Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

515. Tot de werkzaamheid van de opzieners behoort in het bijzonder ook de kerkelijke tucht, potestas disciplinae. Het Hebreeuws heeft voor tucht het woord rowm, dat eigenlijk adstrictio, constrictio betekent en in het Grieks door nouyethma, didaskalia, nomov, sofia vertaald en in het Nieuwe Testament vooral door het woord paideia weergegeven wordt. Beide woorden geven evenals het Nederlandse woord tucht, van tien, trekken, in het algemeen te kennen, dat iets, dat jong, teer, klein, zwak is, met zorg opgekweekt wordt. Omdat echter in het algemeen en vooral bij mensen deze opkweking altijd tegelijk abnormale ontwikkeling tegen moet gaan, krijgt het woord tucht de bijbetekenis van terechtwijzing, kastijding, tuchtiging. Bijna nooit duiden de woorden alleen onderwijs, onderricht aan, cf. echter Hd. 7:32; 22:3, maar altijd zulk een opvoeding en onderwijs, welke terechtwijzend en kastijdend optreden. Zo voedt God zijn kinderen op, Hebr. 12:5-11, en Christus zijn gemeente. Op. 3:19, door middel van de Schrift, die nuttig is prov didaskalian, prov elegmon, prov epanorywsin, prov paideian thn en dikaiosunh, 2 Tim. 3:16. En zulk een tucht heeft Christus ook in zijn gemeente ingesteld. In het Oude Testament bestond er nog geen eigenlijke kerkelijke tucht, al werd Adam ook gebannen uit het paradijs en al werden in Israël onbesnedenen, melaatsen en onreinen uit het heiligdom geweerd, Lev. 5v., Ezech. 44:9, want voor onopzettelijke zonden bestond er altijd verzoening, op zonden met opgeheven hand stond de uitroeiïng, en de cherem was tegelijk een burgerlijke straf. Eerst toen Israël een gemeente werd, kwam de uitsluitend kerkelijke straf op, de afzondering uit de gemeente van de gelovigen, Ezr. 10:8, en deze ban wordt nog door de Joden in sommige gevallen toegepast1. Misschien in aansluiting aan deze synagogale tucht, heeft Christus de tucht in zijn gemeente verordend. In Mt.16:19, geeft Hij de sleutels van het hemelrijk aan Petrus, in Mt.18:18 aan de gemeente, in Joh. 20:23, aan de apostelen, zodat zij de macht hebben, om op grond van de belijdenis van Christus en onder de voorlichting van de Geest te binden en te ontbinden, iemand de zonden te houden of te vergeven. Alleen omdat Christus deze macht aan zijn gemeente geeft, is deze tot het oefenen van tucht bevoegd. In Mt. 18:15-17 wijst Hij dan aan, hoe deze tucht geoefend moet worden. God wil niet, dat een van de kleinen, die in Jezus geloven, verloren gaat, Mt. 18:1-14. Als dus iemand door zijn broeder beledigd of onrechtvaardig behandeld is, dan moet hij eerst door persoonlijke bestraffing, dan door bestraffing onder twee of drie getuigen, en daama door bestraffing vanwege heel de gemeente beproeven hem te winnen; en eerst, als dat alles niet baat, dan mag hij, de beledigde (soi vs. 17, in sing.) hem beschouwen als een heiden en tollenaar, dan heeft hij alles aan hem beproefd, en is vrij van zijn bloed. Zulk een oordeel heeft dan kracht in de hemel. Dit is de gewone weg, waarlangs de tucht in de gemeente naar Jezus’ bevel lopen moet. Maar daarvan is wel te onderscheiden de tucht, die God zelf, die Christus, en die ook de apostelen soms oefenen in zijn naam en kracht. God kan zonden in de gemeente, bijv. het onwaardig gebruik van het avondmaal bezoeken met ziekte en dood, 1 Cor. 11:30, Ananias on Saffira vielen om hun liegen tegen de Geest van God dood voor Petrus’ voeten neer, Hd. 5, Paulus strafte Elymas, Hd. 13:11, met blindheid. In 1 Cor. 5 beveelt Paulus aan de gemeente, om, terwijl zij met zijn geest, die reeds over de bloedschender in haar midden het oordeel heeft uitgesproken, vs. 3, samenvergaderd en zo verbonden is met de macht van de Heere Jezus Christus, in Christus’ naam de zodanige aan de Satan over te geven, opdat hij door deze in zijn lichaam geslagen en zo toch weer naar de geest in de dag van Christus behouden wordt. Paulus berispt daarbij de Corinthiërs vs. 2, dat zij hem al niet eerder uit hun midden hadden weggedaan en onderstelt dus, dat zij daartoe het recht en de verplichting hadden. En juist omdat zij dat niet gedaan, maar de zondaar gedragen en zo aan zijn zonde deel gekregen hadden, daarom acht hij thans een radicale maatregel nodig. Hij zelf heeft als apostel reeds voor zichzelf het oordeel geveld, en eist nu, dat de gemeente, in volle vergadering, terstond, zonder verder vermaan, naar de thans door de apostel haar verleende volmacht, ja naar de macht van Christus zelf, in zijn naam de boze oordeelt; en niet maar eenvoudig buiten de gemeente plaatst, zoals in vs. 2 van haar verlangd werd, maar bepaaldelijk ter lichamelijke bestrijding aan de Satan overgeeft. Er is hier dus sprake, niet van gewone excommunicatie, zoals bijv. in Mt. 18:17 maar van een bijzondere, apostolische machtsdaad. Dit blijkt ook uit 1 Tim.1:20; 2 Tim. 2:17, waar Paulus als apostel, geheel alleen, zonder de gemeente, op dezelfde wijze Hymeneüs en Alexander aan de Satan overgeeft, opdat zij getuchtigd zouden worden niet meer te lasteren. Er is daarom groot verschil tussen deze buitengewone straffen en de gewone tuchtoefening, die aan de gemeente is opgedragen. Van deze laatste handelde Paulus in 1 Cor. 5:2, en nog nader in vs. 9-13. Daar zegt hij nl., dat hij in een vroegere brief, die dus aan deze “eerste” brief is voorafgegaan, hen vermaand heeft, om zich niet te vermengen, d.i. geen omgang te hebben met hoereerders. Maar de Corinthiërs hadden dat verkeerd opgevat en daaruit afgeleid, dat zij hoegenaamd geen verkeer, ook niet in het burgerlijke, mochten hebben met hoereerders, geldzuchtigen, rovers, afgodendienaars buiten de gemeente. Maar dat was de bedoeling van de apostel niet; dat was een onmogelijke eis geweest, daarmee gelijk staande, dat zij uit de wereld moesten gaan. Alleen had hij verlangd, dat zij geen omgang zouden hebben met een hoereerder enz., indien zo iemand een broeder genoemd werd en lid van de gemeente was. Ja, in dat geval wenst hij, dat zij met zulk een gevallen broeder ook geen maaltijd zullen houden, niet bij hem gaan eten noch hem te eten vragen, niet vriendschappelijk en broederlijk met hem zullen verkeren, maar dat zij, terwijl zij hen, die buiten zijn, aan Gods oordeel overlaten, zulk een boze, die in hun kring verkeert, uit hun midden zullen verwijderen, cf. 2 Cor. 2:5-10. Ook spreekt Paulus elders van het recht en de plicht van de gemeente, om acht te geven op en af te wijken, ekklinein, van hen, die tweedracht en ergernis aanrichten, Rom. 16:17; om in Jezus’ naam zich te onttrekken, af te scheiden, stellesyai apo, van ieder broeder, die ongeregeld wandelt, 2 Thess. 3:6,14; om na eerste en tweede, d.i. na herhaalde vermaning zich te onttrekken aan, niet in te laten met (paraiteisyai, zich door beden van iets of iemand afmaken, losmaken, ontslaan) een ketterse mens, die (als lid van de gemeente, of ook misschien van buiten af) in de gemeente de eenheid van het geloof verbreekt, Tit. 3:10. Hetzelfde zegt Johannes; als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, dan moogt gij hem niet ontvangen in uw huis als een broeder, niet vriendschappelijk en broederlijk met hem omgaan, en hem niet als een broeder begroeten en verwelkomen, 2 Joh. 10. En eindelijk wordt in Op. 2:2, de gemeente van Efeze geprezen, omdat zij de bozen niet verdraagt; in Op. 2:14, 20, 24, die van Pergamus en Thyatire berispt, omdat zij ketterse leringen en heidense gruwelen dulden2.

Deze leer van de Heilige Schrift is het zuiverst in de tuchtoefening van de Gereformeerde kerken toegepast. Volgens haar toch zijn 1. geen onpersoonlijke dingen, geschriften, gebouwen, landen, maar altijd personen het object; en geen mensen in het algemeen, want die buiten zijn, oordeelt God, 1 Cor. 5:10, geen gestorvenen, geen klasse of groep van mensen, maar altijd bepaalde, individuele personen, die of alleen door doop, of ook door belijdenis leden van de gemeente zijn. 2. Oorzaak van de tucht zijn niet allerlei zwakheden, die in gelovigen vallen, ook niet zulke verschrikkelijke zonden, welke de Christelijke overheid straft, hoewel de kerk dan volgt en haar tucht niet overbodig is3, maar zulke zonden, die in het midden van de gemeente ergernis wekken en door de overheid niet of zeer zacht worden gestraft4. 3. Bij deze zonden, op welke de kerkelijke tucht van toepassing is, moet tussen verborgen en openbare zonden onderscheiden worden. De eerste worden behandeld naar de regel van Mt.18, en krijgen eerst het karakter van openbare zonden, als particuliere vermaningen niet baten en dus de hele gemeente, of haar vertegenwoordiging in de kerkenraad erin gemoeid wordt. 4. Bij deze door hardnekkigheid openbaar geworden en bij de van huis uit door haar karakter (bijv. moord, overspel) openbare zonden is de procedure aldus: zodra de overtreder oprechte boetvaardigheid toont, houdt alle kerkelijke tucht in engere zin op. Het avondmaal mag dan nog onthouden worden, opdat de ergernis uit de gemeente wordt weggenomen en de oprechtheid van de schuldbelijdenis aan het licht treedt, maar van tucht is geen sprake meer. Wie zijn zonde belijdt, vindt bij God en dus ook bij zijn gemeente barmhartigheid. De tucht, die tot afsnijding leidt, vangt altijd eerst aan na gebleken onboetvaardigheid en hardnekkigheid. Opdat de gemeente hiervan ten volle overtuigd zij en niet lichtvaardig tot het wegdoen van de boze uit haar midden overgaat, begint de kerkenraad met vermaningen. Als de overtreder zich hiertegen verhardt, volgt eerst met onthouding van het avondmaal de bekendmaking van de zonde zonder de naam van de zondaar in het midden van de gemeente; daarna de bekendmaking van de zonde met de naam van de zondaart, maar niet dan na een welgegrond advies van de classis; vervolgens de bekendmaking dat hij, indien hij blijft volharden, zal afgesneden worden; en eindelijk de afsnijding zelf met het formulier van de ban. De tijd, die tussen al deze vermaningen en tuchtmaatregelen verlopen moet, is niet vast te stellen, omdat hij met de aard van de zonde, het gedrag van de overtreder, de ergernis in en buiten de gemeente in verband staat. 5. De straffen, die de kerk hierbij toepast, zijn zuiver geestelijk. Zij bestaan niet en mogen niet bestaan in geldboete, lichamelijke kastijding, brandmerk, pijniging, gevangenis, eerloosheid, verbanning, doodstraf enz., gelijk Rome beweert, noch ook in ontbinding van familie-, burgerlijke, staatkundige betrekkingen, gelijk de Anabaptisten leerden; evenmin in uitsluiting uit de openbare godsdienstoefeningen, gelijk de Christelijke kerk in de eerste tijd dit toepaste. Want de wapens van de gemeente zijn niet vleselijk, maar geestelijk en daarom krachtig voor God, 2 Cor. 10:4. Maar de tucht van de gemeente is een ernstige beproeving, of iemand, die zich misdroeg en tegen alle vermaning zich verhardt, nog als een broeder kan en mag beschouwd worden. De excommunicatie is daarom tenslotte niets anders maar ook niets minder dan een opzeggen van de broederlijke gemeenschap; een zich onttrekken van de gemeente; een eindelijk, met smart loslaten van degene, die zich als broeder voordeed maar geen broeder bleek te zijn. Zij is geen overgave aan de Satan, wat in het Nieuwe Testament alleen als een apostolische daad voorkomt, geen verdoemenis of vervloeking, geen anayema, dat in het Nieuwe Testament nooit, ook niet in Rom. 9:3, van de kerkelijke tucht gebezigd wordt5, maar alleen en toch ook niet minder dan een plechtige verklaring van de gemeente in Jezus’ naam, dat de zondaar openbaar is geworden als niet zijnde een oprecht broeder in Christus, en dus een hem stellen buiten de gemeente en haar gemeenschap, opdat God alleen over hem oordeelt. 6. De excommunicatie is een uiterste remedie, opdat de verwijderde uit de broederlijke omgang tot inkeer komt. Zelfs de apostolische overgave aan de Satan had nog deze betekenis, 1 Cor. 5:5; 1:20. Al mag de gemeente de uitgeworpene als een heiden en tollenaar beschouwen, omdat zij alle moeite aan hem, zonder vrucht, heeft ten koste gelegd; al moest zij hem uitwerpen, om zelf geen gemeenschap aan zijn zonden te hebben, 1 Cor. 5:6-7; 11:30;, toch blijft de hoop bestaan, dat hij nog een broeder is, die door vermaning van zijn dwaling zal terecht gebracht worden, 2 Thess. 3:14. 7. Daarom blijft wederopneming in de gemeente altijd weer mogelijk, Mt.16:18; 18:18; Joh. 20:23; 2 Cor. 2:6-10; maar daarbij is dan voorafgaande openbare belijdenis nodig, die in alle andere gevallen slechts met alle voorzichtigheid en naar het oordeel van de hele kerkenraad geëist mag worden6.

1 J. H. Gunning Jr. De Chasidim bl. 55.

2 Meyer, Die Lehre des Nieuwe Testament von der Kirchenzucht, Zeits. f. kirchl. Wiss. 11. kirchl. Leben 1881.

3 Calvijn, Inst. IV 11, 3.

4 Mastricht, Theol. VII 6, 8.

5 Verg. Cremer, Wörterbuch s. v.

6 Calvijn, Inst. IV 12. Ursinus, Explic. Cat. qu. 83-85. Zanchius, Op. IV 736. Polanus, Syst. Theol. bl. 544. Martyr, Loci 411. Junius, Theses Theol. 47. Bucanus, Instit. theol. 531. Heidegger II bl. 600. Synopsis pur. theol. disp. 48. Voetius, Pol. IV 770-912. Mastricht, Theol. VII c. 6. De Moor VI 400-422. M. Vitringa, IX 1 p. 498-573 enz. Uit de nieuwere tijd: Scheele, Die Kirchenzucht 1852. Fabri, Kirchenzucht im Sinne und Geiste des Evang. 1854. Art. Bann, Kirchenzucht, Schlüsselgewalt, Gerichtsbarkeit in PRE.3 Müller, Dogm. Abh. 496 v. Vilmar, Von der christl. Kirchenzucht 1872. Id, Kirchenzucht u. Lehrzucht 1877.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept