Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

464. Van deze beide delen van de bekering ontvangt soms het een en dan het andere eenzijdig de nadruk. Er zijn Christenen, die een algemeen aanbod van de genade verwerpen en bij de nog onbekeerde mens van geen prediking van het Evangelie willen weten. Zij komen tot hem alleen met de wet, houden hem haar eisen en straffen voor, en schilderen op aangrijpende wijze de helse pijn en de eeuwige verdoemenis, welke hij in zijn onbekeerde toestand te wachten heeft. In de Roomse kerk nam en neemt deze prediking nog altijd een brede plaats in; en toen de Protestantse kerken door verwaarlozing van belijdenis en tucht in verval kwamen, grepen Piëtisme en Methodisme deze verkondiging van het oordeel aan, om daardoor de slapende zielen wakker te schudden, en ze uit haar ellende weer te doen roepen om verlossing en genade. Sommigen stelden daarbij de eis, dat men een kortere of langere tijd in een toestand van angst en vrees, van vertwijfeling en wanhoop moest verkeren, om de waarachtige bekering deelachtig te worden. Spener zelf koesterde nog ruimere denkbeelden en erkende ten volle, dat God niet met al zijn kinderen op dezelfde wijze te werk gaat, maar zijn volgelingen, A. H. Francke, J. Mischke e.a. leerden met beroep op Luk. 13:24; Mt. 11:12; Gal. 5:17 enz., dat een bange zielsworsteling de enige weg tot de status gratiae was. Tussen orthodoxen en piëtisten ontstond er daarom een langdurige strijd de luctu poenitentium1, en onder de hoogleraar J. G. Joch werd in het jaar 1730 te Wittenberg door Strohbach een dissertatie verdedigd de desperatione salutari2. De gedachte, dat een langdurige toestand van ellende aan de staat van de genade vooraf moest gaan, drong in vele vrome kringen door; en tot op de huidige dag treft men in de gemeente zeer vele Christenen aan, die jaar aan jaar klagen over hun zonden, maar bijna nimmer de hartelijke vreugde in God door Christus genieten noch ook tot een stil en rustig leven van de dankbaarheid komen.

Wanneer daartegenover het verlangen ontwaakt, om op de wijze van het Methodisme deze chronische ziekte door een acute crisis te vervangen, en de Busskampf als in één punt samen te trekken, dan wekt deze dikwijls zulke heftige gemoedsbewegingen op, dat het hele lichaam erdoor geschokt wordt en stuiptrekkingen en zenuwtoevallen, luide gillen en kreten, jammerende uitroepen en onverstaanbare klanken, een vloed van tranen of een dansen en opspringen van vreugde uiting geven aan wat inwendig de ziel beroert. Over deze verschijnselen vormt zich dan weer een verschillend oordeel. Wesley en Whitefield bijv. waren er hoog mee ingenomen, maar Jon. Edwards, door de ervaring geleerd, maakte voorzichtiglijk onderscheid tussen de affecten, die uit geestelijke werkingen op het hart voortkomen, en die, welke slechts door indrukken op de verbeelding ontstaan3. De eostatische en visionaire verschijnselen, die zich later, o.a. bij de Camisarden in de Cevennen4, en in 1749 bij de Nijkerkse beroeringen onder G. Kuypers5 voordeden, lokten even verschillende oordeelvellingen uit. En toen de revival in Wales onder Evan Roberts dezelfde psychische en fysieke abnormaliteiten te voorschijn riep6, en naar andere landen, Californië, Noorwegen, Denemarken, Hessen, Silezië, overplantte, liepen weer de meningen ver uiteen; Pastor Paul zag in de tongenspraak en soortgelijke verschijnselen een vernieuwing van de gaven van de Pinksterdag en een krachtig bewijs van de werking van de Heilige Geest, maar anderen zoals Rubanowitsch, Dallmeyer, Urban, Haarbeck e.a. verklaarden alles voor een werk van de duivel en een verleiding van de antichrist; op een vergadering te Berlijn in Juni 1909 maakten de leiders van de Gemeinschaftsbewegung zich los van de richting, welke door Paul en de zijnen gevolgd werd7.

De reactie tegen deze eenzijdige Christelijke vroomheid openbaart zich echter dikwijls in nog veel sterker vorm. Spinoza zei, dat droefheid, berouw, kennis van de zonde en overdenking van de dood het leven onderdrukken en door de kennis van God overwonnen moeten worden8, en in zijn geest leerde Frederik van Leenhof, sedert 1681 predikant te Zwolle, dat de droefheid een onvolmaaktheid is, die nooit geleerd of aangeprezen moet worden; wie dat doet, zondigt tegen de liefde, welke nooit toelaat zijn evenmens te bedroeven, verzaakt het Evangelie, dat vreugde is en blijdschap in God, en doet te kort aan Gods genade en de volmaakte offerande van Christus9. Leenhof werd wel door velen10 heftig bestreden en door de synode van Overijsel in 1708 veroordeeld; maar zijn gevoelen werd toch ook door anderen gedeeld. Pontiaan van Hattem, stelde de ware bekering niet in droefheid en klacht over de bedreven zonden, maar in vreugde over de gerechtigheid, welke God in Christus geschonken had; de Verschoristen meenden, dat smart over de zonden na de volkomen voldoening van Christus aan de gelovigen van het Nieuwe Testament niet meer paste; en sommige mystieke en antinomiaanse richtingen lieten zich vroeger en later in dezelfde geest uit.11 Maar al gingen velen zover niet, zij voelden zich toch afgestoten door een vroomheid, die alleen in klagen over de zonden bestond en nooit zich verheugde in de verlossing, door Christus aangebracht. Zinzendorf met name kwam tegen dit “miserabele” Christendom in verzet. Hij was in de piëtistische beschouwing van de heilsorde opgevoed, en bracht, toen hem in 1727 van die zijde gezegd werd, dat hij nog onbekeerd was, omdat hij geen Busskampf kende, een lange tijd in twijfel en zelfbeproeving door. Maar de 19 Juni 1729 kwam hij tot zekerheid aangaande zijn eigen bekering, en later kreeg hij hoe langer hoe meer de overtuiging, dat de piëtistische beschouwing verkeerd was, en dat gelovigen reeds van hun jeugd af in de gemeenschap met Christus kunnen opgenomen zijn. De Herrnhutse prediking drong dus ook de Busskampf steeds verder terug en stelde daarvoor in de plaats het geloof aan de in Christus’ bloed volbrachte verzoening, het stil en kinderlijk rusten in de genade van de Heere, het veilig zich geborgen weten in de wonden van het Lam, en het blij en levendig gevoel van de liefde van de hemelse Bruidegom12.

Ook ontstond er in Amerika een reactie tegen de revivals, die daar reeds 1720 door Th. J. Frelinghuyzen begonnen waren en vooral onder Jon. Edwards sedert 1735 en Whitefield, die 1739 overkwam, een nationale beweging werden, van Maine af tot Georgia toe. Maar de eenzijdigheden, waaraan de revivals zich schuldig maakten, stieten velen af. Toen Gilbert Tennent in 1741 voor de synode te Philadelphia een preek hield over the danger of un unconverted ministry, werd dit feit zelfs een oorzaak van scheuring in de Presbyteriaanse kerk. Dat onbekeerde dominees niet mochten preken en dat het volk hen niet mocht gaan horen, was velen al te kras; er kwam zelfs tegenover de theologie van de revivalisten een liberal theology te staan, die niet alle nadruk gelegd wilde zien op de bekering, maar die daartegenover waarde hechtte aan godsdienstige opvoeding, langzame ontwikkeling, organische wasdom en heilig leven, die in één woord meer “cultural”’ dan “experiential” wilde zijn13. Tot de tegenwoordige tijd toe, staan beide richtingen in Amerika, evenals in Engeland, naast elkaar. Toch heeft ook het Methodisme in de vorige eeuw een belangrijke wijziging ondergaan; bij Edwards bestond de prediking tot onbekeerden vooral in een aangrijpende schildering van de toorn van God en de helse straf, en de bekering kreeg dan het karakter van een overgang uit angst en vrees tot troost en vrede, die meestal door een plotseling, nieuw licht, dat over een Schriftplaats opging, teweeggebracht werd; Finney daarentegen ging uit van de onderstelling, dat de mens vrijwillig een zondaar is, en dat het in zijn macht stond, om het niet te zijn; hij drong dus bij de onbekeerde op een wilsbeslissing aan, om nu, in dit ogenblik, met de hulp van de Heilige Geest zijn hart aan God te geven; in dit voetspoor wandelde ook Moody, maar terwijl Finney meer de prediker was van de plicht, gelijk Edwards van de vrees, zo stelde Moody vooral de liefde en de gave van God in Christus op de voorgrond en trachtte daardoor de mensen te bewegen tot het geloof14. Daarentegen sluit de nieuwe beweging, die onder de naam van “Christian Science” bekend staat, zich bij de pantheïstische gedachte aan, dat droefheid en berouw over de zonden onnodig en onnut is; zonde is evenals ziekte en dood een dwaling van het verstand en kan dus door “mind cure” volkomen overwonnen worden; thoughts are things, thougths are forces, en daarom as a man thinketh so is he15.

Ofschoon deze en dergelijke reactie tegen het klagend Christendom begrijpelijk en tot zekere hoogte te rechtvaardigen is, maakt zij zich toch zelf aan zeer grote overdrijving schuldig. Omdat ieder mens een geweten heeft, dat hem telkens aanklaagt en oordeelt, heeft hij ook een zwakker of sterker besef, dat verootmoediging en schuldbelijdenis de eerste stap is op de weg van de bekering16. Herbert van Cherbury trachtte zelfs te betogen, dat een van de vijf algemeen bekende waarheden, die het wezen van de godsdienst uitmaken, in de plicht bestond, om de zonden te betreuren en na te laten, dolendum esse ob peccata ab iisque resipiscendum17. In elk geval weet de Christen bij ondervinding, dat de zonde, naarmate zij beter in haar eigenlijk karakter gekend wordt, des te dieper smart en leedwezen veroorzaakt. Oprechte, innige schuldbelijdenis wordt niet van de lippen van de goddelozen, maar van die van de vromen beluisterd. Psalmisten, 6, 25, 32, 51, 130,143, profeten, Ezr. 9:6; Neh. 9:33; Klaagl. 3:39; Jes. 53:4 v., Jes. 59:12; Jer. 3:25; 14:20; Dan. 9:5v., en apostelen, Mt. 26:75; Rom. 7:14v., 1 Joh.1:8-9, leveren daarvan het klare bewijs. En al neemt de droefheid met de kennis van de zonde en het opwassen in de genade in diepte en innigheid toe, zij is toch van aanvang af aan de bekering eigen en maakt de keerzijde van de vernieuwing van het leven uit, Luk. 15:18; 18:13; Hd. 2:37; 9:6; 16:30; 2 Cor. 7:10. Er is daarmee echter niets vastgesteld over de mate en de duur van die droefheid, noch ook over de tijd, waarin zij optreden moet. In de vrome kringen heerst daarover dikwijls groot misverstand en wordt er al te veel waarde aan gehecht, dat men de tijd van zijn bekering nauwkeurig weet, een tijd lang in grote angst en vrees verkeerd heeft en daaruit op een bijzondere of wonderdadige wijze verlost is geworden. Maar de Schrift legt zulk een maatstaf niet aan, en eist alleen, dat er oprechtheid en waarheid in het binnenste is; de droefheid over de zonde moet van de echte stempel zijn. God, die de harten kent en de nieren proeft, Ps. 7:10; Spr.17:3; 21: 2; Jer. 11:20; 17:10; 20:12; Hd. 1:24; Op. 2:23, en de liefde van de hele mens vraagt, met heel zijn verstand, met zijn hele ziel en al zijn krachten, Deut. 6:5; 10:12; Spr. 3:5; Jer. 29:13; Mt. 22:37, heeft een welgevallen aan oprechtheid, Joz. 24:14; 1 Kon. 9:4; 1 Kron. 29:17; Ps. 25:21; 139:23-24. De bekering is een zaak van het hart, Jer. 3:10; Luk.1:17; Hd.16:14; Rom. 2:29,10:10. Terwijl het volk, dat Hem eert met de lippen, maar het hart verre van Hem houdt, Jes. 29:13; Mt. 15:8, dat Heere, Heere zegt maar zijn wil niet doet, Mt. 7:21, zijn toorn opwekt, schept Hij een welgevallen aan hen, die van een verbrijzelde en nederige geest zijn, Ps. 51:19; 138:6; Jes. 57:15; Jak. 4:6; 1 Petr. 5:5.

In dit voetspoor wandelde ook steeds de kerkelijke theologie, gelijk de leer van de kinderdoop en van de confirmatie ten duidelijkste bewijst. Men behoeft de tijd van zijn bekering niet precies te weten, want het komt niet op de tijd aan, maar op het feit; in vele gevallen is het zelfs niet mogelijk die tijd vast te stellen, omdat de bekering, uit het ingeplante nieuwe leven opkomende, geleidelijk geschiedt18. Zij behoeft niet altijd cum notabili concussione et violenta tractione gepaard te gaan, maar kan ook assiduo, successive et suaviter plaats hebben19; en zo wordt niet alleen door de godgeleerden van professie, maar ook door de prakticale schrijvers geredeneerd; hoezeer ze aandringen op een waarachtige bekering, zij durven toch geen van allen beweren, dat er maar één wijze voor allen is20. In verband met de in vroeger eeuwen zoveel grotere en ook zoveel dieper gevoelde ellende van het leven, namen waken en vasten, gebeden en geloften, afzondering en overdenking, en allerlei geestelijke oefening veel breder plaats in de religie in, en werd aan de lacrimae spirituales et salutares grote waarde gehecht. Maar toch drong een man als Voetius ook hierbij op matiging aan: ut moderatio ea adhibeatur, ne aut corpori aut animae vehementia et exsuperantia in tantum noceat, ut ad cultum Dei aut servitium proximi per caritatem inepti reddamur21.

Zulk een oprecht en hartelijk leedwezen over de zonde is ook niet onnut noch tijdverlies, maar de weg, die God met ons inslaat, om ons innerlijk van de zonde vrij te maken. Door Moberly, Frommel en anderen is in de latere jaren de psychologische natuur van het berouw onderzocht. En zij hebben daarbij tot zekere hoogte terecht doen uitkomen, dat het berouw een bewijs is, dat de mens nog vatbaar is voor gerechtigheid; want in het berouw veroordeelt hij zichzelf, maakt hij zich van de zonde los, stelt hij zich aan de kant van de gerechtigheid, en baant hij zich de weg tot de vergeving22. Maar men dient hierbij toch drieërlei in het oog te houden:

1. dat er verschil is tussen berouw en berouw; lang niet alle berouw draagt dat karakter; er is berouw, dat niet veel meer dan spijt is, dat wel vreest voor de gevolgen van de zonde, maar niet de zonde zelf als zonde betreurt; het waarachtige berouw, de resipiscentia, komt naar het getuigenis van de Schrift niet op uit de natuurlijke mens, maar uit het nieuwe leven, dat door de wedergeboorte in zijn hart werd geplant;

2. dit echte berouw draagt nooit, zoals Moberly in overeenstemming met Kant schijnt te menen, een verzoenend karakter; al is het ook dat de mens in het berouw het recht van God en de strafwaardigheid van de zonde erkent, hij neemt daarin toch niet de straf van de zonde zelf op zich en verzoent daarom ook daardoor de zonde niet; het echte berouw komt noch objectief noch subjectief (psychologisch, voor het eigen bewustzijn) als een strafdragen voor de zonde in aanmerking, maar is enkel en alleen het middel, waarvan God zich bedient, om de zondaar van de zonde vrij te maken; en

3. dat de resipiscentia (met het geloof) daartoe dient en dienen kan, is uitsluitend aan Christus te danken, die Gode gehoorzaam is geweest tot de dood van het kruis toe en daarom voor Hem het recht verwierf, om de mens beide van de schuld en van de smet en macht van de zonde te verlossen; het eerste doet Hij in de rechtvaardigmaking en het tweede in de wedergeboorte (bekering, heiligmaking). Daarom komt de waarachtige bekering, de ware droefheid over de zonde en de oprechte terugkeer tot God en zijn dienst, volstrekt niet alleen door de wet, maar evenzeer en in nog sterker mate door het Evangelie tot stand. Uit de wet is zeer zeker de kennis van de zonde, in zover als alle zonde in de wet haar maatstaf heeft en dus anomia is; maar dat de mens de zonde zó in haar ware aard leert zien en erkennen, dat is aan het Evangelie te danken en als een vrucht van het geloof te beschouwen. Wet en Evaugelie werken dus in de bekering van de mens samen; de wet wijst pedagogisch naar Christus heen, maar het Evangelie werpt zijn licht ook op de wet terug23.

1 De literatuur is te vinden bij Walch. Bibl. theol sel. II 751 v.

2 Walch. Bibl. theol. sel. II 749 v. Göbel, Gesch. d. Chr. Lebens II 632 v. Art. Joch in PRES IV 283.

3 In zijn Treatise concerning religious affections 1746, verg. Ridderbos, De Theologie van Jon. Edwards bl. 246 v.

4 Zie het art. Camisarden van Th. Schott in PRE2 III 693 v.

5 Ypey en Dermout, Gesch. van de Ned. Herv. Kerk IV 8 v. Ritschl, Gesch. d. Piet. I 1880 bl. 347 v. J. C. Kromsigt, Wilh. Schortinghuis 1904 bl. 310 v. Verg. ook Examen v. h. Ontw. v. Tol. X voorrede bl. 32.

6 Rev. J. Vyrnwy Morgan, The Welsh religious revial 1904-5. A retrospect and a criticism. Londen 1909. Beukenhorst, Evan Roberts en de Keswick-leer, St. v. W. en Vr. Mei 1907 bl. 401-419. H. Bois, Le réveil au pays de Galles. Toulouse 1906. Id., Les dernières nouvelles du réveil gallois, Foi et Vie. 1 Nov. 1906. E. Pensoye, Les résultats du réveil gallois, ib. 16 Nov. 1907.

7 Verg. reeds de literatuur, Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 412 genoemd, en voorts nog Joh. Urban, Zur gegenwartigen “Pfingstbewegung.” Herzliche Warnung auf Grund persönlicher Erfahrung. Striegau 1910. P. Th. Haarbeck, Die “Pfingstbewegung” in gesch., bibl., und psychol. Beleuchtung. Barmen 1910, M, Schian, Die moderne Gemeinschaftsbewegung. Stuttgart 1909.

8 Verg. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 423.

9 In zijn: Den hemel op aarden, of een korte en klaare beschrijvinge van de waare en standvastige blijdschap. Zwolle 1703, en: Den Hemel op aarden opgeheldert en van onverstand gezuijvert 1704. Verg. M. Vitringa, Doctr. III 108 v. Ypey en Dermout, Gesch. van de Ned. Herv. kerk III 240 v.

10 Inzonderheid door T. H. van de Honert, Fr. Burmannus fil., M. Leydecker, maar voorts ook door Bomble, Creyghton, d’Outrein, Sluiter, Tuinman enz. M. Vitringa, Doctr. III 110 v.

11 De Moor, Comm. IV 422,

12 H. Plit, Zinzendorfs Theologie I 157 v. 317 v. II 242 v. en J. Th. Müller, art. in PRE3 XXI 688.

13 E. W. Miller, The great awakening, The Princeton Theol. Review Oct. 1904 bl. 545-565.

14 De revivals onder Edwards, Finney, Moody zijn in hun onderscheiden karakter behandeld door J. Kaltenbach, Foi et Vie 16 Févr. 1906 bl. 102-107, 1 Mars 1906 bl. 132-136, 16 Mai 1906 bl. 237-304. Verg. ook de art. over hen in PRE3.

15 Verg. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 428, en voorts James, The varieties of religious experience bl. 96 v. Ook de zogenaamde Emmanuël Movement komt hierbij in aanmerking, zie Elwood Worcester, Samuël Mc. Comb, Isador H. Coriat, Religion and medicine. The moral control of nervous disorder. New-York 1908. Elwood Worcester, The Living Word. New-York 1909. Robert Mac Donald, Mind, Religion and Health, with an appreciation of the Emmanuël Movement. New-York 1908. Samuel Mc Comb, The Christian religion as a healing power, The Hibbert Journal Oct. 1900 enz.

16 Verg. Deel IV; Hoofdstuk 8 (vervolg); Par. 51 Geloof en Bekering; 459.

17 Verg. Lechler, Gesch. d. engl. Deismus 1841 bl. 42, 47. Anderen kwamen ook op dit punt tegen hem op, Walch, Bibl. theol. sel. I 782 v. M. Vitringa, Doctr. III 100.

18 Verg. de literatuur, in de Lutherse theologie daarover verschenen tijdens de strijd tussen orthodoxen en piëtisten, bij Walch, Bibl. theol. sel. II 752 v.

19 Voetius, Disp. II 415, 460, ook reeds aangehaald 26432.

20 Verg. bijv. Lampe, De verborgenheid van het genadeverbond. Amsterdam 1718 bl. 255, 362 v. 372.

21 Voetius, Exercitia pietatis. Gor. 1664 bl. 228. Verg. trouwens ook Catech. Rom. II c. 4 qu. 23, 27..

22 Moberly, Atonement and Personality bl. 19 v. en verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 368 v. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 384, Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 387, Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 390.

23 Verg. reeds vroeger Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 418 v., Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 419 v, en verdere literatuur bij M. Vitringa, Doctr. III 111 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept