Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

514. Christus is niet alleen profeet, Hij is ook koning, die nog voortdurend van uit de hemel persoonlijk zijn gemeente regeert. Maar Hij bedient zich daarbij toch van mensen en gaf dus in zover aan zijn gemeente een potest as gubernationis. In ruimer zin is daaronder al de leiding en zorg te verstaan, welke de gelovigen samen ten opzichte van elkaar uitoefenen. In de gemeente geldt het woord van Kaïn niet: ben ik mijns broeders hoeder? Allen zijn elkaars leden, lijden en verblijden zich met elkaar, hebben de bekwaamheid en de roeping, om ook onderling elkaar te leren, te vermanen, te vertroosten, te stichten, Rom.15:14; Col. 3:16; 1 Thess. 5:11. Er zijn gaven van leiding, van regering, die Christus door de Heilige Geest aan de gemeente uitdeelt en die Hij door de ambten niet te niet doet, maar in ‘t goede spoor houdt, Rom.12:8; 1 Cor. 12:28, en onder die gaven staat de liefde bovenaan, die de een de ander in waardering en hoogachting doet voorgaan, Rom. 12:10; Phil. 2:3; 1 Petr. 5:5. Maar toch heeft Christus als koning van zijn kerk in het presbyteraat ook een bepaald ambt ingesteld, waardoor Hij zijn gemeente regeert. Dit regeren draagt echter een geestelijk karakter, omdat Christus koning is in het rijk van de genade, en wordt in de Schrift een poimainein genoemd, Joh. 21:15-17; Hd. 20:28; 1 Petr. 5:2; al wat denken doet aan aardse macht en politieke heerschappij is ervan uitgesloten, 2 Cor. 1:24; 1 Petr. 5:2-3. In ruimere zin omvat dit poimainein ook het werk van de leraar, maar er is toch een groot onderscheid tussen de openbare verkondiging en de persoonlijke, individuele toepassing van het woord, tussen het hoeden van de kudde in het algemeen en het verzorgen van elk van de schapen in het bijzonder. De gelovigen zijn wel geroepen, om allen op elkaar acht te slaan tot opscherping van de liefde en van de goede werken, Hebr. 10:24, maar opdat geen enkel schaap van de kudde onverzorgd blijft, heeft Christus toch aan een bepaald ambt het weiden van de schapen opgedragen. Dat Hij hiermee in een wezenlijke behoefte van zijn gemeente heeft voorzien, blijkt daaruit, dat, toen het presbyteraat allengs verdween, in de biecht een menselijk surrogaat voor deze ambtelijke dienst is ingesteld. Ongetwijfeld bevat daarom de biecht iets goeds, Jak. 5:16 1, maar zij kan niet opwegen tegen de goed geregelde dienst van het presbyteraat. Immers voert zij een ongeoorloofde gewetensdwang in, maakt de gelovigen van de absolutie van de priester afhankelijk, legt in de belijdenis van alle speciale, bepaaldelijk van de doodzonden, een onmogelijk na te komen plicht op, maakt genade en zaligheid ieder ogenblik onzeker en onvast, dwingt tot een casuïstische en kwantitatieve behandeling van zonde en straf, en geeft aanleiding tot allerlei onzedelijke praktijken2. De Schrift spreek dan ook nergens van zulk een gedwongen biecht. Maar wat zij in voorbeeld en voorschrift ons zegt, is dit, dat Nathan tot David en Elia tot Achab en Jesaja tot Hiskia gaat, om hen persoonlijk over hun zonden te onderhouden; dat Christus het land doorgaat predikend en zegenend, dat Hij al zijn schapen bij name kent en er geen verloren laat gaan, Joh.10:3, 28, dat Hij aan Petrus en aan al de apostelen niet alleen het weiden van de kudde, maar ook het weiden van de schapen opdraagt, Joh. 21:15-17, dat Hij aan zijn discipelen beveelt, om in steden, vlekken en huizen het Evangelie te prediken, Mt. 10:11-12, dat Paulus de broeders in iedere stad bezoekt, Hd.15:36, de gemeenten versterkt, Hd. 15:41, in het openbaar en bij de huizen, dhmosia kai kat oikouv, de bekering tot God en het geloof in Christus predikt, Hd. 20:20-21 3. Trouwens ligt de behoefte aan zulk een voortdurende geestelijke verzorging in de toestand van de kerk van Christus in deze bedeling vanzelf opgesloten. Ook al is de gemeente eens geplant, zij is niet terstond volmaakt; integendeel heeft zij strijd van binnen en buiten, staat ten prooi aan allerlei aanvallen van zonde en leugen, en loopt ieder ogenblik gevaar, om af te dwalen ter rechter of ter linker zijde. De gemeente is een akker, die voortdurend gewied, een boom, die op zijn tijd gesnoeid, een kudde, die altijd door geleid en geweid, een huis, waaraan steeds gebouwd, een bruid, die toebereid moet worden, om als een reine maagd aan haar man te worden voorgesteld. Er zijn kranken, stervenden, beproefden, bedroefden, bestredenen, aangevochtenen, twijfelenden, gevallenen, gevangenen enz., die lering en onderwijzing, vermaning en vertroosting nodig hebben. En afgezien zelfs hiervan, de gemeente behoort op te wassen in de kennis en genade van de Heere Jezus Christus; de kinderen moeten jongelingen, de jongelingen mannen, de mannen vaders worden in Christus, en hebben daartoe leiding en verzorging nodig. Ook de leraars zijn zwakke en zondige mensen en behoren onder opzicht te staan; indien de raad van ouderlingen en de vergadering van genabuurde kerken dit niet doet, wordt de gemeente een speelbal van de pastor of anders een superintendentuur of episcopaat noodzakelijk. In één woord, de leraars zaaien het woord, de ouderlingen zoeken de vrucht4.

1 Calvijn, Inst. III 1, 13.

2 Deel IV; Hoofdstuk 8 (vervolg); Par. 51 Geloof en Bekering; 463

3 Calvijn, Inst. IV 1, 22.

4 Zie voorts over het presbyteraat: Calvijn, Inst. IV 1, 22, 12, 2. Martyr, Loci bl. 392b. Zanchius, Op. IV 730. Bullinger, Huysboeck, Dec. 5 serm. 3. Junius, Op. I 1563. Bucanus, Inst. theol. 493. Mastricht, Theol. VII 2, 22. Voetius, Pol. Eccl. III 436-479. VI 92-109. M. Vitringa IX 229. Renesse, Van het regeerouderlingschap 1659. Koelman, Ambt en pligt der ouderlingen 1765. Nieuwe werken van Th. Harnack, Prakt. Theol. II 281-350. Id., in Zöcklers Handb. der theol. Wiss. III 503-537. Achelis, Pragt. Theol. II 177-323. H. A. Köstlin, Die Lehre von der Seelsorge, Berlin 1895. Kuyper, Enc. III 524. Biesterveld, Het huisbezoek, Kampen 1900 enz.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept