Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

555. Wie deze leer van de Schrift over de onsterfelijkheid uit het oog verliest, komt tot allerlei dwalingen. Wij kunnen ons toch van een zuivere geest, van zijn bestaan en leven en werkzaamheid geen voorstelling maken. Van God, die louter geest is, vermogen wij niet anders te spreken dan op antropomorfistische wijze, waarin trouwens de Schrift zelf ons voorgaat. De engelen zijn geestelijke wezens, maar worden menselijk voorgesteld en nemen bij verschijning dikwijls menselijke lichamen aan. En mensen zijn niet alleen lichamelijke wezens, maar al hun werkzaamheden zijn aan het lichaam gebonden en van het lichaam afhankeIijk; niet alleen de vegetatieve en animale, maar ook de intellectuele werkzaamheden van denken en willen. Al zijn de hersenen niet de oorzaak van het hoger ken- en begeervermogen, zij zijn er toch de drager en het orgaan van; elke storing in de hersens heeft een abnormale werking van de anima rationalis ten gevolge. Omdat het lichaam geen kerker van de ziel is, maar tot het wezen van de mens behoort, kunnen wij van het leven en werken van een van het lichaam gescheideneziel geen voorstelling vormen en zijn daarom licht tot vermoedens en gissingen geneigd. Drie hypothesen zijn er daarom in hoofdzaak uitgedacht, om het bestaan van de zielen na de dood enigszins begrijpelijk te maken.

Ten eerste hebben velen onder de Heidenen en ook onder de Christenen gemeend, dat de zielen, na van het lichaam gescheiden te zijn, niet anders dan een slapend leven konden leiden. Inderdaad is de verandering, die bij de dood intreedt, van buitengewone betekenis. Heel de inhoud van ons zielenleven toch is aan de buitenwereld ontleend, alle kennis begint met de zinnelijke waarneming, heel onze denkvorm is stoffelijk; zelfs van de geestelijke dingen spreken wij in woorden, die oorspronkelijk een zinlijke betekenis hadden. Als de dood nu, zoals de Schrift leert, een plotselinge, gewelddadige, algehele en volstrekte breuk met de diesseitige wereld is, dan schijnt er werkelijk geen andere mogelijkheid te bestaan, dan dat de ziel voor de buitenwereld volkomen gesloten wordt, al haar inhoud verliest en als het ware in zichzelf terugzinkt. In de slaap trekt de ziel zich ook uit de buitenwereld terug en breekt het verkeer met haar af; maar zij doet dit bij de slaap toch slechts in betrekkelijke zin, daar zij in verband met het lichaam blijft staan en het rijke leven behoudt, dat zij uit de wereld zich verworven heeft; zelfs blijft zij daar, zij het ook op verwarde wijze, in de droom mee werkzaam. En niettemin, welk een verandering brengt de slaap reeds in het menselijk leven aan; ken- en begeervermogen staken hun werkzaamheid; het bewustzijn staat stil; alle gewaarwording en waarneming houdt op; slechts het vegetatieve leven zet zijn geregeld en arbeid voort. Hoeveel te meer zal dan alle werkzaamheid van de ziel ophouden, wanneer de dood intreedt en alle banden met deze wereld ten enenmale verbreekt1 Alles schijnt er dus voor te pleiten, dat de zielen na de dood in een slapende, bewusteloze toestand verkeren. En de Heilige Schrift is er, naar zich oppervlakkig laat aanzien, zover van af, dat zij deze leer van de zielenslaap veroordeelt, dat zij veeleer haar aanprijst en begunstigt. Immers noemt zij niet alleen in het Oude, maar ook in het Nieuwe Testament het sterven meermalen een slapen, Deut. 31:16; Jer. 51:39, 57; Dan.12:2; Mt. 9:24; Joh. 11:11; 1 Cor. 7:39; 11:30; 15:6, 18, 20, 51; 1 Thess. 4:13-10; 2 Petr. 3:4 enz.; de Scheol is een land van de stilte, van de rust, van de vergetelheid, waar geen deel meer is voor eeuwig aan al wat onder de zon geschiedt. Jezus spreekt van de nacht van de dood, waarin niemand werken kan, Joh. 9:4; en nergens maakt de Schrift er enig gewag van, dat de uit de dood in het leven teruggekeerden, zoals Lazarus e.a., iets verhaald hebben van hetgeen zij in de tussentoestand gezien of gehoord hebben.

Toch zijn al deze redeneringen niet in staat, om de leer der psychopannychie te bewijzen. Want 1. is het duidelijk, dat de afhankelijkheid van de ziel van het lichaam toch haar zelfstandigheid niet uitsluit. De buitenwereld mag de aanleiding zijn voor het ontwaken van ons zelfbewustzijn en de eerste bron van onze kennis; het denken mag aan de hersens gebonden zijn en daarin zijn zetel en orgaan hebben; het is onbewezen en onbewijsbaar, dat het psychische leven van de mens in de fysieke verschijnselen zijn bron en oorsprong vindt. Het denken en kennen zijn werkzaamheden van de ziel; niet het oor hoort en het oog ziet, maar het is het psychische Ik van de mens, dat hoort door het oor en ziet door het oog; het lichaam is een instrument van de geest. Daarom is er ook niets ongerijmds in om te denken, dat de ziel desnoods zonder het lichaam haar werkzaamheden voortzetten kan. Trouwens, wie aan de geest als zodanig het bewuste leven zou willen ontzeggen, zou ertoe moeten komen, om bewustzijn en wil ook bij God en de engelen onmogelijk te achten. Want al spreken wij van God op menselijke wijze en al stellen wij ons de engelen dikwijls lichamelijk voor, zij zijn toch in zichzelf geest en niettemin bewustzijn en wil deelachtig. 2. De Schrift leert zo duidelijk mogelijk, dat de dood een totale breuk is met dit hele aardse leven en in zoverre een slapen, een rusten, een stilzwijgen is. De toestand van de dood is een slaap, de gestorvene slaapt, omdat het verkeer met de diesseitige wereld opgehouden heeft; maar nergens zegt de Schrift, dat de ziel van de gestorvene slaapt; integendeel stelt zij deze altijd na de dood als meer of minder bewust voor; en als de openbaring voortgaat, treedt het hoe langer hoe duidelijker in het licht, dat, terwijl in de dood alle relaties tot deze wereld worden afgesneden, er terstond daarvoor andere verhoudingen tot een andere wereld in de plaats treden. De grote gedachte van de Schrift, dat aan de dienst van de Heere het leven en aan zijn verwerping de dood verbonden is, werpt haar schijnsel ook over de andere zijde van het graf. Terwijl de rijke man terstond na zijn dood in de pijn verkeert, wordt de arme Lazaras gedragen in Abrahams schoot, Luk. 16:23. En al de gelovigen, die immers hier reeds op aarde een eeuwig leven deelachtig zijn, verliezen dit niet door de dood, Joh. 11:25-26, maar genieten het na de dood veel rijker en zaliger in de gemeenschap met Christus, Luk. 23:43; Hd. 7:59; 2 Cor. 5:8; Phil. 1:23; Op. 6:8, 7:9. Het inwonen in het lichaam is juist een uitwonen van de Heere, en het sterven dus de weg tot een nadere en nauwere gemeenschap met Christus. 3. Daarbij behoeft het niet te verwonderen, dat de door opstanding in het leven teruggekeerden niets vermelden van wat zij aan geen zijde van het graf hebben gezien en gehoord. Want afgezien van de mogelijkheid, dat zij wel het een en ander hebben meegedeeld, hetwelk in de Schrift niet is opgetekend, is het allerwaarschijnlijkst, dat zij ons niets hebben mogen en kunnen berichten van hun ervaringen aan de overzijde van het graf. Wij hebben aan Mozes en de profeten genoeg, Luk. 16:29; en Paulus kon, nadat hij opgetrokken was geweest in de derde hemel, niets anders zeggen, dan dat hij onuitsprekelijke woorden had gehoord, welke het een mens niet geoorloofd is te spreken1.

1 Verg. voorts tegen de leer van de zieleslaap: Tertullianus, de an. 58. Calvijn, Psychopannychia, C. R. 33, 177-232. Bullinger, Huisboek, Dec. 4 serm. 10. Cloppenburg, Op. II 413-417. Voetius, Disp. I 832-835. Witsius, Oec. foed. III 14, 18-22. De Moor VI 594-602. M. Vitringa IV 82-86. Gerhard, Loc. XXVI 293. Delitzsch, Bibl. Psych2. 419. Splittgerber, Tod, Fortleben und Auferstehung3 102. Rinck, Vom Zustande nach dem Tode 1885 bl.19. Kliefoth, Christl. Eschatologie 1886 bl. 66. Atzberger, Die christl. Eschatol. 212.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept