Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

261. Het bestaan der engelen is wijsgerig niet te bewijzen. De redenering van Leibniz, dat er van de mens af, gelijk naar beneden, zo ook naar boven allerlei soorten van schepselen moeten wezen, opdat er geen vacuum formarum en geen saltus nature zij, is niet aannemelijk, omdat zij bij consequentie het onderscheid uitwissen zou tussen Schepper en schepsel en leiden zou tot een gnostisch pantheïsme. Toch kan de filosofie nog veel minder enig argument inbrengen tegen de mogelijkheid van zulk een bestaan. Zolang wij toch zelf psychische wezens zijn en het zieleleven niet uit stofwisseling kunnen verklaren, maar daarvoor een geestelijke substantie hebben aan te nemen, die ook zelfs na de dood voortbestaat; zolang is ook het bestaan van een geestelijke wereld met geen enkel argument der rede of met enig feit der ervaring in strijd. Niet alleen Leibniz en Wolff, maar ook Schleiermacher en Kant hebben de mogelijkheid ten volle erkend. De algemeenheid van het geloof aan zulk een geestelijke wereld bewijst bovendien, dat er in deze erkentenis iets anders en iets meer dan willekeur en toeval schuilt. De opmerking van Strausz, dat de engelenwereld een compensatie is tegenover de hoeveelheid stof in de schepping, bevat de erkentenis, dat een materialistische wereldbeschouwing niet bevredigt, maar is overigens tot verklaring van het engelengeloof onvoldoende. En evenmin is daartoe de redenering van Daub in staat, dat de mens, wijl geplaatst tussen goed en kwaad in, naar beide kanten typen schiep en zo tot de ideeën kwam van engel en duivel1. Het geloof aan een geestelijke wereld is niet filosofisch, maar religieus van aard. Het hangt ten nauwste met openbaring en wonder samen. Religie is niet denkbaar zonder openbaring, en openbaring kan niet bestaan, zonder dat er zich boven en achter deze zienlijke wereld een geestelijke wereld bevindt, welke met deze in gemeenschap staat. In alle godsdiensten zijn de engelen geen factoren van het religieus-ethische leven zelf, maar van de openbaring, waarop dit leven is gebouwd. Met de religie is het geloof zelf gegeven, dat haar diepste oorzaken niet liggen binnen de kring der zienlijke dingen. Het goede en het kwade, beide in religieuze en ethische zin, wortelen in een andere wereld dan die ons onder de ogen verschijnt. Daar geeft het engelengeloof uitdrukking aan. Het maakt het wezen en het middelpunt der religie niet uit, maar staat er toch mee in verband. De transcendentie Gods, het geloof aan openbaring en wonder, het wezen der religie brengt het geloof aan geestelijke wezens vanzelf mee. Het diesseits bevredigt de mens niet. Hij dorst altijd weer naar een andere wereld, die niet minder rijk is dan deze. Het materialisme roept door reactie het spiritualisme op. Maar het spiritisme, waarin dit spiritualisme zich tegenwoordig bij velen vertoont, is niet anders dan een nieuwe vorm van bijgeloof. Of er een realiteit aan ten grondslag ligt, valt moeilijk te bewijzen. Want niet alleen is de geschiedenis van het spiritisme rijk aan allerlei bedriegerijen en ontmaskeringen, maar alle controle ontbreekt, dat de geesten, die zogenaamd heeten te verschijnen, werkelijk die personen zijn, welke zij voorgeven te zijn. Er blijft dus altijd nog een groot onderscheid tussen de vreemde en wonderbare verschijnselen, waarop het spiritisme zich beroept, en de verklaring, die het daarvan geeft. Van die verschijnselen laten zeer veel zich psychologisch voldoende verklaren; maar ook van de overblijvende is het volstrekt niet zeker, of zij aan de werking van afgestorvenen, van demonische geesten of van verborgen natuurkrachten toe te schrijven zijn2. Een ding is zeker, dat het spiritisme in menig geval zeer schadelijk werkt op de psychisch en en fysische gezondheidstoestand van zijn beoefenaars3, en dat het een weg bewandelt, die door de Schrift verboden is, Deut. 18:11. Tussen het diesseits en het jensseits bestaat een kloof, die de mens niet overbruggen kan; indien hij dit toch beproeft, vervalt hij tot bijgeloof en wordt hij een prooi van de geesten, die hij heeft opgeroepen. En gelijk er een grens is tussen de wereld aan deze en aan andere zijde van het graf, die de mens te eerbiedigen heeft, zo hebben wij hier op aarde ook geen kennis van wat op andere planeten voorvalt. Onder de indruk van de Kopernikaansche wereldbeschouwing meende men, dat de aarde haar centrale betekenis voor het heelal verloren had, en schiep men er behagen in, om de andere planeten, niet alleen met organische en redelijke, maar ook met bovenmenselijke wezens te bevolken. Maar ook van deze fantastische bespiegelingen keren sommigen terug. De bekende Engelse geleerde Alfred R. Wallace toonde voor enkele jaren aan, dat geen planeet bewoonbaar kan zijn4. Hij grondt zijn betoog niet op wijsgerige redeneringen, maar op feiten, door de nieuwe astronomie, fysica, chemie en biologie aan het licht gebracht en stelt zich eenvoudig de vraag, wat deze feiten leren over de al of niet bewoonbaarheid der planeten, en, indien zij geen absoluut bewijs voor het een of ander leveren, wat zij dan als het waarschijnlijkste doen voorkomen. Nu heeft de spectraalanalyse aangetoond, dat het zichtbare heelal uit dezelfde chemische bestanddelen als onze aarde bestaat, dat overal dezelfde natuurwetten heersen en dat dus ook de ontwikkeling van levende wezens allerwaarschijnlijkst overal aan dezelfde algemene wetten gebonden is. Levende wezens kunnen onderling wel in soort verschillen, maar zij stemmen toch ook in vele punten overeen, en hebben alle nodig stik-, zuur-, water- en koolstof, een gematigde warmte, een afwisseling van dag en nacht. Er moeten dus tal van voorwaarden vervuld zijn, eer er van een bewoonbaarheid der planeten door levende wezens sprake kan zijn. In de brede toont Wallace nu aan, dat deze condities alleen op de aarde vervuld zijn. De maan is niet bewoonbaar, omdat het zonder water en zonder dampkring is; de zon niet, omdat zij een grotendeels gasvormig lichaam is; Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus niet, omdat zij zich nog geheel in kokende toestand bevinden; Mercurius en Venus niet, omdat zij geen aswenteling hebben en dus aan het een halfrond ondraaglijk warm en aan het andere ijskoud zijn. Zo blijft alleen Mars over, en deze planeet heeft inderdaad dag en nacht, zomer en winter, goed en slecht weer, mist en sneeuw. Maar de dampkring is daar even ijl als die op de aarde op 12500 meters hoogte boven het oppervlak der zee; het water is er schaars en zeeën zijn er vermoedelijk niet. Al is Mars dus niet bepaald onbewoonbaar, de omstandigheden zijn er voor levende wezens toch alles behalve gunstig te noemen. Buiten ons zonnestelsel zijn er nu nog wel vele donkere en lichte sterren, maar ook van deze is het onbewijsbaar, dat zij aan de voorwaarden voldoen, waaronder organisch leven mogelijk is. Zo komt Wallace tot de conclusie, dat de aarde is een hoogst bevoorrecht hemellichaam. De sterrenwereld in haar geheel is naar zijn gedachte niet oneindig groot, maar heeft de vorm van een bol en is omringd door een band, de melkweg, die in het midden het dikst is en met de bol samen een spheroïde vormt. In die melkweg is er nog altijd storm en beroering, maar binnen de bol is er betrekkelijke rust en zijn die voorwaarden aanwezig, welke de aarde bewoonbaar en aan levende wezens, bepaaldelijk ook aan de mens, het bestaan mogelijk maken. Indien het nu ook al waar mocht zijn, dat de sterrenwereld in haar geheel niet een eenheid vormt, maar dat er met Prof. Kaptein twee “universes of stellar systems” te onderscheiden zijn5, of dat de onbewoonbaarheid der sterren in de tegenwoordige tijd nog niet die in vroegere of in latere tijd bewijst6; toch staat zoveel wel vast, dat het geloof aan het bestaan van levende en redelijke wezens op andere planeten dan de aarde geheel en al tot het gebied der gissingen behoort en door de tegenwoordige wetenschap eer weerlegd dan bevestigd wordt.

Door deze uitspraak der wetenschap rijst de leer der engelen, gelijk de Schrift ons die biedt, meer in waarde en betekenis. Wijsgerig valt er niets tegen in te brengen; de gedachte, dat er nog andere en hogere redelijke wezens dan de mensen bestaan, heeft op zichzelf meer vóór dan tegen zich; in de godsdiensten vormt het geloof daaraan een meer dan toevallig bestanddeel; en de openbaring wint er door aan realiteit en levendigheid. Maar terwijl in de verschillende godsdiensten en in de spiritistische theorieën deze leer der engelen vervalst, de grenslijn tussen God en schepsel uitgewist en het onderscheid tussen openbaring en religie miskend wordt, komt zij in de Schrift weer zo voor, dat zij aan Gods eer niets ontrooft en de zuiverheid der religie onaangetast laat. De openbaring in de Schrift is voor de christen de vaste grond ook voor zijn geloof aan de engelen. In vroeger tijd trachtte men de existentie der goede en vooral ook der kwade engelen historisch te bewijzen, uit orakels, verschijningen, spoken, bezetenen enz.7. Maar deze bewijzen waren evenmin overtuigend als die uit de rede. Daarentegen wordt het bestaan der engelen in de Schrift zeer duidelijk geleerd. Wel hebben Spinoza en Schleiermacher daartegen ingebracht, dat Christus en de apostelen uit accommodatie aan het volksgeloof over engelen spraken en zelf niets positiefs over hen leerden. Maar Jezus en de apostelen spreken zelf onomwonden en herhaaldelijk hun geloof aan de engelen uit, b.v. Mt. 11:10, 13:39, 16:27, 18:10, 24:33, 26:53, Luk. 20:36, 1Cor. 6:3, Hebr. 12:22, 1Petr. 1:12 enz. Als wij van elfen en feeën spreken, weet elk, dat dit in figuurlijke zin is bedoeld. Maar in Jezus’ tijd was het geloof aan de engelen algemeen; indien zij spraken van engelen, moest ieder denken, dat zij er ook zelf aan geloofden. De laatste grond voor ons geloof aan de engelen ligt daarom ook in de openbaring. De christelijke ervaring als zodanig leert er niets van. Voorwerp van het ware geloof is de genade Gods in Christus. Engelen zijn geen factoren van het religieuze leven, geen voorwerp van ons vertrouwen, geen object van onze aanbidding. Dat zijn ze nergens in de Schrift en mogen ze dus ook niet zijn voor ons. In de Protestantse confessies is er daarom van de engelen zeer weinig sprake8. De Gereformeerden inzonderheid zondigden eer in defectu dan in excessu. Bij Rome bekleedt de angelologie veel groter plaats, maar zij vervalst daar ook de religie en doet aan Gods eer te kort. Hoezeer de engelen echter geen factor en object van onze religie zijn, ze zijn toch in de openbaringsgeschiedenis van grote betekenis en ontlenen daaraan vooral hun waarde voor het religieuze leven.

1 Dorner, Chr. Gl. I 536.

2 Verg. Zöckler, art. Spiritismus in PRE/8 XVIII 654-666. Traub, in Kalb’s Kirchen und Sekten der Gegenwart 1905 bl. 412 v.

3 Zeehandelaar, Het spiritistisch gevaar, Gids Aug. 1907 bl. 306-337.

4 Alfred R. Wallage, Man’s place in the universe. A study of the results of scientific research in relation to the unity or plurality of works. London 1903. Verg. Dr. H. H. Kuyper in de Heraut van Oct. 1904 en verv., en een artikel: ‘s Mensen plaats in het heelal, in de Wetens. Bladen, April 1905 bl. 67- 78.

5 Prof. H. H. Turner, Mans place in the universes, Fortnightly Review April 1907 bl. 600-610.

6 Alfred H. Kellogg, The incarnation and other worlds, Princeton Theol. Review April 1905 bl. 177 -199.

7 Thomas, S. Theol. I qu. 50 art. 1. Zanchius, Op. II 2. Vossius, De orig. et. progr. idol. I c. 6. Voetius, Disp. I 985-1017.

8 Ned. Gel. art. 12. Heid. Cat. vr. 112, 117. Niemeijer, Coll. p. 315. 316. 476.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept