Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

253. Tegenover al deze richtingen hield de Christelijke kerk eenparig de belijdenis vast: credo in Deum patrem, omnipotentem, creatorem coeli et terrae; en zij verstond onder schepping die daad Gods, waardoor Hij naar Zijn souvereine wil heel de wereld uit het niet-zijn tot een zijn brengt, dat onderscheiden is van Zijn eigen Wezen. En dit is inderdaad de leer der Heilige Schrift. Het woord arb betekent oorspronkelijk: splijten, delen, snijden (Jos. 17:15,18 in piël van het afhouwen van bossen), en vandaar vormen, voortbrengen, scheppen. Evenals het Nederl. woord scheppen oorspronkelijk vormen betekent, cf. het Eng. shape, drukt ook het Hebr. woord op zichzelf nog niet uit, dat iets uit niets wordt voortgebracht, want het wordt menigmaal ook van de werken der onderhouding gebezigd, Jes. 40:28, 45:7, Jer. 31:22, Am. 4:13. Het is synoniem van en wisselt af met hse, ruy, vdx, Ps. 104:30. Maar van deze onderscheidt het zich toch daardoor, dat het altijd van het Goddelijk maken en nooit van ‘s mensen doen wordt gebruikt; dat het nooit een accusativus der stof bij zich heeft, waaruit iets gemaakt wordt; en dat het daarom juist overal de grootheid en macht van het Goddelijk werken uitdrukt1. En ditzelfde is het geval met de Nieuwe Testamentische woorden ktizein, Mk. 13:19, poiein. Mt. 19:4, yemelioun, Hebr. 1:10, katartizein, Rom. 9:12, kataskeuazein, Hebr. 3:4, plassein, Rom. 9:20, en met het Latijnse woord creare, die ook niet op zichzelf een scheppen uit niets uitdrukt. De term scheppen uit niets is dan ook niet letterlijk aan de Schrift ontleend, maar komt het eerst voor in 2Macc. 7:28, waar gezegd wordt, dat God hemel en aarde en mens ex ouk ontwn epoihsen, Vulg. fecit ex nihilo. Men heeft bestreden, dat deze uitdrukking in strenge zin mocht worden opgevat, en haar een platonische uitlegging gegeven. Toch verdient het de aandacht, dat de schrijver niet van mh onta, d.i. een nihilum privativum, een kwaliteit- en vormloze materie, maar van ouk onta, d.i. een nihilum negativum spreekt. Voorts is het zelfs nog niet zeker, dat de auteur van het boek der Wijsheid in cap. 11:18 de eeuwigheid van een vormloze stof heeft geleerd; de plaats kan zeer goed van de creatio secunda worden verstaan2, evenals dat later het geval is bij Justinus Martyr.

Maar hoe dit ook zij, de Schrift laat in dit opzicht geen twijfel over. Zij gebruikt de term niet, maar leert de zaak duidelijk. Wel heeft men gemeend, dat ook Gen. 1:1-3 eigenlijk van een oorspronkelijke, niet geschapen chaos uitging. Omdat tyvarb naar de vorm een status constr. is, zouden de verzen 1-3 aldus te vertalen zijn: in de beginne toen God hemel en aarde schiep—de aarde nu was woest en ledig enz. —,toen sprak God: er zij licht. In vers 2 zou dan de woeste en ledige aarde bij het scheppen Gods worden ondersteld; zo Ewald, Bunsen, Schrader, Gunkel en anderen3. Maar deze vertaling is niet aannemelijk. Vooreerst krijgt de zin dan een periodische lengte, die in het Hebr. weinig voorkomt, hier terstond in het begin en naar de schrijfwijze van Gen. 1 heel niet wordt verwacht en ook op de schepping van het licht veel te sterke nadruk legt4; vervolgens eist de status constr. van tyvarb deze vertaling niet, omdat het in dezelfde vorm zonder suffix of genitivus ook voorkomt in Jes. 46:10, cf. Lev. 2:12, Deut. 33:21; en ten derde was het vreemd, dat terwijl de voorzin zeggen zou, dat God hemel en aarde nog scheppen moest, de tussenzin de chaos reeds met de naam van aarde bestempelde en van de oorspronkelijke toestand des hemels heel geen gewag maakte. En daarbij komt dan nog, dat deze vertaling, ook indien ze juist was, nog geenszins de eeuwigheid der woeste aarde leren zou, maar hoogstens dit in het midden zou laten. Dat strijdt echter met geheel de geest van het scheppingsverhaal. Elohim wordt in, Gen. 1 niet voorgesteld als een wereldformeerder, die op menselijke wijze uit beschikbare stof een kunstwerk maakt, maar als Een, die enkel sprekende, door een louter machtwoord, alle dingen in het aanzijn roept5. En daarmee komt heel de Schrift overeen. God is de Almachtige, die oneindig ver boven alle creatuur staat, en met alle schepselen doet naar Zijn souverein welgevallen; de absolute Bezitter, hnq van hemel en aarde, Gen. 14:19,22, Die alles doet wat Hem behaagt, aan Wiens macht nergens een grens is gesteld. Hij spreekt en het is, Hij gebiedt en het staat, Gen. 1:3, Ps. 33:9, Jes. 48:13, Rom. 4:17. Voorts worden alle dingen in de Schrift steeds beschreven als door God gemaakt en volstrekt van Hem afhankelijk. Hij heeft alles gemaakt, hemel, aarde, zee met al wat er op en er in is, Ex. 20:11, Neh. 9:6 enz. Alles is door Hem geschapen, Col. 1:16-17, bestaat alleen door Zijn wil, Op. 4:11, en is uit en door en tot God, Rom. 11:36. Vervolgens wordt er nooit en nergens van een eeuwige ongevormde stof ook maar de minste melding gemaakt. God alleen is de Eeuwige, de Onverderfelijke; Hij alleen is boven het worden en de verandering verheven. Daarentegen hebben de dingen een begin en een einde, en zijn aan wisseling onderworpen. Op antropomorfe wijze wordt dit uitgedrukt. God bestond eer de bergen geboren waren en Zijn jaren houden niet op, Ps. 90:2, Spr. 8:25-26; Hij heeft uitverkoren en liefgehad pro katabolhv kosmou, Ef. 1:4, Joh. 17:24, cf. Mt. 13:35, 25:34, Luk. 11:50, Joh. 17:5, Hebr. 4:3; 9:26; 1Petr. 1:20, Op. 13:8, 17:8. En tenslotte leert Rom. 4:17, ook al is daar niet bepaald van de schepping sprake, dat God ta mh onta, hetgeen mogelijk nog niet is, roept en beveelt wv onta, alsof het was; het zijn of niet-zijn maakt voor Hem geen onderscheid. Nog duidelijker spreekt Hebr. 11:3 het uit, dat de wereld zo door God is gemaakt, dat hetgeen gezien wordt niet geworden is ek fainomenwn, uit hetgeen onder de ogen verschijnt. Een vormloze stof is hierdoor geheel buitengesloten; de zichtbare wereld is niet uit ‘t zichtbare voortgekomen maar rust in God, die door Zijn Woord alles in het aanzijn riep.

1 Delitzsch, Neuer Comm. zur Genesis bl. 48.

2 Augustinus e.a. bij Heinrich, Dogm. V44.

3 Verg. Schultz, Altt. Theol./4 bl. 570 v.

4 Smend, Alttest. Religionsgesch. 456. Wellhausen, Geschichte Israëls 1878 bl. 399.

5 Ten onrechte beweert Reinke, Die Welt als That 481 v. dat Mozes geen schepping uit niets kent; en dat zulk een schepping uit niets met de wet der constante energie in strijd zou zijn.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept