Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

262. De naam engel, waaronder wij gewoonlijk heel de klasse der hogere, geestelijke wezens samenvatten, is in de Schrift geen nomen naturae maar een nomen officii. Het Hebr. Nalm betekent eenvoudig bode, gezant en kan ook aanduiden een mens, hetzij door mensen, Job. 1:14, 1Sam. 11:3 enz., hetzij door God gezonden, Hagg. 1:13, Mal. 2:7; 3:1; en evenzo is het gesteld met aggelov, dat meermalen van mensen gebezigd wordt, Mt. 11:10, Mk. 1:2, Luk. 7:24,27; 9:52; Gal. 4:14, Jak. 2:15; ten onrechte is het dan in onze Statenoverzetting door engel in plaats van door gezant weergegeven, b.v. Mal. 3:1, Op. 1:20 enz. Een gemeenschappelijke, onderscheidende naam voor alle geestelijke wezens samen is er in de Schrift niet, al worden ze ook dikwijls zonen Gods genoemd, Job. 1:6, 2:1, 38:7, Ps. 29:1, 89:7, en geesten, 1Kon. 22:19, Hebr. 1:14, en heiligen, Ps. 89:6,8 [Ps. 89:5,7], Zach. 14:5, Job. 5:1, 15:15, Dan. 8:13, en wachters, Dan. 4:13,17,23, Er zijn verschillende soorten en klassen van engelen, die allen een eigen naam dragen. De wereld der engelen is even rijk als de stoffelijke wereld; evenals in deze allerlei schepselen zijn, die samen toch één geheel vormen, zo is het ook met de wereld der geesten. Het eerst wordt in de Schrift de klasse der cherubijnen genoemd. Ze treden in Gen. 3:24 op als bewakers van de hof. In tabernakel en tempel worden ze boven de Ark afgebeeld met aangezichten, die naar het verzoendeksel gekeerd zijn, en met vleugelen, die het verzoendeksel bedekken, Ex. 25:18v.; Ex. 37:8; 1Kron. 28:18, 2Chr. 3:14, Hebr. 9:5, en tussen welke de Here woont, Ps. 80:2 [Ps. 80:1], 99:1, Jes. 37:16. Als God nederdaalt naar de aarde, wordt Hij voorgesteld als te te rijden op de cherubim, 2Sam. 22:11, Ps. 18:11 [Ps. 18:10], Ps. 104:3; Jes. 66:15; Hebr. 1:7. In Ezechiël 1 en 10 komen zij voor onder de naam van twyx, vier in getal, in mensengedaante, elk met vier vleugels en en met vier aangezichten, nl. van een mens, leeuw, stier en arend; terwijl zij tenslotte in Op. 4:6v. als de vier zwa, elk met een aangezicht en ieder met zes vleugels, de troon Gods omringen en het drievoudig heilig zingen, dag en nacht. De naam Mybwrk wordt verschillend afgeleid, nu eens van k en br, en als velen (Hengstenberg), dan van bwkr wagen, of ook van Arab. beangstigen, dus z.v.a. gruwelijke wezens, meest echter van een stam, die grijpen, vasthouden betekent, cf. gruq1. Even groot verschil is er over de natuur der cherubs. Sommigen houden ze voor mythische wezens, anderen voor symbolische figuren, nog anderen voor krachten Gods in de schepping, of ook voor oorspronkelijke aanduiding van onweerswolken of stormen2. Maar in Gen. 3:24, Ezech. 1, Op. 4 worden zij toch duidelijk als levende en persoonlijke wezens voorgesteld; zelfs is de menselijke gedaante in hen overwegend, Ezech. 1:5. omdat zij echter wezens van buitengewone, menselijke kracht en heerlijkheid zijn, roept de Schrift de symbolische voorstelling te hulp, om ons enig denkbeeld te geven van hun geestelijke natuur. Ze worden getekend als zwa, in wie de macht en de sterkte Gods veel beter tot uitdrukking komt dan in de zwakke mens. Zij hebben de kracht van een stier, de majesteit van de leeuw, de snelheid van de arend en daarbij de rede van de mens. Op diezelfde eigenschappen wijzen de vleugelen, die zij dragen, en het zwaard, waarmee zij de Hof bewaren. Uit deze voorstelling, die geen afbeelding maar symbool is, blijkt, dat zij ook onder de engelen hooggeplaatste wezens zijn, die meer dan enige andere schepsel, de kracht, de majesteit, de heerlijkheid Gods openbaren en die daarom ook belast zijn met de taak, om bij de Hof van Eden, in de tabernakel en tempel en ook bij Gods nederdaling ter aarde te waken voor Zijn heiligheid3. Voorts worden in Jes. 6 de Mykrs vermeld, waarschijnlijk van de Arab. stam sarufa, nobilis fuit, die daar ook symbolisch worden voorgesteld in menselijke gedaante maar met zes vleugels, waarvan twee dienen tot bedekking van het aangezicht, twee tot bedekking der voeten en twee tot het snel uitvoeren van Gods bevelen. In onderscheiding van de cherubim, staan zij als dienaren rondom de Koning, die zit op Zijn troon. bezingen Zijn eer en wachten op Zijn bevelen. Serafim zijn de edelen, cherubim zijn de krachtigen onder de engelen; deze waken voor de heiligheid Gods, geen bedienen het altaar en brengen de verzoening aan. Tenslotte komen bij Daniël nog twee engelen met eigennamen voor nl. Gabriël, Dan. 8:16, 9:21, en Michaël, Dan. 10:13,21; 12:1, die beiden in afwijking van vele vroegere en latere uitleggers, zoals de van de Honerts, Burman, Witsius, Hengstenberg, Zahn e.a. voor geschapen engelen te houden zijn en niet met de Zoon van God vereenzelvigd mogen worden4. Ook volgens het Nieuwe Testament zijn er verschillende klassen van engelen. De engel Gabriël treedt op in Luk. 1:19,26. Michaël komt voor Judas 9, Op. 12:7, 1Thess. 4:16. En voorts is er onder de engelen sprake van arcai, exousiai, Ef. 3:10, Col. 2:10, kuriothtev, Ef. 1:21, Col. 1:16, uronoi, Col. 1:16, dunameiv, Ef. 1:21, 1Petr. 3:22, die allen op een onderscheid in rang en waardigheid onder de engelen wijzen, terwijl tenslotte in de Openbaring van Johannes telkens zeven engelen zeer duidelijk op de voorgrond treden, Openb. 8:2,6; 15:1 enz. Daarbij komt nog, dat het getal der engelen zeer groot is. De naam Tzebaoth, Mahanaïm, Gen. 32:1-2, legioenen, Mt. 26:53 en heirleger, Luk. 2:13, en de getallen van duizend maal duizenden wijzen dit aan, Deut. 33:2, Ps. 68:18, Dan. 7:10, Hebr. 12:12, Judas 14, Op. 5:11, 19:14.

Zulk een groot getal eist vanzelf reeds onderscheid van orde en rang, en te meer, omdat de engelen niet als de mensen in familieverhoudingen tot elkaar staan en dus in zover veel meer aan elkaar gelijk zijn. De Schrift leert dan ook duidelijk, dat er onder de engelen allerlei onderscheid is, van rang en stand, van waardigheid en dienst, van ambt en eer, zelfs van klasse en soort. Deze schone, rijke gedachte van verscheidenheid in de eenheid mag niet prijs gegeven worden, ook al is ze door de Joden en door de Roomsen op fantastische wijze uitgewerkt. De Joden maakten allerlei onderscheid tussen de engelen5. In de christelijke kerk bleef men eerst bij de gegevens der Schrift, staan6. Augustinus zei nog niet te weten, hoe de societas der engelen geordend was7. Maar Pseudodionysius gaf in zijn geschriften de coelesti en de ecclesiastica hierarchia een schematische indeling. Uitgaande van de gedachte, dat God bij de schepping als het ware uit Zijn Eenheid in de veelheid is uitgetreden, leert hij, dat alle dingen van God uitgaan in steeds dalende reeks en zo weer successief tot Hem terugkeren. God is het middelpunt, de schepselen scharen zich peripherisch om Hem heen. Er is een hiërarchie der dingen. Zodanige hiërarchie is er tweeërlei, een hemelse en een kerkelijke. De hemelse wordt gevormd door drie klassen van engelen. De eerste en hoogste klasse dient uitsluitend God; zij omvat de serafim, die onophoudelijk het Goddelijke Wezen beschouwen; de cherubim, die Zijn raadsbesluiten bepeinzen; en de tronen, die Zijn gerichten aanbidden. De tweede klasse dient heel de zichtbare en onzichtbare schepping; zij omvat de heerschappijen, die ordenen, wat naar Gods wil geschieden moet; de machten, die het beslotene uitvoeren, en de krachten, die het ten einde brengen. De derde klasse dient de aarde, de enkele mensen en volken; zij omvat de vorsten, die het algemene welzijn der mensen bevorderen, de aartsengelen, die de bijzondere volken leiden en de engelen, die voor de enkele mensen waken. Van die hemelse hiërarchie is de kerkelijke een beeld, in haar mysteries (doop, eucharistie, ordinatie), organen (bisschop, priester, diaken) en leken (catechumenen, christenen, monniken). En heel deze hiërarchie heeft haar oorsprong en hoofd in Christus, de mens geworden Zoon Gods, en haar doel in de deïficatie. Deze indeling van Pseudodionysius, die de hiërarchie in hemel en op aarde doet kennen als de intieme gedachte van het Roomse systeem, vond een vruchtbare bodem en werd algemeen aangenomen8.

Er wordt nu in de Schrift ook wel duidelijk een onderscheid en rangorde der engelen geleerd. Ten onrechte menen sommigen, dat met de verschillende namen altijd dezelfde engelen worden bedoeld, alleen van verschillend gezichtspunt uit beschouwd9. Zelfs dient erkend, dat deze rangorde in de Protestantse theologie niet genoeg tot haar recht is gekomen. Er is rang en orde onder die duizenden wezens. God is een God van orde in al de gemeenten, 1Cor. 14:33,40. De wereld der geesten is niet minder rijk en schoon dan de wereld der stoffelijke wezens. Maar de hiërarchie der Roomse leer gaat ver boven de openbaring Gods in Zijn Woord uit. Zij werd daarom door de Protestanten eenstemmig verworpen10. En evenzo werden alle berekeningen van het getal der engelen ijdel en onvruchtbaar geacht; zo bv. die van Augustinus, die het getal der engelen na sommiger val liet aanvullen door de predestinati homines11; of van Gregorius, die meende dat er evenveel mensen behouden werden als er engelen staande gebleven waren12; of van Willem van Parijs, die het getal der engelen oneindig noemde; of van Hilarius en vele anderen, die op grond van Mt. 18:12 meenden, dat het getal der mensen tot dat der engelen stond als één tot negen en negentig13; of van G. Schott, die het getal der engelen stelde op duizend maal duizend millioen14. En evenzo liet men zich weinig in met de vraag, of de engelen onderling ook in wezen en soort, essentia en specie, verschilden; Thomas leerde dit beslist15, maar de kerkvaders zijn meest van een ander gevoelen16. Hoe velerlei onderscheid er ook onder de engelen moge bestaan, de Schrift gaat hier niet op in en biedt slechts enkele gegevens. Ten opzichte van ons treedt veel meer de eenheid dan de verscheidenheid op de voorgrond; zij hebben allen een geestelijke natuur, heten allen gedienstige geesten, en vinden allen hun voornaamste werkzaamheid in de verheerlijking Gods.

1 Delitzsch, Comm. op Gen. 3:24 en Ps. 18:11 [Ps. 18:10].

2 Smend, Altt. Rel. 21 v.

3 Dr. Joh. Nikel, Die Lehre des A.T. über die Cherubim und Seraphim, Breslau 1890.

4 W. Lueken, Michaël, eine Darstellung u. Vergleichung der jüd. u. der morgenl. -christl. Tradition. Göttingen 1898.

5 Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. 161 v.

6 Irenaeus, adv. haer. II 54. Origenes, de princ. I 5.

7 Augustinus, Enchir. 58.

8 Damascenus, de fide orthod. II 3. Lombardus, Sent. II dist. 9. Thomas, S. Theol. I qu. 108. Petavius, de angelis lib. II. Oswald, Angelologie 57 v.

9 Hofmann, Schriftbeweis I 301.

10 Calvijn op Ef. 1:21. Voetius, Disp. I 882 v. Rivetus, Op. III 248 v. Quenstedt, Theol. I 443. 450. Gerhard, Loc. V c. 4 sect. 9.

11 Augustinus, Enchir. 29. de civ. Dei XXII c. 1. Anselmus, Cur Deus homo I 18.

12 Verg. Lombardus, Sent. II 9.

13 Verg. Petavius, de angelis I 14.

14 Bij Busken Huet, Het Land van Rembrandt II 2. 37.

15 Thomas, S. Theol. I qu. 50 art. 4.

16 Damascenus, de fide orthod. II 3. Petavius, de angelis I 14. Voetius, Disp. V 261.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept