Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

220. Dit dogma heeft echter ten allen tijde ernstige bestrijding gevonden. Niet alleen van buiten, van de zijde der Joden1, en der Mohammedanen2, waartegen dan de christenen verdedigend optraden3. Maar ook binnen de grenzen van het Christendom werd dit dogma zowel vóór als na zijn vaststelling door velen weerstaan. In de belijdenis der triniteit klopt het hart der christelijke religie; elke dwaling vloeit voort uit of is bij dieper nadenken te herleiden tot een afwijking in de leer der Drieëenheid. Zij is zulk een wezenlijk bestanddeel van het christelijk geloof, dat zij in de belijdenis der Unitariërs nog nawerkt. Allen, die op de naam van Christenen gesteld zijn, blijven spreken van Vader, Zoon en Geest.4 Des te meer is echter de leer der triniteit in haar kerkelijke vorm bestreden en telkens anders voorgesteld. Maar de geschiedenis van dit dogma toont duidelijk, dat de kerkelijke vorm, waarin deze waarheid vervat is, alleen in staat is, om de zaak, waarom het te doen is, onvervalst te handhaven. Nu bestaat het grote probleem bij dit dogma daarin, dat de Eenheid des Wezens de Drieheid der Personen niet teniet doet noch ook omgekeerd de Drieheid der Personen de Eenheid des Wezens opheft. En daarom dreigt er altijd gevaar, of ter rechterzijde of ter linkerzijde af te dwalen en te vervallen tot Sabellianisme of tot Arianisme.

Het Arianisme werd in de 2e en 3e eeuw voorbereid door de Ebionieten, de Alogi, Theodotus, Artemon, Paulus van Samosata, die in Christus wel een mens zagen, op bovennatuurlijke wijze geboren en bij de doop gezalfd met de Heilige Geest, bekwaamd tot Zijn werk en tot Heer verhoogd, maar die Zijn preëxistentie en Godheid beslist ontkenden. Het waren de aanhangers van een adoptiaansche christologie5. In de vierde eeuw werd deze voorgestaan door Lucianus en zijn leerling Arius en dan voorts door Aëtius en Eunomius. Arius leerde blijkens een geschrift Yaleia, waarvan Athanasius, c. Ar. I, ons fragmenten bewaard heeft, dat God, omdat agennhtov en zonder aanvang, volstrekt enig is. Hij is onuitsprekelijk, onbegrijpelijk, kan niet rechtstreeks met het eindige gemeenschap hebben, kan Zijn Wezen, dat juist in agennhsia bestaat, niet mededelen. Alles buiten Hem is dus geschapen, geworden door Zijn wil. Hij is niet Vader van eeuwigheid, maar Vader door en van de schepselen. Maar voordat God tot de schepping der wereld overging, bracht Hij tot bemiddeling, als een soort tussenwezen, een zelfstandige upostasiv of ousia voort, die in de Schrift de Naam draagt van Wijsheid, Zoon, Logos, Beeld Gods enz., en door Wie God alle dingen heeft geschapen, en evenzo ook nog een derde, lagere upostasiv, nl. de Heilige Geest. Deze Logos is niet gegenereerd uit het Wezen Gods en heeft niet het Wezen met de Vader gemeen, want dan waren er twee Goden, maar is geschapen of geboren ex ouk ontwn, is een ktisma of poihma Gods, voortgebracht yelhmati kai boulh. Er was dus een tijd, dat Hij niet was, hn pote, ote ouk hn, al is Hij ook geschapen pro cronwn kai pro aiwnwn, d.i. vóór de wereld. Deze Logos was daarom niet omoousiov met de Vader, maar geheel van Hem gescheiden, veranderlijk, zowel het kwade als het goede kunnen kiezen. Maar Hij was toch een ktisma teleion. Hij koos het goede, werd daardoor onveranderlijk, en is als het ware tot een God geworden. Deze Logos is ook mens geworden, heeft de waarheid verkondigd, onze verlossing bewerkt en is nu onze ere, maar niet onze aanbidding waardig6.

Het Arianisme was sterk en vond vele aanhangers, niet het minst onder hen, die na de bekering van keizer Constantijn om allerlei overwegingen tot het christendom waren overgegaan. Bovendien leren ons de geschriften van Athanasius, welke geduchte wapens zij meebrachten in de strijd. Zij beriepen zich vooreerst op een reeks van Schriftplaatsen, die de Eenheid Gods, Deut. 6:4, 32:39, Joh. 17:3, 1Cor. 8:6, de geboorte of wording des Zoons, Spr. 8:22, Col. 1:15, Zijn ondergeschiktheid aan de Vader, Joh. 14:28, 1Cor. 15:28, Hebr. 3:2, Zijn onwetendheid, Mark. 13:32, Joh. 11:34, Zijn beperkte macht, Matt. 28:18, en goedheid, Luk. 18:19, Zijn toenemen in wijsheid, Luk. 2:52, Zijn lijden, Joh. 12:27, 13:21, Matt. 26:39, 27:46, Zijn verheffing tot Heer en Christus uitspraken, Hand. 2:36, Phil. 2:9, Hebr. 1:4 enz. Voorts betoogden zij met tal van aanhalingen, dat zij veel vroegere kerkvaders aan hun zijde hadden. Dan ontleenden zij verschillende argumenten aan de Aristotelische, nominalistisch opgevatte, filosofie, en betoogden daarmee de enigheid en de agennhsia Gods. En tenslotte wezen zij de zwakheden en de tegenstrijdigheden aan, die der christologie van Nicea aankleefden; waarbij vooral dit argument een grote plaats innam, dat, als de Zoon gegenereerd was, Hij daardoor van God als de ongeborene, agennhtov, wezenlijk onderscheiden en dus in de tijd was ontstaan.

Het Sabellianisme werd in de tweede en derde eeuw voorbereid, door Noëtus, Praxeas, Epigonus, Cleomenes, die leerden, dat in Christus de Vader Zelf geboren was, geleden had en gestorven was, dat Vader en Zoon dus Namen waren voor Dezelfde persoon in verschillende relaties, vóór en in de menswording, an sich en in Zijn historische verschijning, of ook dat de Goddelijke natuur in Christus de Vader, en de menselijke natuur, de sarx, de Zoon was. Dit monarchianisme, patripassianisme of modalisme werd in de derde eeuw voorgestaan en verder ontwikkeld door Sabellius. Vader, Zoon en Geest zijn dezelfde God; het zijn drie Namen voor éénzelfde Wezen, dat hij uiopatwr noemde, doch dat niet tegelijkertijd, maar in drie opeenvolgende energiën of stadiën heette. God bestond eerst in het prosopon, de verschijning, de modus des Vaders, nl. als Schepper en Wetgever; daarna in het prosopon des Zoons als Verlosser van menswording tot hemelvaart; en tenslotte in het prosopon des Heilige Geest als Levendmaker. Sabellius beriep zich daarbij vooral op Deut. 6:4, Ex. 20:3, Jes. 44:6, Joh. 10:38 Sabellius nam dus ook de Heilige Geest op in het Wezen Gods, plaatste Zoon en Geest op gelijke lijn met de Vader, en leerde voorts een historische successie in de openbaringen Gods, een worden in God Zelf7.

1 Weber, Syst. der alt syn. pal. Theol. 147 v.

2 Zie bv. Averroes bij Stöckl, Filos. d. M. A. II 89.

3 Litt. bij Walch, Bibl. theol. sel. I 881 v. 896 v.

4 Nitzsch, Ev. Dogm. 425.

5 Harnack, D.G. I 160. 616 v.

6 Id., D.G.I 194 v. Loofs, Dogmengesch./4 bl. 233 v. en art. Arianismus in PRE/3.

7 Harnack, D.G.I 674 v. en art. Monarchianismus in PRE/3 XIII 303. Loofs, D. G./4 bl. 181 v. Vergelijk ook het oeconomisch-trinit. monoth. van Marcellus van Ancyra, Loofs, t.a.p. 244 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept