Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

453. Niet minder ernstig waren de moeilijkheden, die er oprezen bij het nadenken over de aard van de fiducia, welke door zovelen als de eigenlijke formele daad van het geloof werd beschouwd. Bellarminus had er al tegen ingebracht, dat het vertrouwen, dat mij al mijne zonden vergeven zijn, onmogelijk identiek kan wezen met het geloof, waardoor ik Christus tot vergeving van mijn zonden aanneem, maar daarvan slechts gevolg en vrucht kan zijn. En deze kritiek maakte indruk. Gomarus erkende feitelijk haar recht, als hij onderscheid maakte tussen de fides, per quam justificamur, en de fides, qua credimus nobis per Christum remissa esse peccata; de eerste gaat aan de rechtvaardiging vooraf, de tweede volgt er op; de eerste wordt aan allen door de Heilige Schrift voorgeschreven, de tweede volgt uit de Heilige Schrift en uit het getuigenis van ons eigen geweten, en is als het ware de conclusie uit een syllogisme1. Deze, meer logisch dan temporeel, bedoelde onderscheiding werd door alle theologen overgenomen2, en zou op zichzelf nog niet zulke belangrijke gevolgen hebben gehad, maar zij werd door twee overwegingen versterkt. De eerste was van theoretische aard en werd ontleend aan de leer van de particuliere voldoening. Volgens de Gereformeerde belijdenis had Christus niet voor alle mensen, hoofd voor hoofd, doch alleen voor de uitverkorenen de zaligheid verworven; maar die uitverkorenen worden in de Schrift niet met name genoemd, doch het Evangelie wordt gepredikt aan allen zonder onderscheid en allen worden tot geloven geroepen en verplicht. Niemand kan en mag dus beginnen met te geloven, dat Christus voor hem voldaan heeft en dat zijn zonden vergeven zijn. Maar omdat het Evangelie zegt, dat allen, die geloven, de vergeving en het leven ontvangen, mag hij eerst, ingeval hij gelooft, uit zijn geloof tot het bezit van de vergeving van zijn zonden besluiten. Tussen de actus directus van het geloof, waardoor ik in mijn verlorenheid tot Christus de toevlucht neem, ten einde uit zijn hand de vergeving en de zaligheid te ontvangen, en de actus reflexus van het geloof, waardoor ik tot mijzelf terugkeer met de bewustheid, dat ik waarlijk de vergeving en de zaligheid deelachtig ben, kwam dus de ernstige vraag in te staan: maar geloof ik waarlijk in Christus, is mijn geloof van de echte stempel, is het niet een tijdelijke aandoening, die straks weer voorbijgaat, is het geen tijd- en geen historisch geloof?

En deze scheiding tussen de uitgaande en de wederkerende daad van het geloof werd bevorderd door die andere overweging, welke haar grond vond in de praktijk van het leven. De Hervormers maakten die onderscheiding in het geloof nog niet, omdat zij stonden in de pleroforie van het geloof; zij geloofden, en daarom spraken zij; hun mond liep over van wat hun hart vervulde. Maar deze periode van sterk geloof en heldere geloofsbewustheid ging spoedig voorbij; er trad een ander geslacht op, dat deze inwendige, geestelijke reformatie niet meer doorleefd had. Men kon in de belijdenis wel zeggen, dat het geloof bestond in het vaste vertrouwen, dat mij persoonlijk al mijn zonden om Christus’ wil vergeven zijn, maar de werkelijkheid leerde geheel anders. Verzekerde Christenen waren er zeer weinige; de meeste leden van de kerk waren onverschillig, tevreden met hun orthodoxie, of zoekende of twijfelende, die geen rust konden vinden. De leer was gezuiverd, maar het leven liet ontzaglijk veel te wensen over. Onder invloed van de Engelse en Schotse practici stonden toen een reeks van mannen op, die klaagden over het verval van de kerk en de achteruitgang van de zeden, die de oordelen van God aankondigden en ze reeds in allerlei rampen en oorlogen zagen komen, die alleen heil en redding verwachtten van een reformatie van het hart en van het leven3. Zij riepen overheid en kerkdienaren op, om hun plicht te doen, en drongen bij allen op ernstig, nauwgezet zelfonderzoek aan. Rechtzinnigheid, lidmaatschap van de kerk, geboorte uit gelovige ouders, doop, belijdenis, avondmaal waren niet genoeg. Wie niet meer bezit, “grijpt de schors van de waarheid net beleden voor waarheid aan”4. Anderen trokken nog sterker tegen de letterkennis te velde en slaakten de verzuchting: O Heer, verlos ons van de letter, die duizenden vermoordt en zet er de stempel op van uw Geest! Zij ijverden voor een praktisch, gemoedelijk, bevindelijk Christendom5. Maar ook wie voor dit uiterste zich wachtten, gaven de leer van een wedergeboorte vóór de doop in de praktijk zo goed als geheel prijs, stelden in een zogenaamde Evangelische bekering weinig vertrouwen, drongen op verbreking van het hart, overtuiging van zonde, gevoel van ellende aan als voorwaarden, om aan Christus en zijn weldaden deel te krijgen en gaven in de orde van het heil aan rechtvaardiging en wedergeboorte een plaats na het geloof6. Deze droeve, twijfelmoedige staat van het geestelijk leven aanschouwende, trachtten anderen wel een veiliger weg in te slaan, en de zekerheid van het heil weer op te nemen in het wezen van het geloof. Maar zij dwaalden daarbij meestal even ver ter linker zijde af als hun tegenstanders rechts, en zagen in het verzekerd vertrouwen niet slechts een wezenlijk bestanddeel, doch het volle wezen, de eigenlijke actus formalis van het geloof7. Dit leidde dan heel licht tot de antinomiaanse opvatting, dat het geloof bestond in de verstandelijke aanneming van de sententie: u zijn de zonden vergeven, een sententie, die door God niet eerst in het Evangelie werd uitgesproken, maar reeds van eeuwigheid in het besluit van de verkiezing lag opgesloten, en door de persoon en het werk van Christus slechts tot openbaring was gebracht8.

1 Gomarus, in een appendix achter zijn commentaar op Hebr., de fidei, per quam justificamus, natura, Op. I 654 v.

2 Bijv. Amesius, Med. Theol. XXVII 16. Maccovius, Loci Comm. bl. 765. Mastricht, Theol. I 1, 25. Voetius, Disp. II 502. Turretinus, Theol. El. XV qu. 8, 7, 11. qu. 10, 3. qu. 12. 6. Comrie, Catech. bl. 447. Brakel, Red. Godsd. XXXIV 27 enz. Verg. ook Conf. Westmon. c. 18, 3, bij K. Müller, bl. 580, en aangaande de strijd over het toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen in Schotland, Princeton Theol. Review, July 1906, bl. 327-331.

3 rote invloed hadden vooral W. Teellinck, Noodwendig Vertoogh aengaende de tegenwoordigen bedroefden staet van Gods volck 1627 en De toetsteen des geloofs, waerin de gelegentheijt des waren saligmakende geloofs nader ontdeckt wordt, so dat een ijder sich selven daer an kann toetsen of hij oock het ware salighmakende gelove heft, na zijn dood uitgegeven in 1662. Witsius, Twist des Heeren met zijn wijngaard 1669 en Lodenstein, Beschouwinge van Zion 1674 v.

4 odenstein bij W. Schortinghuis, Zedig antwoord op het hist. verhaal van de Hoogeerw. en Z.gel. Heere Daniël Gerdes enz. Gron. 1740 bl. 99: Gij grijpt de schors van de waarheyd net beleden Voor waarheyd aan; maar arme mens gij dwaalt, Dat wesen is de waarheyd, dat beneden Van boven in het reed’lijk schepsel straalt.

5 Zo inzonderheid Eswijler, De waarheid des Evangeliums of Zielseenzame Meditatiën over de voornaamste waarheden des Evangeliums 1685. Joh. Verschuir, Waarheid in het binnenste of Bevindelijke Godgeleerdheid 1735, nieuwe uitgave 1841. W. Schortinghuis, Het innige Christendom 1710, verg. Dr. J.C. Kromsigt, Wilhelmus Schortinghuis. Groningen 1904 bl. 141 v.

6 Verg. bijv. Jac. Koelman, De natuur en gronden des geloofs, 5e druk. Rotterdam 1768. Theod. van der Groe, Toetssteen van de waare en valse genade, 1753, derde druk. Gorinchem z. j. I 151, 251. II 743 v. 951 v. Van van de Groe hield overigens vast, dat de verzekerdheid niet het gehele wezen (zoals van Hattem), maar toch een wezenlijk bestanddeel van het geloof was, en werd daarover heftig aangevallen door Jacob Groenewegen van Oudshoorn, zie Theod. van van de Groe, Beschrijvinge van het oprecht en zielzaligend gelove. Nevens enige brieven van Jacob Groenewegen, Adriaan van der Willigen en Theodorus van van de Groe, volgens een handschrift van 1742 uitgegeven te Rotterdam bij R. C. Huge z. j. Lampe, De verborgentheit van het genaadeverbondt. Amsterdam 1718. Volgens Lampe gaat het geloof aan de wedergeboorte vooraf, ald. bl. 254-169, en bestaat het wezenlijk in het aannemen van Christus, bl. 287. De gelovigen worden door hem onderscheiden in zwakken en sterken; bij de eersten is er eerst weer een verlangen, een hongeren en dorsten naar Christus en vervolgens een gaan, komen, zoeken, toevlucht nemen, en een onbeschaamd aanhouden bij Christus; aan de tweede is eerst eigen een vrijmoedigheid, om zich Christus toe te eigenen, om Hem te mijnen, te kussen, te eten en te drinken, en daarna volle zekerheid, een zich verlaten op, een rusten en zich verlustigen in Christus. Ook A. Driessen, hoogleraar te Groningen, stelde zich eerst in zijn strijd tegen van Thuynen aan deze zijde; het wezen van het geloof bestaat in hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus, dat is, in het toevluchtnemend vertrouwen; het verzekerd vertrouwen daarentegen kan eerst opkomen, als men door zelfonderzoek van de echtheid van zijn geloof overtuigd is geworden. Later werd hij meer gematigd en erkende, dat in het hongeren en dorsten ook tot zekere hoogte het eten en verzadigd worden reeds ligt opgesloten; wie Jezus waarlijk begeert, geniet Hem ook reeds; wie zoekt, heeft al gevonden; het verzekerd vertrouwen komt dus uit het toevluchtnemend vertrouwen voort als de wortel uit het zaad; het laatste is al een fiducia implicita, verg. J. C. Kromsigt, Wilhelmus Schortinghuis bl. 82 v. 96 v.

7 Jac. Schuts, Het nodigst middel van de saligheyd ofte beschrijvinge des saligm. geloofs. Rotterdam 1692 zegt, dat al de daden van het geloof, kennen, toestemmen, vertrouwen enz. reeds het geloof onderstellen en dat dit wezenlijk bestaat in het voor waarachtig houden van Gods getuigenis aangaande Christus bl. 20, 34, dat is dus in toestemming. Inzonderheid Theod. van Thuynen trachtte in zijn korte Uitlegginge van het Geref. geloof. Leeuwarden 1722 aan te tonen, dat hongeren, dorsten, toevluchtnemen tot Christus enz. wel aan het geloof voorafgaan en tot het geloof leiden, maar dat het geloof zelf wezenlijk alleen bestaat in het verzekerd vertrouwen, dat wij met God verzoend zijn en vergeving van de zonden hebben ontvangen. De fijnen, die hij bestrijdt, keren naar zijn mening de orde om; zij denken, dat God verzoenlijk is, en dat Hij eerst verzoend wordt door hun geloof (bevinding, goede werken); ze laten de rechtvaardiging dus, evenals de Roomsen en de Remonstranten, volgen op het geloof, terwijl deze toch naar Gereformeerde belijdenis eraan voorafgaat. Aan de zijde van Van Thuynen schaarden zich o.a. Ph. Themmen, H. Stegnerus, en ook C. Vrolikhert in zijn twee Godg. Verhandelingen over werkverbond en toerekening van Christus’ dadelijke gehoorzaamheid, en over de aard en het wezen des geloofs 1732. Verg. Ritschl, Gesch. des Pietismus in der ref. Kirche. Bonn 1880 bl. 321 v. J. C. Kromsigt, t.a.p. bl. 74 v.

8 Verg. over Van Hattem, Verschoor, Leenhof enz. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 420, Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 428, en voorts nog M. Vitringa, Doctr. III 100, 108. De Moor, Comm. IV 419-423, 833. J. C. Kromsigt, t.a.p. bl. 7, 8.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept