Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

536. Tot zover is er tussen de Christelijke kerken in hoofdzaak overeenstemming in de leer van de doop. Maar allerlei verschil openbaart zich, zodra de kinderdoop ter sprake komt. Van het begin van zijn in voering af tot op de huidige dag toe wordt deze door een aanzienlijk deel van de Christenheid verworpen, vooral op deze twee gronden, dat hij in de Schrift niet voorkomt en naar zijn oorspronkelijke instelling altijd geloof en bekering onderstelt, welke in kinderen niet vallen of in elk geval niet geopenbaard en onderkend kunnen worden1. Inderdaad ontbreekt ook tot de tijd van Tertullianus toe alle rechtstreeks en stellig getuigenis, dat de doop aan kinderen van de gelovigen bediend werd. Maar uit dit stilzwijgen mag toch niet te veel worden afgeleid. Het spreekt vanzelf, dat in de eerste en tweede eeuw, toen de Christelijke kerk zich snel in de wereld uitbreidde, de proselietendoop veel meer de aandacht trok dan de kinderdoop. Eerst was de bejaardendoop de gewone, telkens voorkomende doop; daarnaast kwam toen langzamerhand de kinderdoop op; en eindelijk, toen de kerk gevestigd en het een na het andere volk gekerstend was, werd de kinderdoop regel en de proselietendoop, behalve in Heidenlanden, uitzondering. Als Tertullianus dan ook voor het eerst van de kinderdoop gewag maakt, bestrijdt hij hem weliswaar, maar niet op grond daarvan, dat hij een nieuwigheid is en in de apostolische tijd niet gebruikelijk, doch omdat zijn overtuiging in het algemeen deze is, dat cunctatio baptismi utilior est. Si qui pondus intelligant baptismi, magis timebunt consecutionem quam dilationem2. In deze overtuiging stond Tertullianus niet alleen. Zolang het Christendom zich nog in de dorpen, steden en landen, waar het gevestigd was, onder Heidenen uitbreiden kon en er dus altijd nog overgangen plaats hadden, waren velen van mening, dat men niet beter doen kon dan de doop zo lang mogelijk uit te stellen, omdat men anders gevaar liep, om later weer in zonden te vallen en de in de doop ontvangen genade te verliezen. Maar Tertullianus was de enige, die deze beschouwing ook bij de kinderen van de gelovigen wilde laten gelden. De kerk, ook in Afrika, stoorde zich echter aan deze bestrijding niet, en ging met de kinderdoop voort; Origenes getuigt, dat de kinderdoop in zijn dagen algemeen in gebruik en van de apostelen afkomstig was; en Cyprianus verdedigt in overeenstemming met het in 256 te Carthago gehouden concilie, dat de kinderdoop niet eerst op de achtste, maar reeds op de tweede of derde dag na de geboorte moet worden bediend3. Zodra de kinderdoop regel en de bejaardendoop uitzondering werd, moest natuurlijk zijn betekenis nader in het licht gesteld en zijn rechtmatigheid tegenover allerlei bestrijders verdedigd worden. Dit geschiedde op verschillende manier.

1. Toen Augustinus tegenover de Pelagianen de erfzonde en dus ook de noodzakelijkheid van de doop voor kinderen verdedigde, moest bij zich rekenschap geven van het recht, dat kinderen hadden op de doop. Belijdende, dat de doop alleen voor gelovigen ingesteld was en toch erkennende, dat kinderen niet zelf geloven konden, deed hij daarom een beroep op het geloof van de ouders, die het kind ten doop presenteerden en in zijn plaats antwoordden. Pie recteque creditur, prodesse parvulo eorum fidem, aquibus consecrandus offertur4. Kinderen van gelovigen moeten zelf onder de gelovigen gerekend worden, want zij geloven fide parentum. Credit in altero, qui peccavit in altero5. En niet alleen het geloof van de ouders, maar van heel de kerk komt hun ten goede: offeruntur quippe parvuli ad percipiendum spiritalem gratiam, non tam ab eis quorum gestantur manibus, quamvis et ab ipsis, si et ipsi boni fideles sunt, quam ab universa societate sanctorum atque fidelium6. Op deze grond hebben de kinderen van de gelovigen volgens Augustinus recht op de doop, en in die doop worden zij zelf de vergeving van de zonden en de wedergeboorte deelachtig, echter met dien verstande, quod baptizatur parvulus, si ad rationales annos veniens non crediderit, nec se ab illicitis concupiscentiis abstinuerit, nihil ei proderit quod parvus accepit7.

2. Zulk een fides aliena kan echter het gemis van persoonlijk geloof bij het kind niet vergoeden en leidt daarom ongemerkt tot de leer van een wedergeboorte door de doop. Het geloof van de ouders of van de kerk mag aan het kind recht geven, om gedoopt te worden, in het kind zelf is toch niets vereist dan hoogstens een van nature aanwezige capacitas passiva, een negatief obicem non ponere. Daarom ontvangt het kind, dat om zo te zeggen door de hele kerk met gebeden aan God opgedragen wordt, in de doop zelf de genade, die het behoeft. Maar die genade, welke het kind ontvangt, wordt dan weer zeer verschillend omschreven. Sommige scholastici zeiden, dat de kinderen bij de doop geen deugden werden ingestort noch actu noch habitu noch radice, maar dat deze hun later werden meegedeeld, wanneer zij opgroeiden, of ook, wanneer zij stierven, geschonken werden bij de scheiding van de ziel van het lichaam; anderen meenden, dat de kinderen bij de doop de deugden ontvingen, hetzij secundum radicem of secundum habitum8. Trente stelde vast, dat de sacramenten van het Nieuwe Testament de genade in zich bevatten en allen meedelen, die geen hindernis in de weg stellen, zodat ook de kinderen in de doop de genade en de deugden ontvangen ex opere operato, en niet van te voren gelovigen zijn maar door de doop gelovigen worden9. De Luthersen bestreden, dat de kinderen vóór de doop geloof hadden en eveneens, dat zij in aliena fide werden gedoopt, doch leerden, dat zij in de doop het geloof ontvingen, en wel niet habitu of potentia slechts, doch zelfs actu. Per baptismum et in baptismo Spiritus S. fidem veram, salvificam, vivificam et actualem accendit in infantibus, unde et infantes baptizati vere credunt10. Ook enkele Gereformeerde theologen, Pareus, Baronius, Forbesius à Corse, Davenant, Ward, de Brais in Saumur e.a. leerden, dat aan alle kinderen in de doop een zekere genade van vergeving en wedergeboorte geschonken werd, welke, wanneer zij jong stierven, voldoende ter zaligheid was, maar anders van hunzijds door persoonlijk geloof aanvaard en bevestigd moest worden11. En hiermee komt de leer van de High Churchmen van een baptismal regeneration overeen.

3. Ook deze leer wordt door vele bezwaren gedrukt. De fides aliena, die eerst bij Augustinus e.a. nog als een herinnering aan het volgens de Schrift voor de doop vereiste geloof gehandhaafd werd, wordt geheel overtollig, als de doop ex opere operato de genade mededeelt en in het kind niets anders dan een capacitas passiva onderstelt. Wanneer kinderen dan reeds de genade van de doop kunnen ontvangen, als zij geen ob ex in de weg stellen, verdient het aanbeveling, om zoveel mogelijk kinderen, ook heidense, te dopen, want zij zijn allen passief en dus allen vatbaar voor de ontvangst van de genade; de Scotistische school verdedigde dit dan ook tegenover de Thomistische en bepaalde de praktijk van de Roomse kerk12. Ten tweede wordt de doop van zijn Schriftuurlijk karakter beroofd, omdat hij losgemaakt wordt van het geloof en het woord, ophoudt teken en zegel van Gods beloften te zijn, een zelfstandig, onafhankelijk, ex opere operato werkend genademiddel wordt en zelfs onder de genademiddelen de eerste en voornaamste plaats inneemt. En eindelijk worden de weldaden, welke de doop mededeelt, enerzijds overdreven en anderzijds verzwakt. Want met het oog op de feiten, die Schrift en ervaring aan de hand doen, kan niemand volhouden, dat alle gedoopte kinderen later blijken gelovigen te zijn en zalig te worden. Zo moet men dan aannemen, dat de weldaden, in de doop geschonken, verliesbaar zijn en later door persoonlijk geloof aanvaard moeten worden. Zij zijn genoegzaam ter zaligheid voor jongstervende, en ongenoegzaam voor opwassende kinderen, en plaatsen deze laatste in een twijfelachtige toestand tussen gelovigen en ongelovigen in13. De Gereformeerden keerden daarom tot de Schrift terug en namen bij de verdediging van de kinderdoop eenparig hun standpunt in het verbond van de genade, dat naar Gods belofte niet alleen de gelovigen maar ook hun zaad omvatte. Niet wedergeboorte, geloof of bekering, en veel minder ons vermoeden dienaangaande, maar alleen het verbond van de genade gaf, beide bij volwassenen en bij kinderen, recht op de doop14. Dit verbond was de vaste, Schriftuurlijke, objectieve grond, waarop alle Gereformeerden gemeenschappelijk en zonder onderscheid het recht van de kinderdoop deden rusten; een anderen, diepere, hechtere grond hadden zij niet. Maar de Anabaptisten voerden altijd nog een tweede bewijs tegen de kinderdoop aan; zij beweerden, niet alleen dat de kinderdoop in de Schrift niet voorkwam, maar ook, dat kinderen geen geloof en bekering konden hebben of tonen en daarom ook niet gedoopt mochten worden. Daartegenover betoogden de Gereformeerden, dat kinderen wel niet, gelijk de Luthersen, de actus fidei, maar toch zeer zeker de habitus fidei konden bezitten. Zij drukten zich zeer verschillend uit; men sprak van fides in semine, in radice, in. inclinatione, in potentia, in habitu, in principio, in virtute interna Spiritus, van semen regenerationis enz.15. Maar in de zaak zelve was er volkomen overeenstemming. Alle Gereformeerden hielden op grond van de Schrift, Jer. 1:5; Luk. 1:15, en overeenkomstig de katholiciteit van de Christelijke religie tegenover de Anabaptisten staande, dat kinderen evengoed als volwassenen door God in genade aangenomen, door zijn Geest wedergeboren en met het zaad van het geloof begiftigd konden worden. En hieraan hadden zij tegenover de Anabaptisten genoeg. De onderlinge verschillen, die zich voordeden, zodra zij hun beginselen gingen uitwerken en toepassen, traden bij deze gemeenschappelijke overtuiging op de achtergrond.

1 William Wall, The history of Infant Baptism., 4 vol. new ed. Oxford 1836. A. H. Newman. a history of Antipaedobaptism from the rise of Paedobaptism to A. D. 1609. Philad. American Baptist Publication Society 1897. Strong, Syst. Theol. 534-538.

2 Tertullianus, de bapt. 18, Verg. ook reeds Irenaeus, adv. haer. 11 22, 4.

3 Höfling, Das Sakr. d. Taufe I 104 v.

4 Augustinus, de lib. arb. III 23.

5 de verbis apost. sermo de bapt. parv. c. Pelag, c. 14.

6 ad. Bonif. ep. 25.

7 de pecc. mer. et rem. I 20, cf. Bibl. studii theol. Chrispin 1565 bl. 115-128, en voorts dezelfde voorstelling bij theologen van allerlei richting, Lombardus, e.a. op Sent IV dist. 4. Thomas, S. Theol. III qu. 68 art. 9. Bonaventura, Brevil. VI 7. Catech. Rom. II 2 qu. 27. 30. Bellarminus, de bapt. I 10, 11. Luther bij Köstlin I 236, 352. II 88. Calvijn, C. R. VIII 483, 493. Beza, Tract. theol III 345 en vele anderen, Oecolampadius, Zanchius, Perkins, Bucanus, Marlorat, Rivetus, Venema, Hartmann, cf. M. Vitringa VII 136. Quenstedt, Theol. IV 148. C. Vitringa, Observ. Sacrae II c. 6. Kalchreuter, Der stellvertretende Glaube und die Kindertaufe, Jahrb. f. d. Tb. 1866 bl. 523-544.

8 Comm. op Sent. IV dist. 4. Bijv. Bonaventura, ib. pars 2 art. 2. qu. 2. Thomas, S. Theol. III qu. 69 art. 6.

9 Conc. Trid. VII can. 6-8, de bapt. c. 13. 14. Verg. Bellarminus, de bapt. I 10-11.

10 Quenstedt, Theol. IV 147.

11 Verg. Witsius, de efficacia baptismi in infantibus, Misc. Sacra II 618. Voetius, Disp. II 409. M. Vitringa, Doctr. VII 72.

12 Schwane, D. G. III 621.

13 Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VI 282-287. VII 493-495. De Moor, Comm. V 489. Witsius t.a.p.

14 Calvijn, Inst. IV 16, 23. 24.

15 Verg. M. Vitringa, Doctr. VII 134.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept