Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

254. Deze leer der Schrift vindt in de woorden uit niets haar scherpste uitdrukking, en is zo van de beginne af door de Christelijke theologie verstaan en weergegeven1. Maar bij gnostieken en manicheën, theosofen en naturalisten, pantheïsten en materialisten heeft deze leer ten allen tijde weerspraak ontmoet. Vooral is het aan Aristoteles ontleende: ex nihilo nihil fit, daartegen in het midden gebracht. Toch is deze bestrijding geheel zonder grond. Vooreerst is deze regel van Aristoteles lang zo eenvoudig niet als hij lijkt; ieder ogenblik staan we voor verschijnselen, die zich niet tot aanwezige factoren laten herleiden: geschiedenis is geen rekensom; het leven is geen product van chemische verbindingen; het genie is nog iets anders en iets meer dan het kind van zijn tijd, en elke persoonlijkheid is iets oorspronkelijks. Maar hiervan afgezien en cum grano salis opgevat, vindt deze regel van Aristoteles geen tegenspraak. De theologie heeft nooit geleerd, dat het niet-zijn de vader, de bron, het principium was van het zijn. Ten overvloede heeft zij er telkens bijgevoegd, dat de uitdrukking ex nihilo geen aanduiding was van een tevoren bestaande materie, uit welke de wereld gevormd werd; maar ze gaf alleen te kennen, dat het zijnde eens niet was, en dat het alleen door Gods almachtige kracht in het aanzijn is geroepen; de uitdrukking ex nihilo staat dus met post nihilum gelijk; particula ex non designat sed excludit materiam; de wereld heeft haar ontstaan niet in zichzelf maar alleen in God2. De uitdrukking werd in de Christelijke theologie alleen daarom zo graag behouden, omdat zij bijzonder geschikt was, om allerlei dwaling bij de wortel af te snijden. Vooreerst deed ze dienst tegen de paganistische leer van een amorfov, waarboven ook een Plato en Aristoteles zich niet hadden kunnen verheffen. In het heidendom is de mens gebonden aan de stof, onderworpen aan zinnelijkheid en natuurdienst; hij kan de gedachte niet vatten, dat de geest vrij staat tegenover en boven de stof, en nog veel minder, dat God absoluut souverein is, door niets bepaald dan door zijn eigen Wezen. En daartegenover leert nu de schepping uit niets de absolute soevereiniteit Gods, Zijn volstrekte onafhankelijkheid; indien ook maar een enkel stofdeel niet uit niet geschapen was, zou God niet God wezen. In de tweede plaats sluit deze uitdrukking alle emanatie uit, alle wezensidentiteit van God en wereld. Wel spraken de scholastici meermalen van een emanatio of processio totius entis a causa universali, en ook wel van een participatie van het schepsel aan het zijn en het leven Gods. Maar daarmee bedoelden zij geen emanatie in eigenlijke zin, alsof het Goddelijk Wezen in de creaturen uitstroomde en er Zich in ontplooide, gelijk het genus in zijn species. Maar zij wilden daarmee alleen zeggen; dat God ens per essentiam is, het schepsel echter ens per participationem; de schepselen hebben wel een eigen zijn, maar dit heeft in het Goddelijk zijn, zijn causa efficiens en exemplaris3. De schepping uit niets handhaaft, dat er tussen God en wereld een essentieel onderscheid is. De schepping bestaat niet in een overgang van de wereld uit een zijn in God tot een zijn buiten God, noch ook uit een zijn zonder God tot een zijn door God, maar uit het niet-zijn tot het zijn. De wereld is zeker geen antiyeov, zij bestaat niet onafhankelijk, zij is en blijft in God als haar voortdurende causa immanens, gelijk later bij de onderhouding tegen het manicheïsme en deïsme moet worden aangetoond. Maar zij is naar de leer der Schrift geen deel, geen uitvloeisel van het Wezen Gods. Zij heeft een eigen, een ander, een van de essentia Dei onderscheiden wezen en zijn. En dat wordt door het ex nihilo uitgedrukt. Toch heeft de filosofie ook deze term misbruikt. Evenals Plato onder het mh on een eeuwige ongevormde stof verstond, zo duidde Erigena zelfs God als nihilum aan, voorzover Hij boven alle categorieën en bepalingen, boven alle zijn en wezen verheven is; dum ergo incomprehensibilis intelligitur, per excellentiam nihilum non immerito vocitatur. En als Hij alles uit niets te voorschijn brengt, dan wil dat zeggen, dat Hij de sua videlicet superessentialitate producit essentias, de supervitalitate vitas4. Nog vreemder sprong Hegel in zijn Logik met dit begrip om, als hij onder het niets verstond een Nicht-seyn, das zugleich Seyn, und ein Seyn, das zugleich Nicht-seyn ist; een niets, dat tegelijk alles is, nl. in potentia en niets bepaalds in concreto5. Tegen deze filosofische begripsverwarring staat de christelijke theologie lijnrecht over; zij verstaat onder het niets een zuiver nihil negativum en weert alle emanatie af. Toch ligt er ook in de emanatie een ware gedachte, die juist door de Bijbelse leer der creatie zonder schending van het Wezen Gods gehandhaafd wordt, veel beter dan in de filosofie. De leer van de schepping uit niets geeft nl. tenslotte aan de Christelijke theologie een plaats tussen het Gnosticisme en het Arianisme in, d.i. tussen het pantheïsme en deïsme. Het Gnosticisme kent geen creatie maar alleen emanatie en maakt daarom de wereld tot de Zoon, de Wijsheid, het Beeld Gods in adequate zin; het Arianisme kent geen emanatie maar alleen creatie, en maakt daarom de Zoon tot een schepsel; daar wordt de wereld vergoddelijkt, hier God verwereldlijkt. Maar de Schrift en dienovereenkomstig de Christelijke theologie kent beide, emanatie en creatie; een tweevoudige mededeling Gods, een binnen, een buiten het Goddelijk Wezen; een aan de Zoon, die in de beginne bij God en zelf God was, en een aan de schepselen, die in de tijd zijn ontstaan; een van eeuwigheid en een in de tijd; een uit het wezen en een door de wil Gods. De eerste heet generatie, de tweede creatie. Door de generatie wordt eeuwig het adequate Beeld Gods meegedeeld aan de Zoon; door de creatie wordt slechts een zwakke, flauwe gelijkenis Gods meegedeeld aan het schepsel. Maar toch staan beide in verband. Zonder de generatie zou de creatie niet mogelijk zijn. Indien God zich niet absoluut kon meedelen aan de Zoon, kon Hij veel minder in relatieve zin Zich meedelen aan Zijn schepsel. Indien God niet trinitarisch bestond, was de schepping niet mogelijk6.

1 Hermas, Pastor I 1. Theophilus, ad Autol. II 4. Tertullianus, de praeser. 13. Irenaeus, adv. haer. II 10 enz.

2 Irenaeus, adv. haer. II 14. Augustinus, Conf. XI 5. XII 7. de Gen. ad litt. I 1. Anselmus, Monol. c. 8. Thomas, S. Theol. I qu. 45 art. 1 enz.

3 Thomas, S. Theol. I qu. 45 art. I. Kleutgen, Philos. der Vorzeit II 828 v. 899 v.

4 Erigena, de div. nat. III 19.20.

5 Hegel, Werke III 64.73 v.

6 Athanasius, c. Ar. I 12. II 56.78.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept