Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

501. Echter de Roomse kerk is bij het episcopale stelsel niet blijven staan, maar heeft het verder ontwikkeld tot het papale systeem. Rome was reeds eeuwenlang de wereldstad en nam ook terstond in de Christelijke kerk een gewichtige plaats in. Paulus was wel niet de stichter van de gemeente aldaar, maar verlangde toch zeer haar te zien, en richtte aan haar zijn grootste en belangrijkste brief, Rom.1:9v., Rom. 15:22v.. Later verkeerde hij er een tijdlang evenals Petrus, en beiden vonden er de marteldood. Om haar milddadigheid en hulpvaardigheid ten opzichte van andere, zwakke gemeenten werd ze spoedig beroemd. Blijkens de eerste brief van Clemens droeg zij een moederlijke zorg voor de gemeente van Corinthe. Bij al de grote vragen, die in de tweede en derde eeuw door Gnostiek en Montanisme aan de orde kwamen, werd zij betrokken en legde het grootste gewicht in de schaal. Daar werd omstreeks het midden van de tweede eeuw de eerste bisschopslijst vervaardigd; daar kwam de idee van de successie van de bisschoppen en van hun apostolische waardigheid op. Rooms en katholiek stonden van huis uit met elkaar in verbinding en ontwikkelden zich hand aan hand1. De gemeente van de wereldstad werd het middelpunt van de Christelijke kerk. De centrale betekenis, welke Rome had in het heidens keizerrijk, werd overgedragen op de gemeente en verhief haar tot hoofd van de hele Christenheid. Dit principaat van de gemeente te Rome droeg echter in de eerste tijd nog geen kerkrechtelijk, maar slechts een zedelijk-godsdienstig karakter. Rome was prima inter pares; alle andere gemeenten stonden met haar gelijk; alle bisschoppen hadden met die van Rome gelijke rang. Irenaeus zegt wel in de beroemde plaats2, dat elke kerk en alle gelovigen met de kerk van Rome propter potiorem principalitatem overeenstemmen moeten, omdat in haar de apostolische traditie zuiver is bewaard, maar hij haalt de kerk van Rome toch bij wijze van voorbeeld aan, schrijft aan alle door de apostelen gestichte kerken principalitas toe, en zegt alleen, dat Rome een potior principalitas bezit, omdat zij de grootste, de oudste, de bekendste, de door de apostelen Paulus en Petrus gestichte kerk is. Ook spreekt hij met geen woord van het primaat van Petrus noch ook van de bisschop van Rome; alle nadruk legt hij op de kerk van Rome. Later bestreed hij dan ook de excommunicatie, welke Victor I over de Klein-Aziatische Quartodecimanen had uitgesproken, met het gevolg, dat deze ze herroepen moest. Deze oppositie mage een zaak van tucht gegolden hebben, zij bewijst toch de vrijmoedigheid en zelfstandigheid van Irenaeus en anderen tegenover de bisschop van Rome. Ook stelt Tertullianus alle door de apostelen gestichte kerken, Efeze, Corinthe, Filippi enz. op één lijn, al zegt hij ook, dat Carthago in Rome haar autoriteit heeft en dat de apostelen in Rome totam doctrinam cum sanguine suo profuderunt3; in zijn montanistische periode bestreed hij het edict van Calixtus over de wederopneming van de gevallenen, noemde hem spottend pontifex maximus, episcopus episcoporum, en zag daar een verregaande aanmatiging in4. Ook Cyprianus staat nog op het zelfde standpunt; alle bisschoppen zijn gelijk, zijn één en dezelfde bisschoppelijke waardigheid deelachtig, zijn als het ware één bisschop, staan aan het hoofd van de kerk en moeten onderling caritas animi, colleg ii honor, vinculum fidei et concordia sacerdotii bewaren5. Daarom kwam hij in de strijd over de ketterdoop tegen de bisschop van Rome, Stephanus, nog in verzet; de eenheid bewarend, is ieder bisschop toch in zekere mate zelfstandig en alleen aan God verantwoordelijk6.

Maar de bovengenoemde nieuwe opvatting van het episcopaat moest uit de aard van de zaak aan Rome ten goede komen. Het zwaartepunt was uit de gemeente in de bisschop verlegd. Deze werd beschouwd als opvolger van de apostelen, als drager van de schat van de waarheid en van de apostolische macht. Indien dit zo was, welke bisschop kon dan meer aanspraken maken en meer rechten doen gelden dan de bisschop van Rome? Geen kerk stond in macht en aanzien met die van Rome gelijk; zij liet ze alle achter zich en streefde ze alle voorbij, de kerken van Palestina en Klein-Azië, straks ook die van Antiochië en Alexandrië. En de bisschoppen van Rome wisten van hun positie gebruik te maken en gingen wat eerst zedelijke invloed was allengs vindiceren als een recht. Toch kwam het niet zo spoedig tot erkenning van dit recht. Tertullianus ontkende nog, dat Mt.16:18, aan de bisschop van Rome enige macht over andere kerken gaf, omdat het alleen een belofte aan Petrus behelsde7. Cyprianus legde wel sterke nadruk op de eenheid van de kerk en deed haar ook rusten op de identiteit van de episcopale macht, maar zag van die macht in de cathedra Petri te Rome toch niet meer dan een symbolische eenheid8. De Synode te Nicea stelde in canon 6 de bisschoppen van Rome, Alexandrië en Antiochië nog gelijk, kende aan de beide laatsten in hun provincies dezelfde exousia toe, als de bisschop van Rome reeds in Italië bezat, epeidh kai tw en th pwmh episkopw touto sunhyev estin en hield voor deze en ook nog voor andere kerken het haar toekomend primaat, ta presbeia of ta prwteia, vast. Na de ontwikkeling van de bisschoppelijke macht in de derde eeuw volgde die van de aartsbisschoppelijke of metropolitenwaardigheid in de vierde eeuw; niet Rome alleen, maar vele kerken naast haar hadden een zekere voorrang of primaat in haar provincies; de bisschoppen werden in de loop van de vierde eeuw aan de aartsbisschoppen onderworpen. Het Oosten bleef steeds tegen het alles overheersend primaat van de bisschop van Rome zich verzetten. Naast Alexandrië en Antiochië steeg sedert het midden van de vierde eeuw Constantinopel hoe langer hoe meer in kerkelijke macht. Het concilie van Constantinopel in 381 can. 2 zegt, dat de bisschop van Alexandrië alleen in Egypte kerkelijke macht bezit, dat Antiochië de rechten houdt, welke volgens Nicea eraan toekomen en dat de bisschoppen van het Oosten alleen het Oosten zullen besturen. En nadat het zo de macht van de bisschop van Alexandrië tot Egypte beperkt heeft, voegt het er in can. 3 aan toe, ton konstantinou polewv ecein ta presbeia thv timhv meta ton thv pwmhv episkopon, dia to einai authn nean pwmhn. Na de bisschop van Rome zal niet die van Alexandrië, al heeft hij ook de oudste rechten en de oudste brieven, maar die van Constantinopel de voorrang van de eer hebben, niet op grond van enig kerkelijk of geestelijk prerogatief, maar alleen om de politieke overweging, dat Constantinopel het nieuwe Rome is. Het Westen werd aan de bisschop van Rome overgelaten, maar het Oosten weigerde zich voor hem te buigen en kwam meer en meer onder de jurisdictie van Constantinopel te staan. Het concilie van Chalcedon 451 can. 28 erkende de voorrang, ta presbeia, van het oudere Rome, omdat het de keizerstad was, dia to basileuein thn polin ekeinhn, maar schreef gelijke voorrang, ta isa presbeia, toe aan de heilige stoel van het nieuwe Rome. In weerwil van de protesten van Rome, handhaafde Constantinopel zijn rechten. De pauselijke macht van de bisschop van Rome berustte voor een groot deel op het politieke aanzien van de stad; deze zelfde aanspraken kon daarom Constantinopel als tweede Rome laten gelden. De bisschop van Rome is daarom nooit herder van de hele Christenheid geweest; hij werd het hoofd alleen van de Westerse, Latijnse Christenheid. En dit werd hij rechtens eerst in de vierde eeuw. Reeds de later door de kerk niet erkende synode van Sardika 343 droeg aan de bisschop van Rome de beslissing op, of, ingeval een bisschop door een synode was afgezet, een nieuwe synode al dan niet zou worden samengeroepen. In het jaar 380 vaardigde keizer Theodosius het beroemde edict uit, waarbij hij beval, Cunctos populos, guos clementiae nostrae regit temperamentum, in tali volumus religione versari, guam divinum Petrum apostolum tradidisse Romanis religio usgue nunc ab ipso insinuata declarat. Bij de kerkvaders van de vierde of vijfde eeuw is er geen twijfel meer over, dat zij de gemeenschap met en de onderwerping aan Rome noodzakelijk achten voor het wezen van de kerk. Van de kerk te Rome gaan alle rechten van de kerkelijke gemeenschap uit, inde enim in omnes venerandae communionis jura dimanant, zegt Ambrosius. Hiëronymus verklaart: Ecclesiae salus in summi sacerdotis dignitate pendet, bij hem berust de onvervalste overlevering van de vaderen, hij is lux mundi, sal terrae, aurea vasa et argentea. Rooms is de maatstaf van het katholieke; indien Rufinus zich houdt aan het geloof van Rome, is bij katholiek; si Romanam responderit, ergo catholici sumus. Als Innocentius I de besluiten van de synode van Carthago en Mileve tegen het pelagianisme bekrachtigd en Pelagius en Coelestius veroordeeld heeft, zegt Augustinus: causa finita est, utinam aliquando finiatur et error! Klaar en welbewust ontwikkelt dan Leo I 40-461 dit primaat van de Roomsen stoel in verschillende brieven en verheft het tot de rang en de waarde van een godsdienstig dogma, dat in Mt. 16:18, zijn schriftuurlijken gron bezit9.

Toen de ontwikkeling zover was voortgeschreden, moest vanzelf de vraag oprijzen, waaraan de paus zo eminente plaats en zulk een hoog gezag te danken had. In de oudkatholieke tijd, ook nog na de invoering van het monarchisch episcopaat, viel de nadruk altijd op de plaatselijke kerk; de kerk te Rome was door Petrus en Paulus gesticht, en had daarom de zuiverste traditie; alle kerken moesten, om Christelijk en katholiek te zijn, in geloof overeenkomen met haar10. De bisschop was daarom van zijn gemeente afhankelijk, hij werd door haar gekozen en ging in alle gewichtige zaken, vooral bij excommunicatie, met haar te rade. Cyprianus zegt uitdrukkelijk in zijn brieven aan het Carthaagse presbyterium, dat hij niets wil doen sine consilio vestro et sine consensu plebis11. In moeilijke gevallen werd de raad en hulp van afgevaardigden van naburige gemeenten ingeroepen12; de oudste kerkelijke vergaderingen waren gemeentevergaderingen, hoogstens door afgevaardigden van naburige gemeenten bijgestaan. Maar toen de bisschop als opvolger van de apostelen beschouwd en juist hierdoor van allen onderscheiden werd, toen kon hij niet meer door de gemeente gekozen worden noch van haar afhankelijk zijn; hij moest zijn ambt van boven in de weg van successie ontvangen, en dus door een synode van bisschoppen of door een kapittel benoemd en geordend worden; hij had met de gemeente niet meer te raadplegen, maar was souverein en bepaalde alles alleen, hoogstens na overleg met het uit het presbyteraat allengs zich ontwikkelend kapittel. En wat zo sedert de vierde eeuw in de plaatselijke of dioecesale kerken geschiedde, herhaalde zich op groter schaal in de algemene kerk. Uit het episcopaat kwam in de loop van de tijden het papale stelsel voort, en de oude gemeentevergaderingen breidden zich tot synoden en concilies uit, die eerst ook nog wel uit presbyters, diakenen, lectores, maar dan vervolgens alleen uit bisschoppen als vertegenwoordigers van de gemeenten waren saamgesteld. Deze synoden beschouwden zich niet als onfeilbaar; in de vierde eeuw doet telkens een volgende synode teniet, wat de vorige vastgesteld heeft; en ook droegen zij van die tijd af tot de 9e eeuw toe een staatkundig karakter, waren rijkssynoden en werden door de keizer samengeroepen, officiëel of officieus geleid en bekrachtigd.

Maar de paus steeg in macht; als bisschop van Rome en aartsbisschop van Italië had hij reeds macht, om provinciale en landssynoden samen te roepen en te leiden, evenals andere bisschoppen dat recht elders bezaten; sedert de 12e eeuw wist hij deze provinciale en landssynode, evenals de bisschop van Constantinopel dat al met zijn sunodoi endhmousai voor de Griekse kerk had gedaan, tot oecumenische synoden van de hele Westerse kerk uit te breiden. De oecumenische concilies van de Westerse Christenheid ontwikkelden zich dus uit de Roomse synoden, en werden daarom door de paus samengeroepen, geleid en bekrachtigd. Wel trachtten de reformatorische concilies in de 16e eeuw, onder de invloed van de humanistische theorie van de volkssuperioriteit, zich als vergaderingen van afgevaardigden van de hele kerk onafhankelijk van de paus te maken en zich als onfeilbaar boven hem te stellen. Maar de paus wist zich te handhaven ook tegenover en boven de oecumenische synoden en moest daarom wel een prerogatief deelachtig zijn, dat aan geen andere bisschop geschonken was. Nadat van de dagen van Irenaeus af reeds lange tijd overeenstemming in geloof met de kerk te Rome voor het wezen van de Christelijke kerken noodzakelijk werd geacht, omdat daar met de rechtmatige successie het charisma veritatis certum berustte, werd het allengs hoe langer hoe klaarder uitgesproken, dat deze indefectibilitas van de kerk van Rome haar grond had in een bijzondere gave, welke door de Heilige Geest aan de bisschop van Rome, als opvolger van Petrus, geschonken werd. Eerst werd daarbij nog de nadruk op de kerk te Rome gelegd; deze kon niet afvallen, omdat zij door de apostelen Petrus en Paulus was gesticht en voortdurend door hun wettige opvolgers werd geleid. Zo zegt Irenaeus van de presbyteri, dat zij cum episcopatus successione charisma veritatis certum secundum placitum Patris acceperunt13. Maar dit gaf geen waarborg genoeg, vooral toen vele kerken in weerwil van haar apostolische stichting met haar rechtmatig opvolgende bisschoppen afvielen en geheel verdwenen. Daarom werd hoe langer hoe meer de grond voor de indefectibilitas van de kerk te Rome daarin gezocht, dat aan haar hoofd een bisschop stond, die als opvolger van de ook onder de apostelen een heel bijzondere plaats innemende Petrus een bijzondere gave en leiding van de Heilige Geest deelachtig was.

Augustinus leidde de onwankelbaarheid van Petrus’ geloof uit de voorbede van Christus af, Luk. 22:32. Ephraem Syrus zei in zijn lofrede op Petrus, Paulus en Andreas: lucerna Christus, candelabrom est Petrus, oleum autem subministratio S. Spiritus. Leo de Grote sprak in zijn brief aan de bisschoppen van de kerkelijke provincie Vienna van een mirabile munus gratiae, waardoor de bouw van de eeuwige tempel op de vastheid van Petrus bevestigd wordt, en verklaarde elders, dat de stoel van Petrus tanta divinitus soliditate munita est, ut eam neque haeretica unquam perrompere pravitas, nec pagana potuerit superare perfidia. Paus Hormisdas getuigde in zijn libellus van het jaar 516, dat de waarheid van de belofte van Christus aan Petrus door de feiten bevestigd wordt, quia in sede apostolica immaculata est semper catholica servata religio. Ook verklaarde Paus Agatho in een schrijven aan de keizers van het jaar 680, dat de kerk te Rome door de genade Gods en de bescherming van Christus nooit van de weg van de waarheid is afgeweken en ook krachtens de belofte van de Heere daarvan nooit afwijken zal. Het was dus geen nieuwigheid meer, als Gregorius VII in zijn Dictatus Papae uitsprak: Romana ecclesia nunquam erravit, nec in perpetuum Scriptura testante errabit, en Bonifacius VIII in de bul Unam Sanctam 1302 decreteerde: subesse Romano Pontifici omni humanae creaturae declaramus, definimus et pronunciamus esse de necessitate salutis14. Met deze praktijk en theorie van de pausen stemden de theologen overeen. Sommigen, zoals Beda, Alcuinus, Paschasius Radbertus, Damiani, Anselmus, Lombardus, spreken nog maar in het voorbijgaan en met enkele woorden over het gezag van de paus15; zelfs is dat nog het geval bij Thomas en Bonaventura16. Maar de verschillende pogingen, die van de 14e tot de16e eeuw tot reformatie van de kerk, werden aangewend, brachten Rome tot zelfbewustzijn. Het eigenlijke papalisme of curialisme trad op, sprak de plenitudo potestatis en de onfeilbaarheid van de paus duidelijk uit en ontwikkelde haar menigmaal tot in haar uiterste consequenties toe17. De 18e Juli 1870 werd op het Vaticaans concilie de constitutio dogmatica de ecclesia Christi aangenomen, en daarbij bepaald:

1. dat het primatus jurisdictionis in universam Dei ecclesiam onmiddellijk en rechtstreeks door Christus aan Petrus beloofd en opgedragen is;

2. dat dit primaat van Petrus in de bisschop van Rome als zijn opvolger voortduurt;

3. dat dit primaat van de paus bestaat in plena et suprema potestas jurisdictionis in universam ecclesiam, non solum in rebus, quae ad fidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam et regimen ecclesiae per totum orbem diffusae pertinent, zodat hij judex supremus fidelium is, in alle zaken, die de kerken raken, de hoogste beslissing heeft, boven alle oordeel verheven en aan geen concilie onderworpen is;

4. dat in dit primaat ook begrepen is suprema magisterii potestas, zodat de paus wel geen nieuwe openbaringen ontvangt en alleen onder de leiding van de Heilige Geest de overgeleverde openbaring zuiver bewaart en uitlegt, maar toch dit zo doet, dat hij, wanneer hij ex cathedra spreekt en als Herder en Leraar van alle Christenen een leer over geloof of zeden vaststelt, door Goddelijke ondersteuning de onfeilbaarheid deelachtig is, uit zichzelf en niet eerst tengevolge van de toestemming van de kerk18.

1 Harnack, D. G. I 400 v.

2 Irenaeus, adv. haer. I11 3. Verg. de exegese, welke van Roomse zijde gegeven en verdedigd wordt door C. A. Kneller, Der h. Irenäus und die Röm. Kirche, St. aus Maria Laach April 1909 bl. 402-411.

3 Tertullianus, de praeser. 36, cf. 20. de virg. vel. 2.

4 de pudic. 1, 13, 21. Verg. Karl Adam, Der Kirchenbegriff Tertullians 1907 bl. 70 v. 166 v. 204 v.

5 Cyprianus, Ep. 43, 5. 49, 2. 55, 24. 73, 26. de unit. 5.

6 Ep. 72, 3. Ook Roomsen, zoals Delarochelle, Ehrhard, Rauschen, Funk e.a. erkennen, dat het primaat van de bisschop van Rome door Cyprianus nog niet geleerd wordt, verg. daartegen C. A. Kneller, Der h. Cyprian und die Idee der Kirche, St. aus Maria Laach, Nov. 1903 bl. 498-521. Volgens Hugo Koch, Cyprian und der Röm. Primat, Leipzig Hinrichs 1910, is de organisatie van de kerk wel van één uit, nl. Petrus, begonnen, maar de persoon van Petrus is hier bijzaak. Nadruk valt alleen daarop, dat de numerische eenheid, waaruit de kerk haar aanvang nam, beeld is van de zedelijke eenheid van de kerk, en die eenheid rust niet in het Roomse primaat, maar in geheel het episcopaat. Verg. de kritiek van Kneller, St. aus M. Laach 1910 bl. 75-82, maar ook van G. Krüger, Theol. Lit. Zeitung 1910 col. 486-489.

7 Tertullianus, de pudic. 21.

8 Cyprianus, de unit. 4.

9 Heinrich, Dogm. Theol. II 325 v.

10 Irenaeus, adv. haer. III 3.

11 Cyprianus, Ep. 14, 4. 17, 1, 3. 19, 2 enz.

12 Hand. 15:2. Const. Apost. c. 1. Clemens, 1 Cor. 63. Cyprianus, Ep. 17, 3.

13 Irenaeus, adv. haer. IV 26.

14 Heinrich, Dogm. Theol. II 357 v.

15 Lombardus, Sent. IV dist. 24.

16 Thomas, C, Gent. IV 76. S. Theol. II 2 qu. 1 art. 10. qu. 11 art. 2 enz., verg. Leitner, Der Thomas v. Aq. über das unfehlbare Lehramt des Papstes 1872. Bonaventura, Brevil. Frib. 1881 VI c. 12.

17 Canus, Loci theol. lib. 6. Bellarminus, de summo pontifice, Controv. I 188-255. Becanus, Manuale Controv. ic. 4. Theol. Wirceb., ed. 3 Paris. 1880 I 267 v. Joseph du Maistre, Du pape 1819. Perrone. Prael. theol. 1843 VIII 295-536. Heinrich, Dogm. Theol. II 163-476. Scheeben, Dogm. I 220 v. IV 397-458. Ermann, De Paus. Utrecht 1899 enz,

18 Acta et decreta sacr. conc. rec. Collectio Lacensis VII Friburg 1890 bl. 262-498.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept