Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

554. De geschiedenis van de tussentoestand bewijst, dat het de theoloog en de mens in het algemeen moeite kost, om zich te houden binnen de grenzen van de Heilige Schrift en niet wijs te zijn boven hetgeen men behoort wijs te zijn. De gegevens, welke de Heilige Schrift over de tussentoestand bevat, zijn genoegzaam voor het leven, maar laten vele vragen, die er kunnen oprijzen in het nieuwsgierig verstand, onbeantwoord. Indien men deze toch wil oplossen, kan men niet anders dan de weg van gissingen betreden, en loopt men gevaar, om het Goddelijk getuigenis door vindingen van menselijke wijsheid teniet te doen. Reeds terstond komt dit uit bij het spreken over de dood en de onsterfelijkheid. De wijsbegeerte handelt hierover op een hele andere wijze dan de Heilige Schrift. Gene acht de dood iets natuurlijks en meent aan de ontsterfelijkheid, dat is aan het voortbestaan van de ziel, genoeg te hebben. Maar de Schrift oordeelt heel anders. De dood is niet natuurlijk, maar heeft zijn oorzaak in de overtreding van Gods gebod, Gen. 2:17, in de duivel, in zoverre deze door zijn verleiding de mens vallen en sterven deed, Joh. 8:44, in de zonde zelf, omdat zij ontbindend inwerkt op heel het menselijk leven en als het ware de dood uit zichzelf voortbrengt, Jak. 1:15, in het oordeel van God, omdat Hij de zonde met de dood bezoldigt, Rom. 6:23. En die dood is in de Schrift nooit met vernietiging, met niet-zijn identiek, maar bestaat altijd in verbreking van de harmonie, in afsnijding van de verschillende levensverhoudingen, waarin een schepsel overeenkomstig zijn natuur geplaatst is, in terugkeer tot het elementaire, chaotische zijn, dat aan de hele kosmos, althans logisch, ten grondslag ligt. Volgens Herbert Spencer bestaat leven in voortdurende aanpassing van in- aan uitwendige verhoudingen. Al is met deze bepaling het wezen van het leven geenszins verklaard, toch is het waar, dat het leven rijker is, naarmate de verhoudingen, waarin het tot zijn omgeving staat, meer in aantal en gezonder van nature zijn. Het hoogste schepsel is daarom de mens; krachtens zijn schepping staat hij met natuur en mensenwereld, zienlijke en onzienlijke dingen, hemel en aarde, God en engelen in verband. En hij leeft, indien hij en naarmate hij tot deze hele omgeving in de rechte, door God gewilde verhouding staat1. Dood is daarom in zijn wezen en in zijn hele omvang verstoring, verbreking van al deze verhoudingen, waarin de mens oorspronkelijk gestaan heeft en nog steeds behoort te staan. Zijn oorzaak is daarom geen andere en kan geen andere zijn dan de zonde, dat is verstoring van de rechte verhouding tot en verbreking van de levensgemeenschap met God. De zonde heeft de dood in deze zin niet maar ten gevolge maar valt er mee samen; zonde is dood, dood in geestelijke zin; wie de zonde doet, staat daarmee in hetzelfde ogenblik tegenover God, is dood voor God en Goddelijke dingen, heeft aan de kennis van zijn wegen geen lust, wendt zich in vijandschap en haat van Hem af. En omdat deze verhouding tot God, dit geschapen zijn naar zijn beeld en gelijkenis, geen donum superadditum is maar tot het wezen van de mens behoort en een centraal karakter draagt, moet de verstoring van deze verhouding verwoestend inwerken op alle andere verhoudingen, waarin de mens tot zichzelf, tot zijn medemensen, tot de natuur, tot de engelen, tot de hele schepping staat. De zonde had eigenlijk naar haar aard, op hetzelfde ogenblik, dat zij bedreven werd, de volle, hele dood ten gevolge moeten hebben, Gen. 2:17, terugkeer van heel de kosmos tot zijn chaotisch bestaan.

Maar God is tussen beide getreden en heeft de macht van de zonde en van de dood verbroken. Wel ligt, gelijk Schelling zei, aan al het bestaande een irrationele rest ten grondslag. Al wat aan zichzelf wordt overgelaten, gaat tot ontbinding over. De natuur, die niet gecultiveerd wordt, verwildert; de mens, die niet opgevoed wordt, ontaardt; het volk, dat buiten de beschaving komt te staan, verbastert. Van nature staat alles in en buiten de mens in vijandschap tegen elkaar over, maar God is met zijn genade tussen beide getreden, eerst met zijn algemene genade, om de macht van zonde en dood te beteugelen, dan met zijn bijzondere genade, om ze te breken en te overwinnen. De lichamelijke dood wordt niet alleen uitgesteld, en door allerlei maatregelen een menselijke existentie en ontwikkeling mogelijk gemaakt; maar Christus behaalt door zijn kruis principiëel over zonde en dood de overwinning en brengt het leven en de onsterfelijkheid aan het licht, Rom. 5:12v., 1 Cor.15:45; Hebr. 2:14; 2 Tim. 1:10; Op. 1:18; 20:14, zodat wie in Hem gelooft het eeuwige leven heeft en niet sterven zal in van de eeuwigheid, Joh. 3:36; 5:24; 8:51-52; 11:25. Dit leven nu is het en deze onsterfelijkheid, welke in de Heilige Schrift op de voorgrond treedt. De onsterfelijkheid in wijsgerige zin, het voortbestaan van de ziel na de dood, heeft bij haar een ondergeschikte waarde; zij ontkent haar niet, maar zij leert ze ook niet opzettelijk en is allerminst, gelijk het deïsme meende, daartoe gegeven, dat zij ons deze onsterfelijkheid als een van de gewichtigste godsdienstige waarheden bekend maken zou. Immers is deze waarheid de mens genoegzaam van nature bekend. Wat de Schrift ons had te leren, was dit, dat naakt bestaan, louter zijn zonder meer nog geen leven is, zoals het bij mensen hoort en aan mensen past. Dat is het niet aan deze, en dat is het nog veel minder aan de overzijde van het graf. Hier op aarde staat het leven van de mens, ook van degene, die de gemeenschap met God mist, nog in velerlei verhoudingen en ontvangt daardoor enige inhoud en waarde. Maar als dit alles wegvalt en al deze banden verbroken worden, dan zinkt het leven tot een arm, ledig, inhoudloos, schaduwachtig bestaan terug. Van deze zijde vat het Oude Testament het jenseits gewoonlijk in het oog. Sterven is een uittreden uit dit leven, een verbreken van alle banden met deze wereld; de dood is in betrekking tot het leven dezerzijds een niet-zijn, een rusten, een slapen, in één woord een volkomen dood-zijn voor het hele rijke, vreugdevolle leven op aarde. De doden hebben geen deel meer voor eeuwig aan al wat onder de zon geschiedt, Pred. 9:5-6. In het begrip van de Scheol staat de negatie van dit aardse leven en werken op de voorgrond en vormt er, zo niet het enige, dan toch het voornaamste bestanddeel van. Of er nu in de Scheol voor dit volkomen afgebroken aardse leven een ander in de plaats komt en de gestorvenen aldaar naar een andere zijde in nieuwe verhoudingen treden, wordt in het Oude Testament slechts enkele malen uitgesproken, als het geloofsoog van de vromen door de schaduwen van de dood heendringt tot het eeuwige leven in de gemeenschap met God. Genoeg was het op het standpunt van de Oude Testament openbaring, dat de grote gedachte werd ingeprent in het menselijk bewustzijn, dat het waarachtige leven alleen gevonden wordt in de gemeenschap met God. De angst van de hel bleef evengoed als de vreugde van de hemel voor de gelovige van de oude dag in nevelen gehuld. Eerst toen Christus gestorven en opgestaan was, werd het leven in onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Christus heeft niet de onsterfelijkheid in wijsgerige zin, het voortbestaan van de zielen na de dood, verworven of geopenbaard. Maar Hij heeft het door de zonde uitgemergelde en ontledigde leven van de mens hier en hiernamaals weer met de positieve inhoud van Gods gemeenschap, met vrede en vreugde en zaligheid gevuld. De dood is geen dood meer voor wie in Christus Jezus is, doch een doorgang tot het eeuwige leven, en het graf een geheiligde rustplaats tot de morgen van de opstanding.

1 Drummond, Das Naturgesetz in der Geisteswelt bl. 121 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept