8:14; 1 Cor. 6:19; Gal. 5:25, enz.. En heel deze verandering nam objectief voor hen gestalte aan in de doop; deze was voor hen het grote keerpunt in hun leven, de breuk met heel hun vorige wandeling, de volkomen overgave aan Christus en zijn dienst, maar van Gods zijde ook de verzegeling, dat zij in de gemeenschap met Christus opgenomen en al zijn weldaden deelachtig waren, Rom. 6:3 v. Gal. 6:17. Het woord wedergeboorte mag daarom bij Paulus slechts eenmaal voorkomen; zakelijk ligt zij bij hem opgesloten in de krachtdadige roeping, waarmee Christus de tevoren gekenden tot één plant met zichzelf heeft gemaakt in de gelijkmaking van zijn dood en van zijn opstanding, Rom. 6:5.

Nog meer dan bij Paulus neemt de wedergeboorte bij Johannes een centrale plaats in. Wat nl. uit vlees geboren is, dat is vlees, Joh. 3:6, en staat vijandig tegen God over. Zulken, die alleen op natuurlijke wijze geboren zijn, Joh. 1:13, zijn uit, Joh. 8:23; 15:19, en behoren tot de wereld, Joh. 14:17,19, 22 enz., zijn van beneden, Joh. 8:23, uit de duivel, Joh. 8:44, begrijpen het licht van de Logos niet, Joh. 1:5, nemen Hem niet aan, Joh. 1:11, hebben de duisternis liever dan het licht, Joh. 3:19-20, horen niet, Joh. 8:47, kennen God niet, Joh. 8:19; 15:21, zien het koninkrijk van God niet, Joh. 3:3, wandelen in de duisternis, Joh. 12:35, haten het licht, Joh. 3:20, en zijn dienstknechten van de zonde, Joh. 8:34. Zij kunnen ook het koninkrijk van God niet zien, Joh. 3:3, niet geloven, Joh. 5:44; 12:39, niet het woord van God horen, Joh. 8:43, niet tot Christus komen, Joh. 6:44, de Heilige Geest niet ontvangen, Joh. 14:17. En daarom is er wedergeboorte nodig. Deze is een gennhyhnai anwyen d.i. van boven, Joh. 3:3, cf. Joh. 3:31; 8:23; 19:11, 23 ek yeou, Joh. 1:13, 12, 20; 3:9 enz., uit water en Geest, Joh. 3:5, d.i. uit de Geest, Joh. 3:6, 8, wiens reinigende werkzaamheid in het water haar beeld heeft, cf. Ezech. 36:25-27; Matt. 3:11, geheimzinnig en wonderlijk, zodat niemand oorsprong en wezen er van kent, Joh. 3:8. Deze wedergeboorte wordt daarom bij Johannes ook niet zo rechtstreeks als bij Paulus met de roeping in verband gebracht, maar meer beschouwd als een werk van de Vader, die de zijnen tevoren aan Christus gegeven heeft en hen in de tijd tot Christus heenleidt. Immers werkte Christus als Logos ook reeds vóór zijn vleeswording, Joh. 1:1-13; Hij scheen als licht in de wereld, maar deze kende Hem niet, Joh. 1:5, 9, 10. Hij kwam tot het zijne, tot Israël, en de zijnen namen Hem niet aan, Joh. 1:11; maar toch was ook toen zijn komst niet geheel vruchteloos, want zovelen als hem aannamen, kregen reeds de macht, om kinderen van God te worden. En dat waren dezulken, die uit God geboren waren, Joh. 1:12-13 cf. 1 Joh. 5:1. Voordat de mensen tot Christus komen en in Hem geloven, zijn zij al uit God, Joh. 8:47, uit de waarheid, Joh. 18:37; zij worden door de Vader gegeven aan de Zoon, Joh. 6:37, 39; 17:2, 9; Hij trekt ze tot Christus, Joh. 6:44; en al wie zo tot Christus komt, werpt Hij niet uit en verliest Hij niet, maar bewaart Hij tot het eeuwige leven, Joh. 6:39; 10:28; 17:12. Christus komt, om hen, die als door de Vader Hem gegeven zijn schapen reeds zijn, Joh. 10:27, toe te brengen, om hen zijn stem te doen horen en volgen en tot één kudde te vergaderen, Joh. 10:16; 11:52; om hun, die al in zekere zin kinderen van God zijn, Joh. 11:52, de exousia, het recht en de bevoegdheid te schenken, om het te worden, om zich als zodanig, als geborenen uit God, als tekna tou yeou, te openbaren en dit vooral te tonen in de broederlijke liefde, di. in de liefde tot hen, die eveneens uit God geboren zijn, 1 Joh. 5:1.

Ten onrechte wordt deze leer van Johannes door sommigen tot een gnostisch dualisme herleid1. Het is immers geen dualisme, dat van nature bestaat, want alle dingen zijn oorspronkelijk door de Logos geschapen, Joh. 1:3; de wereld heel in het algemeen is het voorwerp van Gods liefde, Joh. 3:16; God gaf zijn Zoon, niet om de wereld te veroordelen, maar te behouden, Joh. 3:17,12:47. Van nature behoren echter alle mensen tot de wereld, die het licht haat, omdat haar werken boos zijn, Joh. 3:19-20. Zo hangt het dus van het geloof af, of iemand het eeuwige leven ontvangt, Joh. 3:15, 16, 36. Dat geloof is een ergon, Joh. 6:29, het is een komen, Joh. 5:40; 6:35, 37, 44; 7:37, een aannemen, Joh. 1:11-12; 3:11 v., Joh. 5:43, een dorsten en drinken, een hongeren en eten, Joh. 4:13-15; 6:35, 50 v., Joh. 7:37; het gaat niet buiten verstand en wil om, maar alleen wie de wil van de Vader wil doen, bekent van Jezus’ leer, of ze uit God is, dan of Hij van zichzelf spreekt, Joh. 7:17. Het ongeloof wordt daarom ook aan de onwil van de mens toegeschreven, Joh. 5:40; 8:44; de mens blijft er verantwoordelijk voor, Joh. 3:19; 9:41; 12:43; 15:22, 24. God zond zijn Zoon in de wereld, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe, Joh. 3:16, 36; 6:47; 20:31. Door het geloof ontvangt men dus het eeuwige leven, is men uit de dood overgegaan in het leven, 1Joh 3:14, heeft men de boze en de wereld overwonnen, 1Joh. 2:14; 5:4, is men de zalving van de Heilige deelachtig, 1Joh. 2:20, 27; van een verloren gaan is geen sprake meer, want Christus bewaart de zijnen, Joh. 10:28-29, en het zaad van God blijft in hen, 1Joh. 3:9. Maar toch worden de gelovigen vermaand, om in Christus en in zijn woord te blijven, Joh. 15:4-10, 1Joh. 2:24, om het nieuwe leven, dat hun geschonken is, te openbaren in het doen van de rechtvaardigheid, 1Joh. 2:29, in reiniging, 1Joh. 3:3, in het bewaren van zichzelf, 1Joh. 5:18, in liefde tot God en de broederen, want God is liefde, 1Joh. 4:7, 8; 5:1. De zonde blijft de gelovigen immers aankleven hun hele leven lang, I 1:8; de volkomen Godgelijkvormigheid wordt hun deel eerst in de toekomst, 1Joh. 3:2.

In de Schriften van het Oude en van het Nieuwe Testament is er dus wel verschil in woorden en wijze van voorstelling, maar in de zaak zelf bestaat er volkomen overeenstemming. Hetzij de wedergeboorte besnijdenis van het hart, het schenken van een nieuw hart en een nieuwe geest, krachtdadige roeping, trekking van de Vader, geboorte uit God enz. genoemd wordt, zij is altijd in volstrekte zin een werk van God, waardoor de mens innerlijk veranderd en vernieuwd wordt. Zij heeft haar diepste oorzaak in de barmhartigheid van God, is gegrond in de opstanding van Christus, komt tot stand in de gemeenschap van Christus, van wie het woord getuigenis geeft, en openbaart zich in een heilig leven. Soms valt de nadruk, bijv. bij Johannes, meer daarop, dat zij het beginsel van het nieuwe leven is, waarvan het gelovig horen en aannemen van Jezus’ woord het gevolg is; soms treedt die andere zijde meer op de voorgrond, waarnaar ze de ontplooiing en ontwikkeling van dat nieuwe leven is. Maar beide zijn toch ten innigste verbonden, en horen in het éne begrip van de wedergeboorte onafscheidelijk bijeen. Er is echter één plaats, waarin aan het woord wedergeboorte een veel ruimere betekenis gegeven wordt. In Matt.19:28 zegt Jezus, dat de twaalf discipelen, die alles verlaten hadden en Hem gevolgd waren, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon van zijn heerlijkheid, ook zitten zullen op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Het ontbreken van alle nadere bepaling bewijst, dat het woord, dat Jezus in het Aramees gebruikte, een bekende zaak moet hebben aangeduid. En dat was ook het geval. De Oudtestamentische profetie verwachtte reeds aan het einde van de dagen een vernieuwing van hemel en aarde, Jes. 11:1-9; 65:17-25; 66:22 enz., en deze verwachting ging over in de apocriefe literatuur en in het geloof van heel het Joodse volk2. Het Messiasrijk zou ook een verandering in de natuur en in alle aardse verhoudingen medebrengen. Jezus bevestigt deze verwachting, evenals ook de apostelen later doen, 2 Petr. 3:10-13; Op. 21:1, 5, en duidt deze verandering als een wedergeboorte aan. Indien wij deze betekenis met de bovengenoemde verbinden, dan blijkt, dat de Schrift van de wedergeboorte voornamelijk in drieërlei zin spreekt: als beginsel van het nieuwe leven, dat door de Geest van God vóór het geloof in de mens geplant wordt, als de zedelijke vernieuwing van de mens, gelijk die zich in heilige wandel openbaart, en eindelijk als herstelling van de hele wereld in haar oorspronkelijke volkomenheid. Zo omvat de wedergeboorte het hele werk van de herschepping, van haar allereerste aanvang in het hart van de mens af tot haar voltooiïng in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde toe.

1 Scholten, Het Evangelie naar Johannes 1864 bl. 89 v. Holtzmann, Neut. Theol. II 468 v.

2 Weber, Syst. der alt syn. pal. Theol. bl. 380 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept