Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

488. In dezelfde mate als dit Roomse kerkbegrip in de Middeleeuwen praktisch gerealiseerd werd, vond het van verschillende zijden tegenstand en bestrijding. De katholisering van de kerkidee was in de eerste eeuwen niet geschied dan onder krachtig en aanhoudend protest. De Griekse Christenheid, hoewel overigens in de leer van de kerk met Rome overeenstemmende, erkende nooit het primaat van de paus en weerstond daarmee het streven naar absolute eenheid en katholiciteit. En zo ook kwamen in de Middeleeuwen verschillende secten tegen de ontwikkeling van de Roomse kerkidee in verzet. De oppositie kwam uit verschillende beginselen voort. Bij Katharen, Albigenzen, Bulgaren, de volgelingen van Almarik van Bena, de secten van de nieuwe en van de vrije geest was zij de vrucht van dualistisch-manichese of gnostisch-pantheïstische dwalingen. Bij anderen zoals de Waldenzen, Bradwardina, Wiclef, Hus enz. werkte de beschouwing van Augustinus na, volgens welke de kerk een vergadering van praedestinati was. Maar de kenbaarheid van deze ware kerk werd dan niet objectief in de bediening van woord en sacrament, maar in het heilig leven, in het leven naar de wet van Christus, in liefde, armoede enz. gezocht; vandaar dat de overgang uit de idee van de kerk tot de werkelijkheid ontbrak en de poging tot reformatie niet doorwerken kon of ook op teleurstelling uitliep1. Eerst in de zestiende eeuw werd door de Hervorming een principiëel verschillend kerkbegrip tegenover dat van Rome geplaatst. Luther vond vrede voor zijn ziel, niet in het ex opere operato werkende sacrament noch ook in de goede werken, maar in de vergeving van de zonden door het geloof alleen. En van dit standpunt uit viel hij de Roomse kerk aan, verwierp priester, offerande, monnikenwezen, onfeilbaar kerkinstituut en magisch werkend sacrament, proclameerde de vrijheid van de Christenmens en vatte de kerk op als een vergadering van gelovigen, als een communio sanctorum, gelijk zij als voorwerp van het geloof in de twaalf artikelen beleden werd. Het kostte Luther zware strijd, om met de Roomse kerk en haar kerkbegrip te breken; een program van reformatie had hij niet; het was hem eerst alleen te doen, om de misbruiken tegen te gaan. Maar hij vond en behield zijn vastigheid in de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof alleen en kwam van daar uit veel verder, dan hij oorspronkelijk had gedacht of bedoeld. Dit beginsel leidde hem ook tot een andere opvatting van de kerk, nl. tot die, welke hij vond in de Schrift.

De kerk was geen vergadering van praedestinati zonder meer noch ook van zulken, die naar enkele voorschriften van de bergrede wandelen. Maar zij was een vergadering van: gelovigen, van mensen, die door het geloof vergeving van de zonden hadden ontvangen en dus allen kinderen van God, profeten en priesters waren. Vanzelf had zij daarom een onzichtbare en een zichtbare zijde. Deze onderscheiding is volgens Seeberg2, het eerst niet door Zwingli, maar door Luther gemaakt. Maar hij verstond daaronder geen twee kerken, doch twee zijden aan een en dezelfde kerk. De kerk is voor Luther geen platonisch ideaal, geen idee zonder werkelijkheid, maar zij bestaat voor hem concreet in mensen, die leven en door het geloof de vergeving van de zonden deelachtig zijn. Naar de een zijde is zij onzichtbaar, een voorwerp van het geloof, want wat men gelooft, ziet men niet; naar de andere zijde is zij zichtbaar, want zij wordt openbaar en is kenbaar, niet aan pausdom, bisschoppen, misgewaden en andere uitwendigheden, maar aan de zuivere bediening van woord en sacrament. Waar deze is, kan men er zeker van zijn, dat er een kerk is; daar zijn ware gelovigen, al was het alleen onder de kinderen in de wieg; Gottes Wort kann nicht ohne Gottes Volk sein. Want er kunnen in een kerk wel ongelovigen zijn, evenals er in een lichaam vreemde bestanddelen kunnen binnendringen, maar het wezen van de kerk wordt door de gelovigen bepaald, het geheel wordt genoemd naar het voornaamste deel3. Dienovereenkomstig werd in de Lutherse symbolen de kerk omschreven als een communio of congregatio sanctorum et vere credentium, in qua evangelium recte docetur et recte administrantur sacramenta. Zij is wel zichtbaar, heeft ambten en instellingen, maar ecclesia non est tantum societas externarum rerum ac rituum sed principaliter est societas fidei et Spiritus Sancti in cordibus4.

De onderscheiding van zichtbare en onzichtbare kerk diende oorspronkelijk dus alleen, om tegenover Rome uit te spreken, dat het wezen van de kerk in het onzichtbare lag, in het geloof, in de gemeenschap met Christus en zijn weldaden door de Heilige Geest, maar volstrekt niet, om aan de zichtbaarheid, aan de realiteit van de kerk enigermate afbreuk te doen. Spoedig werd zij echter in een andere zin gebezigd. Men kon toch het oog niet sluiten voor het feit, dat er in de kerk in hac vita multi mali et hypocritae admixti sunt, die wel socii verae ecclesiae secundum externos ritus zijn, maar toch niet de kerk vormen en veeleer tot het regnum diaboli behoren5. De kerk kon dus enger of ruimer genomen worden, als ecclesia stricte et large dicta6. Luther sprak soms van zwei Kirchen en Melanchton noemde dit een discrimen duorum corporum ecclesiae7, en latere theologen, zoals Heerbrand, Chemniz, Hutter, Gerhard enz. pasten daarop de onderscheiding van onzichtbare en zichtbare kerk toe. Onzichtbaar werd de kerk nu genoemd, niet omdat ze een geestelijke zijde had en daarom voorwerp van het geloof was, maar omdat de kring van de gelovigen door ons niet kon gekend worden; en zichtbare kerk werd de naam, niet voor de openbaring van de gelovigen in belijdenis en wandel, maar voor de ongelovigen, die vroeger door Luther en de belijdenisgeschriften niet tot de kerk, maar tot het regnum diaboli gerekend werden. Idee en werkelijkheid, wezen en verschijning werden daardoor los naast elkaar gesteld. De gelovigen vormden een onzichtbare ecclesiola in de zichtbare ecclesia8.

Met de Lutherse leer van de kerk komt de Gereformeerde in hoofdzaak overeen, maar zij vertoont toch enkele niet onbelangrijke eigenaardigheden. Ten eerste neemt het instituut van de kerk er een enigszins andere plaats in. Luther verstond onder de kerk wel de communio sanctornm, maar zocht toch haar eenheid en heiligheid meer in de objectieve instellingen van ambt, woord en sacrament, dan in de subjectieve gemeenschap van de gelovigen, die dikwijls zo veel te wensen overliet. Zo werd de kerk meer en meer een Goddelijk instituut, dat de eenheid en heiligheid van de gelovigen realiseren moest. In dezelfde geest omschreef Melanchton in de Loci van 1543 de kerk als coetus vocatorum en zei, dat wij nec alibi electos ullos somniemus, nisi in hoc ipso coetu visibili. Latere Lutherse dogmatici vonden er een verschilpunt in, dat volgens hun leer de uitverkorenen niet extra coetum vocatorum te zoeken zijn en volgens de Gereformeerden ook daarbuiten konden voorkomen. En werkelijk is het Gereformeerde leer, dat God wel ordinarie de weldaden van Christus schenkt door middel van woord en sacrament, maar toch daaraan niet gebonden is en, zij het dan ook rarissime, de zaligheid verleent buiten het instituut van de kerk om9. Ten tweede brachten de Gereformeerden de kerk ten nauwste met de verkiezing in verband en vatten daarom haar onzichtbaarheid dikwijls anders dan de Luthersen op. Zwingli liet eerst wel de onzichtbaarheid slaan op de ecclesia universalis, die over de hele aarde verspreid was en daarom door niemand empirisch kon waargenomen worden, in tegenstelling met de ecclesia particularis, die op een bepaalde plaats aanwezig en zichtbaar is. Maar later verstond hij onder de ecclesia invisibilis de gezamenlijke uitverkorenen, gelijk zij in de twaalf artikelen voorwerp van het geloof is en eerst bij de parousie zichtbaar zal worden. En in onderscheiding daarvan noemde hij de ecclesia universalis en de ecclesia particularis een zichtbare (visibilis, sensibilis) vergadering van gelovigen, waarin ook hypocrieten kunnen zijn10. In zijn Christianae fidei expositio van het jaar 1531 spreekt hij dan nog weer enigszins anders en zegt, dat de kerk van de gelovigen op aarde onzichtbaar is, in zover zij alleen de ware gelovigen omvat, en zichtbaar, in zover allen tot haar behoren, quotquot per universum orbem Christo nomen dederunt11.

Calvijn sluit zich bij dit spraakgebruik aan. Als hij de uitdrukking ecclesia invisibilis voor het eerst in de Institutie van 1543 opneemt, verstaat hij daaronder de gezamenlijke uitverkorenen, die alleen Gode bekend zijn, en onderscheidt daarna de kerk als universa hominum multitudo in orbe diffusa, die zichtbaar is en ook hypocrieten in zich bevat, maar toch ook in zoverre weer onzichtbaar en voorwerp van het geloof is, als wij niet weten kunnen, wie daarin de ware gelovigen zijn12. Onzichtbaar kon de kerk dus reeds heten in drieërlei opzicht:

1. als ecclesia universalis, omdat een bepaald persoon de kerk op andere plaatsen en in andere tijden niet waarnemen kan;

2. als coetus electorum, die eerst in de parousie voltooid en zichtbaar zal wezen;

3. als coetus electorum vocatorum, omdat wij in de kerk op aarde de ware gelovigen niet kunnen onderscheiden.

Daarbij kwamen later nog andere gezichtspunten, waaronder de kerk onzichtbaar kon genoemd worden, bijv. omdat zij niet van deze wereld is, omdat haar hoofd Christus en dus ook zij zelf als zijn lichaam onzichtbaar is, omdat haar grootste deel in de hemel is, omdat zij tijdelijk en plaatselijk van bediening van de genademiddelen verstoken kan zijn, omdat zij in tijden van vervolging in woestijnen en spelonken schuil gaat, omdat zij wel in haar uitwendige belijdenis, maar niet in het inwendig geloof van het hart waarneembaar is, omdat de kerk nooit op één plaats en in één tijd tegenwoordig is, maar door de eeuwen en volken heen zich uitbreidt13. En zichtbaar heette dan de kerk daartegenover, omdat zij in belijdenis en wandel openbaar wordt, of als instituut met ambten en bedieningen optreedt, of niet alleen ware gelovigen doch ook hypocrieten bevat. Confessie en dogmatiek bij de Gereformeerden gingen nu eens van deze en dan van gene opvatting uit. Sommigen stelden de kerk als de gemeenschap van alle uitverkorenen op de voorgrond en noemden deze de ecclesia invisibilis14. Omdat echter de uitverkorenen, die nog niet leven of nog niet geroepen zijn, alleen potentia leden van de kerk kunnen heten, lieten anderen deze idee van de kerk rusten en gingen uit van de kerk als vergadering van alle electi et vocati15. Dan moest men daarbij echter terstond onderscheiden tussen ware gelovigen en hypocrieten en ging daarom spreken van ecclesia stricte en latius dicta, van het esse de ecclesia en het esse in ecclesia, of ook wel van ecclesia invisibilis en visibilis16. Dit leidde in verband met het bederf, dat in de kerk intrad, tot de onderscheiding van twee kringen of groepen van mensen in de éne kerk17, en bracht velen in de achttiende eeuw er toe, om een uit- en een inwendig verbond naast elkaar te stellen, om de forma externa en interna van de kerk te scheiden en om de leer te verkondigen, dat ook onbegenadigden, indien zij onergerlijk leefden, ware leden van de kerk konden zijn en rechtmatige aanspraak hadden op haar goederen en weldaden18. Tervergeefs trachtten daartegenover anderen de eenheid van de kerk te handhaven, door te zeggen, dat onzichtbare en zichtbare kerk twee zijden waren van dezelfde zaak19, de leer klopte hoe langer hoe minder op het leven. En dit was voor de Gereformeerde beschouwing van de kerk te ernstiger, omdat zij veel minder dan de Luthersen in het instituut het wezen van de kerk zag. Want, en dat is een derde onderscheid, hetwelk later duidelijker in het licht zal treden, de Gereformeerden zochten het kenmerk van de ware kerk ook wel in de zuivere bediening van woord en sacrament, maar zij voegden gewoonlijk daaraan nog de kerkelijke tucht en de Christelijken wandel toe; de verkiezing was de grondslag van de kerk, maar werd eerst in het geloof en de goede werken openbaar20.

1 Harnack, D. G. III 392-419.

2 Seeberg, van de Begriff van de Chr. Kirche bl. 91.

3 Seeberg, t.a.p. 84 v. Köstlin, art. Kirche in PRES X 335 v.

4 Conf. Aug. en Apol. 7, 8. Art. Smalc. 12. Cat. maj. II 3.

5 J. T. Müller, Symb. Bücher bl. 153, 154, 155.

6 Müller, t.a.p. bl. 153.

7 Melanchton, Corp. Ref. XXI 507.

8 Verg. behalve de boven deze par. reedsgenoemde literatuur, verder nog Schultz, Das protest. Dogma v.d. unsichtbaren Kirche, Jahrb. f. prot. Theol. 1876 bl. 673-690. Krauss, Das protest. Dogma v.d. uns. K. Gotha 1876 bl. 80 v. Rietschel, Luthers Anschauung von der Unsichtbarkeit und Sichtbarkeit der Kirche, Theol. Stud. u. Krit. 1900 bl. 404-456. Bleibtreu, Die evang. Lehre v.d. unsichtb. und sichtb. Kirche. Tübingen 1903.

9 Calvijn, Inst, IV 16, 19. Ursinus, Expl. catech. qu. 21. Bucanus, Inst. theol. bl. 400. Gomarus, Theses theol. XXX 29.

10 Zwingli, Fidei ratio, Op. IV 8.

11 Zwingli, Op. IV 58.

12 Calvijn, Inst. IV 1, 1-9.

13 Polanus, Synt. theol. bl. 531.

14 Cat. Genev. bij E. F. Karl Müller, Bekenntnisschriften bl. 126. Conf. Scot. I 16 Conf. Westm. 25. Alsted, Theol. did. schol. bl. 590 enz.

15 Basil. I 5. Helv. 115. Catech. Heid. 54. Belg. 27. Helv. II 17. Gomarus, Theses theol., disp. 30. Polanus, Synt. Theol. 530. Martyr, Loci 390.

16 Ursinus, Explic. catech. op qu. 54. Alsted, Theol. did. schol. bl. 598. Heidegger, Corpus Theol. XXVI 29 enz.

17 Turretinus, Theol. El. XVIII 3, 3, 24.

18 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 45 Het Verbond der Genade; 345.

19 Walaeus, Synopsis 40, 34. Turretinus, Theol. El. XVIII 7, 4. Mastricht, Theol. VII 1, 11. 13. Appelius, De Herformde leer 1769 bl. 300 v.

20 Verg. verder voor de Geref. leer van de kerk de boven deze par. aangehaalde werken, en verder nog Heppe, Dogm. van de ev. ref. K. bl. 479 v, Seeberg, Der Begriff der Chr. K. bl. 159 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept