Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

535. Dit water wordt tot een sacrament door het woord van de instelling. In de Schrift wordt de doop nu eens omschreven als een doop in de naam van Christus, Hd. 2:38; 8:16; 10:48; 19:5, cf. Rom. 6:3; 1 Cor. 1:13-15; 6:11; Gal. 3:27, en dan weer als een doop in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest, Mt. 28:19. Deze uitdrukkingen bedoelen niet, een formule aan de hand te geven, welke bij de doop moet uitgesproken worden, maar zij beschrijven het wezen van de Christelijke doop; deze moet zijn een doop in de naam van Christus en dus in de naam van God Drieëenig. Dat zij niet als een formule bedoeld zijn, blijkt daaruit, dat bij besnijdenis en pascha, bij de doop van Johannes en bij het avondmaal van zulk een formule geen sprake is. Maar zeker werd er bij het bedienen en ontvangen van de doop reeds van de aanvang af het een of ander gesproken; er werd belijdenis van zonden, Mt. 3:6, en van het geloof in Christus, Hd. 8:37 afgelegd, cf. 1 Tim. 6:12. Daarvoor kwam spoedig uit de aard van de zaak een vaststaande formule in gebruik, die aan de instellingswoorden in Mt. 28:19, werd ontleend. De Didache spreekt van de Christenen als baptisyentev eiv onoma kuriou, maar kent toch reeds de trinitarische formule1. Hoewel nu een doop in de naam van Christus of met de belijdenis, dat Jezus Christus de Zoon van God is, Hd. 8:37, in de eerste tijd volkomen voldoende was, moest toch later, toen allerlei ketterijen opkwamen, juist tot handhaving van het Christelijk karakter van de doop de trinitarische formule hoe langer hoe meer als noodzakelijk beschouwd worden2. Maar ook deze trinitarische formule luidt in de verschillende kerken niet gelijk. De Griekse kerk bedient zich van de woorden: baptizetai o doulov tou yeou o deina eiv to onoma tou patrov—amhn, kai tou uiou— amhn, kai tou agiou pneumatov—amhn, nun kai eiv touv aiwnav twn aiwnwn Hoewel de Latijnse kerk de zo bediende doop erkent, bezigt zij zelf toch de formule: ego te baptizo in nomine Patris et Filii et Spriritus Sancti3, en de Protestantse kerken namen gewoonlijk deze over. De Syrische en Armeense kerken hebben weer een formule, die zowel van de Griekse als van de Latijnse afwijkt4. Alles bewijst, dat de geldigheid van de doop op zichzelf niet afhangt van de letterlijke woorden, die daarbij door de bedienaar gesproken zijn. De trinitarische formule is alleen nodig geworden, om ketterij te weren, om waarborg te geven, dat de doop, die bediend werd, de ware, Christelijke doop is, en om gewenste vastheid te brengen in het liturgisch gebruik. Daarbij is het nog van belang op te merken, dat de trinitarische doopsformule geen magische kracht bezit, om het water in het bloed van Christus te veranderen. De Gereformeerden ontkennen dit niet alleen, maar ook de Griekse, Roomse en Lutherse kerk spreken bij de doop anders dan bij het avondmaal. Bij dit laatste sacrament valt op de recitatio van de woorden van de instelling, op hun consecratorische kracht, en op de daardoor teweeggebrachte trans- of consubstantiatie de nadruk. Maar al spreekt men bij de doop ook van een divina virtus, die aan het water meegedeeld is, van aqua vivida, sancta, divina, van een regeneratio per aquam in verbo, zo zegt toch zelfs de Catech. Rom., dat de instellingswoorden klaar en duidelijk, tot onderwijs voor het volk, moeten uitgesproken worden5, en ontkent, dat er bij de doop een transsubstantiatie, een verandering van het water in het bloed van Christus plaats heeft6. De unio sacramentalis is hier dus een andere dan bij het avondmaal. Zeker blijft er ook dan nog verschil. Roomsen en Luthersen denken zich de werking van de Heilige Geest bij de doop als heengaande per aquam. De Gereformeerden verwerpen deze lokale, fysieke vereniging en nemen in plaats daarvan een verband aan, zoals aan dat bij het woord. Evenals de Heilige Geest wel werkt cum verbo, maar zijn kracht en werking niet besluit binnen het woord, zo is het ook bij het water van de doop. In Ef. 5:26, zijn de woorden en rhmati niet, gelijk de Luthersen willen, een nadere bepaling van loutrw of udatov, want dan hadden zij het artikel vóór zich vereist: tw of tou en rhmati Maar zij behoren bij agiash: Christus heiligde zijn gemeente door het woord van het Evangelie, terwijl Hij ze reinigde door het bad van het water. Paulus onderscheidt hier juist de werking van Christus door het woord van die door het water, evenals dat ook geschiedt in Hebr.10:22, en 1 Petr. 3:21. Niet de dienaar en niet het water, maar Christus heiligt en geeft de betekende zaak, Mt. 3:11,1 Cor. 6:11; Hebr. 9:14,1; Joh. 1:7. Als het water van de doop de wedergeboorte bewerkte, had Paulus in 1 Cor.1:14 niet kunnen zeggen, dat Christus hem niet zond, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen. Doch hoezeer er verschil is over de wijze, waarop teken en betekende zaak in de doop verbonden zijn, er is overeenstemming ten aanzien van de realiteit van die verbinding. Ook de Gereformeerde kerk belijdt, dat Christus in de doop aan een iegelijk, die hem in de geloof ontvangt, toezegt en verzekert, dat hij zo zeker met zijn bloed en Geest van de onreinbeid van de ziel is gewassen, als hij uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid van het lichaam pleegt weg te nemen, gewassen is7. Ook over de weldaden, die in de doop aan de volwassen gelovigen geschonken worden, bestaat er in hoofdzaak overeenstemming. Zij zijn alle begrepen in de gemeenschap met de drieëenige God, in welke de gelovige door de doop wordt ingelijfd, Mt. 28:19. De Vader betuigt ons in de doop, dat Hij met ons een eeuwig verbond van de genade opricht, en ons tot zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, Gen. 17:7, 10; Hd. 2:39. De Zoon verzegelt ons, dat Hij ons wast in zijn bloed en ons inlijft in de gemeenschap van zijn doods en van zijn wederopstanding, Rom. 6:3; Gal. 3:27. De Heilige Geest verzegelt ons, dat Hij in ons woont en ons tot lidmaten van Christus heiligt, 1 Cor. 6:11; 12:13; Tit. 3:5. Nader uitgewerkt, zijn deze weldaden:

1. De rechtvaardigmaking of de vergeving van de zonden, Mk. 1:4; Hd. 2:38; 22:16; 1 Petr. 3:21; Hebr. 10:22. Doedes meent, dat deze weldaad niet bij de doop, maar eerst bij het avondmaal in aanmerking komt, omdat de doop een doop van de bekering tot vergeving van de zonden wordt genoemd8. Maar deze opvatting wordt door Hd. 22:16; 1 Petr. 3:21; Hebr. 10:22 duidelijk weersproken; de bekering is wel de weg, waarlangs de door Christus verworven vergeving in ons bezit en genot komt, maar de doop is juist van die in de weg van bekering verkregen vergeving bewijs en onderpand; immers gaat de belijdenis van de zonden en het rechtvaardigend geloof aan de doop vooraf. In de doop worden daarom ook alle zonden met al haar schuld en straf vergeven, niet alleen de verleden, maar ook de tegenwoordige en toekomstige, want de rechtvaardigmaking is een juridische daad, een verandering van staat en daarom ineens, volkomen en voor goed tot stand gebracht.

2. De wedergeboorte, bekering, afsterving van de oude en opstanding van de nieuwe mens door gemeenschap aan de dood en de opstanding van Christus, Mk. 1:4; Rom. 6:2-10; 1 Cor. 6:11; Ef. 5:26; Col. 2:12. Volgens Rome wordt in de doop diezelfde genade teruggeschonken, welke Adam als donum superadditum ontving, maar door de zonde verloor. Evenals nu in Adam als homo naturalis ook vóór de val de concupiscentia woonde, die door het donum superadditum beteugeld werd, zo is dit bij de gedoopte het geval. De concupiscentia blijft in hem, maar deze is op zichzelf geen zonde, omdat de mens als bestaande uit vlees en geest, van nature eigen. Alleen kan ze gemakkelijk aanleiding tot zonde worden, als de mens, in plaats van door de bovennatuurlijke genade zich te laten leiden, naar haar luistert en haar inwilligt. Doch afgezien van dit gevaar, dat de gedoopte altijd blijft dreigen, is hij door de genade, die hij in de doop ontvangt, niet alleen van alle schuld, maar ook van alle smet van de zonde bevrijd. Daartegenover sprak de Nederlandse Geloofsbelijdenis. art 15 uit: de erfzonde is ook zelfs door de doop niet geheel te niet gedaan noch geheel uitgeroeid (oorspr. in de Waalse tekst van 1561: et n’est pas aboli mesme par le baptesme, door de synode van 1566 vermeerderd met de woorden: ou desraciné du tout). Hoewel velen met Doedes9 deze woorden afkeuren, zijn zij toch volkomen correct en met de Heilige Schrift in overeenstemming. Immers leert deze in de boven aangehaalde plaatsen zeer duidelijk, dat de doop, wel te verstaan als teken en zegel, de mens wederbaart en vernieuwt, de kracht van de erfzonde in hem breekt, hem in nieuwigheid van het leven doet wandelen, doch zo, dat de zonde nog altijd in zijn vlees blijft wonen en hem tegen zijn wil onder haar wet gevangen neemt. De erfsmet wordt dus wel ten dele en in beginsel, maar niet geheel door de doop als sacrament te niet gedaan; ofschoon zij de gelovige niet meer verdoemt, blijft zij toch nog in hem tot aan de dood toe een onzalige fontein van allerlei zonde.

3. De gemeenschap, niet alleen met Christus zelf, maar ook met de gemeente, die zijn lichaam is. De gedoopte wordt behouden van het verkeerd geslacht, afgezonderd van de wereld, Hd. 2:40-41, tot een discipel van Jezus gemaakt, Mt. 28:19; Joh. 4:1, in zijn gemeente ingelijfd, 1 Cor. 12:13, en dus ook tot een wandel in oprechtheid, Gen. 17:1, en in nieuwigheid van het leven, Rom. 6, tot belijdenis van Gods naam en tot onderhouding van Jezus’ geboden verplicht, Mt. 28:19. Al deze weldaden zijn de gedoopte reeds geschonken vóór de doop in het woord van het Evangelie; ze zijn zijnerzijds aangenomen door het geloof; maar nu worden zij hem in de doop nog betekend en verzegeld. Het mag dus niet zo worden voorgesteld, alsof in het geloof vóór de doop slechts enkele of in elk geval niet alle weldaden werden geschonken, en dat de ontbrekende dan nog in de doop worden verleend. Want het woord bevat alle beloften en het geloof neemt ze alle aan. Er is geen enkele genade, die niet door het woord en alleen door het sacrament wordt uitgedeeld. Ook de inlijving in het lichaam van Christus geschiedt door het geloof en ontvangt in de doop haar teken en zegel. De doopsgenade bestaat en kan naar Schrift en Gereformeerde belijdenis nergens anders in bestaan dan in declaratio en confirmatio10.

1 Didache 9, 5 en 7, 1. 3. Verg. Justinus, Apol. 161.

2 Cyprianus, Ep. 73, 16-18 en andere kerkvaders bij Suicerus s. v. baptismov.

3 Catech. Rom. II qu. 10. 11.

4 Höfling, Das Sakr. der Taufe I 44.

5 Catech. Rom. II 2, 10.

6 t.a.p. II 4. 9,

7 Heid. Catech. vr. 69.

8 Doedes, Leer der Zaligheid bl. 326.

9 Doedes, Ned. Geloofsbel. bl. 173.

10 Heid. Catech. 66, 69, verg. voorts Calvijn, Inst. IV 15. Martyr, Loci Comm. bl. 435. Polanus, Synt. bl. 495. Bullinger, Huysboek 1612 fol. 254. Ursinus, Explic. Cat. qu. 69 v. enz.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept