Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

498. De Heilige Schrift stelt dit in helder licht. Als Adam gevallen is en zich voor het aangezicht des Heeren verbergt, is het God zelf, die de mens opzoekt en roept, de belofte van het Evangelie hem predikt en daardoor zijn gemeente sticht. Met Noach richt hij zijn verbond op, deelt er een schat van zegeningen in mee en bezegelt het met de boog in de wolken. Abram roept Hij uit Ur der Chaldeeën, maakt hem tot zijn bondgenoot en geeft hem het teken van de besnijdenis. In de patriarchale tijd waren de huisgezinnen de gemeenten van de gelovigen; de huisvaders waren de priesters, die de beloften meedeelden aan hun kinderen en God offeranden brachten van aanbidding en dank. Het volk van Israël ontving bij de Sinaï niet alleen een burgerlijke, maar ook een godsdienstige organisatie en werd in priesterschap en offerande, in tabernakel en altaar, in allerlei wetten en instellingen als het volk van God openbaar. Als bij aanvang van het Nieuwe Testament Johannes de Doper optreedt, predikt hij de doop der bekering tot vergeving van de zonden, en zondert daardoor het volk van God van het zondig Israël af. Jezus neemt deze prediking en deze doop van Johannes over, voegt er later het avondmaal aan toe, vergadert een ekklhsia1 rondom zich, regeert haar zelf rechtstreeks, zolang Hij op aarde is, en stelt een twaalftal apostelen aan, die straks als zijn getuigen zullen optreden. De instelling van het apostolaat is vooral een krachtig bewijs voor het institutair karakter, dat Christus aan zijn kerk op aarde gaf; Christus is zelf de apostolov, Hebr. 3:1 en zet deze apostolh in de twaalven voort, Joh. 20:21. Dit twaalftal vormde zich niet allengs vanzelf, maar werd uitdrukkelijk door Jezus zelf geroepen en aangesteld. Er is bij hen, ofschoon Jezus van aanvang wist, wie Hij tot apostelen verkiezen zou en daarom reeds terstond tot hen kon zeggen, dat hij hen tot aleeiv anyrwpwn Mk. 1:17, zou maken, toch een duidelijk onderscheid tussen hun eerste roeping tot het discipelschap, en hun tweede roeping tot het apostelschap, Mt. 4:18-22 en Mt. 10:1; Mk. 1:16 en 3:14; Luk. 6:1 en Luk. 6:13-16. Door velen, zoals Schleiermacher, Volkmar, Harnack, Seufert, Holtzmann enz. wordt deze speciale roeping tot het apostelambt door Jezus wel ontkend. Maar de feiten zijn met deze bewering in strijd. Het twaalftal apostelen stond toch reeds lang vóór het optreden van Paulus in de Christelijke gemeenten vast, Mt. 26:33; 28:18; Luk. 24:47; Joh. 20:19, 21; 1 Cor. 15:5, 7; Op. 21:14. Ook de naam van apostel, xwlv, is hun door Jezus gegeven2, Luk. 6:13, cf. Luk. 11:49; Mt. 23:34; 10:2; Mk. 6:30; Luk. 9:10; 17:5; 22:14; 24:10, omdat zij door Hem werden uitgezonden om te prediken, Mk. 3:14. Jezus was zelf de gezondene van de Vader, Joh. 3:34; Hebr. 3:1, en had tot uitvoering van zijn werk getuigen nodig, die het in Hem verschenen Evangelie bekend maakten onder heel het volk van Israël, Mt. 10:6. Deze naamgeving door Jezus wordt daardoor bevestigd, dat het woord apostel van begin af aan een ambtsnaam is geweest, zozeer zelfs, dat het woord feudapostolov gevormd kon worden, 2 Cor.11:13. Het woord xwlv komt trouwens in de LXX slechts eenmaal, 1 Kon. 14:6, en het woord apostolov in het profaan Grieks zelden voor.

Toch schijnen deze feiten van de Schrift over het apostolaat door andere gegevens weersproken te worden. Ten eerste is het onzeker, wie tot dit twaalftal apostelen gerekend moeten worden. Ook al wordt het verschil tussen de vier apostellijsten, Mt.10:2; Mk. 3:16; Luk. 6:14 Hd. 1:13, in die zin opgelost, dat Lebbeus Thaddeüs en Judas Jacobi vereenzelvigd worden, dan blijft toch nog over, dat Judas uitviel en door Matthias vervangen, Hd. 1: 16-26, en later Paulus nog aan het twaalftal toegevoegd werd. De verhouding van Paulus tot de twaalven is daarbij verre van duidelijk. Wel maakt Paulus meermalen dit onderscheid, dat de apostelen te Jeruzalem onder Israël en hijzelf onder de Heidenen het Evangelie verkondigen zou, Hd. 9:15; 13:47; 22:21; Rom. 11:13; Gal. 1:16; 2:7-9; Ef. 3:8,1 Tim. 2:7; 2 Tim. 1:11. Maar dit onderscheid is toch zeer relatief; want Paulus wendde zich bij zijn Evangelieverkondiging altijd eerst tot de Joden, Hd. 13:6,14, 46 enz. en de twaalf apostelen ontvingen van Christus na zijn opstanding de uitdrukkelijke last, om aan alle volken het Evangelie te prediken, Mt. 28:19 Hd. 10:42, en hebben aan die last ook in meer of mindere mate voldaan. Niet alleen de gemeente uit de Joden, maar geheel de Nieuwtestamentische gemeente rust op het fundament van apostelen en profeten, Ef. 2:20; Op. 21:14, en heeft door hun woord gemeenschap aan Christus, Joh.17:20; 1 Joh. 1:3. Het apostolaat van Paulus draagt echter een van dat van de twaalven zeer onderscheiden karakter. Wel handhaaft Paulus met alle macht de Goddelijken oorsprong, de zelfstandigheid en de waarachtigheid van zijn apostolisch ambt tegenover alle bestrijders, Gal.1; 2; 1 Cor.1:10-4:21; 2 Cor. 10:13. Maar desniettemin, hij heeft met Jezus niet verkeerd tijdens zijn omwandeling op aarde, heeft de gemeente Gods vervolgd, is geroepen door de verhoogde Christus op een buitengewone wijze en een ongewone tijd, en is geweest de voornaamste van de zondaren en de minste van de apostelen,1 Cor. 15:9; Ef. 3:8; 1 Tim.1:15. Zijn apostolaat, hoe zelfstandig en uitnemend ook, is een middel geweest, om het apostolaat van de twaalven tot grondslag van heel de gemeente te leggen. Paulus heeft door zijn apostolaat het apostolaat van de twaalven niet beperkt of ondermijnd, maar het integendeel bevestigd en uitgebreid. Hij heeft in de heidenwereld voor het apostolaat van de twaalven de weg gebaand, heeft het enerzijds ontdaan van al het Joodse, dat de dragers ervan nog bleef aankleven en anderzijds de Heidenen als wilde takken ingeënt op de tamme olijfboom van Israël, Rom. 11:24. Op Christus als hoeksteen en de apostelen als fundament heeft Paulus de éne gemeente, het éne volk Gods, het geestelijk Israël gebouwd.

Daarmee is in beginsel ook reeds een tweede bedenking opgelost, welke tegen de aanstelling en naamgeving van de twaalf apostelen door Jezus ingebracht wordt. Het is nl. een feit, dat het woord apostel, waarschijnlijk reeds in Jeruzalem, Hd. 14:4,14; 2 Cor. 11:13 Op. 2:2, maar dan vooral door Paulus in ruimere zin is gebruikt en ook op anderen dan het twaalftal toegepast is. Paulus moest dat daarom wel doen, omdat hij zichzelf een geroepen dienaar van Jezus Christus wist, in ambt en ere aan de andere apostelen gelijk. Hij was apostel in een andere zin dan de apostelen in Jeruzalem, op een andere wijze en in een latere tijd geroepen en met een speciale taak belast. Maar één ding had hij met de apostelen in Jeruzalem gemeen; hij was een geroepen apostel van Jezus Christus, die zijn roeping, zijn Evangelie, zelfs bepaald ook de eigenaardige inhoud van zijn Evangelie, nl. dat de Heidenen zijn mede-erfgenamen, aan een bijzondere openbaring van Christus en niet aan mensen te danken had, 1 Cor. 9:1; 15:8; Gal.1:1, 12,15; 2:2; Ef. 3:3. Maar voor zijn zendingsarbeid had hij hulp nodig. Behalve de apostelen had Jezus ook reeds zeventig anderen uitgezonden, om in de steden en vlekken, waar Hij komen zou, zijn komst voor te bereiden, Luk. 10. Toen de gemeente in Jeruzalem door de vervolging verstrooid werd, ging Filippus, een van de in Hd. 6 verkozen zeven mannen, het Evangelie prediken onder de Samaritanen, Hd. 8:5 aan de eunuch van de koningin Candace, Hd. 8:26, cf. Hd. 11:20, en verder tot Cesarea toe, Hd. 8:40; 21:8. En, zo bediende zich Paulus bij zijn zendingsarbeid van mannen als Barnabas, Markus, Lukas, Silas, Tychicus, Aristarchus, Epaphras, Apollos, Timotheüs, Titus e.a., die als zijn sunergoi, 1 Thess. 3:2, hem ter zijde stonden. Deze hulpzendelingen van de apostelen werden nu door Paulus soms ook apostelen genoemd, omdat zij wel niet rechtstreeks door Jezus Christus, maar toch onder leiding van de Heilige Geest door de gemeente gezonden waren, om op andere plaatsen het Evangelie te verkondigen, Hd. 13:2-3, cf. 2 Cor.8:23,, apostoloi ekklhsiwn. Het woord apostel kreeg naast de engere dus ook een ruimere zin, Hd. 14:4,14; Rom.16:7; 1 Cor. 4:6, 9; 9:5; 15:7; 2 Cor. 11:5, 13; 12:11; Gal. 1:19; 1 Thess. 2:6; Op.2:2, en leefde zo ook nog later in de na-apostolische tijd, bijv. in de Didache voort.

Elders dragen deze apostolische helpers de naam van evangelisten, Hd. 21:8; Ef. 4:11; 2 Tim. 4:5,, omdat zij, zoals Christus door de Vader, Luk. 4:18, en de apostelen door Christus, Luk. 9:1, 6, zo op hun beurt onder de leiding van de Geest door de gemeente werden afgezonderd voor de verkondiging van het Evangelie, Hd. 8:5, 12, 40; 11:19, 20, 22; 13:2; 2 Cor. 8:18, 19, 23; Phil. 2:25; 1 Tim. 4:14. Zij komen dus in drie opzichten met de apostelen in engere zin overeen:

1. daarin, dat zij ook dienaren van God of van Christus zijn, 1 Thess. 3:2; 1 Tim. 4:6; 6:11; 2 Tim. 2: 24, en niet maar een charisma hebben ontvangen, 1 Tim. 4:14; 2 Tim. 1:6, maar werkelijk krachtens een bijzondere roeping en aanstelling een ambt dragen, onder een bepaalde naam, Hd. 21:8, met een eigen rang en plaats, Eph. 4:11, en met een speciale taak, 2 Tim. 4:5;

2. dat hun ambt niet tot een plaatselijke kerk beperkt is, maar zich uitstrekt tot alle kerken, tot de ecclesia universalis, Hd.13:4v., zodat zij naar de oud-kerkelijke verklaring pantacou periiontev ekhrutton en macht en gezag hadden over alle kerken, Tit.1:5; en

3. dat zij deelnemen aan de grondleggenden en gemeentestichtende arbeid van de apostelen; zij zijn hun sunergoi, 1 Thess. 3:2, sunekdhmoi, Hd. 19:29, sunstratiwtai, Phil. 2:25, sundouloi, Col. 1:7; 4:7, die natmaken wat de apostelen hebben geplant, 1 Cor. 3:6, en bij relatieve zelfstandigheid toch aan de apostelen onderworpen waren, Hd. 19:22; 1 Cor. 4:17; 1 Tim. 1:3; Tit. 1:5 enz., en ten dele alleen, ten dele ook in gezelschap van de apostelen werkten, ib. en Hd. 11:30; 12:25; 13:2 enz.. In de na-apostolische tijd verdwijnt het ambt geheel en wordt de naam sedert Tertullianus, Origenes en Eusebius gebruikelijk voor de schrijvers van de vier Evangeliën, die als het ware de personen van de evangelisten overbodig maken3.

Naast de evangelisten treden in het Nieuwe Testament nog profeten op, die zelfs nog vóór hen genoemd worden, Rom. 12:6; 1 Cor. 12:28,29; Ef. 4:11, soms zonder hen met de apostelen verbonden worden, Ef. 2:20; 3:5, en dus in rang en ere boven hen staan. Zij waren door Jezus beloofd, Mt. 23:34; Luk. 11:49, werden door de Heilige Geest, die op de Pinksterdag uitgestort was, verwekt, Hd.2:17,18; 1 Cor. 12:10; Op.1:10, en komen dan in grote getale en in bijna alle gemeenten voor, in Jeruzalem, Hd. 6:5,8; 11:27, Antiochië, Hd. 11:27; 13:1, Cesarea, Hd. 21:9-10, Corinthe, 1 Cor. 12 en overal, zoals uit hun vermelding in Rom. 12:6; 1 Cor. 12:28; Ef. 2:20; 3:5; 4:11; 1 Thess. 5:20, blijkt. Zij worden besloten met Johannes, de apostel, Op.1:1, en verdwijnen dan als stand geheel uit de gemeente. Wel spreken de apostolische vaders nog van profeten4, maar zij denken daarbij aan zulke mannen, die rondreisden en in verschillende gemeenten over de Christelijke waarheid spraken, maar daarbij nauwkeurig onderzocht en van de valse profeten onderscheiden moesten worden; de tijd voor de profetie was voorbij. Het Montanisme en andere enthousiastische richtingen van vroeger of later tijd trachtten de profetie wel te doen herleven; Rome beweert, dat de profetische gave nog voortduurt5. Zwingli en velen na hem voerden zogenaamde profetieën in, waarbij de Schrift voor het volk werd verklaard6. Maar dat alles is wezenlijk onderscheiden van de profetie, gelijk die in de eerste Christelijke kerken bestond. Deze onderscheidt zich door het volgende:

1. de Nieuwtestamentische profeten kunnen wel ambtsdragers heten, maar hun ambt is toch veel meer charismatisch, dan dat van profeten en apostelen. Zij worden niet onmiddellijk door Christus noch ook door zijn gemeente geroepen en aangesteld, maar ontvangen een bijzonder charisma van de Heilige Geest, en zijn dientengevolge geroepen, om een bijzondere taak te vervullen in de gemeente van Christus.

2. Met de apostelen en evangelisten hebben zij gemeen, dat zij een ambt bekleden, hetwelk voor heel de kerk van Christus op aarde geldt, en zo ook medearbeiden aan de grondlegging van de gemeente, Ef. 2:20, maar terwijl de evangelisten de apostelen vooral helpen in hun missionerende en instituerende arbeid, staan de profeten hun ter zijde in hun opbouwende, stichtende, lerende werkzaamheid.

3. De Nieuwtestamentische profetie is wel bewust en daarom hoog te achten boven de glossolalie, 1 Cor. 14:5, 32 maar zij is toch momentaan en buitengewoon, vrucht van apokalufiv, 1 Cor. 14:30; zij breidt de natuurlijke mate van het weten en kennen uit, omvat zowel de vorm als de inhoud van de rede, Mt.10:19-20, bewijst zich als waarheid door haar innerlijke, overtuigende kracht, 2 Cor. 2:14-17, en diende vooral, om aan het Evangelie, dat door de apostelen verkondigd werd, dat de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid was, en nog niet in het geschreven Woord voor heel de kerk toegankelijk was, ingang te verschaffen bij gelovigen en ongelovigen en de gemeente zo door lering, vermaning, vertroosting, 1 Cor. 14:3, op te bouwen in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus7.

Maar hoe nauw profeten en evangelisten ook aan de eigenlijke apostelen verwant zijn, zij zijn er toch wezenlijk van onderscheiden. De apostelen vormen een eigen kring, hun ambt draagt een heel bijzonder karakter, en is door de volgende trekken kenbaar.

1. De apostelen zijn aan Christus door de Vader gegeven, Joh.17:6, door Hemzelf uitverkoren en geroepen, Joh. 6:70; 13:18; 15:16, 19; 1 Cor. 1:17; 2 Cor. 5:20; Gal. 1:1 door God gekozen tot hun ambt, Hd. 10:41.

2. Zij zijn door Jezus zelf voor hun taak opgeleid en bekwaamd, zijn oor- en ooggetuigen van zijn woorden en daden geweest, hebben het woord des levens met de ogen aanschouwd en met de handen getast, en hun Evangelie niet van enig mens maar van Christus zelf ontvangen, Luk. 24:48; Joh.1:4; 15:27; Hd.1:21-22; 26:16; 1 Cor. 9:1; 15:8,2 Cor. 12:1 v., Gal. 1:12; Ef. 3:2-8,1; 1 Tim. 1:12; 1 Joh. 1:1-3 enz.

3. Zij zijn in bijzondere mate de Heilige Geest deelachtig, die hen onderwijst en in alle waarheid leidt, Mt.10:20; Joh.14:26; 15:26; 16:7,13-14; 20:22; 1 Cor. 2:10-13; 7:40; 1 Petr.1:12.

4. Met die Geest toegerust, Joh. 20:22; Hd.1:8; Ef. 3:5, treden zij openlijk op als getuigen van Jezus, bepaaldelijk van zijn opstanding, Hd.1:8, 21-22; 2:14, 32; 3:15; 4:8 enz.,, zijn betrouwbare getuigen, Luk. 1:2; Joh. 19:35; 21:24; 1 Cor. 7:25; 1 Petr. 5:1; 2 Petr. 1:16; Hebr. 2:3; Op. 1:3; 22:18-19, en verkondigen Gods Woord, Joh. 1:14; 20:31; 1 Cor. 2:13; 2 Cor. 2:17; Gal.1:7; 1 Thess. 2:13; 1 Joh. 1:1-4; Op. 22:18-19.

5. Hun getuigenis wordt door God bezegeld met tekenen en wonderen en rijke geestelijke zegen, Mt.10:1, 9 Mk.16:15 v., Hd. 2:43; 3:2; 5:12-16; 6:8 enz., Rom.12:4-8; 15:18-19; 1 Cor. 12:10, 28; 15:10; 2 Cor.11:5, 23; Gal. 3:5; Hebr. 2:4.

6. Aan dit hun getuigenis is de kerk aller eeuwen gebonden. Er is geen gemeenschap met Christus dan door gemeenschap aan het woord en de personen van de apostelen, Joh. 17:20; Gal. 1:7-9; 1 Joh. 1:3;, zij zijn het fundament van de kerk, Mt. 16:18; 1 Cor. 3:10; Ef. 2:20; Op. 21:14; hun woord, voor ons bewaard in de Schriften van het Nieuwe Testament, is medium gratiae, Joh. 20:31; 1 Cor. 1:18 v., 1Cor. 15:2; 1 Joh.1:1-4.

7. Hun ambt is dus niet voor een tijd en niet tot een plaatselijke gemeente beperkt, maar het blijft en strekt zich tot de hele kerk uit. Het is het enige, dat rechtstreeks door Christus ingesteld is en sluit alle bevoegdheden en werkzaamheden, die in de latere ambten verdeeld zijnt in zich, de pastorale, presbyterale, diakonale, zelfs ook de evangeliserende en profetische werkzaamheid. Van stonde aan genieten de apostelen dan ook in de kerk van Christus een algemeen erkende autoriteit. Zij zijn niet alleen de opzieners van de gemeente te Jeruzalem, maar zij zijn de grondleggers, de vaders, 1 Cor. 4:15, en leiders van de hele kerk, hebben opzicht over de gelovigen te Samaria, Hd. 8:14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9:32; 11:22, stellen ambten in, Hd. 6:2, nemen besluiten in de Heilige Geest, Hd.15:22, 28, treden op met apostolische volmacht, 1 Cor. 4:21; 5:2; 2 Cor. 2:9, geven bindende bevelen, 1 Cor. 7:40; 1 Thess. 4:2, 11; 2 Thess. 2:15; 3:6, 14 enz., en zijn nog met hun woord gezaghebbend voor de hele Christenheid; apostoliciteit is een eigenschap en kenmerk van de kerk van Christus8.

Onder de apostelen staat Petrus bovenaan. Simon of Schimeon, zoon van Johannes of Jonas, broeder van Andreas, afkomstig uit Bethsaïda, Joh. 1:45, doch waarschijnlijk sedert zijn huwelijk wonende in Kapernaüm, Mk. 1:29, ontving reeds bij zijn eerste ontmoeting van Jezus de toezegging, dat hij later zou genoemd worden khfav, Griekse vorm voor het Hebreeuwse woord Pk met het aramese artikel, de rots, h petra, als manlijke eigennaam petrov, Joh. 1:43. Zonder twijfel zinspeelde Jezus daarmee op zijn trouw karakter, dat hem in weerwil van zijn sanguinische, bewegelijke natuur eigen was en het duidelijkst uitkwam bij Cesarea Filippi, toen hij tegenover het volk, dat met zijn aardsgezinde verwachtingen zich in Jezus teleurgesteld zag en Hem verliet, de belijdenis van Jezus’ Messianiteit vasthield en openlijk in de naam van zijn medediscipelen uitsprak, Mt. 16:13-20; Mk. 8:27 -29; Luk. 9:18-20; Joh. 6:66-69. Bij deze gelegenheid herinnerde Jezus dan ook aan de naam, die Hij hem vroeger reeds gegeven had, Mt.16: 18. Door zijn vrijmoedige en standvastige belijdenis van Jezus als de Christus betoonde zich Petrus de rots te zijn, op welke Christus zijn gemeente zo hecht en vast zou bouwen, dat de poorten van de hades haar niet in kracht overtreffen zouden. Volgens Launoi dachten 17 kerkvaders bij de rots aan Petrus, 8 aan de apostelen, 44 aan het geloof van Petrus en 16 aan Christus9; later hebben de Roomsen de rots meest op Petrus en de Protestanten op zijn belijdenis laten slaan. Maar er is hier geen dilemma. De woorden “deze petra” kunnen niets anders zien dan op de persoon van Petrus, maar een rots is hij en heeft hij zich bewezen te zijn door zijn belijdenis van Jezus als de Christus, een belijdenis, die hij niet aan zichzelf, maar aan de openbaring van de Vader heeft te danken. Juist daarom belooft Jezus hem, dat Hij op hem als belijder van zijn Zoonschap en Messianiteit zijn gemeente bouwen zal. Christus stelt dus zichzelf als de bouwmeester van zijn gemeente voor en Petrus de belijder als de rots, waarop zijn gemeente rusten zal. In Mt. 21:42; Hd. 4:11; 1 Cor. 3:10 Ef. 2:20; Op. 21:14, cf. 1 Petr. 2:4-6, is hetzelfde beeld gebruikt, maar wordt het op een andere wijze toegepast. Daar worden nl. de apostelen gedacht als de bouwmeesters, die de kerk door hun prediking op Christus als het fundament hebben gegrondvest. Maar hier in Mt. 16:18, is Christus de bouwmeester, die op de belijdende Petrus zijn gemeente bouwt. En deze belofte heeft Christus gestand gedaan; Petrus is de eerste onder de apostelen, de voornaamste grondlegger van de kerk, de voorganger en aanvoerder van al de belijders van Christus door de eeuwen heen. Daarom wordt hij in de apostellijsten altijd het eerst genoemd, Mt. 10:2; Mk. 3:16; Luk. 6:14; Hd. 1:13, behoort hij met Johannes en Jakobus tot de intieme vriendenkring van Jezus, die deze volgen mag, als de anderen moeten achterblijven, Mt.17:1; Mk. 5:37; 13:3; 14:33, is de woordvoerder en vertegenwoordiger van de discipelen, Mt. 16:17; 17: 24; 18:21; 26:40, treedt na Jezus’ hemelvaart als eerste getuige onder de apostelen op de voorgrond, Hd. 1:15; 2:14; 3:1v., Hd. 4:8; 5:3, 29; 8:14; 10:5v., Hd. 12:3v., Hd. 15:7v., en wordt als primus inter pares ook door Paulus geëerd, Gal. 1:11; 2:7-9 10.

1 De wijze, waarop Jezus Mt. 16:18 en Mt. 18:17 van zijn gemeente spreekt, sluit reeds in beginsel haar organisatie in, verg. Sillevis Smitt, De organisatie van de Christelijke Kerk in de apost. tijd bl. 36.

2 Het is niet onmogelijk, dat de naam van apostelen reeds bij de Joden in gebruik was voor zulke mannen, die door het sanhedrin werden uitgezonden, om een bepaald mandaat uit te voeren ten opzichte van de Joodse gewoonte buiten Judea, Harnack, Mission und Ansbreitung des Christ.2 I 267 v. Staerk, Neut. Zeitgesch. II 43.

3 Verg. over de evangelisten: Suicerus s. v. Witsius, Misc. Sacra I 315 II 564. Voetius, Pol. Eccl. III 364-369. Mastricht, Theol. VII 2, 18. Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 bl. 220 v. Philippi, Kirchl. Gl. V 3, 277. Sohm, Kirchenrecht 42. Zöckler, Diakonen und Evangelisten, München Beck 1893. Art. in Hastinqs’. D. B. en D. C. G.

4 Hermas, Mand. 11 Vis. 3 Didache 11, 15.

5 Bellarminus, de notis eccl. c. 15.

6 Güder, art. Prophezei in PRE3 XVI 108-110. H: H. Kuyper, De opleiding tot de dienst van het Woord bij de Geref. 1891 bl. 104 v. J. C. Kromsigt, W. Schortinghuis bl. 112 v.

7 Verg. over de Nieuwtestamentische profeten: Voetius, Pol. Eccl. III 369, cf. Disp. Sel. II 1036 v. Bonwetsch, Die Prophetie im ap. u. nachap. Zeitalter, Zeits. f. k. Wiss. u. k. Loben 1884 bl. 408 v. Zöckler, t.a.p. 71 v. Weiszäcker, Das apost. Zeitalter, 584 v. Harnack, Mission und Ausbreitung I277 v. Burger, art. in PRE 3 XVI 105-108.

8 Verg. Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 14 De Theopneustie van de Schrift; 108 v. en voorts Voetius, Pol. Eccl. III 351-363. De Moor, Comm. VI 250 v. W. Seufert, Der Ursprung u. die Bedeutung des Apostolates in der chr. K. der ersten 2 Jahrb. Leiden 1887. Kòppel, Der Ursprung des Apost., stud. u. Krit. 1889 bl. 257-331. Erich Haupt, Zum Verstandniss des Apost. Halle Niemeijer 1896. H. Monnier, La nation de l’apostolat. Des origines à Irenée. Paris Leroux 1903. Harnack, Mission u. Ausbreitung I 267 v. Patrick, art. in Hastings D. of Christ I 101 v.

9 Bij Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 411.

10 Sieffert, art. Petrus in PRE3 XV 186 v. C. A. Kneller, Kritische Schwierigkeiten in der Apologetik, St. aus M. Laach 1910 bl. 486-498 haalt verschillende Protestanten aan, zoals Schelling, Baur, Holtzmann, Grill, die de Roomse exegese van Mt. 16:18, als juist erkennen. Maar velen van hun, bijv. J. Grill, Der Primat des Petrus, Tübingen 1904, bestrijden dan tevens de echtheid van de tekst, waarvoor volgens KnelIer dan weer geen grond bestaat, Verg. ook W. Köhler, Die Schlüssel des Petrus. Versuch einer religionsgesch. Erklärung von Matth. 17:18, 19, Archiv für Religionswiss. VIII 214-243.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept