Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

502. Ofschoon deze hierarchische kerkregering in haar oorsprong veel ouder is, dan vroegere Protestanten geneigd waren te erkennen en zelfs tot de aanvang van de tweede eeuw teruggaat; ofschoon zij door de logische gang van haar ontwikkeling en door het imposante van haar verschijning nooit nalaat, indruk te maken; zij is desniettemin in beginsel en wezen met de regering, welke Christus aan zijn kerk heeft geschonken, in lijnrechte strijd. Ten eerste toch wordt de onderscheiding van clerus en leken, die aan deze hiërarchie ten grondslag ligt, in het Nieuwe Testament nergens geleerd en door de inrichting van de kerk van de eerste eeuw ten stelligste weersproken. Rome beroept zich wel, behalve op de convenientia, op het Oude Testament priesterschap, op de ambten, welke Christus in zijn kerk ingesteld heeft, en op de macht, welke Hij daaraan toebetrouwd heeft. Maar dit bewijst niet hetgeen bewezen moet worden. De Schrift maakt zeer zeker onderscheid tussen herders en kudde, bouwers en tempel, planters en akkerwerk, leraars en discipelen, voorgangers en volgelingen enz.; indien met de namen clerus en leken geen andere dan deze onderscheiding bedoeld werd, zouden zij zonder schade gebruikt kunnen. Maar het gebruik heeft er een heel andere zin aan gehecht. Clerus is in de Roomse kerk de naam geworden van een bijzondere klasse van kerkelijke personen, die door tonsuur en wijding van alle anderen afgezonderd zijn, een eigen stand van “geestelijken” vormen, in heel bijzondere zin het eigendom van God zijn, met een volstrekte souvereine macht over het volk zijn toegerust, en voor de leken tot noodzakelijke en onmisbare middelaars van het heil verstrekken1. Zulk een stand nu kent de Schrift niet. Zelfs op het Oude Testament is de tegenstelling van clerus en leken niet toepasselijk; het hele volk was clerus, eigendom en erve van de Heere, een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk, Ex. 19:5-6; Deut. 7:6; 14:2; 26:18; 32:9; 1 Kon. 8:51, 63; Ps. 135:4; Jes. 19:25; 41:8; Jer. 12:7-8; Joël 2:17 enz.; de priesterschap, die niet benoemd, maar krachtens afstamming uit Aäron tot deze dienst geroepen werd, was toch ten strengste aan de wet van God gebonden, Lev. 10:11, en aan het oordeel van de profeten onderworpen, Jes. 28:7; Jer.1:18; 2:26; 6:13; Ezech. 22: 26; Hos. 4:9 enz.; Israël was een theocratie, maar geen hiërarchie. Veel minder is er nog in het Nieuwe Testament van een clerus sprake: de Heilige Geest is op allen uitgestort, Hd. 2:17, en nu zijn allen pneumatikoi Rom. 8:14; 1 Cor. 2:15; 3:1; Gal. 5:26; 6:1, de zalving deelachtig, 1 Joh. 2:27, een koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2:5, 9, een gemeente van heiligen en geroepenen, Rom.1:7, een volk en eigendom Gods, 2 Cor. 6:16; 1 Petr. 2:10; Hebr. 12: 22-24. Nergens maakt het Nieuwe Testament gewag van een bijzonder priesterambt, door de dienaren van de kerk waar te nemen, of van een bijzondere offerande, door hen te offeren; het ambt in de kerk van Christus is geen magisterium, maar een ministerium, geen ierarcia maar een ierodouleia, een diakonia, oikonamia, welke alle heerschappij over het erfdeel van de Heere (twn klhrwn, 1 Petr. 5:3, d.i. de aan de presbyters ter verzorging toevertrouwde gemeenten) ten enenmale buitensluit, Mt. 20:25-26; 1 Cor. 3:5; 4:1; 2 Cor. 4:1-2; Ef. 4:12 2.

Ten tweede leert desniettemin de Heilige Schrift zeer duidelijk, dat Christus in zijn gemeente niet alleen gaven uitdeelt maar ook bepaalde ambten ingesteld heeft, buitengewone zoals die van apostel, profeet en evangelist, en gewone zoals die van ouderling en diaken. Over het episcopaat is daarbij het grootste verschil. Grieken, Roomsen (ook Gallikanen en Oudkatholieken) en Anglikanen houden dit voor een ambt, dat wezenlijk en jure divino van het presbyteraat onderscheiden, door wettige en onafgebroken successie van het apostolaat afstamt en bepaaldelijk de potestas magisterii, jurisdictionis en ordinis bezit; de bisschoppen hebben eigenlijk alleen het leerambt, de macht om te prediken en de sacramenten te bedienen, zij bedienen zich daarbij van de priesters (pastoors) als hun vicarii, en hebben het uitsluitend recht van de zending en ordening; patriarchen, metropolieten, aartsbisschoppen dragen geen ander ambt, maar zijn van de bisschoppen alleen door een toevallige macht, door jurisdictie over een groter gebied enz. onderscheiden. Bewijzen uit de Heilige Schrift zijn voor deze onderscheiding alleen te ontlenen aan de ambten, die door Timotheüs, Titus e.a. werden bekleed, en aan de aggelov in de zeven Klein-Aziatische gemeenten, Op.1:20. Maar Timotheüs en vele anderen waren in die eerste tijd door de apostelen tot het buitengewone ambt van evangelist geroepen; en de engelen van de gemeenten waren geen anderen dan de eersten onder hun gelijken, zoals de pastores thans, zodat de singularis in Openb. 2:10, 23-24, ook met de pluralis afwisselt. Bellarminus, Petavius, e.a. gewagen dan ook niet van Schriftuurlijke argumenten, maar beroepen zich op de traditie bij Irenaeus, Tertullianus, Eusebius enz., die zeggen, dat de apostelen in verschillende gemeenten een bisschop aanstelden, en van sommige gemeenten de bisschoplijsten opgeven. Maar al is het monarchisch episcopaat ook zeer spoedig in de kerk opgekomen, er is daarin toch duidelijk een afwijking te zien van de ordeningen van de apostelen. Immers het Nieuwe Testament weet nog niets van een ambtelijk onderscheid tussen episkopov en presbuterov. Ofschoon de naam presbuteroi in de eerste tijd waarschijnlijk een ruimere betekenis had, en soms ook de oude eerwaardige leden van de gemeente aanduidde, als ambtsnaam was hij toch met die van de episkopoi identiek. Immers waren er in de gemeenten vele apiskopoi, Hd. 20:17, 28; Phil. 1:1; en dit episkopein was juist aan presbuteroi opgedragen, Hd. 20:17,28; 1 Tim. 3:1-7; 5:17; Tit.1:5,7; 1 Petr. 5: 1-3; Petrus noemt zich daarom ook een presbuterov, 1 Petr. 5:1; van een bijzondere instelling van het episcopaat naast het presbyteraat weet het Nieuwe Testament dan ook niets; behalve de buitengewone ambten van apostel, profeet en evangelist, zijn er maar twee gewone ambten, dat van diakenen en dat van presbuteroi, Phil. 1:1; 1 Tim. 3:1, 8, poimenev kai didaskaloi, Ef. 4:11,1 Tim. 5:17, kubernhseiv, 1 Cor. 12:28, proistamenoi, Rom. 13:8; 1 Thess. 5:12, hgoumenoi, Hebr. 13:7, 17.

Deze getuigenissen van de Schrift zijn zo sterk, dat niet alleen Aerius in de 4e eeuw, de Waldenzen, Wiclef, de Hervormers enz., het presbyterale en episcopale ambt identiek noemden, maar ook vele kerkvaders, zoals Theodoretus, Chrysostomus, Epiphanius e.a. zich gedrongen zagen tot de erkentenis, dat in het Nieuwe Testament de namen van presbyter en episcopus door elkaar werden gebruikt; en Hiëronymus zegt zelfs, dat presbyteri en episcopi oorspronkelijk gelijk waren, doch dat er later één uit hen over de anderen gesteld werd, in schismatis remedium3. De Roomsen kunnen met de Schrift op dit punt niet in het reine komen. Volgens Hd. 20:17, 28; Phil. 1:1, waren er ongetwijfeld onderscheiden episcopi in één gemeente; maar de Roomsen kunnen dit niet erkennen en zeggen daarom, dat de apostelen soms aan de presbyteri tegelijk de episcopale wijding gaven (Petavius), of dat daaronder tegelijk de episcopi van de naburige gemeenten begrepen zijn (Franzelin), of dat de namen van presbyteri en episcopi nog niet onderscheiden waren4. In het laatste geval is echter het beweerde verschil tussen het presbyterale en episcopale ambt niet te handhaven. Bij dit getuigenis van de Schrift komt dan nog de les van de historie, dat het Roomse episcopaat de wortel is van de hiërarchie, de weg tot het pausdom opent, de ongelijkheid van de gemeenten meebrengt en de gelovigen van de ambten slaafs afhankelijk maakt. Ook dit alles is met de Schrift ten enenmale in strijd. Een hiërarchie is er in de kerk van Christus niet, Luk. 22:25-26; 2 Cor.1:24; 1 Petr. 5:3; een dioecesane, cathedrale, patriarchale of metropolitaanse kerk bestaat er niet, want alle gemeenten zijn in het Nieuwe Testament gelijk en hebben elk haar eigen episkopoi; en nergens wordt aan de gelovigen bevolen, om naar de legitima successio van haar dienaren onderzoek te doen, maar om de Schrift te onderzoeken, in de leer te blijven enz., Joh. 5:39; Hd.17:11; 1 Tim. 4:13-16; 2 Tim.1:13-14; 3:14-17. Wettelijke opvolging waarborgt ook niet de zuiverheid van de leer, Joh. 8:39; Rom. 2:28; 9:6, en zou de zaligheid afhankelijk maken van bepaalde personen en van een onpraktisch, feilbaar en dikwijls zelfs onmogelijk historisch onderzoek. Om deze redenen werd het episcopaat door de Hervormers eenparig verworpen. Wel waren de Luthersen bereid, om het recht, dat het secundum ecclesiasticam politiam verkregen had, te erkennen, indien het wezenlijke in het bisschoppelijk ambt maar bleef het op goddelijk recht berustend ministerium verbi et sacramentorum5. Ook werd de naam van bisschop soms behouden en op de landsheer overgedragen, of ook werd wel in enkele zowel Gereformeerde als Lutherse kerken één uit een kring van dienaren onder de naam van bisschop of superintendent met de inspectie over een groep van gemeenten belast6. Calvijn en vele anderen, Knox, a Lasco, Saravia, Tilenus, Scultetus, Bochartus, Spanheim enz. hadden daartegen ook geen overwegend bezwaar7. Maar dit was toch iets wezenlijk anders dan het bisschoppelijk ambt in de Roomse kerk, dat volgens het concilie te Trente essentieel van het presbyteraat verschilt, op goddelijk recht berust en in de 17e eeuwook in de Anglicaanse kerk ingevoerd en verdedigd werd8.

Ten derde staat volgens de Heilige Schrift vast, dat het apostolaat een exceptioneel, tijdelijk en onvernieuwbaar ambt is geweest in de gemeente van het Nieuwe Testament Ook al was het episcopaat een ander ambt dan het presbyteraat, er zou toch volstrekt niet uit volgen, dat het met het apostolaat identiek en daarvan de voortzetting was. Natuurlijk kan wel in goede zin gezegd worden, dat de episcopi of presbyteri opvolgers van de apostelen zijn, want dezen stelden hen aan in al de gemeenten, welke zij stichtten, en droegen de verzorging van die gemeenten aan hen op. Maar dat neemt het grote en wezenlijke onderscheid tussen beiden niet weg. Ook van Roomse zijde kan dit onderscheid niet worden uitgewist. Immers de apostelen deelden in een heel bijzondere leiding van de Heilige Geest, en droegen een ambt, dat tot heel de kerk, ja tot de hele wereld, Mt. 28:20, zich uitstrekte. Maar hun opvolgers, ook al zouden zij bisschoppen geweest zijn in Roomse zin, hebben zulk een ambt geenszins; zij zijn ook volgens Rome niet onfeilbaar en zij hebben de zorg slechts over een klein gedeelte van de kerk, over een dioecese9. Doch het onderscheid is nog sterker; de apostelen waren oor- en ooggetuigen van Jezus’ woorden en daden, zij werden onmiddellijk door Christus zelf tot hun ambt geroepen, ontvingen de Heilige Geest in bijzondere mate, hadden een geheel enige taak, nl. om de grondslag van de kerk te leggen en in hun woord het blijvend middel van de gemeenschap tussen Christus en zijn gemeente te bieden. In dit alles zijn zij van alle anderen onderscheiden, staan zij hoog boven al hun navolgers, en bekleden zij een ambt, dat onoverdraagbaar en onvernieuwbaar is. De buitengewone gaven, waarin zij mochten delen, worden aan geen andere dienaren in de kerk geschonken. Als apostelen in eigenlijke zin hebben zij geen opvolgers, al is het ook, dat de leiding van de gemeente, waartoe zij geroepen waren, ook op andere wijze en in beperkter kring aan anderen na hen toebetrouwd is.

Ten vierde is er in de Schrift geen bewijs voor te vinden, dat het primaat van Petrus weer essentieel van het apostolaat, dat hij met de elven gemeen had, onderscheiden was. Ook Roomse theologen erkennen, dat al wat de Schrift verhaalt van de voorrang van Petrus boven de andere apostelen, nog niet in staat is, om zijn primatus jurisdictionis over de andere apostelen te bewijzen10. De sedes doctrinae voor deze leer zijn alleen Mt. 16:18; Luk. 22:32 en Joh. 21:15-17. Maar ook deze houden niet in wat Rome eruit afleidt. Mt. 16:18, leert, dat Petrus door zijn belijdenis de rots is, waarop Christus zijn gemeente bouwt. Dit is natuurlijk beeldspraak en geeft zonder beeld toch niet minder, maar ook niet anders te kennen, dan dat Christus van de persoon van Petrus als de getrouwe belijder zich bedienen zou, om zijn gemeente te vergaderen. In de gemeente als het gebouw Gods zijn de gelovigen de levende stenen, die op de apostelen als de fundamentstenen worden opgebouwd. Die plaats neemt Petrus in het Godsgebouw in, en hij niet alleen, maar al de apostelen met hem. Want Petrus legde de belijdenis van Jezus’ Messianiteit af in aller naam, Mt.16:15-16; al sprak hij haar het eerst en het klaarst uit, hij gaf toch uiting aan wat min of meer bewust in het hart van allen leefde; en niet alleen Petrus maar alle apostelen legden door deze belijdenis, welke zij straks in het midden van de wereld verkondigden, de grondslag van de kerk van Christus; in beeld gesproken, waren zij dus allen met Petrus de rots, op welke Christus zijn kerk bouwde, of ook is met een andere toepassing van hetzelfde beeld, Christus de rots, welke de apostelen samen door hun verkondiging legden tot grondslag van de gemeenter Hd. 4:11; Rom. 9:33; 1 Cor. 3:10-11; Ef. 2:20; 1 Petr. 2:5-6; Op. 21:14. De sleutelmacht, welke Petrus om zijn kloeke belijdenis reeds Mt.16:19, ontvangt, wordt Mt. 18:18; Joh. 20:23, aan alle apostelen verleend. De bijzondere bekwaammaking en leiding van de Heilige Geest was niet alleen het deel van Petrus, maar gelijkelijk van alle apostelen, Mt. 10:20; Joh.14:26; 15:26; 16:13; 20:22; Hd.1:8; Ef. 3:5.

Door de handhaving van het apostolaat als een exceptioneel en onoverdraagbaar ambt laat de Reformatie aan al deze teksten, ook aan Mt. 16:18, veel meer recht wedervaren dan Rome. De apostelen zijn en blijven de grondleggers van de kerk; zij zijn door hun belijdenis de rots van de gemeente; geen gemeenschap met Christus dan door de gemeenschap met hun getuigenis! Wat de andere plaatst Luk. 22:32 betreft, Jezus zegt daar tot zijn jongeren, dat Satan hen allen, umav in plur., zal trachten tot verloochening van hun Meester te brengen, maar dat Hij bepaaldelijk voor Petrus, peri tou in sing., bidden zal, dat zijn geloof niet ophoudt. Petrus zou dit vóór allen nodig hebben, omdat hij zijn Meester het eerst en het sterkst verloochenen zou. Dat zijn geloof dan niet ophoudt, zal hij alleen aan een geheel bijzondere voorbede van Jezus te danken hebben. En als hij dan door dat gebod van Jezus bewaard zal blijven en uit zijn val weer zal opstaan, dan zal hij, door de beproeving geleerd en in zijn geloof bevestigd, juist zijn broeders kunnen sterken, als dezen later misschien eens in hun geloof zullen wankelen. Gelijk van Paulus met hetzelfde woord, sthrizw, gezegd wordt, dat hij de discipelen sterkte, Hd. 18:23, cf. Rom. 1:11; 16:25; 1 Thess. 3:2; 2 Thess. 3:3; 1 Petr. 5:10, zo wordt hier aan Petrus beloofd, dat hij later zijn broeders tot bemoediging, volharding, bevestiging dienen zal. Van deze heerlijke, geestelijke steun maakt het wettische Rome een primatus jurisdiotionis! In Joh. 21:16-17 eindelijk wordt Petrus hersteld in de rang, die hij vroeger met en onder de apostelen ingenomen had. Hij ontvangt geen nieuw ambt, uitgaande boven dat, hetwelk hij vroeger bezat. Want de aanspraak met de naam van Simon, Jona’s zoon, de drievoudige vraag en de omstandigheden, waarbij dit voorval plaats had, bewijzen onweerlegbaar, dat Petrus alleen hersteld wordt in de rang, die hij door zijn verloochening van Jezus verbeurd had, dus in het apostolaat en in het primatus honoris, dat hem vroeger reeds geschonken was. En zo ook wordt hem, als Jezus hem weer de zorg en leiding van zijn kudde in het algemeen en van de schapen in het bijzonder toevertrouwt, geen andere werkzaamheid opgedragen, dan die in het apostolaat als zodanig lag opgesloten en dus ook aan alle andere apostelen toekwam, Mt. 28:19; Mk. 16:15; 2 Cor. 11:28. De voorrang, die Petrus onder de apostelen genoot, nam dan ook in het geheel niet weg, dat hij door Jezus, die hij afhouden wilde van zijn aanstaand lijden, als een satan en ergernis teruggewezen wordt, Mt. 16:23 om zijn zelfverheffing boven de andere apostelen vernederd wordt, Joh. 21:15, om zijn onoprechtheid in Antiochië door Paulus bestraft wordt, Gal. 2:11, met Johannes door de andere apostelen naar Samaria gezonden wordt, Hd. 8:14, over Paulus hoegenaamd geen jurisdictie had, Gal. 2:6, 9, nooit in de Schrift afzonderlijk als hoofd en vorst van de apostelen genoemd wordt, 1 Cor. 12:28; Ef. 2:20; 4:11; Op. 21:14, en zelf bewaring van de gelovigen alleen aan de kracht van God toeschrijft, zichzelf een sumpresbuterov noemt en tegen een heerschappij voeren over de gemeenten waarschuwt, 1 Petr.1:6; 5:1, 3.

Ten vijfde. Maar al zou de Schrift aan Petrus ook een primaat in Roomse zin toeschrijven, wat echter geenszins het geval is, dan zou daarmee nog niets gewonnen zijn voor het primaat van de bisschop van Rome. Want hiertoe moet er nog heel wat meer bewezen worden, nl:

1. dat Petrus te Rome geweest is,

2. dat hij daar het ambt van bisschop en primas heeft bekleed, en

3. dat hij met bewustheid en opzet deze beide ambten aan één bepaalden opvolger heeft overgedragen.

Nu is het, in de laatste tijd door Baur, Lipsius ea.11 ten onrechte bestreden, dat Petrus in Rome geweest is. Indien 1 Petr. 5:13 al niet beslist, waar volgens velen bij Babylon aan Rome moet gedacht worden, dan is het getuigenis van de traditie, van de eerste tijd af, bij Clemens Rom., Ignatius, Marcion, Dionysius van Corinthe, Irenaeus, Canon Murat., Cajus, Tertullianus, Hippolytus, Origenes, Lactantius enz. zo vaststaand en eenstemmig, dat haar waarheid redelijkerwijs niet te betwijfelen valt. Ook mag geacht worden vast te staan, dat Petrus in het jaar 64 onder Nero als martelaar gestorven is, hetzij in hetzelfde jaar met of een paar jaren vóór Paulus. Op. 18:23, cf.Op. 17:6; 19:2, wijst erop, dat Rome het bloed van apostelen vergoten heeft, en de genoemde oud-Christelijke schrijvers zeggen allen eenparig, dat Petrus en Paulus in Rome, soms met de nadere tijdsbepaling, onder Nero, de marteldood hebben ondergaan.

Maar volstrekt onbewijsbaar is, dat Petrus 20 à 25 jaren in Rome heeft vertoefd, dat hij bisschop van de gemeente aldaar en primas van de hele kerk is geweest, en dat Linus in episcopaat en primaat hem opgevolgd is. Immers,

1. Hand.12:17 bericht, dat Petrus Jeruzalem verliet, niet lang vóór de dood van Herodes, Hand. 12:23, die in het jaar 44 stierf. Dat hij toen naar Rome is gegaan, is niets dan een vermoeden en mist alle grond. Maar indien dit ook zo ware, dan zou daarbij aan niets anders dan aan een kort bezoek te Rome gedacht kunnen worden, evenals hij toen volgens Harnack misschien ook in Corinthe is geweest, 1 Cor.1; 2; 3 ; 9:5, in elk geval was Petrus bij de synode in Hd. 15, dat is in het jaar 47, in Jeruzalem terug.

2. In de brief, die Paulus van Corinthe uit ongeveer het jaar 54-58 aan de gemeente te Rome schreef, wordt met geen enkel woord van Petrus’ verblijf en arbeid te Rome gewag gemaakt; evenmin geschiedt dit in de brieven aan Filemon, Colosse, Efeze, welke Paulus waarschijnlijk, noch in die aan Filippi, welke hij zeker uit Rome schreef in de jaren 57-58 of 61-63; en ook Petrus maakt in zijn eerste brief, dien hij uit Babylon,1 Petr. 5:13, dat is misschien Rome, schreef, met geen woord van Paulus melding, zodat Zahn vermoedt, dat Petrus juist in Rome geweest is tussen de eerste en tweede gevangenschap van Paulus in, toen deze op reis was naar Spanje, en daar in het jaar 64 onder Nero en een paar jaren vóór Paulus de marteldood heeft ondergaan. Niet langer dan een half jaar of een jaar heeft Petrus dus in Rome vertoefd.

3. In overeenstemming met deze feiten noemt de oudste traditie Petrus en Paulus steeds naast elkaar en zegt, dat niet Petrus alleen, maar Petrus en Paulus de gemeente te Rome gesticht en bevestigd hebben. Van een jarenlang verblijf en van een episcopaat van Petrus te Rome weten deze oude geschiedenissen niets. Integendeel, volgens de brief van Clemens uit de jaren 93-95, de in Rome omstreeks 100 of 135-145 geschreven Pastor van Hermas, en de brief van Ignatius aan de Romeinen bestond toentertijd, dat is in elk geval omstreeks het einde van de eerste eeuw, in Rome het monarchisch episcopaat nog niet, maar werd de gemeente geleid door een college van presbyters of episcopi. Uit de bisschopslijsten bij Hegesippus, Irenaeus, ‘t Murat. fragment, Hippolytus, Tertullianus, Epiphanius blijkt, dat men op het einde van de tweede en zelfs in het begin van de derde eeuw Petrus nog niet als bisschop van Rome beschouwd heeft. De gewone voorstelling was toen nog deze, dat Petrus en Paulus de gemeente hadden gesticht en aan Linus de dienst van het episcopaat hadden opgedragen. En van Linus als eerste bisschop worden dan de volgende als tweede, derde enz. aangeduid, zo, dat de apostelen Petrus en Paulus als euaggelizomenoi kai yemeliountev thn ekklhsian12, aan hen allen voorafgegaan zijn, en de bisschoppen na hen gekomen en elkaar opgevolgd zijn apo twn apostolwn, d.i. van de tijd van de apostelen af13.

4. Eerst in de tijd van Victor of Zephyrinus,180-217 is deze oude traditie zo gewijzigd, dat Paulus hoe langer hoe meer zijn aandeel in de stichting en bevestiging van de gemeente te Rome verloor en Petrus uitsluitend als de instelIer van het episcopaat en daarna ook als de eerste bisschop van Rome voorgesteld werd. Volgens Tertullianus14, noemde Calixtus zich reeds bisschop op de stoel van Petrus. Stephanus beweerde, per successionem cathedram Petri habere15. En Cyprianus duidde de stoel van de bisschop te Rome doorlopend als de cathedra Petri aan16. Omstreeks diezelfde tijd kwam ook eerst de legende op, dat Petrus 20 of 25 jaren lang in Rome gearbeid had en er zolang bisschop was geweest. Eusebius spreekt in zijn kerkgeschiedenis nog niet van Petrus als bisschop en noemt Petrus en Paulus nog naast elkaar, maar noemt elders Petrus alleen en zegt ook, dat Petrus reeds onder keizer Claudius naar Rome is gekomen, om Simon Magus te bestrijden17. Hier wordt tegelijk de oorsprong van de legende ontdekt. Reeds vóór het midden van de tweede eeuw gold het in Rome als een feit, dat Simon Magus onder Claudius naar Rome was gekomen. De omstreeks 160 ontstane Acta Petri leerden in aansluiting aan Hd. 8, dat Petrus en Simon Magus veel met elkaar hadden gestreden. Deze overleveringen werden gecombineerd en gaven zo geboorte aan de legende, dat Petrus onder Claudius naar Rome was gekomen en daar tot zijn dood in 64, dus een twintigtal jaren, geleefd had. En Eusebius en Hiëronymus maakten haar tot een bestanddeel van de Roomse traditie18.

Ten zesde, de Roomsen, ofschoon in de traditie na Irenaeus steun vindende, verkeren tegenover de oudste, uit de eerste en tweede eeuw afkomstige getuigenissen in niet geringe verlegenheid. Maar al zouden deze getuigenissen gunstiger en meer in hun voordeel zijn, zij moeten toch allen erkennen, dat het primaat van de bisschop van Rome gebouwd is op een historische onderstelling, n.l. hierop, dat Petrus in Rome geweest is, dat hij daar het ambt van bisschop en primas heeft bekleed en dit aan zijn opvolger heeft overgedragen. Nu is deze traditie, onderstel al, dat zij dit alles bevestigde, toch slechts een historisch getuigenis, dat ook volgens Rome niet op onfeilbare zekerheid, doch slechts op hoge waarschijnlijkheid aanspraak kan maken. Het primaat van de bisschop van Rome, de kerkelijke waardigheid van de paus, en dus de waarheid van de Roomse kerk en de zaligheid van de Roomse kerkleden is op een historische waarschijnlijkheid gebouwd, die ieder ogenblik door nieuwe getuigenissen teniet gedaan kan worden. De eeuwigheid hangt hier aan een spinrag. Doch daarbij doet zich voor Rome nog een andere moeilijkheid voor. De traditie bij Julius Africanus, Origenes, Eusebius enz. verhaalt, dat Petrus vóór zijn reis naar Rome in het tweede jaar van keizer Claudius in Antiochië is geweest en daar het episcopaat heeft ingesteld19. Laat deze traditie nu op zichzelf onbetrouwbaar zijn, voor de Roomsen is het toch moeilijk haar waarheid te loochenen, omdat zij dan de schijn aannemen, van met twee maten te meten. Doch ook afgezien van deze traditie, het is allerwaarschijnlijket, dat evenals de andere apostelen, zo ook Petrus in verschillende gemeenten het episcopaat heeft ingesteld. Waarom is dan bepaald de bisschop van Rome de opvolger van Petrus en de erfgenaam van het primaat? Petrus was volgens Rome toch ook primas, toen hij te Jeruzalem, te Antiochië en elders zich ophield. Bij hem bestond er dus in elk geval geen onverbrekelijke band tussen zijn primaat en het episcopaat van de gemeente te Rome. Hij had dat primaat dus evengoed aan een andere bisschop dan die van Rome kunnen overdragen. Heeft hij, als hij, wat zeer waarschijnlijk is, ook elders episcopi in gemeenten aanstelde, het episcopaat wel overgedragen, maar het primaat uitdrukkelijk gereserveerd, totdat hij dit aan de bisschop van Rome kon overdoen? En waarom deed hij dan zo? Op welk gezag handelde hij aldus? Welk bewijs is er, dat Linus de opvolger van Petrus is, niet alleen in het apostolaat maar ook in het primaat? Een historisch, kerkelijk recht, dat het zo altijd opgevat is, is hiervoor niet voldoende, want het betreft juist de grondslag, waarop heel de Roomse kerk rust. Er moet een goddelijk recht voor bestaan. Maar dit is er niet; Christus heeft met geen woord van Petrus’ episcopaat te Rome noch van zijn opvolger aldaar gesproken; Petrus zelf heeft noch volgens de Schrift, noch volgens de traditie ook maar in de verste verte aangeduid, dat de episcopus te Rome zijn enige, ware opvolger was. De verbinding van het primaat met het Roomse episcopaat rust dus alleen op het feit, dat Petrus te Rome geweest is en op de onhistorische onderstelling, dat hij daar het ambt van bisschop en primas heeft bekleed.

Ook al zou dit laatste historisch juist zijn, dan gaf het nog niet wat het geven moet. Want dan ontbrak nog het strikt noodzakelijk bewijs, dat Petrus welbewust, met opzet, krachtens apostolische volmacht en goddelijke last, dit episcopaat en dit primaat aan zijn opvolger te Rome heeft willen overdragen en werkelijk overgedragen heeft. Dat is, het primaat van de Roomse bisschop over de hele kerk hangt in de lucht; het kan geen jus divinum aanwijzen, waarop het rust; en het heeft zelfs geen betrouwbare, historische grondslag. De Roomse theologen moeten dan ook huns ondanks erkennen, dat het primaat van de Roomsen bisschop neben einer unmittelbar göttlichen Grondlage, nämlich der Einsetzung des Primates als einer dauernden Institution (wat echter ook onbewijsbaar is), auch eine menschlich vermittelte Grundlage von geschichtlicher Natur bezit20. Daarom zijn eindelijk de Roomse theologen onderling ook niet eenstemmig over de aard van de verbinding van primaat en Rooms episcopaat. Sommigen, zoals Dominicus Soto, Bannez, Mendoza e.a. zijn van mening, dat die verbinding slechts is ex jure ecclesiastico en dat het primaat van de Roomse bisschopszetel op een ander kan overgedragen worden. Ballerini, Veith e.a. laten de vraag onbeslist en achten ze hoogst moeilijk te beantwoorden. Maar Cajetanus, Canus, Suarez enz. zijn van oordeel, dat Petrus, nadat hij in Antiochië het episcopaat had ingesteld, een bijzondere goddelijke openbaring ontving en krachtens deze het primaat onlosmakelijk met het episcopaat te Rome verbond21. Hoewel dit geschil nog niet formeel tot beslissing is gebracht, spreken pausen, concilies, theologen meest ten gunste van het laatste gevoelen; onwillekeurig gaan zij altijd van de onoplosbare verbinding van beide uit. Door de Syllabus van Pius IX prop. 35 is uitgemaakt, dat de kiesgerechtigden het primaat niet van de stad Rome en haar bisschop op een andere stad en bisschop mogen overdragen. Alleen blijft de vraag over, of de paus zelf dit zou mogen doen; en dit is natuurlijk alleen door de onfeilbare zelf te beslissen. De Roomse Christen is dus gehouden te geloven, dat de gemeenschap met de plaatselijke kerk te Rome noodzakelijk tot de zaligheid is. De zogenaamde katholieke kerk is in der waarheid Roomse kerk; dat is haar naam en haar wezen.

1 Catech. Rom. II 7, 13.

2 verg. Luthers leer over het algemene priesterschap van de gelovigen bij Köstlin, Luthers Theol. I 316. 376. II 538. Gerhard, Loci Theol. Loc. 23 par. 37. Calvijn, Inst. IV 4, 9, 12, 1. Comm. Op 1 Petr. 5:3. Junius, Op. II 1181. Amesius, Bellarminus enervatus III c. 1. Voetius, Pol. Eccl. III 2. Cappellus, Synt, thesium theol. in Acad. Salmur. III 272-279. M. Vitringa, Doctr. IX 428-437. CaBpari, art. Geistliche in PRE3 VI 463.

3 Bij Petavius, Dissert. Eccles. I c. 1-3. Verg. ook Lombardus, Sent. 24, 9.

4 Scheeben, Dogm. IV 395. Ermann, De Paus 2e ged. bl. 96.

5 J. T. Müller, Symb. Bücher bl. 62, 205, 286, 340.

6 Verg. Schling, art. Episkopalsystem in der evang. Kirche PRE3 V 425.

7 M. Vitringa, Doctr. IX 210 v.

8 Verg. Calvijn, Inst. IV 3, 8; 4, 2 v. 5, 1 v. Voetius, Pol. Eccl. III 832-869. M. Vitringa, Doctr. IX 141-229 enz.

9 Schwane D. G. IV 267, 285, 294. Simar, Dogm. 612. Heinrich, Dogm. II 247. Ermann, De Paus, 2e gedeelte 89 v.

10 Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 405.

11 Bijv. door Rieks, Das Papsthum eine göttliche Institution? Bew. d. Gl. 1903 bl. 3-21. Erbes, Zeits. f. Kirchengesch. 1901 bl. 1-47. 161-231.

12 Irmaeus, adv. baer. III I, 1.

13 t.a.p. I 27, 1.

14 Tertullianus, de pudic. 21.

15 Cyprianus, Ep. 71, 3, 75, 17.

16 t.a.p. Ep. 55, 8, 59, 14.

17 Eusebius, Hist. eccl. III 2. III 4, 9. 11 14, 6.

18 Hase, Protest. Polemik5 bl. 150 v. Kattenbusch, Vergl. Conf. 90 v. Harnack Die Chronologie der altchristl. Litteratur bis Eusebius I 1897 passim, vooral bl 171 v. 240 v. 703 v. Th. Zahn, Einl. in des N. T. I2 1906 II2 1907 passim, vooral II 18 v.

19 Harnack, Die Chronologie der altchr. Lit. I 118, 705.

20 Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 bl. 425.

21 Schwane, D. G. IV 300, 311, 341 en voorts Bellarminus, de Rom. pontif. lib. II. Theol. Wirceb. ed. Paris. 1880 I 267-306. Perrone, Prael. theol. Lov. 1843 VIII 295-419. Scheeben-Atzberger, Dogm. 424-435. Jansen, Prael. I 512-582. Hettinger, Apol. des Christelijke IV 1897 bl. 499-618. W. Esser, Des h. Petrus Aufenthalt, Episkopat und Tod zu Rom. Breslau 1889. Joseph Hollweck, Der apost. Stuhl und Rom. Mainz 1895.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept