Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

547. Evenals de doop, is het avondmaal alleen voor de gelovigen ingesteld. Jezus gebruikte het alleen met zijn discipelen. Of Judas daarbij nog tegenwoordig was dan wel vóór de inzetting van het avondmaal de zaal heeft verlaten, is niet met zekerheid te zeggen. Mt. 26:21-25; Mk. 14:18-21; Joh. 13:21-35, geven de indruk, dat Judas vóór die tijd is heengegaan, maar Luk. 22:21-23, verhaalt de ontdekking van Judas als verrader na de instelling van het avondmaal in Luk. 22:19-20. Het is echter mogelijk, dat Lukas zich hierbij niet aan de chronologische orde houdt. Hoe dit zij, dogmatisch belang heeft de vraag niet. Indien Judas het avondmaal gebruikte, dan zat hij aan als discipel van Jezus; dat was hij, zo deed hij zich voor; wat hij innerlijk in zijn hart tegen Jezus overlegde, bleef voor zijn eigen rekening1. Ook werd later het avondmaal uitsluitend in de kring van de gemeente door de gelovigen gevierd, Hd. 2:42; 20:7. Ongelovigen hadden wel toegang tot de vergadering van de gemeente, waarin het woord werd bediend, 1 Cor. 14:22-24, maar waren uitgesloten van die, waarin de agapae werden gehouden en het avondmaal werd gevierd, 1 Cor. 11:18, 20, 33. Zo bleef het ook, toen allengs in de tweede eeuw het avondmaal van de agapae werd losgemaakt en in dezelfde vergadering als de bediening van het woord ‘s morgens plaats had. Het eerste deel was voor allen toegankelijk, maar het tweede deel nam eerst een aanvang, als ongelovigen, catechumenen, geëxcommuniceerden enz. verwijderd waren. In dit tweede gedeelte van de godsdienstoefening werden de sacramenten bediend; en het was oude en algemeen verbreide gewoonte, dat zij, die na beëindiging van het catechumenaat gedoopt werden, terstond daarop het avondmaal ontvingen. Toen de kinderdoop in gebruik kwam, werd deze gewoonte ook bij de kinderen gevolgd en bovendien aangedrongen door de heersende exegese van Joh. 6:53, volgens welke dit vers van het avondmaal gold en dit sacrament dus even noodzakelijk ter zaligheid was als de doop2. In het westen sleet echter deze gewoonte vooral sedert de twaalfde eeuw weer uit en werd zij allengs door verschillende synoden onnodig verklaard3. Maar in de Griekse en andere Oosterse kerken bleef ze bestaan en wordt nog heden ten dage aan pasgedoopte kinderen het avondmaal bediend in de vorm van een in wijn gedoopt stukje brood4. Maar de magische opvatting van het avondmaal had nog erger misbruiken ten gevolge. De oorspronkelijke eenvoud ging onder allerlei plechtige ceremonies verloren. Niet alleen door zelfbeproeving, maar ook door vasten, wassing van de handen, kleding enz. moesten zich de communicanten voor het avondmaal voorbereiden. Het brood werd eerst met de blote hand, later in een linnen doekje of een gouden bakje, en nog later, sedert de elfde eeuw, met de mond en in knielende houding bij het altaar van de priester aangenomen. Het geconsacreerde brood werd niet alleen genoten door de communicanten in de kerk, maar ook aan de kranken in hun woning bediend, als een viaticum aan stervenden medegegeven en tot afwering van allerlei rampen en verkrijging van allerlei zegeningen en weldaden nuttig geacht. Niet alleen tot de levenden maar ook tot de doden strekte de werking van het sacrament zich uit. Reeds van ouds bestond het gebruik, om ook voor gestorven verwanten op hun sterfdag offergaven te brengen en voor hun ziel te bidden. En toen nu de leer van het vagevuur door Gregorius M. was vastgesteld, het avondmaal als een offerande van het eigen lichaam en bloed van Christus werd opgevat en de deelneming van de gemeente hoe langer hoe minder werd, toen stond het weldra vast, dat de mis niet alleen voor aan- of afwezige levenden, maar ook voor de gestorvenen in het vagevuur vermindering van boetedoeningen en tijdelijke straffen bewerken kon5.

Al deze verbasteringen maakten terugkeer tot de Heilige Schrift noodzakelijk, volgens welke het avondmaal een maaltijd is, zonder aanzittende gasten niet bestaanbaar, en uitsluitend voor gelovigen bestemd. Om zuiver te gaan en de Schrift in dit opzicht ten volle tot haar recht te laten komen, stelden de Gereformeerden gewoonlijk twee vragen:

1. wie recht op het avondmaal hebben en ertoe moeten naderen, en

2. wie door de kerk tot het avondmaal moeten worden toegelaten of daarvan moeten geweerd worden6.

De eerste vraag handelt over de plicht van de communicanten, de tweede over de plicht van de kerk en van haar dienaren. Op de laatste vraag werd ten antwoord gegeven en kon het antwoord naar de Heilige Schrift niet anders luiden, dan dat de kerk van het avondmaal had te weren, allen die zich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen. Het avondmaal is een goed van de kerk, door Christus aan zijn gemeente gegeven en dus alleen te genieten door huisgenoten van het geloof. Ongedoopten, ongelovigen, ketters, scheurmakers, openbare zondaren, geëxcommuniceerden waren daardoor vanzelf buitengesloten. Maar het getal dergenen, die op het avondmaal recht hadden, werd nog veel meer beperkt. Ten eerste werd door de verwerping van mis en vagevuur ook de bediening van het avondmaal voor de gestorvenen afgeschaft. In de Schrift komt iets dergelijks dan ook met geen enkel woord voor. Wel spreekt Paulus 1 Cor 15:29 van zulken, die zich uper twn nekrwn lieten dopen. Maar ook al moest (wat echter volstrekt niet bewezen is7, deze plaats zo worden verstaan, dat er in die tijd Christenen waren, die zich ten nutte van ongedoopt gestorven vrienden lieten dopen, dan nog bedient de apostel zich van dit gebruik niet anders dan als een bewijs voor de opstanding en laat hij het zonder goed- of afkeuring staan. De kerk heeft de doop voor de doden, die bij enkele secten in gebruik was, op het concilie te Carthago 397 beslist veroordeeld en kan er daarom geen argument aan ontlenen voor de bediening van het avondmaal tot nut van gestorvenen. Ten tweede hadden vele Gereformeerden er bezwaar tegen, dat het avondmaal buiten de openbare vergadering van de gelovigen in een private woning aan kranken en stervenden zou worden bediend; aldus bijv. Musculus, Bullinger, Beza, Danaeus, Aretius enz., de Gereformeerde kerken van Frankrijk, Schotland, Nederland enz. En wel stonden anderen, zoals Calvijn, Oecolampadius, Martyr, Zanchius, de kerken van Engeland, Polen, Hongarije enz. dit soms toe. Maar ook dan beperkten zij het toch gewoonlijk zo, dat er een kleine vergadering van gelovigen bij tegenwoordig moest zijn en daardoor alle aanleiding tot superstitie voorkomen of vermeden werd8. Ten derde zijn ook de kinderen van het avondmaal uitgesloten. Trente veroordeelde alleen de noodzakelijkheid, maar niet de geoorloofdheid van het avondmaal voor kinderen. En op dat standpunt plaatste zich van de Gereformeerden ook Musculus in zijn Loci Communes9. Hij voerde daarvoor deze gronden aan, dat wie de betekende zaak bezit ook recht heeft op het teken; dat kinderen, die blijkens de doop de genade van de wedergeboorte kunnen ontvangen ook zonder bewustzijn in dat geestelijk leven gevoed kunnen worden; dat Christus de zaligmaker van heel zijn gemeente, ook van de kinderen is en hen allen spijst en drenkt met zijn lichaam en bloed; dat de vermaning tot zelfbeproeving 1 Cor. 11:26-29, niet als algemene eis door de apostel is bedoeld. Maar al deze gronden verliezen hun gewicht tegenover deze overwegingen:

1. in het Oude Testament was er een groot verschil tussen besnijdenis en pascha. De besnijdenis was voor alle kinderen van het manlijk geslacht voorgeschreven, maar het pascha werd, niet terstond bij de instelling, maar later in Palestina bij de tempel te Jeruzalem gevierd; zeer jonge kinderen waren er dus vanzelf van uitgesloten.

2. Ook is er een groot onderscheid tussen doop en avondmaal. De doop is het sacrament van de wedergeboorte, waarbij de mens passief is; het avondmaal is het sacrament van de opwassing in de gemeenschap van Christus, van de opvoeding van het geestelijke leven en onderstelt bewust, handelend optreden bij diegene, die het ontvangt.

3. Christus stelde het avondmaal te midden van zijn jongeren in, zei tot hen allen: neemt, eet, drinkt, en onderstelt, dat zij het brood en de wijn uit zijn hand aannemen. En Paulus zegt, dat de gemeente te Corinthe samenkwam om te eten en geeft geen andere indruk, dan dat alleen bewuste, volwassen personen aan het avondmaal deelnemen.

4. In Corinthe 11:26-29, stelt de apostel bepaald de eis, dat men voor het avondmaal zichzelf beproeft, opdat men het lichaam van de Heere kunne onderscheiden en niet onwaardiglijk eet en drinkt. Deze eis is heel algemeen gesteld, tot alle deelnemers aan het avondmaal gericht en sluit daarom vanzelf de kinderen uit.

5. Onthouding van ket avondmaal aan de kinderen doet hen geen enkele weldaad van het verbond van de genade derven. Dit was wel het geval, wanneer hun de doop werd onthouden. Want dit kan niet doen dan wie meent, dat de kinderen buiten het verbond van de genade staan. Maar met het avondmaal is het anders gesteld. Wie aan kinderen de doop en niet het avondmaal bedient, erkent, dat zij in het verbond en alle weldaden daarvan deelachtig zijn. Hij onthoudt hun slechts een bijzondere wijze, waarop dezelfde weldaden betekend en verzegeld worden, omdat deze aan hun leeftijd niet past. Het avondmaal geeft toch geen enkele weldaad, welke niet te voren reeds in het woord en de doop door het geloof werd geschonken.

Dit onderscheid tussen doop en avondmaal maakte al spoedig een voorbereiding voor de waardige ontvangst van het tweede sacrament noodzakelijk. In de apostolische tijd, toen er in de regel slechts volwassenen gedoopt werden, was er zulk een voorbereiding nog niet. Wie het woord van het Evangelie hoorde en aannam, werd terstond gedoopt en tot het avondmaal toegelaten. Doch toen in de volgende eeuw de overgangen tot het Christendom talrijker maar ook minder betrouwbaar werden, kwam allengs het catechumenaat op, dat eerst voor de doop en later, na het algemeen worden van de kinderdoop, voor het avondmaal moest voorbereiden. In de Roomse kerk ging deze voorbereiding allengs geheel op in het sacrament van het vormsel, dat uit de oorspronkelijk met de doop verbonden handoplegging zich ontwikkelde en met een zalving zich verbond. De Reformatie verwierp dit sacrament, omdat het in de Schrift geen grond had, en stelde er de catechese en de openbare belijdenis voor in de plaats. Daardoor werd de overgang gemaakt van de doop tot het avondmaal en de kerk tevens voor verbastering behoed. Calvijn wilde, dat, als een kind genoegzaam in de catechismus onderwezen was, het openbaar in de gemeente belijdenis van zijn geloof zou doen. a Lasco wenste, dat kinderen, die veertien jaren oud geworden waren, belijdenis voor de gemeente zouden doen en de volgende Zondag aan het avondmaal zouden gaan; maar wie slecht leefden, werden vermaand en eindelijk, bij gebleven hardnekkigheid, op achtien- of twintigjarigen leeftijd van de gemeente afgesneden. De Ned. kerkordeningen schrijven ook een belijdenis voor de kerkenraad of in het midden van de gemeente voor, en spreken soms nog van een voorafgaand onderzoek voor de kerkenraad10. Deze theorie loopt zuiver; de kinderen van de gelovigen worden als gelovigen gedoopt, dan in de waarheid onderwezen, bij voldoend onderzoek en na openbare belijdenis tot het avondmaal toegelaten of bij onchristelijke leer of ongeregeld en wandel na herhaalde vermaning uit de gemeente verwijderd. Naar deze leer is nog ons kerkelijk leven in te richten, al stuit zij ieder ogenblik op bezwaren van de praktijk11. Want piëtisme en rationalisme zijn altijd geneigd om te scheiden wat God heeft samengevoegd en met minachting van het sacrament op persoonlijke bekering of op kerkelijke aanneming of bevestiging de nadruk te leggen. Maar de regel van het verbond is deze, dat de kerk haar jeugdige leden, die als kinderen van het verbond geboren en door de doop haar ingelijfd zijn, opvoedt tot zelfstandige, persoonlijke belijdenis en op die grond hen toelaat tot het avondmaal. Over het hart oordeelt zij niet en kan zij niet oordelen. Terwijl zij dus enerzijds van het avondmaal allen weert, die met belijdenis of leven zich als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen, laat zij aan de andere zijde nimmer van de ernstige prediking af, dat het avondmaal alleen is ingesteld voor hen, die zichzelf vanwege hun zonden mishagen, nochtans vertrouwen, dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn, en ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren.

1 M. Vitringa, Doctr. VIII 347.

2 G. Rietschel, Kinderkommunion in PRE3 X 289-291.

3 Conc. Trid. XXI c. 4.

4 M. Vitringa, Doctr. VIII 368, 612.

5 M. Vitringa, Doctr. VIII 733. Drews, art. Messe, liturgisch in PRE3 XII 722 v., en H. A. Köstlin, art. Requiem, ib. XVI 665-669.

6 Heidelb. Catech. vr. 81,82.

7 Cremer, Wörterbuch3 156, en vele comm. op die plaats.

8 Voetius, Pol. Eccl. I 758. M. Vitringa, Doctr. VIII 356. De Moor, Comm. V 660.

9 t.a.p. bl. 471-473.

10 Höfling, Das Sakr. der Taufe II 347 v. Bachmann, Die Gesch. der Einführung der Confirmation. Berlin 1852. Caspari, Die evang. Confirmation vornehmlich in der Luth. Kirche. Erlangen 1890. Id., art. Konfirmation in PRE3 X 676-680. Verg. ook de art. Katechese en Katechismen und Katechismusunterricht, ib. bl. 121 v.

11 In Duitsland doen zich deze bezwaren tegenwoordig zeer sterk gevoelen. Gewoonlijk doen daar de kinderen op twaalfjarigen leeftijd belijdenis, maar hun kennis van de waarheid is dan in de regel nog zeer onvoldoende; hun belijdenis mist dan nog de nodige ernst en neemt het karakter van een les-opzeggen aan; hun terstond op de confirmatie volgende deelneming aan het avondmaal wordt een sleur, die buiten het geloof van het hart omgaat; in tal van gevallen worden ze later nooit meer in de kerk of aan het avondmaal gezien; en als ze kerkgaande leden blijven, kunnen ze toch niet actief, bij het beroepen van leraren bijv., als volle, stemhebbende leden optreden. Feitelijk komt er dus een hoe langer hoe grotere scheiding tussen de leden van de volkskerk en de communicanten. Vandaar dat er allerlei plannen tot reformatie zijn voorgesteld. Sommigen willen op de twaalfjarigen leeftijd nog alleen een kerkelijk-pedagogisch onderzoek behouden, en belijdenis en deelneming aan het avondmaal tot latere leeftijd verschuiven (Stöcker). Anderen willen heel de confirmatie op latere leeftijd brengen (Simons, Troeltsch), of dringen aan op vereenvoudiging van belijdenis en belofte (Teichmann, Ehlers, Kawerau), of accepteren de scheiding tussen doops- en avondmaalsgemeente (Burger), of pleiten voor afschaffing van de algemeenheid van doop en confirmatie (Gaspari, H. Gremer) enz. Zie o.a. Achelis, Reform der Konfirmationspraxis, Theol. Rundschau 1901 bl. 353 v. 1904 bl. 212 v. Dörries, Zur Reform der Kontirmationsordnung, Zeits. f. Th. u K. 1808 bl. 81-106. Hier in het lande staat H. H. Meulenbelt. Kerkelijke Opstellen bl. 48-114, een scheiding voor tussen “aannemelingen,” die na afloop van het catechetisch onderricht voor een onderzoek naar hun kennis slaagden, en “avondmaalgangers” of communicanten,” die na belijden1s van hun geloof tot het avondmaal werden toegelaten. Daarentegen stelde Paus Pius X vorig jaar in het decreet Quam singulari vast, dat de eerste communie in de regel niet meer op twaalf- of dertien-, maar op zevenjarigen leeftijd plaats moest hebben.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept