Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

499. Aan een regering heeft het de kerk dus nimmer ontbroken; en zij heeft zich deze niet zelf verschaft maar heeft ze van God ontvangen. Instituut en organisme van de kerk zijn telkens tegelijk en in verband met elkaar door God in het leven geroepen. Van het apostolaat kan zelfs gezegd worden, dat het aan de kerk van het Nieuwe Testament voorafging; de apostelen waren de grondleggers van de gemeente, als het ware de patriarchen van het volk van God in de dagen van het Nieuwe Testament. Maar dit apostolaat is niet voortgezet en was als ambt voor de stichting van de kerk uit de aard van de zaak voor geen voortzetting vatbaar; het leeft voor ons alleen voort in het apostolisch woord, dat de grondslag van de kerk blijft en in gemeenschap brengt met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus, 1 Joh. 1:3. Zodra de apostelen op verschillende plaatsen gemeenten hadden gesticht, stelden zij in die gemeenten ambten in, welke van het hun wezenlijk verschilden en niet zonder medewerking van de gemeenten zelf tot stand kwamen. Er is een groot onderscheid tussen de buitengewone ambten van apostelen, evangelisten en profeten, die tijdelijk voor de grondlegging van de kerk werden ingesteld, en de gewone ambten van presbyters en diakenen, die onder apostolische leiding uit de kerken zelf opkwamen. Deze laatste ambten veronderstellen de kerken, op dezelfde wijze als de regering het volk onderstelt. Zij konden daarom niet rechtstreeks en onmiddellijk, gelijk het apostolisch ambt, door Christus worden ingesteld, maar konden eerst opkomen, toen de gemeenten gesticht waren en aan een geregelde leiding behoefte kregen. Dit had al spoedig in de kerk van Jeruzalem plaats. Deze kreeg door de buitengewone pinksterzegen spoedig een zeer grote uitbreiding en was duizenden zielen sterk, Hd. 2:41, 47; 4:4, 21, 32; 5:14; 6:1. Dit maakte natuurlijk organisatie dringend nodig, welke ook onder leiding van de apostelen tot stand kwam.

Ten eerste werd deze gemeente van duizenden zielen, in weerwil van haar eenheid, op de een of andere wijze ingedeeld. Zij kon nl. niet in één gebouw samenkomen, maar moest bij gedeelten in private woningen vergaderen. Zonder twijfel ontstonden in Jeruzalem de eerste huisgemeenten, zoals wij die ook elders in de apostolische tijd aantreffen1. Immers lezen wij, dat de gelovigen niet alleen in de tempel, maar ook kat oikon (niet: van huis tot huis, maar: te huis, in verschillende huizen) vergaderden, Hd. 2:46; 5:42, o.a. in het huis van Maria en van Jacobus, Hd. 12:12,17. Opdat alles eerlijk en met orde geschieden zou, waren er voor de vergaderingen allerlei reges nodig; en misschien heeft daarbij het voorbeeld van de Joodse synagogen met haar oudsten, beambten en dienaren en ook met haar Schriftlectuur, prediking, gebed en zegen enige, hoewel zeker niet zeer sterke invloed gehad2. Op zulk een regeling wijst reeds de benaming van oi newteroi, die in Hd. 5:6,10, voorkomt; het artikel duidt aan, dat de jongere leden van de gemeente, evenals de iphretai, Luk. 4:20, in de synagogen, de vanzelf aangewezenen waren, om enige ondergeschikte diensten te verrichten. Niet onwaarschijnlijk is, dat zij als zodanig tegen de oudere leden van de gemeente, oi presbuteroi, overstonden. Onder Israël waren de ouden van dagen om hun grijsheid en wijsheid geëerd. Uit hun midden werden de regeringspersonen van de burgerlijke gemeente en in later tijd ook de verzorgers en opzieners van de synagogen benoemd. Zo waren er ook van huis uit oudsten in de Christelijke gemeente, dat is mannen en vrouwen, die niet alleen ouder waren in leeftijd, maar die Jezus persoonlijk hadden gekend of ontmoet, die zijn woorden hadden gehoord en van zijn wonderen getuigen waren geweest, die reeds vóór de Pinksterdag Hem als de Messias hadden beleden of misschien wel tot de zeventigen hadden behoord, door Jezus uitgezonden naar de steden en vlekken van Palestina, Luk.10:1, en die om dit alles heel natuurlijk in hoge achting stonden bij hen, welke later tot de gemeente werden toegedaan. Zij bekleedden geen ambt, maar namen toch door hun kennis en godzaligheid een aanzienlijke plaats in de gemeente van Christus in.

Tussen presbuteroi en epistopoi dient daarom onderscheiden te worden. Bewijzen daarvoor zijn:

1. dat de naam presbuterov, ter aanduiding van het opzienersambt, langzamerhand door die van episkopov nader omschreven en vervangen wordt, Hd. 20:28; Phil. 1:1; 1 Tim. 3:2; Tit. 1:7; 1 Petr. 2:25;

2. dat Paulus, na in 1 Tim. 3 over de ambten gesproken te hebben, toch nog in 1 Tim. 5 de houding aanwijst, welke Timotheüs tegenover verschillende gemeenteleden, ouderen en jongeren, mannen en vrouwen, heeft aan te nemen, cf. 1 Petr. 5:5;

3. dat de apostolische vaders3, duidelijk spreken van een stand van oudsten, die naast de eigenlijke ambtsdragers in de gemeente voortbestaat en op eerbiedige gehoorzaamheid aanspraak heeft; en dat

4. de bekende tekst, 1 Tim. 5:17, zonder deze onderscheiding aan te nemen, zoals straks blijken zal, geen goede zin oplevert.

Waarschijnlijk hebben wij het ons dus zo voor te stellen, dat de twaalf apostelen het werk in de grote gemeente te Jeruzalem lang niet konden afdoen, en daarom al spoedig, evenals van de newteroi voor lagere diensten, zo van sommigen van de presbuteroi voor hogere diensten in de gemeente gebruik maakten. Wanneer en hoe dit geschied is, wordt ons in de Handelingen niet bericht. Het eerst vinden wij de presbuteroi vermeld, Hd.11:30; 14:23; 15:2, 6, 22; 16:4; 20:17,28; 21:18; Jak. 5:14, zonder dat van hun oorsprong iets wordt verhaald. Het is niet onmogelijk, dat zulk een in dienst nemen van de presbuteroi door de apostelen reeds vóór Hd. 6, d.i. vóór de instelling van het diakonale ambt heeft plaats gehad; oi newteroi in Hd. 5:6, 10, wijst op een onderscheiding van oi presbuteroi. Maar in elk geval leert ons het boek van de Handelingen, dat er weldra in verschillende gemeenten onder leiding van de Heilige Geest mannen werden aangesteld, die opzicht moesten houden over de gemeente, en die eerst wel, omdat zij in de regel uit de oudsten gekozen werden, de naam van oi presbuteroi droegen, maar later met het oog op hun werkkring die van episkopoi kregen. Episcopi zijn dus zulke presbyteri, die voor een bepaalde dienst in de gemeente werden aangewezen; alle episcopi zijn dus presbyteri, maar lang niet alle presbyteri waren episcopi; presbyteri vormden een stand of groep, episcopi droegen een ambt. Wanneer echter, zoals eerst menigmaal geschiedde, de episcopi presbyteri genoemd werden, dan was er in de naam geen verschil; presbyteri en episcopi waren dan dezelfde personen en dragers van eenzelfde ambt, Hd. 20:17, 28; 1 Tim. 3:1; 4:14; 5:17,19; Tit.1:5, 7; 1 Petr. 5:1-2. Dit presbyterale of episcopale ambt werd eerst in Jeruzalem en in de gemeenten uit de Joden, Hebr. 13:7,17, 24; Jak. 5:14, maar dan ook in die uit de Heidenen ingesteld. Volgens Hd.14:23 wezen Paulus en Barnabas in iedere gemeente ouderlingen aan. Nu wordt er in de brieven aan Rome en Corinthe door Paulus wel niet met zoveel woorden van dit ambt melding gemaakt. Maar verschillende plaatsen, Hd. 20: 17, 28; Rom. 12:8; 16:5, 10, 11, 14, 15; 1 Cor. 14:16; 16:15-16; Phil. 1:1; 1 Thess. 5:12-14; 1Tim. 3:1-7; Tit. 1:5-9; 1 Petr. 5:1; Op. 4:4, 10; 5:6, 8v., bewijzen, dat het ouderlingenambt een bekende, algemeen voorkomende, apostolische instelling was. En ter versterking komt daarbij het getuigenis van Clemens Romanus4, dat de apostelen, predikende op het land en in de steden, de eerste bekeerlingen aanstelden tot opzieners en diakenen over degenen, die daarna gelovig zouden worden.

De taak, die aan deze ouderlingen was opgedragen, wordt duidelijk uit de omschrijving van hun ambt. De naam van presbyters verspreidt daarover geen licht, en maakt daarom voor andere, vooral voor die van opzieners plaats, Hd. 20:28; Phil. 1:1; 1 Tim. 3:2; Tit.1:7, evenals ook Christus zelf, 1 Petr. 2:25 die naam draagt. En voorts heten zij proistamenoi, Rom.12:8; 1 Thess. 5:12, kubernhseiv, 1 Cor.12:28, hgoumenoi, Hebr.13:7, 17, 24, poimenev, Ef. 4:11, die niet om vuil gewin noch met heerschappij, doch met een volvaardig gemoed voor de gemeente hebben zorg te dragen, haar als de kudde van de Heere hebben te regeren, en daarom aan verschillende vereisten moeten voldoen, bepaaldelijk ook aan de eis, dat zij hun eigen huis wel regeren, Hd. 20: 28; 1 Tim. 3:1-7; Tit. 1:5-9,1 Petr. 5:1-3. Uit deze omschrijving blijkt, dat het ouderlingenambt in de eerste plaats met het opzicht, de regering en de leiding van de gemeente was belast. Natuurlijk was daarvoor ook enige kennis van de waarheid nodig; volgens Hd.15:4, 22-23, moesten zij zelfs op de vergadering te Jeruzalem met de apostelen mee oordelen en beslissen over het gewichtige vraagstuk, dat door de bekering van de Heidenen aan de orde werd gesteld inzake de verhouding tot de Mozaïsche wet. Maar het opzienersambt was toch oorspronkelijk geen leer-, doch een regeerambt. Trouwens was aan een afzonderlijk leerambt in de eerste tijd nog geen dringende behoefte. Apostelen, evangelisten en profeten traden eerst als leraars op, Hand.13:1; 1 Cor. 14:3; 1 Tim.1:11, en verder werd het charisma van de leer aan velen geschonken, die geen ambt bekleedden in de gemeente van Christus, Rom. 12:7,1 Cor. 12:8, 28, 29; 14:26. De didaskalia was eerst vrij, evenals het in de synagoge iedereen geoorloofd was, om een gedeelte van de Schrift toe te lichten, Luk. 4:16.

Maar langzamerhand werd zij met het episcopale ambt in nauwer betrekking gebracht. Toen de gemeenten zich uitbreidden, kon in de behoefte aan woord en sacrament door apostelen, evangelisten en profeten niet meer worden voorzien; er was een plaatselijk en blijvend ambt nodig, dat met zorg daarvoor was belast. Ook ging het op de duur niet aan, om de didaskalie geheel en al vrij te laten, want deze vrijheid gaf tot allerlei misbruiken aanleiding. Zo drong alles er toe, om de didaskalie aan het opzienersambt op te dragen en zo een blijvende plaats in de gemeente te verzekeren. Uit Hebr. 13:7, vernemen wij, dat de hgoumenoi tevens de verkondigers van het woord van God zijn. Als Paulus Ef. 4:11, zegt, dat Christus sommigen tot apostelen en sommigen tot evangelisten en dan verder ook sommigen tot herders en leraars gegeven heeft, dan leert hij daarmee duidelijk, dat deze beide laatst genoemde personen geen wezenlijk onderscheiden ambt bekleeden, maar werkzaamheden in de gemeente verrichten, die nauw verbonden zijn en toch onderling verschillen. Waarschijnlijk waren in de eerste tijd meer dan één of zelfs alle ouderlingen tot bediening van woord en sacrament bevoegd. Doch ook daarin moest spoedig verandering komen. Wel bleef de eis voor alle opzieners, dat zij didaktikoi bekwaam om te leren, moesten zijn, 1 Tim. 2:2. Maar vooral twee omstandigheden bewerkten, dat er onder de opzieners onderscheid kwam tussen hen, die alleen met de regering, en anderen, die ook met de leer waren belast. In de eerste plaats werden de eisen hoe langer hoe zwaarder voor hen, die het woord van de waarheid in de gemeente hadden te verkondigen; de apostelen en evangelisten stierven weg; de buitengewone gaven hielden op; allerlei dwalingen en ketterijen doken in en buiten de gemeente op; de bekwaamheid om te leren bestond niet alleen in onderwijzing en vermaning, maar ook in weerlegging van de tegensprekers, 2 Tim. 3:16; Tit.1:9; opleiding, voorbereiding, studie werd voor de uitoefening van dit ambt in de gemeente noodzakelijk. Trouwens, de Joodse Schriftgeleerden hadden reeds hun scholen; Jezus had zelf zijn discipelen opgeleid en tot hun dienst bekwaamd; Paulus had Timotheüs onderwezen en droeg hem op, om deze leer als een kostelijk kleinood over te dragen aan betrouwbare mensen, die op hun beurt weer bekwaam zouden zijn, om anderen te leren, 2 Tim. 2:2. En daarbij kwam nu in de tweede plaats nog het voorschrift van Jezus, dat de arbeider in de dienst van het woord zijn loon waardig is, Mt.10:10; Luk. 10:7; een voorschrift, dat in de Christelijke gemeenten algemeen erkend en opgevolgd werd, Rom. 15:27; 1 Cor. 9:6, 11,14; 2 Cor. 11:7-9; Gal. 6:6; 1 Thess. 2:6; 1 Tim. 5:17-18; 2 Tim. 2:6. Wel had dit allereerst op de apostelen en evangelisten betrekking, maar het gold toch verder ook van hen, die arbeidden in het woord en de leer en daaraan hun leven wijdden. Noodzakelijkheid van opleiding en voorziening in het levensonderhoud waren oorzaak, dat de dienst van het woord niet aan alle, maar slechts aan enkele opzieners werd opgedragen.

De beroemde plaats, 1 Tim. 5:17-18, verheft dit boven allen twijfel. De presbuteroi aldaar, cf. vers 1, zijn geen opzieners, want dan zou Paulus een tegenstelling maken tussen zulke opzieners, die slecht en anderen die goed regeren, en de eersten nog enige eer doch de laatsten een dubbele eer waardig achten. Maar presbuteroi zijn oudere leden van de gemeente in het algemeen, die als zodanig aanspraak hebben op eer. Van hen onderscheidt Paulus de kalwv proestwtev presbuteroi, zulke oudsten, die tegelijk goed regeren, die proistamenoi, Rom. 12:8; 1 Thess. 5:12, zijn, d.w.z. die het ambt van opzieners bekleden; en dezen zijn nu, omdat zij tot de oudere leden van de gemeente behoren en tevens opzieners zijn, een dubbele eer waardig. En van hen worden dan nog weer onderscheiden oi kopiwntev en logw kai didaskalia, die opzieners, die bepaald arbeiden in het woord en de leer en daarvoor naar de Schrift aanspraak hebben op loon. Zo is er dus naar deze plaats duidelijk onderscheid tussen opzieners, aan wie alleen de regering, en andere, aan wie tevens de leer en in het gevolg daarvan ook de bediening van het sacrament is opgedragen. En nog binnen de grenzen van het Nieuwe Testament treffen wij dan in de Klein-Aziatische gemeenten deze toestand aan, dat onder de opzieners slechts één enkele met de dienst van het woord is belast; hij is de aggelov, de gezant, die van Christus’ wege de gemeente te leren en te leiden heeft en voor haar geestelijke en zedelijke toestand verantwoordelijk is, Op. 1:20v..

Naast dit ambt van opziener, onderscheiden in dat van regeren leer-ouderling, werd spoedig een tweede ingesteld. In Jeruzalem nl. was er volgens Hd. 6 spoedig ontevredenheid bij de uit de Griekse proselieten bekeerde Christenen, dat hun weduwen bij de toen reeds geoefende private weldadigheid door de uit de Joden toegebrachte Christenen achteruitgezet en verwaarloosd werden. De apostelen riepen daarop de hele gemeente samen, en verklaarden daar, dat zij het niet goed vonden, om met vermindering van de arbeid in het woord zelf zich aan de zorg voor de armen te wijden. De gemeente moest dus uitzien naar zeven mannen en dezen verkiezen, en de apostelen zouden hen dan tot deze dienst van de barmhartigheid aanstellen en na gebed hun de handen opleggen. Duidelijk blijkt hieruit, dat de apostelen, ofschoon zij het aantal en de vereisten van de diakonoi aangeven, het recht en de bevoegdheid tot het kiezen van deze mannen aan de gemeente toekennen. De apostelen zelf werden wel uitdrukkelijk door Christus aangesteld; maar Matthias werd toch reeds uit een tweetal, dat door de 120 vergaderde gelovigen opgemaakt was, door het lot als twaalfde apostel aangewezen. Volgens Hd. 13:1-3, werden Paulus en Barnabas door de in de gemeente te Antiochië aanwezige profeten en leraars afgezonderd tot het evangelistenwerk. Timotheüs werd tot deze zelfde dienst verkozen door profetische aanwijzing, in het bijzijn van vele getuigen en met handoplegging door Paulus en het presbyterium, 1 Tim. 1:18; 4:14; 6:12; 2 Tim. 1:6; 2:2. In 2 Cor. 8:19 cf. vs. 2Cor. 8:23, is sprake van een evangelist, die door de gemeenten benoemd is. De profeten en leraars werden natuurlijk niet door de gemeenten gekozen, omdat zij vrij optraden, en meer een gave hadden dan een ambt; maar zij werden heel anders dan de apostelen door de gemeenten beoordeeld en waren haar onderworpen, 1 Cor. 2:15; 12:10; 14:29; 1 Thess. 5:19-21; 1 Joh. 2:20,27; Op. 2:2,6, 14, 15, 20; 3:1 v. De onderstelling is daarom niet gewaagd, dat de verkiezing van de opzieners, nog veel minder dan die van de evangelisten, buiten de gemeente is omgegaan. De woorden in Hd. 14:23 ceirotonhsantev de autoiv kat ekklhsian presbuterouv, zeggen alleen, dat de apostelen sommige personen in iedere gemeente tot ouderlingen aanstelden, maar wijzen niet aan, hoe zij dit deden; en Tit. 1:5, cf. 2 Tim. 2:2, verspreidt daarover ook geen licht. Maar uit na-apostolische geschriften weten wij, dat bij de keuze van een episcopus de gemeente rechtstreeks of zijdelings gekend werd5. En van de diakenen bericht ons het Nieuwe Testament in Hd. 6 zeer duidelijk, dat zij door de gemeente werden aangewezen.

Er is echter groot verschil over de aard van het ambt, dat hier door de apostelen ingesteld werd. Sommigen menen, dat het een buitengewoon ambt was, hetwelk spoedig ophield te bestaan; anderen oordelen, dat het het latere ouderlingen- en diakenambt in zich sloot, en nog anderen houden het er voor, dat in Hd. 6 de instelling van het presbyterambt wordt verhaald. Al deze meningen zijn daarop gegrond, dat sommigen van de in Hd. 6 verkozenen, zoals Filippus, ook optreden als predikers van het Evangelie, Hd. 8:5, 26v., Hd. 21:8, en dat de presbyters in Jeruzalem ook gaven van de gemeente te Antiochië in ontvangst nemen ten dienste van de broederen in Judea, Hd. 11:30. Dit laatste bewijs heeft echter weinig kracht; in Hd. 11:30, is er sprake van een geheel exceptioneel geval, nl. niet van het uitdelen van de naturalia, welke door de gemeente te Jeruzalem zelf voor haar armen op de tafels werden neergelegd, maar van het overmaken van gelden, die in Antiochië bij een bijzondere gelegenheid voor de broeders in Judea bijeengebracht en nu door de hand van Barnabas en Saulus aan de presbyters overgereikt werden. Maar blijkens Gal. 2:1, is er van deze reis niets gekomen; wij weten dus niet, hoe en waar die gelden zijn overgemaakt, noch ook door wie zij feitelijk in onvangst genomen en uitgedeeld zijn. En wat Filippus betreft, hij was in Jeruzalem een van de zeven, maar trad, nadat de vervolging uitgebroken en de gemeente verstrooid was, in Samaria en elders op als evangelist en is dat gebleven; hij keerde later niet naar Jeruzalem terug maar vestigde zich in Cesarea, Hd. 21:8. Daarentegen pleit alles ervoor, dat wij in Hd. 6 de instelling hebben van het later zogenoemde diakonaat.

Ten eerste komt de naam in aanmerking; diakonia duidt in het Nieuwe Testament alle ambt en gave aan, welke door de Heere geschonken, in de dienst en ten nutte van de gemeente aangewend wordt; ieder lid van de gemeente is een doulov van Christus en met al wat hij is en heeft een diakonov van de broederen; er zijn daarom onderscheidene diakoniai, 1 Cor.12:5, vooral bediening van het woord, Hd. 6:4; 20:24; 1 Tim. 1:12, en bediening van de barmhartigheid aan armen, kranken, vreemden enz., Rom. 12:7; 1 Cor. 12:28; 1 Petr. 4:11. Zonder twijfel was er nu in de gemeente te Jeruzalem van het begin af, zulk een dienst van de barmhartigheid; er was een diakonia kayhmerinh, Hd. 6:1, die misschien wel onder toezicht van de apostelen stond, maar toch aan private personen overgelaten was. De apostelen brachten hier echter regel in door de instelling van een bijzonder ambt. Er moet nu een reden zijn, waarom het latere diakonaat juist bijzonder met de naam van diakonia werd aangeduid. Die reden is nergens anders te vinden dan in Hd. 6. Daar wordt verklaard, dat de dienst van de barmhartigheid in bijzondere zin een diakonia is, omdat zij is een dienst van de tafelen, trapezaiv. Ten tweede wordt aan de zeven mannen juist datgene opgedragen, wat elders in het Nieuwe Testament meer bepaald met de naam van diakonia wordt aangeduid. Immers bij de diakonia in Hd.11:29; Rom. 12:7,1 Cor. 12:5; 2 Cor. 8:4; 9:1,12,13; Op. 2:19 en verder overal waar van het ambt van diakenen en diakonessen sprake is, hebben wij speciaal aan de dienst van de barmhartigheid te denken. En deze wordt in Hd. 6 aan de zeven mannen toevertrouwd. Zij moeten zorgen, dat de weduwen van de Griekse Christenen niet langer overgeslagen worden, en worden daartoe in het algemeen met de dienst van de tafelen belast. Onder deze tafelen zijn niet de tafels in de huizen van de weduwen noch ook de wisseltafels van de bankiers, Mt. 21:12, maar eenvoudig de tafels des Heere te verstaan. In elke vergaderplaats van de gemeente was er een of waren er meer tafels, waaraan men aanzat, om samen als leden van de gemeente het liefdemaal, agaph, en avondmaal des Heeren te gebruiken. Op die tafels legden de rijkere leden van de gemeente hun gaven neer, meest bestaande in naturalia, opdat de armere leden daarvan mee genieten en later nog bediend zouden worden. Die tafels waren tafels des Heere; wat er op neergelegd werd, behoorde de Heere toe; wat men aan die tafels gebruikte, was spijze en drank van de Heere; en wat ervan overbleef en uitgedeeld werd, was gave van de Heere. De zeven mannen in Jeruzalem werden nu aangewezen, om die tafels te dienen, d.i. om bij de maaltijden behulpzaam te zijn en voorts de gaven van de Heere eerlijk onder de heiligen naar hun behoeften te verdelen. Ten derde wordt de stelling, dat Hd. 6 de oorsprong van het diakonaat verhaalt, daardoor gesteund, dat de eisen, eraan gesteld, zo hoog zijn en in dit opzicht met die in 1 Tim. 3:8-10, 12, overeenkomen. Waarom er juist zeven mannen in Jeruzalem verkozen werden, weten wij niet; misschien wel, omdat de grote gemeente in zeven vergaderplaatsen samenkwamen en elk van deze een diaken nodig had. Maar in elk geval moesten het mannen zijn, die in de gemeente het getuigenis hadden, dat zij plhreiv pneumatov kai sofiav waren; en daarom moest de gemeente er eerst onderzoekend en kiezend naar uitzien. Zo wil ook Paulus, dat de diakenen eerst beproefd worden en aan de vele eisen voldoen, welke met die voor de opzieners grotendeels overeenkomen. Hatch en Sohm gaan te ver, als zij hieruit afleiden, dat de vereisten voor presbyter en diaken nauwelijks te onderscheiden zijn. Want terwijl bijv. voor de ouderling op het didaktikon einai nadruk valt, wordt van de diaken zuiverheid van het geweten in betrekking tot de inhoud van het geloof geëist, 1 Tim. 3:9. Maar overigens zijn de godsdienstige en zedelijke eisen voor ouderling en diaken vrijwel gelijk. Presbyteraat en diakonaat staan blijkens Hd. 6 en 1 Tim. 3 in nauw verband. Ten vierde is er weinig grond voor de bewering, dat het diakonaat eerst later ongeveer gelijktijdig met het bisschoppelijk ambt is opgekomen. Uit de diakonia, Rom.12:7, en de antilhqeiv, 1 Cor. 12:28 mag weinig af te leiden zijn, er pleit toch veel voor, dat met het presbyteraat ook het diakonaat door de apostelen van de Jeruzalemse gemeente in andere gemeenten is overgeplant. Evenals aan ouderlingen, moest er toch elders ook spoedig voor de dienst van de tafelen aan diakenen behoefte rijzen. In Phil. 1:1, worden zij dan ook terloops als iets heel gewoons naast en na de ouderlingen genoemd; in 1 Tim. 3 somt Paulus hun vereisten op, en in Rom. 16:1-2; 1 Tim. 3:11; 5:9-10, is er van diakonessen sprake. Het apostolaat mag dus als buitengewoon ambt aan de kerk als vergadering van de gelovigen voorafgaan; de ambten van leraar, ouderling en diaken onderstellen de gemeente, die het recht heeft de dragers ervan aan te wijzen en te verkiezen.

1 Deel IV; Hoofdstuk 9; Par. 54 Het Wezen van de Kerk; 487.

2 Schürer, Gesch. d. jud. Volkes im Zeitalter Jesu Christi II3 437-459 Sillevis Smitt, De organisatie v.d. Chr. kerk bl. 68 v.

3 Clemens, 1 Cor. 1, 3. 3, 3. 21, 6. 47, 6. 57, 1.63, 3,4. Hermas, Vis. II4. III 1.

4 Clemens, 1 Cor. 42.

5 Didache 15. Clemens, 1 Cor. 44. Polycarpus, Phil. 11, verg. Ignatius, Philad. 10. Const. Apost. VIII 4.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept