Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

534. De meeste kerken kennen tegenwoordig de doop bijna niet anders dan als kinderdoop. Behalve op het gebied van de zending en in de baptistische genootschappen komt de doop van volwassenen niet anders dan als uitzondering voor. Toch is in de Schrift het omgekeerde het geval; van de kinderdoop spreekt zij nergens met zoveel woorden, altijd gaat zij van de bejaardendoop uit; en ook de Christelijke confessies en theologen zijn haar daarin altijd in zoverre gevolgd, als zij bij de doop van volwassenen hun uitgangspunt namen en daarna pas tot de kinderdoop overgingen. Deze doop werd nu op Gods bevel door Johannes en daarna door Jezus ingesteld, omdat de hele wereld voor God verdoemelijk was. Dat gold niet alleen van de Heidenen, maar ook van de Joden, die immers hun eigen gerechtigheid zochten op te richten uit de werken van de wet en daarom niet kwamen tot de wet van de rechtvaardigheid, Rom. 9:31. Reeds de profeten verkondigden toch, dat God, die getrouw is en zijn verbond gedenkt, in de toekomst aan Israël bekering en leven, een nieuw hart en een nieuwe geest zou geven, alle zonden hun vergeven, zijn Geest op hen uitstorten, rein water op hen sprengen en van alle onreinigheden hen reinigen zou, Hos. 6:2; Joël 2:28-29; Mich. 7:18-20; Jes. 1:16; Jer. 31:31-34; 33:8; Ezech. 11:17-20; 36:25-28; 37:1-14; 39:29; Zach. 13:1 enz. Wedergeboorte, bekering, geloof was nodig, zowel voor Israël als de Heidenen, om in te gaan in het koninkrijk der hemelen en aan zijn goederen deel te krijgen. Johannes en Jezus traden met die prediking op, en wie haar aannamen, werden gedoopt. Aan de doop ging dus de aanbieding en de aanneming van het woord van het Evangelie vooraf. De Schrift laat er niet de minsten twijfel over bestaan, dat de doop uitsluitend voor gelovigen ingesteld is. Er worden geen andere personen gedoopt, dan die belijdenis doen van hun zonden en bewijs geven van bekering en geloof, Mt. 3:2, 6; Hd. 2:37-38; 8:12, 37; 18:8; de doop heet daarom een doop van de bekering, opdat men in die weg de vergeving van de zonden verkrijgt, Mk. 1:4. Hd.13:24. In, Mt. 28:19, duiden de beide participia baptizontev en didaskontev wel de weg aan, waarin het mayhteuein panta ta eynh volbracht moet worden, maar het dopen in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest veronderstelt juist de voorafgaande prediking van en het geloof in die naam, zoals dit in Mk. 16:15-16, ook duidelijk uitgesproken wordt en in Joh. 4:1, het discipelen maken aan het dopen voorafgaat; het zijn kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus, die door de doop Christus hebben aangedaan, Gal. 3:26-27.

Zolang er van de doop van de volwassenen sprake is, bestaat er hierover tussen de Christelijke kerken geen verschil; geen enkele kerk doopt een volwassene zonder voorafgaand onderricht in de waarheid, zonder te voren afgelegde belijdenis van het geloof. Zelfs Rome erkent, dat in de volwassene de zeven praeparationes aan de doop moeten voorafgaan, en maakt niet de objectieve geldigheid maar toch de subjectieve werking van een intentio virtualis als conditio sine qua non in de ontvanger afhankelijk1. Rome heeft echter hoe langer hoe meer deze subjectieve voorwaarden in de ontvanger verzwakt, en het zwaartepunt uit het woord en het geloof in het sacrament verlegd; dit sacrament toch werkt ex opere operato, zonder in de ontvanger iets anders te eisen dan een negatief obicem non ponere; evenals de zonden, worden de weldaden van de genade door Rome eindeloos gesplitst, in stukjes en beetjes hier en hiernamaals uitgedeeld; het is altijd hetzelfde denkbeeld van hiërarchie, dat hier in de leer van de genade, evenals overal elders, zijn invloed gevoelen doet. Daarom leert Rome dan ook, dat prediking en geloof slechts praeparatoire betekenis hebben; de eigenlijke, heiligmakende, bovennatuurlijke genade wordt alleen meegedeeld door het sacrament van de doop, dat daarom, behalve in enkele gevallen, waarin het door de baptismus sanguinis of flaminis vervangen wordt, voor alle mensen, volwassenen en kinderen, ter zaligheid volstrekt noodzakelijk is. De Reformatie heeft daartegenover dit Schriftuurlijk beginsel gesteld, dat het sacrament geen enkele weldaad meedeelt of meedelen kan, welke de gelovige niet reeds bezit door zijn vertrouwen op het woord van God. Het geloof alleen, afgezien van alle sacrament, stelt in het bezit en genot van alle weldaden van het heil. Indien nu de doop dit geloof veronderstelt, blijft er geen enkele weldaad meer over, die door de doop nog aan de gelovige zou kunnen meegedeeld worden. De doop kan niet anders. dan de weldaden, die door het geloof ontvangen zijn, betekenen en verzegelen en daardoor het geloof versterken2. Ook de Luthersen stemmen dit toe voor de doop van de volwassenen, die vooraf wedergeboren zijn en belijdenis deden van hun geloof; evenals het geloof en de gave van de Heilige Geest door de prediking van het woord in de wedergeborenen vermeerderd wordt, ita quoque idem fit per baptismum, quin et baptismus donum regenerationis in illis efficaciter obsignat3. Er is hier een Protestantsch beginsel mee gemoeid; wie aan de doop een mededeling van genade toeschrijft, welke door het woord en het geloof niet verkregen kan worden, zet voor de Roomse sacramentsleer de deur open.

De forma van de doop bestaat in een door God gelegd verband tussen een zichtbaar teken en een onzichtbaar geestelijk goed. Als teken doet het water dienst, Mt. 3:6; Hd. 8:36, dat niet toevallig of willekeurig, maar om zijn treffende overeenkomst met de betekende zaak gekozen is. Wat het onreine, vervuilende en verstikkende stof is voor het lichaam, dat is de zonde voor de ziel; en gelijk water de onreinheid van het lichaam afwast, zo reinigt het bloed van Christus van alle zonden. Bijna bij alle volken en in alle godsdiensten heeft daarom het water een rijke, symbolische betekenis; dienst doende bij allerlei wassingen, schaduwde het de geestelijke reiniging af, welke ieder mens behoeft, om te verkeren in de gemeenschap met God; in de Oudtestamentische eredienst nam het water een brede plaats in, Ex. 30:18-20; 40:30; Lev. 6:28; 8:6; 11:32; 15:12; Num. 8:7; 19:7v. enz., en de profeten stelden de geestelijke reiniging van het volk als een besprenging met water voor Ezech. 36:25; 37:23; Zach. 13:1. Uit zichzelf en van nature, d.i. krachtens de aard, die God er bij de schepping aan gaf, is het water dus uitnemend geschikt, om in de doop de afwassing van de zonden en de geestelijke vernieuwing af te beelden en te verzekeren. Daarom is het ook niet nodig, gelijk Rome beweert, dat het doopwater te voren op Paas- of Pinkster-Zaterdag gewijd en met olie gemengd is4. Veel minder mag met de Paulicianen het gebruik van water nagelaten worden, omdat Christus het levende water is, of met andere secten de doop door inbranding van een merkteken of door geseling tot bloeden toe vervangen worden5. Zelfs is het overbodig, om met Beza en anderen toe te geven, dat, als water ontbreekt, een andere vloeistof gebruikt mag worden, want zulk een geval is zo goed als onmogelijk6.

In de eerste tijd bestond de handeling van dopen daarin, dat de dopeling in het water ondergedompeld en na een ogenblik daaruit weer opgetrokken werd. Het Griekse woord bapitzw wijst daar reeds op, want het betekent letterlijk dopen, indopen Joh. 13:26, en geeft ook dan, wanneer het in ruimer zin voor wassen, Mt. 15:2; Mk. 7:4; Luk. 11:38; Hebr. 9:10, of overdrachtelijk, Mt. 3:11; 20:22; Hd.1:5 enz., wordt gebezigd, zulk een handeling te kennen, waarbij de persoon of zaak, die gedoopt wordt, geheel en al wordt ondergedompeld en gereinigd. Voorts tonen de gevallen, welke de Schrift verhaalt, duidelijk aan, dat de doop in de apostolische tijd bij wijze van onderdompeling plaats had, Mt. 3:6; Joh. 3:23; Hd. 8:38, eindelijk is de phraseologia sacramentalis geheel en al op deze wijze van doopsbediening gebouwd, Rom. 6:4; Gal. 3:27; Col. 2:12. Eeuwenlang is de immersio dan ook in de Christelijke kerk in gebruik gebleven; de Griekse kerk houdt er nog aan vast; besprenging (adspersio) of liever begieting (infusio) kwam in de oude tijden alleen voor, als er geen water genoeg was7, of als kranken op hun leger gedoopt moesten worden (baptismus clinicorum); Cyprianus8 verdedigde in dit laatste geval de adspersio of perfusio met beroep op Ezech. 36:25, maar overigens spreken de kerkvaders van de doop als van een onderdompeling in het water9. Paus Stephanus II stond in 754 de doop per infusionem in geval van noodzakelijkheid bij kinderen en kranken toe, maar een concilie van het jaar 816 schreef nog aan de priesters voor, ut non effundant aquam super capita infantium sed semper mergantur in lavacro. Thomas zei, tutins est baptizare per immersionem, quia hoc habet usus communis10. Het Concilie van Ravenna 1311 liet de keuze tussen immersio en superfusio vrij. Tot de 13e eeuw toe komt dus in het Westen de indompeling nog naast de besprenging voor; dan echter wordt de laatste hoe langer hoe meer algemeen. Toen in het gekerstend Europa de bejaardendoop uitzondering en de kinderdoop regel werd, kwam er niet uit dogmatische, maar uit hygiënische overwegingen ook verandering in de wijze van doopsbediening; kinderen waren in zekere zin allen in infirmitate positi. De Hervormers sloten zich bij dit gebruik aan; Luther gaf aan onderdompeling de voorkeur, Calvijn hield de vraag voor een adiaphoron, maar de Anabaptisten maakten er een beginsel van en keerden daarom tot de immersio terug. En dit is het, wat alleen bestreden dient te worden. Er is geen twijfel aan, of de onderdompeling was oudtijds algemeen in gebruik, is nog geoorloofd en doet de rijke betekenis van de doop ook beter dan de besprenging uitkomen. Maar er is hier geen beginsel van te maken.

Want 1. het water is niet het bloed van Christus zelf en bewerkt niet zelf de afwassing van de zonden, maar is daarvan een teken en zegel; zo kan het bij de doop dus niet aankomen op de hoeveelheid water, die op de dopeling uitgestort of in welke hij gedompeld wordt. 2. De geestelijke weldaad, die door de doop wordt afgebeeld, wordt niet alleen een afwassing van de zonden, maar ook een besprenging met rein water en met het bloed van Christus genoemd, Ezech. 36:25; Hebr. 12:24; 1 Petr.1:2, cf. Ex. 24:6; 29:16, 20. 3. Hoewel de onderdompeling eeuwenlang in gebruik bleef, werd toch van de oudste tijden af in gevallen van noodzakelijkheid de besprenging geoorloofd geacht; nooit dacht de Christelijke kerk eraan, om de doop als ongeldig te beschouwen, alleen omdat hij bij wijze van besprenging was toegediend; en de voorstanders van de onderdompeling deinzen meestal in de praktijk zelf voor deze consequentie terug. 4. Hoewel, in weerwil van de van oude tijden af gebruikelijke immersio triplex11, met Gregorius M. is vast te houden: utrum unica an trina ablutio fiat, nihil referre existimandum est12, toch mag de besprenging niet in zo geringe mate geschieden, dat alle denkbeeld van afwassing verlorren gaat. Evenals het avondmaal, hoe ook ingekrompen, een maaltijd blijven moet, behoort ook in de besprenging met het doopwater de symboliek van de afwassing behouden te worden13.

1 Conc. Trid. VI c. 5. 7. Catech. Rom. II 3 qu. 30. 44.

2 Ned. Geloofsbel. art. 33, 34. Heid. Catech. v. 69.

3 Gerhard, Loci Theol. XX 123. Quenstedt, Theol. IV 145. Schmid, Dogm. d. ev. Luth. K. bl. 400,407.

4 Catech. Rom. II 2 qu. 47.

5 De Moor, Comm. V 409-411.

6 M. Vitringa, Doctr. VII 14.

7 Didache c. 7.

8 Cyprianus, Ep. 69, 12.

9 Suicerus, 8. v. anadnw.

10 Thomas, S. Theol. III qu. 66 art. 7.

11 Didache c. 7.

12 Catech. Rom. II 2 qu. 14.

13 Calvijn, Inst. IV 15, 19. Voetius, Pol. Eccl. I 683-694. De Moor, V 413-421. M. Vitringa, VII 16-30. Höfling, Das Sakr. der Taufe I 46-60. De Hoop Scheffer, Overzicht der gesch. van den doop bij onderdompeling. Amst. 1882.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept