Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

219. De kerk volgde echter Origenes niet. Zij verwierp zijn subordinatianisme en sprak te Nicea de ware, volle Godheid des Zoons uit. Deze belijdenis droeg geheel en al een religieus karakter. Zij handhaafde het soteriologisch principe van het Christendom. Maar van nu aan veranderde de betekenis der triniteitsleer. Nicea sprak het onderscheid uit in God, en leerde dat Vader, Zoon (en Geest) God waren; ‘t kwam er dus in het vervolg op aan, om in dit onderscheid de Eenheid te handhaven. Vóór Nicea had men moeite om uit de Eenheid Gods tot een Drieheid te komen; thans is het omgekeerd. Van nu aan krijgt het trinitarisch dogma een eigen, zelfstandige waarde, een theologische betekenis. Athanasius met de drie Cappadociërs en Augustinus zijn het, die op deze wijze het dogma uitwerken en voltooien. Athanasius heeft beter dan iemand in zijn tijd begrepen, dat met de Godheid van Christus en de Drieëenheid het Christendom stond of viel. Aan de verdediging van deze waarheid heeft hij zijn ganse leven en al zijn krachten gewijd. Hij streed voor geen filosofisch probleem maar voor de Christelijke religie zelf, voor de openbaring Gods, de leer der apostelen, het geloof der kerk. De triniteit is het hart van het Christendom. Daardoor is het principiëel van het Jodendom, dat het onderscheid in God loochent, en van het heidendom, dat de Eenheid Gods ontkent, onderscheiden, ad Serap. I 28. Bij Athanasius wordt dan ook de filosofische vermenging van ontologie en kosmologie geheel verbannen. Hij verwerpt het gnostisch dualisme tussen God en de wereld, dat door Arius werd overgenomen, en alle soort van tussenwezens, c. Ar. II 26. De triniteit heeft, zegt hij, niets vreemds met zich gemengd, ze bestaat niet uit de Schepper en iets gewordens, maar ze is geheel en volmaakt Goddelijk, ibid. Daarom is de triniteit ook een eeuwige. Er is in God niets toevalligs; Hij wordt niets, Hij is alles eeuwig. Gelijk de triniteit altijd was, zo is en blijft ze, en in haar de Vader, de Zoon en de Geest, ad Serap. III 7. c. Ar. I18. De Vader was altijd Vader; het behoort anders dan bij ons, tot zijn natuur om Vader te zijn, de decr. nic. syn. 12. Evenals de zon niet te denken is zonder licht en de bron niet zonder water, zo is de Vader niet te denken zonder Zoon; God is niet agonov; Hij spreekt altijd, c. Ar. II 2. ad Serap. II 2. Wie de triniteit loochent, maakt God tot een levenloos principe of komt tot de leer van de eeuwigheid der wereld, c. Ar. I 14. En eeuwig is daarom ook de generatio en de existentie des Zoons. Er was noch voor de Vader noch voor de Zoon een tijd, dat Hij niet was, c. Ar. I geheel. Deze Zoon kan geen schepsel zijn en is niet voortgebracht door de wil Gods, maar is gegenereerd uit Zijn Wezen, c. Ar. I 25. En datzelfde wordt, hoewel minder dikwijls en breedvoerig, gezegd van de Heilige Geest, ad Serap. I 20,21 enz. Deze Drie Personen zijn waarlijk onderscheiden; ze zijn niet drie delen van één geheel, niet drie namen voor één zaak. De Vader is alleen Vader en de Zoon is alleen Zoon en de Geest is alleen Geest, c. Ar. III 4. IV 1. ad Serap. IV 4,6,7. Maar daarbij handhaaft hij de Eenheid zo, dat zij alle drie omoousioi zijn en één upostasiv (bij Athanasius nog zoveel als ousia) en dezelfde eigenschappen hebben, c. Ar. III 3, 4. de decr. nic. syn. 19-25; dat de Vader de arxh en de phgh yeothtov is, c. Ar. IV 1.; dat de Drie Personen in elkaar bestaan, ad Serap. I 14.III 6.c. Ar. III 6, en één zijn in hun werking, ad Serap. I 281. Deze triniteitsleer van Athanasius vinden we ook in hoofdzaak, alleen nader door namen, beelden, vergelijkingen opgehelderd, bij Basilius in zijn Libri V tegen Eunomius, in zijn geschrift de Spiritu Sancto en in vele van zijn brieven en homiliën, bij Gregorius Nyss. in zijn Libri XII c. Eunomium en in zijn oratio catechetica, en bij Gregorius Naz. in zijn 5 Orationes theologicae. Johannes Damascenus vat het resultaat samen en sluit zich vooral aan bij Gregorius van Nazianze. Heel de Griekse kerk heeft deze leer op de conciliën, waarvan zij de eerste zeven erkent, aanvaard en wijkt van het Westen alleen in het filioque af.

In het Westen werd na Tertullianus en Cyprianus de leer der triniteit vooral krachtig verdedigd en uit de Schrift bewezen door Hilarius in zijn 12 boeken de trinitate, die echter zeer weinig bevatten over de Heilige Geest en daarom waarschijnlijk vroeger de titel droegen: de fide contra Arionos; en dan meer speculatief en diepzinnig door Augustinus. Zijn 15 boeken de trinitate zijn het diepste, wat over dit dogma geschreven is. Hij vat daarin niet alleen samen, wat door vroegere patres over dit onderwerp gezegd is, maar hij behandelt het ook zelfstandig en brengt er belangrijke wijzigingen in. Vooreerst gaat Augustinus uit, niet van de Persoon des Vaders maar van het éne eenvoudige, alle samenstelling uitsluitende Wezen (essentia) Gods en spreekt daarom de volstrekte Eenheid der drie Personen sterker uit, dan ooit vóór hem is geschied. Elke Persoon is zo groot als de ganse triniteit, de trin. VIII 1.2. In elke Persoon is het gehele, zelfde, Goddelijke Wezen, zodat er niet drie Goden, drie Almachtigen enz., zijn maar slechts één God, één Almachtige enz. ib. V 8. Het onderscheid der Personen kan daarom ook niet liggen in attributen of accidentiën, die de ene Persoon zou hebben en de andere niet, maar alleen in de relaties onderling. Vader is en heet de eerste Persoon, omdat Hij in een bijzondere verhouding staat tot Zoon en Geest enz., ib. V 5, evenals ook de benaming Heer, Schepper enz. de relatie Gods tot schepselen aanduidt, maar geen verandering in Hem teweegbrengt, ib. 16.17. In de tweede plaats moest Augustinus dus elke tegenstelling verwerpen, die er vroeger tussen de Vader en de Zoon werd gemaakt. De Zoon is als waarachtig God niet minder verborgen en onzichtbaar dan de Vader en is volkomen de Vader gelijk. Elk subordinatianisme wordt gebannen. Augustinus gaat nog verder dan Athanasius. Deze liet nog enige ondergeschiktheid gelden, c. Ar. I 59, maar Augustinus heeft alle gedachte overwonnen, alsof de Vader de eigenlijke, oorspronkelijke God was. Hij gaat uit van de essentia Dei, die in alle drie gelijkelijk woont. Ofschoon hij de uitdrukking fons of principium deitatis nog voor de Vader gebruikt, de trin. IV 20, ze heeft toch bij hem een andere zin. Ze duidt niet aan, dat de Godheid logisch eerst in de Vader bestond en door Hem aan de Zoon en de Geest werd meegedeeld, maar de Vader kan alleen zo heten, omdat Hij niet als God maar als Persoon Vader is van de Zoon. En in deze zin wordt ook de formule van Nicea Deus de Deo door hem verklaard, de trin. VII 2.3. Daarom kwam Augustinus ook tot een andere opvatting van de theophanieën in het Oude Testament. Vroeger had men daarin altijd en uitsluitend openbaringen van de Logos gezien, omdat de Vader verborgen was, maar Augustinus schrijft ze ook aan de Vader en de Geest toe, die evengoed als de Zoon zich kunnen openbaren en immers niet van die des Zoons zijn te scheiden, de trin. II en III. En eindelijk heeft Augustinus meer dan enig kerkvader vóór hem naar beelden, gelijkenissen der triniteit, vestigia trinitatis gezocht, en de samenhang der leer van God met die van de ganse kosmos in het licht gesteld, de trin. IX-XV2.

Zo heeft Augustinus voltooid, wat Tertullianus begonnen had. Er heerst in het Westen, bij alle overeenstemming, een andere opvatting van de triniteitsleer dan in het Oosten. Terwijl men hier beleed, dat Zoon en Geest wel beiden uit de Vader zijn maar overigens los naast elkaar staan, werd in het Westen gevoeld, dat de Wezensgelijkheid en de onderlinge verhouding van de drie Personen eerst in het filioque tot haar volle uitdrukking kwamen. Het Westen sloot zich bij Augustinus aan en werkte zijn triniteitsleer wel op sommige punten nader uit, maar bracht er geen wijziging in en voegde er ook niets nieuws aan toe. Het Symbolum Athanasianum, dat ten onrechte aan Athanasius wordt toegeschreven en zeker eerst na 400 ontstond, is geheel in Augustinus’ geest opgesteld en vond daarom wel in het Westen maar niet in het Oosten ingang3. Ook de Reformatoren betuigden er hun instemming mee. De Luth. en de Geref. confessies sluiten zich bij de drie oecumenische symbolen aan; in de Ned. Geloofsbel. art. 9 wordt ook de geloofssom van Athanasius met name genoemd en in de Anglikaansche kerk vond zij zelfs een plaats in het liturgisch gebruik. Toch verheft zich daartegen in de laatste tijd een krachtige oppositie. En over het algemeen is er in de houding, welke Roomse en Protestanten tegenover het Athanasianum aannemen, een niet onbelangrijk verschil. De Reformatie stelde toch in het licht, dat het historisch geloof aan de triniteitsleer, hoe zuiver ook, niet zalig maakt, maar alleen het oprechte geloof des harten in God Zelf, die in Christus Zich als drieëenig God heeft geopenbaard.

1 Verg. Fr. Lauchert, Die Lehre des h. Athan. d. Gr. Leipzig 1895 bl. 10-65. Schwane, Dogmengesch. II/2 83-108. Loofs, Dogmengesch./4 bl. 237 v.

2 Schwane, II 173-194. Gangauf, Des h. Augustinus specul. Lehre v. Gott dem Dreieinigen, Augsburg 1883 bl. 209 v. Münscher v. Coelln, Dogmengesch. I 245 v. Harnack, D. G. II 294 v. enz.

3 Harnack, D.G. II 298 v. Karl Müller, Symbolik 1896 bl. 51 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept