Wijsbegeerte der openbaring The Philosophy of Revelation

X.

X.

Openbaring en Toekomst.

Revelation and the Future*

232 Ofschoon de Christelijke religie principiëel niet vijandig tegen de cultuur overstaat, zoo is het toch voor geene ontkenning vatbaar, dat zij aan alle goederen van dit aardsche leven eene ondergeschikte waarde toekent. Tegen de gerechtigheid van het koninkrijk der hemelen, tegen de vergeving der zonden en het eeuwige leven in de gemeenschap met God weegt de gansche wereld niet op. In dit opzicht staat zij tegen de wereldbeschouwing van den modernen mensch lijnrecht over en is zij zelfs tot eene transactie noch bereid noch geschikt. Er is tusschen beide niet minder dan de vraag naar het hoogste goed voor den mensch in geschil.

270 Although the Christian religion is not at enmity with culture in principle, still there is no gainsaying that it attributes only a subordinate value to all the possessions of this earthly life. The value of the whole world is not so great as that of the righteousness of the kingdom of heaven, the forgiveness of sins, and eternal life in fellowship with God. In this respect the Christian religion is in direct opposition to the view of the world taken by the modern man, and is neither prepared nor fitted for compromise with it. The question between them concerns no less than the highest good for man.

Daarom klaagt men het Christendom heden ten dage niet alleen daarvan aan, dat het in het verledene de cultuur veeleer tegengehouden dan bevorderd heeft en ook in den tegenwoordigen tijd tegenover haar eene afwerende en vijandige houding aanneemt; maar men gaat verder voort en beweert, dat het zijn tijd heeft gehad en ook in de toekomst geen factor in de ontwikkeling kan zijn. Als de moderne cultuur voortgang hebben zal, dan moet zij zich geheel aan den invloed van het Christendom onttrekken en op àl hare terreinen met de oude wereldbeschouwing ten eenenmale breken. Er moet een „Kulturkampf" in het leven geroepen worden, waarbij die van Bismarck tegen de Jezuïten maar kinderspel was. Want het Christendom is in zijn wezen en 233 dus ook in alle vormen, welke het in de verschillende belijdenissen heeft aangenomen, op het Jenseits, op den hemel, op God gericht; het trekt een wissel op de eeuwigheid, die misschien nooit gehonoreerd zal worden, en maakt de menschen voor dit leven onverschillig; het prikkelt niet tot activiteit, maar prijst geduld, lijdzaamheid, gehoorzaamheid, vergenoegdheid als de hoogste deugden aan.

Therefore not only is Christianity accused to-day of rather opposing than furthering culture in the past, and of adopting towards it at the present day a repellent and hostile attitude, but men go further and declare that it has had its time, and cannot be a factor in the development of the future. If modern culture is to advance, it must wholly reject the influence of Christianity, and break completely with the old world-view. There must be inaugurated a Kulturkampf, compared to which that of Bismarck against the Jesuits was child's play. For Christianity in its essence, and consequently in all the forms which it has adopted in its several confessions, is always occupied with such supernatural subjects as eternity, heaven, God, etc.; it gives a bill of exchange for the life hereafter, which perhaps will never be honored, and 271 makes men indifferent to this life; it does not stimulate to activity, but recommends as the highest virtues, patience, forbearance, obedience, and contentment.

Daarentegen is de tegenwoordige eeuw geheel en al „diesseitig"; zij gelooft niet meer aan de onzienlijke dingen, maar rekent alleen nog met die, welke zienlijk en tijdelijk zijn. De teleurstelling van de Fransche Revolutie bracht in Europa onder de Napoleontische heerschappij eene algemeene, diepe verslagenheid. Maar de druk spande de veerkracht. Toen het uur der vrijheid sloeg, ontwaakte de menschheid tot een nieuw leven, en ging zij met ongekenden moed aan den arbeid. Hare energie werd bekroond en tevens gesterkt door de schitterende overwinningen, welke zij behaalde in wetenschap en techniek, in maatschappij en staat. In de ontdekkingen en uitvindingen, en hare toepassing op het leven werd aanschouwd, wat de mensch door zijne kracht en zijn arbeid vermocht. In een vijftig jaren tijds werd als het ware de menschheid herboren en het gelaat des aardrijks vernieuwd. Wat de voorouders in vroegere eeuwen, wat zelfs het voorafgaand geslacht niet had durven denken of droomen, dat was thans in de werkelijkheid tot stand gekomen. De menschheid stond over haar eigen scheppingen verbaasd.

The present century, on the contrary, is wholly diesseitig; it believes no longer in unseen things, but reckons only with those which are seen and temporal. After the disappointment caused by the French Revolution, a deep, general dejection reigned in Europe under the Napoleonic regime. But oppression occasioned a rebound. When the hour of liberty struck, humanity awoke to a new life and went to work with unimagined courage. Its energy was crowned, and at the same time increased, by the brilliant successes which were achieved in science and technic, in society and state. Discoveries and inventions, with their application to life, showed what man could accomplish by his skill and labor. Within half a century humanity was, as it were, reborn, and the surface of the earth was renewed. What the forefathers in former ages, what even the preceding generation had not dared to think or dream of, now came to pass in reality. Humanity stood amazed at its own creations.

In dezelfde mate, als het zelfvertrouwen wies, nam althans in vele kringen het vertrouwen op God, het geloof aan het wonder, het besef van ellende, de drang tot het gebed, de behoefte aan verlossing af. Kant had het stoute woord gesproken: du sollst, also du kannst; en de menschheid, die in de negentiende eeuw ten tooneele verscheen, nam dit woord over. Zij nam een drang, een wil, een kracht, een plichtsbesef, een „Sollen" in zich waar, om heel de wereld te hervormen, en met dien drang voelde zij in zich de kracht ontwaken en een onweerstaanbaren lust, om aan den arbeid te gaan. De moderne mensch voelt zich geen ellendig schepsel meer, dat van zijne oorspronkelijke 234 bestemming is afgevallen, en hij ziet in de aarde geen tranendal meer, dat voor het oorspronkelijke paradijs in de plaats is getreden, maar hij kan zich niets meer verwonderends voorstellen dan deze kunstige wereld, die zich uit de kleinste aanvangen ontwikkeld heeft en als hoogtepunt harer ontwikkeling den rijken, machtigen mensch heeft voortgebracht. 1 Hij is in zijn eigen schatting geen schepsel bloot, maar een schepper „a creator and redeemer of himself and society." 2 Meer en meer wordt hij zijn eigen Voorzienigheid. 3 En hij is en wordt dat door zijn arbeid; want „labour is creation". Door den arbeid zijn menschen goddelijk en worden zij steeds meer God gelijkvormig. Arbeid moet daarom worden de grondslag van godsdienst en moraal en de grondslag ook van de gansche moderne maatschappij. 4 Wel werd ook vroeger, buiten en binnen de grenzen van het Christendom, de arbeid als van groote zedelijke waarde beschouwd; maar er werd nog geen systeem van moraal op gebouwd, noch door de Grieken, die den arbeid verachtten, noch door de Christenen, die in dit leven voornamelijk eene voorbereiding voordeeeuwigheid zagen, noch ook door die nieuwere moralisten, die de zedeleer afleiden uit het subject, uit den kategorischen imperatief. Maar wij zien, dat de ethiek bij mannen als Jhering, Wundt, Höffding, Paulsen, Spencer, Sigdwick meer en meer een deel der sociologie wordt en in den arbeid voor zichzelf en voor anderen de roeping en bestemming des menschen ziet. Arbeid immers verzoent de egoistische en sociale instincten en neemt heel het menschelijk leven in beslag. 5 Arbeid is de „Sinn des Daseins". 6

In the measure in which self-confidence grew, confidence in God, belief in miracles, consciousness of misery, the urgency of prayer, and longing for redemption decreased, at least in many circles. Kant had boldly spoken the word, — du sollst, also du kannst, — and the humanity which trod the stage of the nineteenth century adopted this motto. It perceived in itself a necessity, a will, a power, and an obligation to reform the world; and with this pressure it felt its strength awaken, and an irresistible desire to set to work. The modern man no longer feels himself a miserable creature, who has fallen from his original destiny, and no longer regards the earth 272 as a vale of tears, which has taken the place of the original paradise. He can conceive nothing more wonderful than this beautiful world, which has evolved itself from the, smallest beginnings and has reached its highest point of development in grand and mighty man. 1 He is in his own estimation no mere creature, but a creator and redeemer of himself and society. 2 More and more he becomes his own providence. 3 And he is so, and becomes so through his work, for labor is creation. By labor men are divine, and become continually more godlike. Labor must therefore be the foundation of religion and morality, and also of the entirety of modern society. 4 In earlier times, no doubt, both outside and within the bounds of Christianity, labor was estimated as of great moral value, but there was nevertheless no system of morals built upon it, either by the Greeks, who despised labor, or by the Christians, who considered this life as a special preparation for eternity, or yet by the new moralists, who deduce the moral law from the subject, that is, from the categorical imperative. But among such men as Ihering, Wundt, Höffding, Paulsen, Spencer, and Sidgwick, we see ethics becoming more and more a section of sociology, which perceives in labor for himself and for others the calling and destiny of man. For labor reconciles the egoistic and social instincts and takes into captivity the whole human life. 5 Labor is “the meaning of our existence." 6

Deze ontwaking der menschelijke energie weerspiegelt zich in de wereldbeschouwing, welke thans in de sterkste sympathie zich verheugt. Tot dusver lag de gansche wereld aan absolute begrippen vastgeklonken, aan substantie en wezen, geest en stof, ziel en vermogens, ideeën en normen; maar thans is alles anders geworden; daar is niets vast, onveranderlijk, blijvend meer; er is geen status quo, maar alleen eene eeuwige onbestendigheid. 7 Physica en chemie dematerialiseeren zich en zoeken haar grondslag in zuiver mathematische verhoudingen; de psychologie heeft 235 met de substantie en de vermogens der ziel afgerekend en weet alleen nog van psychische verschijnselen; logica, ethiek en aesthetica onttrekken zich aan de heerschappij van vaststaande, apriorische normen, en zoeken zich psychologisch en sociologisch op te bouwen; de atomistische wereldbeschouwing maakte in de laatste jaren voor de energetische plaats; en het absolute wordt niet als een zijn, maar alleen nog als een worden opgebouwd; „will is the real substance of the world". 8 Terwijl Cartesius zijn cogito ergo sum tot beginsel der philosophie verhief, laat de nieuwe wereldbeschouwing haar moveo ergo fio hooren; vivere is thans niet meer cogitare, maar velle; in één woord, de moderne wijsheid laat zich samenvatten in deze korte spreuk van Proudhon: affirmation du progrès, négation de l'absolu. 9

This awakening of human energy is reflected in the world-view which now receives the strongest sympathy. Till now the whole world was riveted to absolute conceptions, such as substance and essence, spirit and matter, soul and faculties, ideas and norms. But now everything is changed; there is nothing firm, unchangeable, steadfast; 273 there is no status quo, but only an eternal movement. 7 Physics and chemistry dematerialize themselves, and seek their foundations in pure mathematical proportions; psychology has closed the account with substance and the faculties of the soul, and only reckons with psychical phenomena; logic, ethics, and aesthetics withdraw themselves from the government of fixed aprioristic norms, and seek to build themselves up on psychology and sociology; the atomistic world-view has given way in late years to the energetic, and the absolute is no longer considered as a being, but only as a becoming; “will is the real substance of the world." 8 If Descartes pronounced his cogito ergo sum as the principle of philosophy, the new world-view proclaims her moveo ergo fio; vivere is now no longer cogitare, but velle; in a word, modern wisdom can be summed up in this short epigram of Proudhon : Affirmation du progrès, négation de l'absolu. 9

Gelijk deze wereldbeschouwing met het moderne leven in verband staat, zoo werkt zij op hare beurt wederom op het leven in en geeft er richting en leiding aan. De eeuw, in welke wij leven, onderscheidt zich van alle voorafgaande ook door hare rustelooze bedrijvigheid, door de exploitatie van alle physische en psychische krachten, en tegelijkertijd door de zucht, om door het kleinst mogelijke krachtsverbruik de grootst mogelijke resultaten te verkrijgen. 10 De werkzaamheden der menschen bewegen zich in de meest uiteenloopende richtingen, en hunne bezigheden kruisen zich ieder oogenblik, zoodat niemand ze alle overzien en er zich voldoende rekenschap van geven kan. En toch is het, alsof al die menigvuldige en veelzijdige arbeid, die er heden ten dage door de menschen onder de zon geschiedt, door één geest wordt bezield, door één streven wordt geleid en aan één doel wordt dienstbaar gemaakt, aan de verbetering n.l. van het menschelijk geslacht. Want al leeft men in een land van overvloed, er blijft toch een verlangen naar rijker en duurzamer geluk; ofschoon het Diesseits het eenige „tehuis" van den mensch wordt genoemd, men zoekt toch hierbeneden nog altijd naar eene andere en betere woning. En zoo ontbreekt het niet aan hervormers, die met ernst hebben nagedacht over de ellenden des levens, en wegen en middelen aanprijzen tot verlossing niet alleen, maar ook tot volmaking der menschheid. 236

As this world-view is a precipitate of modern life, so in its turn it influences that life and gives it direction and guidance. The century in which we live is distinguished from all preceding ones by its restless activity, by its exploitation of physical and psychical forces, but at the same time also by its endeavor to obtain the greatest possible results from the smallest possible expenditure of power. 10 The activities of men move in the most divergent directions, and cross each other every moment, so that nobody can obtain a clear view or give a complete account of them. And yet it seems as if all this manifold and many-sided labor accomplished to-day by men under the sun, is animated by one spirit, is directed by one aim, and is made serviceable to one end, namely, the improvement of the human race. Men live to-day in a land of abundance, but there still remains 274 a longing for a richer and more durable happiness. This earthly life is confidently declared the sole home of man; yet men seek even here below another and better dwelling. And therefore there are not wanting reformers who earnestly reflect on the miseries of this life, and recommend ways and means not only for the deliverance, but also for the perfecting of humanity.

In de eerste plaats komt daarvoor de poging in aanmerking, om op kunstmatige wijze de raseigenschappen van het menschelijk geslacht te verbeteren. De individuën komen op als kleine, onzelfstandige golven uit een oneindigen oceaan van zijn, maar zijn toch allen toegerust met vrije, werkzame krachten. Zij moeten daarom niet lijdelijk berusten in de routine der natuur en zich zelven niet moedeloos maken door de gedachte, dat de mensch eeuwig dezelfde blijft en voor geene verbetering en volmaking vatbaar is. Wel draagt de Christelijke religie in hare leer van de erfzonde zulk eene troostelooze beschouwing voor; maar het dogma, dat de mensch radicaal bedorven is, door Christus gered moet worden en nooit door eigen kracht heilig en zalig kan worden, is dan ook het demoraliseerendste van alle Christelijke geloofsartikelen en dient met alle kracht bestreden en uitgeroeid te worden. En in plaats daarvan moet treden de troostvolle belijdenis, dat de mensch nog altijd in wording is; hij verhief zich reeds hoog boven het dier en beweegt zich verder voort in de richting van den „Uebermensch". Het evolutieproces, waarvan wij in heel de wereld getuigen zijn, streeft niet alleen voorwaarts, maar ook opwaarts, het licht, het leven, den geest te gemoet. 11 Het komt er slechts op aan, dat de mensch dit proces begrijpe en actief er deel aan neme; hij moet zijne verantwoordelijkheid er voor gevoelen, of dit proces ook bij den mensch door zal gaan en door hem heen aan een hooger type van wezens het aanzijn zal schenken. Het schijnt, dat de physische ontwikkeling van den mensch, althans wat den grondvorm aangaat, haar einde heeft bereikt; maar des te meer is thans de geestelijke ontwikkeling aan de orde, de bewuste, opzettelijke, planmatige arbeid van den mensch aan zijne eigene volmaking. En daartoe behoort in de eerste plaats, de rasverbetering, de veredeling van het menschelijk geslacht.

In the first place, there is being made an attempt, which should be remarked, to improve the racial qualities of mankind in an artificial way. Individuals follow one another like small, unsubstantial waves from an unlimited ocean of being, but are all nevertheless equipped with free and active powers. They must therefore not be passive in the routine of nature, and must not lose heart from the thought that man remains eternally the same and is capable of no improvement or perfecting. The Christian religion may offer in its doctrine of the inheritance of sin such a comfortless view; but this dogma, that man is radically corrupt, must be saved by Christ, and can never become holy and happy by his own power, is the most demoralizing of all the articles of the Christian faith, and ought to be opposed and eradicated with determined strength. In its place must come the comforting conviction that man is still always becoming; he has already raised himself above the animal, and is moving in the direction of the Uebermensch. The evolutionary process, of which we have evidence all over the world, presses on not only forward, but also upward, to meet the light, the life, the spirit. 11 It is only necessary that man understand this process, and take an active part in it; he must feel his responsibility for the carrying of the process through by man, and for its advancing through him to a higher type of being. It seems as if the physical development 275 of man has reached its end, at least so far as its basal structure is concerned; but all the more necessary now is the spiritual development, that is, the conscious, intentional, systematic work of man towards his own perfecting. And to this belongs in the first place the improvement and ennobling of the human race.

Nu staan wij echter voor het feit, dat, zooals Karl Pearson het uitdrukt, „the mentally better stock in the nation is not reproducing itself at the same rate as it did of old; the less able and the less energetic are more fertile than the better stock." 12 En dat niet alleen; maar de wetgeving laat in alle landen, behoudens enkele bepalingen over den leeftijd en de verwantschapsgraden, 237 het huwelijk volkomen vrij, zoodat het mogelijk is, dat allerlei zwakke, kranke, ongeneeslijke en gedegenereerde menschen zich met elkander in den echt verbinden, aan ongelukkige kinderen het aanzijn schenken en alzoo de voortgaande verbastering van het menschelijk geslacht in de hand werken. Dat er zulk eene ontaarding plaats grijpt, kan door niemand worden ontkend. Terwijl de hygiène haar best doet, om de zwakken zoo lang mogelijk in het leven te behouden, wordt het aantal dier zwakken door de volkomen vrije huwelijken voortdurend vermeerderd. Weismann moge beweren, dat eigenschappen, die gedurende het leven verworven zijn, niet overerven; het feit staat toch vast, dat de physische en psychische gesteldheid der ouders op de kinderen invloed heeft. Krankzinnigheid en misdaad, tuberculose en alcoholisme en allerlei venerische ziekten nemen onder alle volken toe, bezorgen aan hospitalen en gevangenissen een voortdurend stijgend aantal van lijders en leggen op de gemeenschap een last, welken zij op den duur niet zal kunnen dragen. Daarom is het plicht, aan het huwelijk en aan de personen, tusschen wie het gesloten wordt, de grootst mogelijke aandacht te wijden.

But now we are faced by the fact that, as Karl Pearson expresses it, “the mentally better stock in the nation is not reproducing itself at the same rate as it did of old; the less able and less energetic are more fertile than the better stock." 12 And that is not all; but in all lands the law allows, apart from certain limitations of age and cousanguinity, complete freedom to marriage, so that it is possible for all kinds of weak, sick, incurable, and degenerate people to be united in marriage and to give birth to unfortunate children, and in this way to promote the steady deterioration of the human race. Nobody can deny that such a deterioration takes place. While hygiene does its best, on the one side, to prolong the life of the weak as much as possible, the number of these weak beings is continually increasing by the complete freedom of marriage. Weismann may assert that propensities which are acquired during life are not inherited, but the fact still remains that the physical and psychical condition of the parents influences that of the children. Insanity and crime, tuberculosis and alcoholism, and all kinds of venereal diseases are increasing among all nations; increasing numbers of inmates are sent to hospitals and prisons; and all this lays on the community a burden which in the long run it will not be able to bear. Therefore it is our duty to devote the greatest possible attention to marriage, and to the people between whom it is concluded. 276

Daartoe is voor alle dingen noodig, dat de acte der generatie in hare eere wordt hersteld. Het ascetische Christendom heeft er den stempel der onreinheid op gedrukt, en de menschheid zal daarom ook nooit beter worden, door tot dezen godsdienst terug te keeren. Maar ze zal het pad der zelfvolmaking eerst inslaan, als zij aan alle ascese den rug toekeert en opwast tot de heiligheid der generatie. De geslachtsgemeenschap is geene onreine handeling, maar een heilig sacrament, en alle ontvangenis is onbevlekt. Waarachtige vooruitgang komt er dus eerst, als de cultuurmenschheid terugkeert tot de klassieke vereering van de sterkte en schoonheid des lichaams, en den antieken eerbied weer opvat voor de goddelijkheid der voortplanting. 13

In the first place, it is necessary that the act of propagation be restored to honor. Ascetic Christianity has imprinted the stamp of impurity on it, and humanity therefore will never become better by returning to this mode of thought. But it will enter the path of self-perfecting when it turns its back on all asceticism and comes to understand the holiness of propagation. The act of generation is not impure, but a holy sacrament, and all conception is immaculate. True progress will come when humanity returns to the classic honoring of the strength and beauty of the body and regains the old respect for the divinity of propagation. 13

Maar met dit eereherstel van het geslachtsleven moet eene ernstige studie gepaard gaan. De „Eugenics", waarvoor Francis Galton reeds sedert het jaar 1883 ijverde en niet lang geleden een „research fellowship" stichtte aan de universiteit te Londen, moet eene wetenschap worden, die alwat de geslachtsgemeenschap en 238 de overerving betreft aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpt en de wetten tracht op te sporen, waardoor deze beheerscht worden. Thans is dit onderzoek nog niet zoover voortgeschreden, dat er eene vaststaande conclusie uit af te leiden en eene wetgeving op te bouwen valt. Maar toch kan de publieke opinie alvast in deze richting geleid, en op eene nieuwe huwelijkswetgeving voorbereid worden; en de staat kan er in elk geval reeds een aanvang mede maken, om medisch onderzoek vóór het huwelijk verplicht te stellen en in bepaalde ernstige gevallen het huwelijk te verbieden en het verwekken van ongelukkige kinderen te voorkomen. De kunstmatige teelt bij planten en dieren bewijst, hoe rassen en soorten daardoor veredeld kunnen worden; toegepast op het menschelijk geslacht, zal. zij in hooge mate bijdragen tot zijn welvaart en bloei. 14

But with this restoration to honor of the propagation of the race earnest investigation must be combined. The science of “eugenics," which was already inaugurated by Francis Galton in 1883, and for which he not long ago founded a research-fellowship at the University of London, must become a science which subjects to exact inquiry everything that bears upon propagation and heredity, and endeavors to discover the laws by which these are governed. Such an inquiry has not yet been prosecuted far enough to warrant the deduction of conclusions on which legislation might be founded. But public opinion can be instructed, and the way for new legislation respecting matrimony may be prepared, and the state can at any rate begin to make medical inquiry obligatory before marriage, forbid marriage in definite serious cases, and so prevent the birth of unfortunate children. Artificial selection shows how genera and species may be modified among plants and animals; if this selection is applied also to the human race, it will promote its well-being and improvement in the highest degree. 14

In nauw verband met deze veredeling van het menschelijk geslacht door kunstmatige teeltkeus staat de poging, om door eene radicale hervorming der opvoeding aan de volmaking der menschheid te arbeiden. Daarbij bestaat er over het plan der nieuwe opvoeding nog wel velerlei verschil van gevoelen. Er zijn er, die van de volkomen gelijkheid van man en vrouw uitgaan, het vrije huwelijk en de vrije liefde voorstaan, en de opvoeding liefst zoo spoedig mogelijk na de geboorte zouden willen onttrekken aan het huisgezin en opdragen aan de gemeenschap. En daar zijn anderen, die juist integendeel de vrouw in ieder opzicht van den man onderscheiden achten en haar in den rang van moeder en opvoedster harer kinderen gehandhaafd en hersteld willen zien. Volgens hen stelt de biologie en de anthropologie in het licht, dat de vrouw, die in heel haar physische en psychische ontwikkeling veel dichter bij het kind blijft staan dan de man en meer dan deze door instinct, intuïtie en gevoel leeft, door dit alles ook eene veel betere vertegenwoordigster en draagster van het menschenras is; ze is meer „reminiscent of the past", meer „prophetic of the future" en daarom aan den man superieur. In de nieuwe philosophie der sexe, waarvan de biologische psychologie reeds droomt, zal de vrouw en de moeder in het midden der wereld, „at the heart of a new world", komen te staan, object worden „of a new religion and almost of a new worship". De 239 moeder is het kostbaarste deel des volks, en moet daarom in de toekomst van alle andere zorgen dan die van het moederschap ontslagen, en door staat en maatschappij met den hoogsten eerbied behandeld worden. 15

In close alliance with this attempt to ennoble the 277 human race by artificial selection is the effort which is making for the perfecting of humanity by a radical reform in education. Many opinions exist as to the nature of such a new education. Some accept in principle the perfect equality of man and woman, defend free marriage and free love, and would withdraw education as early as possible from the family and delegate it to the community. Others, on the contrary, esteem the woman in every respect distinct from man, and wish to maintain and re-establish her in the ro1e of mother and educator of her children. According to these, biology and anthropology prove that woman, who, in her whole physical and psychical development is much more closely allied to the child than man, and lives by instinct, intuition, and feeling more than he, is on this very account a much better representative and supporter of the human race; she is more “reminiscent of the past," more “prophetic of the future," and therefore superior to man. In the new philosophy of sex, of which biological psychology already dreams, the woman and the mother will stand “at the heart of a new world," become the object “of a new religion, and almost of a new worship." The mothers are the most valuable portion of the people, and must therefore be liberated in the future from all other cares than those of motherhood, and be treated by state and society with the highest honor. 15

Maar welk verschil zich hierover en over andere punten onder de reform-paedagogen moge voordoen, allen zijn het er over eens, dat de bestaande opvoeding geheel veranderd en op een nieuwen wetenschappelijken grondslag moet opgebouwd worden. De opvoeding is van veel te groot belang voor de toekomst der menschheid, dan dat ze aan willekeur of toeval mag worden overgelaten. Eigenlijk is de opvoeding „man's chief problem and the home, school, state and church are valuable exactly in proportion as they serve it"; ja „the highest criterion of pure science is its educative value". 16 En de wetenschap, welke der opvoeding tot beginsel en grondslag moet dienen, is de genetische psychologie. Deze toch leert ons, dat de mensch langzamerhand uit het dier is voortgekomen en in zijne ontwikkeling als embryo en zuigeling, als kind en knaap en jongeling de verschillende stadiën van de phylogenese herhaalt. De ziel van den mensch is dus niet, maar zij is geworden en nog altijd wordende; zij staat niet op zichzelve, maar is aan die der dieren en planten en in alle schepselen verwant; zij wortelt diep in het verleden, evenals de boom in den grond, is het product van eeuwenlange overerving en kan en moet dus uit de geschiedenis van het menschelijk geslacht worden begrepen en verklaard. Wij zullen nooit waarlijk onszelven kennen, voordat wij de ziel der dieren kennen en voornamelijk van die, welke in de lijn van onze afstamming liggen. 17

But whatever difference of opinion on this or similar points may exist among the reformers of pedagogy, all agree that education requires radical changes and must be built up anew on a scientific basis. Education is of far too great importance for the future of humanity to be abandoned to caprice or chance. Education is “man's chief problem, and the home, school, state, and church 278 are valuable exactly in proportion as they serve it," yea, “the highest criterion of pure science is its educative value." 16 And the science which must be the principle and foundation of education is genetic psychology. This teaches us that man has slowly risen from the animal, and repeats in his development as embryo and suckling, as child and boy and youth, the different stages of phylogeny. The, soul of man is thus not complete, but as it has become, so is it still becoming; it does not stand alone, but is cognate with the souls of the animals and plants and all creatures; it strikes its roots deeply into the past, as the tree does into the ground, is the product of an immemorial heredity, and can and must be conceived and explained by the history of the human race. We shall never really know ourselves until we know the soul of the animals, and especially that of those which are in the line of our descent. 17

Wie met deze les der evolutie rekening houdt, komt spoedig tot het inzicht, dat het tot dusver gehuldigde stelsel van opvoeding ééne groote dwaling is. Want hierbij lette men schier uitsluitend op de ziel van den mensch, en op hare toekomst hiernamaals. Men ging van ideeën, vaststaande normen, onveranderlijke begrippen uit en stelde zich dus voornamelijk ten doel, om maximen en dogmen in te prenten en het hoofd te vullen met voorstellingen en denkbeelden, die in strijd waren met de natuur en daarom nooit. geassimileerd konden worden. Deze opvoeding verwaarloosde 240 het lichaam, vermoeide de hersens, verzwakte de zenuwen, onderdrukte de oorspronkelijkheid, verslapte het initiatief en had ten gevolge, dat de kinderen, de school verlatende, nog alle zelfstandigheid misten en geen oog hadden om te zien en geen oor, om te hooren. Zij stonden volkomen vreemd tegenover het leven. En wat nog meer zegt, de opvoeding, welke tot dusver verschaft werd, bewees daarin vooral hare onmacht, dat zij altijd weer menschen opvoedde van dezelfde natuur en met dezelfde gebreken; zij roeide nog geene enkele zonde uit en bracht geene zedelijke verbetering aan. 18

He who takes into account the lesson of evolution quickly comes to the conclusion that the present-day system of education is one great error. Up to now men have given almost exclusive attention to the soul of man, and to its hereafter. They have taken their start from ideas, fixed norms, unchangeable conceptions, and have placed before themselves as their chief aim to implant maxims and dognias, and to fill the head with representations and ideas which are in opposition to nature, and can therefore never be assimilated. This education has neglected the body, fatigued the brain, weakened the nerves, suppressed originality, slackened initiation, and the consequence is that the children on leaving school have possessed no independence, and have had no eye to see and no ear to hear. They have been completely estranged from life; and what is of more importance, the education which has 279 alone been hitherto procurable has shown its incapacity, especially, in that during its continuance men have retained the same nature and the same defects; it has not eradicated a single sin or brought about any moral improvement whatever. 18

In stede daarvan moet een ander stelsel van opvoeding komen, dat in de allereerste plaats zich kenmerkt door eene eerbiediging van het kind. Terwijl tot dusver alles van buiten af en met gezag aan het kind werd opgelegd, behoort van nu voortaan het kind in het middelpunt te staan, in al zijne eigenaardigheid erkend en overeenkomstig zijne eigene individualiteit ontwikkeld te worden. Het is thans de eeuw van het kind. Het kind wordt goed geboren, want erfzonde is er niet; elk gebrek in het kind is slechts eene harde schaal, die de kiem van eene deugd bevat, en heeft dus niet op uitroeiing maar op leiding aanspraak. Van straf of dressuur of een breken van den wil mag gqen sprake zijn; als het kind op lateren leeftijd niet goed wordt, dan is het een slachtoffer van ouders en onderwijzers en valt op hen de schuld. Zij hebben zich te buigen voor de hoogheid van het kind; een kind is slechts een andere naam voor majesteit. 19

Instead of this a new system of education must be instituted which in the first place is to be characterized by an honoring of the child. The child has been hitherto governed peremptorily and from without, but in the future the child must be placed in the centre, must be considered in whatever peculiarity it may have, and must be developed according to its own individuality. It is now the era of the child. The child is born good, for there is no hereditary sin; every defect in the child is only a hard shell, which contains the germ of a virtue, which as such has the right not to be eradicated, but to be trained. There must be no question of punishment or breaking of the will; if the child is not good in later life, then it has been a victim of its parents and teachers, and upon them lies the guilt. They have to bow to the superiority of the child; a child is only another name for majesty. 19

Voorts moet in de opvoeding die groote hervorming aangebracht, dat zij van de school tot het leven, van de boeken tot de natuur, van de theologie en de philosophie tot de biologie terugkeert. In het leven van het kind staat de zinlijkheid, de natuur, het lichaam op den voorgrond. Voordat het bewustzijn ontwaakt en het verstand en oordeel zich vormt, is het kind drift, begeerte, beweging, wil. Vroeger zeide men, dat leven denken was, maar thans zien wij in, dat leven willen is. Wil is het wezen der wereld en de innerlijke natuur van den mensch; eerst leven, dan denken; eerst het natuurlijke, daarna het geestelijke. De spieren maken 43 percent van het gewicht van het menschelijk lichaam uit, en zijn de organen 241 van den wil en de scheppers van alle cultuur. De mensch is voor één derde verstand en voor twee derden wil. Dienovereenkomstig moet „the age of art" „the age of science" vervangen. Vóór alle dingen behoort het lichaam met al zijne leden en organen ontwikkeld te worden; handenarbeid, gymnastiek, sport en allerlei spelen dienen in de opvoeding eene breede, ja de voornaamste plaats in te nemen. Want kennis zonder meer levert een ernstig gevaar op; beter onkunde dan kennis, die niet de kracht van den mensch tot ontwikkeling brengt; „muscle-culture" is tegelijk „brainbuilding"; het kunnen moet met het kennen samengaan. 20

Further, this great reformation must be wrought in education, — it must return from school to life, from books to nature, from theology and philosophy to biology. In the life of the child sense, nature, and the body are, in the foreground. Before consciousness awakens, and intelligence and judgment are formed, the child is passion, desire, movement, will. Formerly men said that life was thought, but now we see that life is will. Will is the essence of the world, and the innermost nature of man; first life, then thought; first the natural, then the spiritual, The muscles make forty-three per cent of the weight of the human body, and are the organs of the will and the 280 creators of all culture. Man is one-third intelligence and two-thirds will. The “age of art" must thus take the place of the “age of science." The body with its members and organs ought to be developed before all things; manual labor, gymnastics, sports, and all kinds of play ought to take up a large, yes, the principal part in education. For mere knowledge. produces a serious danger; better ignorance than knowledge which does not develop the strength of man; “muscle-culture" is at the same time “brain-building"; power must accompany knowledge. 20

En wat de kennis aangaat, die op de verschillende scholen van onderwijs moet bijgebracht worden, de natuurwetenschappen dienen de plaats in te nemen, welke vroeger aan de zoogenaamde geesteswetenschappen, aan letteren en historie, aan theologie en philosophie werd ingeruimd. Zij moeten de grondslag van alle onderwijs en het gemeengoed aller beschaafden worden. Want ook de geesteswetenschappen laten zich tegenwoordig niet meer verstaan en met vrucht beoefenen, wanneer ze niet rusten op natuurwetenschappelijken grondslag. Zonder den mensch in zijne voorgeschiedenis te kennen, kunnen zij hare volle hoogte niet bereiken. Als zij in den laatsten tijd vooruitgegaan en tot vaste resultaten gekomen zijn, dan hebben zij dat te danken aan de toepassing dier methode, welke in de natuurwetenschap gebruikelijk is. Zoo is deze de onmisbare grondslag voor alle andere wetenschappen en daarmede verder ook voor alle cultuur. Geen mensch moest daarom tot eenig gewichtig ambt benoembaar zijn, tenzij hij zich vooraf eene degelijke kennis van de natuur verworven had. In één woord, de oude wereldbeschouwing moet in alle scholen van onderwijs voor de wereldbeschouwing van de ontwikkeling plaats maken. Dan alleen gaat de opvoeding eene schoone toekomst tegemoet, want de kennis der natuur heeft niet louter verstandelijke, maar ook groote practische, technische en ethische waarde. 21

As to the knowledge which must be communicated in the various schools of instruction, the natural sciences ought to take the place which was formerly given to the so-called spiritual sciences, literature, history, theology, and philosophy. The science of nature must form the groundwork of all teaching, and the common possession of all civilized people. For even the spiritual sciences can no longer be understood and practised with benefit, if they do not rest, on the basis of the science of nature. Without knowing man in his prehistoric life, they cannot attain their full development. If they have latterly advanced, and have reached assured results, they are indebted for this to the application of that method which is used in the sciences of nature. This, then, is the indispensable foundation for all other sciences and for all culture. Nobody ought to be nominated to any important office, therefore, or to be accepted as a member of parliament, or as a minister of the state, unless he has acquired a solid knowledge of nature. In a word, the old world-view must be replaced in all schools by the world-view of the doctrine of evolution. Then only will a great future stretch out before education, for knowledge of nature has not merely an intellectual, but also great practical, technical, and ethical value. 21 281

Maar ook bij eene verandering in het stelsel van opvoeding kan eene hervorming, die eene nieuwe aera voor het menschelijk geslacht wil openen, niet blijven staan. Indien die hervorming principiëel ook daarin bestaat, dat de oude wereldbeschouwing 242 door die der evolutieleer vervangen moet worden, dan is vernieuwing der opvoeding nog maar ééne enkele schrede op den langen weg en blijft er buitendien nog ontzaglijk veel te doen over. Want de oude wereldbeschouwing, dat is die conceptie van wereld en leven, welke zich uit en onder invloed van het Christendom gevormd heeft, is zoo innig met heel ons bestaan, met al ons denken en handelen, samengegroeid, dat de uitroeiïng ervan schier een hopeloos werk mag heeten en, indien ze gelukte, aan de menschheid zulk eene geweldige crisis bezorgen zou, dat niemand de gevolgen ervan ook maar bij benadering zou kunnen berekenen. Immers kerk en staat en maatschappij, godsdienst, zedelijkheid en recht, huwelijk, huisgezin en school, gewoonten en wetten, en de gansche cultuur, zijn, in weerwil van allerlei vreemde elementen, die er van elders ingedrongen zijn, op Christelijke grondslagen gebouwd en doortrokken van den Christelijken geest. Wie hier aan het zoogenaamd hervormen gaat, kan wel beginnen, maar hij weet niet waar hij eindigen zal, en heeft zeker van te voren de kosten niet overrekend. Desniettemin, als de hervorming dit principiëele karakter behoort te dragen, dan kan zij met eene verandering in het systeem der opvoeding zich niet. tevreden stellen, maar moet zij voortschrijden tot eene totale verbouwing der gansche maatschappij.

But a reformation which will usher in a new era for the human race cannot confine itself to a change in the system of education. If reformation must consist principally in replacing the old world-view by that of evolution, then educational reform is but a single step in a long road, and there remains a great deal to do. For the old world-view — that is, that conception of world and life which has been formed under the influence of Christianity — is so intimately interwoven with our whole being, with all our thoughts and actions, that to eradicate it would seem almost a hopeless task, and if it could be accomplished, would throw humanity into a violent crisis, the consequences of which no one can foresee. Church, and state, and society, religion, morality, and justice, marriage, family, and school, habits and laws, and our whole culture are, notwithstanding many foreign elements which have intruded from elsewhere, built on a Christian basis and animated by the Christian spirit. He who desires such a reform may, no doubt, make a beginning, but who knows what the end will be, and who can estimate the cost? None the less, if such a reformation is to be wrought, it cannot be satisfied with a mere change in the system of education; it must proceed to a total rebuilding of society.

Nu is er echter, afgezien van den bewusten wil des menschen, in de hedendaagsche maatschappij reeds eene verborgen kracht aan het werk, welke haar als 't ware in hart en nieren verandert, en van de gedaanten, waarin zij vroeger optrad, op zeer merkwaardige wijze onderscheidt. Hetzij men aan de beweging al of niet zijne goedkeuring schenke, de moderne maatschappij beweegt zich in de richting der vrijheid, der autonomie, der democratie. Alle staketsels, die de menschen vroeger vaneen scheidde, en alle banden, die hen in hun bewegingen en handelingen belemmerden, zijn of worden, de een na den ander, verbroken en uit den weg geruimd. Alle vorm van dienstbaarheid, slavernij, lijfeigenschap, grondhoorigheid, ondergeschiktheid, wordt met de zelfstandigheid en waardigheid van den mensch in strijd geacht; zelfs het dienen om loon geldt als vernederend en komt den modernen mensch 243 slechts als een andere vorm van slavernij voor. Alle verhoudingen, die tusschen de menschen zich in den loop der eeuwen ontwikkeld hebben, verliezen daarom meer en meer haar organisch, zedelijk, natuurlijk karakter en zetten zich in opzettelijke, gestipuleerde contracten om. Na de vrijheid van godsdienst en geweten is er successief gekomen de vrijheid van woonplaats en bedrijf, van handel en verkeer, van vereeniging en vergadering, van schrijven en denken; en het denken is zoo aan alle tucht ontgroeid, dat de dwaaste denkbeelden de grootste bewondering wekken.

However, even if we do not reckon with the conscious will of man, there is already at work in present-day society a hidden force which affects it, as it were, in heart and reins, and distinguishes it from all earlier forms in a very remarkable way. We may approve or disapprove of this movement, but the trend of modern society is in the direction of freedom, autonomy, and democracy. All boundary lines which formerly separated men, and all bonds which encumbered their movements and activities, have 282 been broken down one after another. All forms of servitude — slavery, bondage, feudalism, and subordination — are thought to be opposed to the independence and dignity of man; even service for wages appears to the modern man humiliating, and is accounted merely another form of slavery. All the relations which have grown up between men in the course of the centuries are more and more losing their organic, moral, and natural character, and are being replaced by voluntarily formed contracts. Liberty of religion and conscience has been succeeded by freedom of habitation and occupation, of trade and intercourse, of union and association, of writing and thinking; and thought has so much outstripped discipline that the most absurd ideas arouse the greatest admiration.

Met deze autonomie is de verzelfstandiging en de vermeerdering der bedrijven hand aan hand gegaan. Terwijl het getal der ambachten, die in de achttiende eeuw in Duitschland in gilden waren georganiseerd, nog maar enkele tientallen bedroeg, zijn ze thans bij duizenden te tellen en nemen zij nog voortdurend en als schier bij den dag toe. De arbeid differenciëert en specialiseert zich eindeloos. Alle werkzaamheden, die dienen tot voorziening in het levensonderhoud van den mensch, zijn tot zelfstandige bedrijven geworden; en de machine, die het. werktuig in de hand van den werkman verving en veel sneller, gelijkvormiger, goedkooper en machtiger werkt dan alle menschelijke kracht, bevordert de verdeeling van den arbeid en maakt een eenvoudig stuk werks tot een product, dat door de samenwerking van vele krachten tot stand is gebracht. En niet alleen op stoffelijk, maar even zeer op geestelijk gebied valt deze specialiseering van den arbeid waar te nemen. Terwijl men in vorige eeuwen soms van iemand zeggen kon, dat alwat in boeken stond in zijn hoofd gevaren was, is zulk een encyclopaedisch universalisme thans zelfs voor het grootste genie onmogelijk; de wetenschappen verdeelen en vermeerderen zich en verwijderen zich daarmede ook zoo ver van het gemeenschappelijk middelpunt, dat de onderzoeker van de eene wetenschap in het vak van den ander een volslagen vreemdeling is en zelfs de daarin gebruikelijke termen niet meer verstaat.

Specialization and multiplication of occupations go hand in hand with this autonomy. The number of trades which were organized as guilds in Germany in the eighteenth century were counted by tens; they are now to be numbered by thousands, and continually increase, almost from day to day. Labor is endlessly differentiated and specialized. All activities which are auxiliary to the provision of the necessities of life have become independent occupations. The machine which has replaced the impleinent in the hand of the workman, and operates much more quickly, uniformly, cheaply, and powerfully than any human power, increases the division of labor, and makes the simplest article into a product which is accomplished by the cooperation of many hands. And this specializing of labor may be observed not only in material, but also in spiritual domains. There was a time when one could say of a person that he knew everything that was written in books, but such an encyclopaedic knowledge is not possible now, even for the greatest genius; sciences are 283 divided and multiplied, and are so far removed from the common centre that the investigator in one science is a complete stranger in the disciplines of the others, and does not even understand the terms employed in them.

Met deze verzelfstandiging en verbijzondering van den arbeid gaat, anders dan men misschien aanvankelijk denken en verwachten zou, eene toeneming der sociale afhankelijkheid gepaard. Gewoonlijk zegt men, dat de Fransche Revolutie de menschen 244 mondig en vrij heeft verklaard, maar men dient er dan, om volledig te zijn, aan toe te voegen, dat zij de persoonlijke afhankelijkheid voor de sociale heeft ingeruild. Meer dan ooit hangen wij allen thans van elkander af. Niemand, geen mensch, geen stad en geen dorp, geen volk en geen staat is zelfstandig meer. Wij hebben geen spijze en, geen drank, geen deksel en kleeding, geen warmte en licht, geen huisraad en gereedschap, indien zij ons niet van dag tot dag door de gemeenschap worden verschaft. Ieder mensch heeft daarom alleen beteekenis als lid van het geheel, als „maatschappelijk arbeidsorgaan", maar op zichzelf gesteld en losgemaakt uit het sociale verband, staat hij machteloos en verliest hij zijne waarde. Het vereenigingsleven, dat zulk een in het oog springend kenmerk is van het hedendaagsche verkeer, dankt zijn bloei voor een aanmerkelijk deel aan de daling van de waarde der persoonlijkheid.

With this specialization of labor is combined, contrary to what would perhaps apriori be expected, an increase in social dependence. It is usually said that the French Revolution has made men free and equal, but to tell the whole truth one has to add that it has replaced personal by social dependence. We depend on each other now more than ever. Nobody, no man, no city, no village, no people, and no state is independent any longer. We have no food and no drink, no covering or clothing, no warmth or light, no furniture and no implements, which are not procured for usby the community from day to day. Each man has significance only as a part of the whole, as a “labor-unit of the social organism"; if he be left to himself, and excluded from the social body, he is powerless and loses his value. This life in community, which forms such a remarkable trait in the society of to-day, is indebted for its growth in a large degree to the decline of the value of personality.

En deze sociale afhankelijkheid wordt hoe langer hoe grooter; de organisatie der maatschappij zet zich van dag tot dag onder onze oogen voort. Nu reeds is de maatschappij geworden toteen allerkunstigst samenstel van de veelvoudigste en ingewikkeldste verhoudingen, tot een reusachtig organisme, waarin alle leden met elkander in verband staan; maar naar aller overtuiging zet de socialiseering der maatschappij zich rusteloos voort; wij worden voortgedreven in de richting der door Lamprecht zoo genoemde „gebonden ondernemingen". De anarchie, welke in de productie der goederen heerscht, het machtsmisbruik, waaraan de trusts zich schuldig maken, de wet van de besparing van arbeidskracht, de willekeur van vraag en aanbod, de tegenstelling van kapitalisme en proletariaat, alles drijft den weg der gemeenschappelijke regeling op en roept de hulp van den allen omvattenden staat in. En de staat heeft op dezen weg reeds een goed eind afgelegd. Het particulier initiatief is reeds op velerlei terrein door den dienst der gemeenschap vervangen; de eene levenskring boet na den ander zijne zelfstandigheid in. De rechtspraak, het leger, de vloot, de belasting, het post- en telegraafwezen, het tram- en spoorwegverkeer, het onderwijs in lagere, middelbare en hoogere scholen, de zorg voor bibliotheken en musea, voor gezondheid en reinheid, 245 voor armen en krankzinnigen, de exploitatie van water- en warmteleiding, voor gas en electriciteit, de brandweer en de politie, de wegen en de kanalen, de parken en schouwburgen, de spaar- en verzekeringskassen en nog vele andere belangen meer zijn geheel of gedeeltelijk aan het particulier initiatief onttrokken en in de handen der stads- en staatsgemeenschap overgegaan.

And this social dependence is continually increasing; the organization of society is progressing from day to day under our eyes. Society has already become a most artificial system of manifold and complicated relations, a gigantic organism, wherein all members are closely connected; but all agree that the socialization of society proceeds without intermission; we are carried steadily forward in the direction of what Lamprecht calls the “bound enterprises." The anarchy which reigns in the production of goods, the abuse of power of which the trusts are guilty, the law of parsimony in labor, the caprices of 284 demand and supply, and the conflict of capital and proletariat, — all this leads to social organization and demands help from the all-embracing state. And the state has already traversed a good part of this way. Private enterprise has been replaced in many departments by the service of the community; one circle, of life after another loses its independence. Jurisprudence, army, navy, taxation, the postal system, telegraphy, trams and railways, instruction in all kinds of schools, the care of libraries and museums, of health and cleanliness, of poorhouses and asylums, the exploiting of water and heat supply, of gas and electricity, fire- and police-departments, roads and canals, parks and theatres, savings banks and insurance companies, and many other interests, are wholly or in part withdrawn from private enterprise and given into the hands of local or national authorities.

Welnu, zoo roepen de maatschappelijke hervormers ons toe, indien deze dingen alzoo zijn, dan hebben wij niets anders te doen, dan de machtige beweging, die reeds gaande is, te helpen en te leiden, te bevorderen en te voltooien. Wij arbeiden in dezelfde richting, als wij nu ten slotte nog het laatste staketsel, dat de menschen vaneen scheidt, afbreken en opruimen, en dat is het kapitaal, het privaat bezit, de bijzondere eigendom. De Reformatie heeft ons de godsdienstige vrijheid verschaft, de gelijkheid aller menschen voor God; de Revolutie van 1789 schonk ons de politieke vrijheid, de gelijkheid aller menschen voor den staat; eene derde hervorming is thans aan de orde, de verwerving der vrijheid in de maatschappij en de gelijkheid van alle menschen ten opzichte van al de goederen der cultuur. Wat hebben de menschen aan hunne godsdienstige en staatkundige vrijheid, als hun de sociale gelijkheid onthouden wordt? Wat baat de verklaring der rechten van den mensch, als het recht op arbeid en voedsel en levensgenot eene doode letter blijft? Gelijk het Protestantisme het liberalisme, en het liberalisme de democratie heeft voorbereid, zoo behoort thans de democratie in het socialisme zich te voltooien. Dan eerst komt de leuze van vrijheid, gelijkheid en broederschap volkomen tot verwezenlijking, wanneer de gemeenschap, genotmiddelen en verbruiksvoorraad aan de individuën overlatende, alle productiemiddelen van bodem, werkplaatsen en werktuigen in bezit neemt, planmatig heel de productie regelt, en de geproduceerde goederen naar verdienste of behoefte onder al hare burgers verdeelt. In één woord, de hervorming der maatschappij komt eerst volkomen tot stand in de socialiseering van alle goederen der cultuur. 22

Well, then, social reformers say to us, if these things are so, what can we do but help on and direct, promote and complete, this powerful movement which is already proceeding? We are working in the same direction if we break down finally the last barrier which separates men, and that is capital, private property. The Reformation has procured for us religious freedom; that is, the equality of all men before God. The Revolution of 1789 gave us political liberty, — the equality of all men before the law. A third reformation is now in order, — the establishment of freedom in society, and the equality of all men in respect to the possessions of culture. What good are religious and political freedom for men if social equality is withheld from them? What value has the declaration of the rights of man if the right to labor and food and pleasure remains unsecured? As Protestantism has prepared the way for liberalism, and liberalism for democracy, so now 285 democracy ought to be fulfilled in socialism. The motto of liberty, equality, and fraternity will be completely realized only when the community, leaving the means of enjoyment and the ratio of consumption to the individual, possesses itself of all means of production, land, factories, and implements, — and, systematically regulating the whole production, divides the product among all citizens, according to their merits or necessities. In a word, the reformation of society will reach completion only in the socializing of all the possessions of culture. 22

Van al deze hervormingen koestert merl de stoutste verwach tingen. Wel is waar verkeerde Marx in de meening, dat hij het 246 socialisme van het utopisme bevrijd en op een vasten, wetenschappelijken grondslag gevestigd had. Zijn streven was, om een verbond te sluiten tusschen het lijdend en het denkend deel der menschheid en de wetenschap in dienst te stellen van het proletariaat. Hij maakte daarom studie van de tegenwoordige maatschappij, zocht de wetten te kennen, die hare ontwikkeling beheerschen, en trachtte aan te toonen, dat uit de oude maatschappij in den weg van evolutie eene geheel nieuwe te voorschijn komen moest. Maar al onthield hij zich van eene breede beschrijving van dezen toekomststaat, zoodra hij hieraan toekwam en dienaangaande eene verwachting uitsprak, hield hij op wetenschappelijk onderzoeker te zijn en trad hij op in de rol van profeet. En als hij dan verder de resultaten van zijn onderzoek niet alleen publiceerde, maar ook tot grondslag maakte van een program, dat door eene bepaalde partij moest aangenomen en verwezenlijkt worden, legde hij de toga af en hing hij zich den mantel van den boetprediker en hervormer om. Aan het utopisme heeft ook Marx zich niet kunnen ontworstelen, en het socialisme, dat op zijn naam zich beroept, is, als leer eener toekomstige maatschappij, geen wetenschappelijke richting maar eene staatkundige partij. De maatschappij der toekomst is toch uiteraard geen voorwerp van waarneming en onderzoek, maar een object van hoop en verwachting, van wenschen en streven. Dit blijkt voldoende daaruit, dat het socialisme, nadat het eerst geschilderde beeld van den toekomststaat zooveel ernstige critiek had uitgelokt, in het vervolg van elke gedétailleerde beschrijving zich onthield en aan de toekomst overliet, wat de toekomst schenken zou. 23

Men cherish the boldest expectations on the faith of all these reformers. Marx, it is true, held the opinion that he had set socialism free from utopianism, and had established it on a firm, scientific basis. His effort was to conclude an alliance between the suffering and the thinking part of humanity and to make science serviceable for the proletariat. Therefore he made a study of presentday society, tried to learn the laws which govern its development, and endeavored to show that the old society could produce an entirely new one by way of evolution. He refused indeed to draw up a complete description of the future state, but he did not shrink from proclaiming his expectations concerning it, and thus he ceased to be a scientific inquirer, and came forward in the ro1e of a prophet. And when he further not only published the results of his inquiry, but also made it the basis of a programme which was to be adopted and realized by a definite party, he threw off the toga and put on the mantle of a preacher of repentance and a reformer. Even Marx thus could not escape from utopianisrn; and the socialism which operates under his name is, as a doctrine concerning a future society, no scientific school, but a political party. The society of the future naturally is no subject of 286 experience and investigation, but an object of hope and expectation, of desire and endeavor. This is sufficiently proved by the fact that socialism, in consequence of the serious criticism which its anticipated future state has aroused, has finally abandoned all details and left to the future what the future shall bring forth. 23

Toch kan het zich daarvan nooit ten eenenmale onthouden, noch tegenover de partijgenooten noch tegenover hen, die buiten staan. Want ten slotte wil ieder toch eenigszins weten, in welke richting en naar welk doel hij, bij eene zoo radicale hervorming van de maatschappij, wordt heengeleid. Als toch het ideaal, dat men nastreeft, voor geene beschrijving vatbaar is, of bij beschrijving in al zijne onuitvoerbaarheid aan het licht treedt, gaat alle vertrouwen verloren en neemt de volgzaamheid een einde. Hoop alleen doet het socialisme leven; „Vision der Zukunft ist für jede 247 Gegenwart der stärkste Krafttrager." 24 En daarom doet het socialisme zich nog altijd aan de verwachting van Bebel te goed, dat de toekomststaat een toestand van geluk en vrede voor alle menschen brengen zal. De staat met zijn ministers en parlementen, zijn leger en politie zal in de nieuwe maatschappij niet noodig zijn, want de eigendoms- en machtsverhoudingen, tot wier bescherming zij alle in het leven geroepen zijn, zullen dan niet meer worden aangetroffen. Allen krijgen gelijke bestaansvoorwaarden en ontvangen een menschwaardig bestaan. leder heeft een bepaalden arbeid te verrichten, maar deze zal slechts een paar uren daags vorderen, en voorts zal elk zich wijden kunnen naar vrije keus aan geestelijken arbeid, aan gezelligheid en genot. Het onderscheid tusschen rijken en armen, tragen en vlijtigen, geleerden en onkundigen, stad- en landbevolking, hoogeren en lageren arbeid zal verdwenen zijn, omdat er geen koopmanschap, geen handel, geen geld, geen ongelijke verdeeling van genot en arbeid meer zal bestaan. Elk zal na den verplichten arbeid doen wat hij verkiest, zoodat de een uit passie musicus, een ander schilder, een derde beeldhouwer, een vierde tooneelspeler wordt. Zelfs ziekten zullen meer en meer verdwijnen en de natuurlijke dood, het langzaam afsterven der levenskrachten, zal meer en meer regel worden. 25

Nevertheless it can never completely abstain from framing a description of the future state, either with respect to its own members or those who are outside; for after all each man wishes to know, to a certain extent, in what direction and to what end lie is led by such a radical change in society. If the ideal which men strive after cannot be described, or on being described betrays to all its impracticability, all confidence is lost and all obedience is at an end. Hope alone keeps socialism alive; "the vision of the future is for every present circumstance the strongest bearer of power." 24 Socialism, therefore, ever seeks its satisfaction in the forecast of Bebel, that the future state will bring a condition of happiness and peace for all men. The state with its ministers and parliaments, its army and police, will not be necessary in the new society, for all those relations of possession and power in the behalf of which they have been called into being will have passed out of existence. All men will receive equal positions in life and a suitable subsistence. Each will have to accomplish a definite work; but this work will require only a few hours a day, and for the remainder of his time each man way devote himself, according to his free choice, to spiritual occupations, to companionship, to pleasure. There will no longer exist distinctions between rich and poor, idle and industrious, learned and ignorant, the population of city and country, because there will no longer exist commerce, trade, money, or unequal division of 287 pleasure and labor. Each one after the necessary labor will do what he pleases, so that according to his free option one will become a musician, another a painter, a third a sculptor, a fourth an actor. Even diseases will disappear more and more, and natural death, the slow dying of the powers of life, will become more and more the rule. 25

In deze utopistische verwachtingen staan de socialisten volstrekt niet alleen. Zij hebben hun voorgangers gehad in Plato en Thomas Morus, Campanella en Morelly, St. Simon en Fourier, Proudhon en Comte, in tal van theologen en philosophen, in vele godsdienstige secten en staatkundige partijen. De gansche menschheid heeft van de hoop geleefd, en zij leeft er nog van, trots alle empirisme en realisme. Men maalt zich den toekomststaat in zeer verschillende kleuren, en stelt, al naar gelang men eene verschillende opvatting heeft van het hoogste goed, dien toekomstigen heilstaat voor als een rijk van moraliteit (Kant) of van humaniteit (Herder), als een rijk der vrijheid, waarin de geest ten volle de natuur doordringt (Hegel) of als eene Johanneskerk, die aan het einde de kerk van Petrus en Paulus vervangt (Schelling), als eene wereld, waarin de ideale of de stoffelijke goederen de voornaamste 248 genieting uitmaken. Maar aan zulk eene toekomst gelooft iedereen; elke godsdienst, iedere philosophie, alle wereld- en levensbeschouwing eindigt in eene eschatologie. En dat niet alleen, maar alle systemen hebben ook dit met elkander gemeen, dat zij de wereldgeschiedenis met het heden afsluiten en hierna nog slechts eene wereldeeuw verwachten, waarin de hoop en de droom der menschheid zich vervult; 26 alle eschatologie, die in de harten leeft, sluit het geloof in aan eene spoedige parousie.

Socialism does not stand alone in these utopian expectations. It has had its predecessors in Plato and Thomas More, in Campanella and Morelly, St. Simon and Fourier, Proudhon and Comte, and in many other theologians and philosophers, in many religious sects and political parties. Humanity as a whole has always lived, and still lives, in hope, notwithstanding all empiricism and realism. Men paint the future state in very different colors; and according to the different conceptions each one has of the highest good, represent that future state as a kingdom of morality (Kant), or humanity (Herder), as a kingdom of liberty, in which spirit fully penetrates nature (Hegel), or as a Johannine church, which will at the end replace the church of Peter and Paul (Schelling); as a world in which ideal or material possessions are the chief enjoyment. But such a future is expected by every one; all religion, all philosophy, and all views of life and the world issue in an eschatology. And not only so, but all systems have in common that they finish the world's history with to-day, and hereaf ter expect only a world era wherein the hope and the dream of humanity will be realized; 26 all eschatology which lives in the heart includes the belief in a speedy parousia.

Daar gaat van deze onuitroeibare hoop der menschheid eene machtige bekoring uit. En als heden ten dage die hoop opnieuw krachtig herleeft, tegen geen moeite opziet, allen tegenstand verwinbaar acht en door allerlei hervorming de nieuwe aera voor de menschheid inleiden wil, dan dwingt zij eerbied af en prikkelt tot activiteit. Als Ludwig Stein een sociaal optimisme predikt, dat aan alle Nirvanaphilosophie den oorlog verklaart en aan alle „Rückwartsler" en „Schwarzzeher" den rug toekeert; 27 als Metschnikoff in naam der wetenschap de verwachting uitspreekt, dat eens alle krankheid overwonnen zal zijn, het leven der menschen tot in hoogen ouderdom verlengd zal worden en de dood alleen nog bestaan zal in een zacht, smarteloos verval van krachten; 28 als Stanley Hall ons toeroept, dat de wereld niet oud is maar jong, dat het schemerlicht, waarin wij leven, niet dat van den avond maar van den morgen is, dat de ziel nog altijd wordende en voor eene veel hoogere ontwikkeling vatbaar is; 29 als James ons voorhoudt, dat de wereld is en wordt datgene, wat wij ervan maken; 30 als al deze mannen een beroep doen op onze verantwoordelijkheid, op ons plichtsbesef, op onze kracht en energie, dan verlevendigt zich onze hoop, wordt onze moed verhoogd, en zijn wij geneigd, om terstond zonder verder dralen mede aan den arbeid te gaan.

This ineradicable hope of humanity is full of potent charm. And if to-day it springs up with new strength, shuns no exertion, esteems all opposition conquerable, and strives 288 to introduce the new era for humanity by all kinds of reformation, it compels respect and stimulates to activity. When Ludwig Stein preaches a social optimism, which wages war on all Nirvana-philosophy and turns its back on all conservatives and pessimists; 27 when Metschnikoff proclaims in the name of science the coming day of the abolition of all sickness, the lengthening of human life to a good old age, and the reduction of death to a gentle, painless fading away; 28 when Stanley Hall tells us that the world is not old, but young, that the twilight in which we live is not that of the evening but of the morning, that the soul is still always becoming, and is capable of a much higher development; 29 when James declares that the world is, or becomes, that which we make it: 30 when all these men appeal to our responsibility, to our consciousness of duty, to our power and energy, then our hope is rekindled, our courage is raised, and we are stimulated to go forward immediately without further hesitation.

Toch verdient het onze opmerking, dat deze optimistische activiteit eenerzijds wel alleen op den mensch schijnt te steunen en aan Goddelijke hulp niet de minste behoefte schijnt te gevoelen, maar toch andererzijds den kring van het immanente weten en handelen verbreekt, tot het transcendente opstijgt en in de metaphysica sterkte en zekerheid zoekt. Wel wordt de leer, dat de 249 mensch door de zonde bedorven is en zichzelf door eigen kracht niet heiligen en niet zaligen kan, voor de schrikkelijkste van alle dwalingen gehouden; de autonomie en autosoterie komt tegen alle heterosoterie in verzet. Maar op hetzelfde oogenblik, waarin al het transcendente en metaphysische ontkend wordt, wordt het menschelijke boven zijne gewone maat verheven en met het Goddelijke gelijk gemaakt. Voor de reuzentaak, om de tegenwoordige maatschappij om te zetten in een heilstaat van vrede en geluk, is eene meer dan gewone menschelijke kracht van noode; indien God die niet schenkt, kan de hoop alleen nog voortleven, als de menschelijke kracht vergoddelijkt wordt. Dat is dan ook de intieme gedachte van die wijsgeerige theorie, welke door Strauss het klaarst werd uitgesproken, dat het oneindige zich niet in een enkelen mensch, maar alleen in de menschheid uitstort; deze is de ware eenheid der Goddelijke en menschelijke natuur, de menschgeworden God, de tot eindigheid neergedaalde oneindige geest, het kind van de zichtbare moeder natuur en van den onzichtbaren vader geest, de wonderdoener, de zaligmaker der wereld. Wat de menschheid aangaande den Christus beleed en in hare idee van de Godheid uitsprak, is slechts een symbool van wat zij in zichzelve vond en zij zelve is. De theologie is eigenlijk anthropologie; de aanbidding Gods is in het wezen der zaak eene vereering der menschheid van zichzelve. En daarom was het ten volle consequent, als Comte den eeredienst van God door den eeredienst der menschheid verving. 31

Nevertheless it should be observed that while this optimistic activity seems to depend only on man, and to feel not the least need of divine help, yet on the other hand it breaks through the circle of immanent thought and action, mounts to transcendency, and seeks strength and security in metaphysics. The doctrine that man is corrupted by sin and cannot sanctify and save himself by his own strength is commonly accounted the most fearful of all errors; autonomy and autosotery reject all heterosotery. But at the same moment when all transcendency and metaphysics are denied, the human being is exalted above his usual state and is identified with the divine. The superhuman task of transforming present society into a state of peace and joy requires more than ordinary human power; if God himself does not work the change, hope can 289 be cherished only when human power is divinized. This is in fact the intimate idea of that philosophical theory which Strauss has most clearly formulated, that the infinite is not realized in a single man, but only in humanity; humanity being the true unity of divine and human natures, the man becoming God, the infinite spirit descending to finiteness, the child of the visible mother nature, and of the invisible father spirit, the doer of miracles, the saviour of the world. What humanity confesses concerning Christ, and pronounces in its idea of divinity, is merely a symbol of what it finds in itself, and what it is. Theology is mainly anthropology; the worship of God is humanity adoring itself. Comte, therefore, was quite consistent when he substituted the worship of humanity for the worship of God. 31

Deze vergoddelijking van den mensch bewijst reeds, dat er geen eschatologie zonder metaphysica mogelijk is. Maar het komt bij een ander punt nog duidelijker uit. Cultuur, ethiek, idealisme, alle streven naar een einddoel zal en moet steeds verbinding zoeken met metaphysica. Kant heeft de verhouding tusschen beide wel omgekeerd, en de moraal volkomen zelfstandig trachten te maken tegenover alle wetenschap; maar uit die moraal bouwde hij toch weer het practisch geloof aan eene Goddelijke Voorzienigheid op. En zoo ziet elke ethiek, die niet bloot beschrijving van zeden en gewoonten, maar waarlijk ethiek wil zijn en een normatief en teleologisch karakter wil dragen, zich genoodzaakt, 250 om steun te zoeken bij de metaphysica. Als de mensch streven moet naar een ideaal, kan hij daartoe alleen den moed vatten, indien hij gelooft, dat dit ideaal het ideaal der wereld is en in de ware werkelijkheid is gegrond. Als het materialisme alle metaphysica bant, houdt het ook geen ethiek, geen onderscheid van goed en kwaad, geen zedewet en geen plicht, geen deugden geen hoogste goed meer over. En als de immanent-humanistische philosophie van Natorp, Cohen en anderen de ethiek uitsluitend wil doen rusten op den kategorischen imperatief, mist zij alle zekerheid, dat het „Sollen" eenmaal over het „Sein", het goede over het kwade de overwinning zal behalen. 32 Wat men ook als het hoogste goed stelle, dit hoogste goed is òf eene inbeelding, òf het is en moet tevens wezen het hoogste, waarachtige zijn, het wezen der werkelijkheid, de zin en bestemming der wereld, en dus ook de band, die alle menschen en volken, alle deelen der wereld samenhoudt en voor de anarchie behoedt. 33

This deification of man proves clearly that no eschatology is possible without metaphysics. But this is shown still more clearly by another fact. Culture, ethics, idealism, all striving after a goal, must always seek alliance with metaphysics. Kant reversed the relation between them, and tried to make morals entirely independent of science; but on those morals he again built up practical faith in a divine providence. In the same way, any ethical system which aspires to be true ethics and to bear a normative and teleological character, not failing into merely a description of habits and customs, is forced to seek the support of metaphysics. If man has to strive after an ideal, he can gain courage only by the faith that this ideal is the ideal of the world and is based on true reality. By banishing metaphysics, materialism has no longer an ethical system, knows no longer the distinction between good and evil, possesses no moral law, no duty, no virtue, and no highest good. And when the 290 immanent-humanistic philosophy of Natorp, Cohen, and others endeavors to base ethics exclusively on the categorical imperative, it loses all security that the “ought" will one day triumph over the “is," and the good over the bad. 32 Whatever one believes to be the highest good, this highest good is either an imagination, or it is and must be also the highest, true being, the essence of reality, the meaning and destiny of the world, and thus also the bond which holds all men and nations together in every part of the world and saves them from anarchy. 33

De Christen vindt de zekerheid voor den triumf van het goede in de belijdenis van Gods souvereinen en almachtigen wil, die van de wereld onderscheiden en boven haar verheven, toch door haar heen zijn heiligen raad volvoert en overeenkomstig dien raad menschheid en wereld ter zaligheid leidt. Maar wie deze belijdenis verwerpt, ontkomt daarmede toch aan de metaphysica niet. 't Klinkt wel stout, den mensch den rebel in de natuur te noemen, die tegenover haar: sterf! zijn: ik wil leven, laat hooren, 34 maar ten slotte is hij met al zijne wijsheid en kracht tegenover die natuur onmachtig, tenzij ze zelf onderworpen is aan een wil, die den mensch in zijne verhevenheid boven de natuur handhaaft. Vandaar dat bij loochening van het theïsme toch de ware werkelijkheid, de achter de verschijnselen zich verbergende en slechts onvolledig zich openbarende wereldwil, analoog aan dien des menschen en bepaaldelijk ook als zedelijk goed wordt gedacht. De mensch wordt, in weerwil van al zijn zelfvertrouwen en zelfverheffing, toch in elke wereldbeschouwing weer ingelijfd in een groot geheel en uit die totaliteit verklaard en bevestigd. De metaphysica, dat is het geloof, dat de absolute macht tegelijk heilige macht is, is de grondslag der ethiek. 251

The Christian finds his assurance of the triumph of good in his confession of God's sovereign and almighty will, which, though distinct from the world and exalted above it, still accomplishes through it its holy purpose, and, in accordance with this purpose, leads humanity and the world to salvation. But he who rejects this confession does not therefore escape from metaphysics. It sounds well to call man the rebel in nature, who, when it says “Die!" answers, “I will live." 34 But with all his wisdom and strength man is powerless against that nature in the end, unless it be subject to a will which maintains man in his superiority above it. That is the reason why, even when theism is denied, the true reality, the world-will which is hidden behind phenomena and very imperfectly manifested, is nevertheless always thought of as analogous to that of man, and especally as an ethically good will. Notwithstanding all his self-confidence and self-glorification, man is, in every possible world-view, incorporated in a larger whole, and is explained and confirmed by that totality. Metaphysics, that is the belief in the absolute as a holy power, always forms the foundation of ethics.

Als zulk eene metaphysica doet thans de evolutie dienst. De moderne mensch ontleent zijn geloof en bezieling, zijne activiteit en zijn optimisme aan de ontwikkelingsidee, die naar zijne voorstelling de gansche wereld beheerscht. Als hij zich rusteloos inspant, om een heilig en zalig menschheidsrijk op aarde te stichten en aan de verwezenlijking daarvan trots alle bezwaren en teleurstellingen gelooven blijft, dan is dit hieruit te verklaren, dat hij zich in zijn streven gedragen weet door de waarachtige werkelijkheid, welke achter de menigmaal droeve verschijning verborgen is. Jagende en arbeidende, of hij het ideaal ook grijpen mocht, gelooft hij zich in harmonie met de innerlijke drijfkracht der wereld, met den geheimzinnigen loop der natuur, met den verborgen gang der dingen. Werken, arbeiden, streven, worden is immers de diepste zin der wereld, het hart en de kern der waarachtige werkelijkheid. De evolutieleer neemt bij den modernen mensch de plaats van de oude religie in. 35 Ze is geen wetenschap, ze rust niet op onwedersprekelijke feiten, ze wordt telkens in het verleden en in het heden door de feiten weersproken. Maar dat doet er niet toe; het wonder is het liefste kind des geloofs. Alsof het niets ware, wordt alle verandering in de wereld met ontwikkeling, ontwikkeling met vooruitgang, vooruitgang met stoffelijke welvaart of ideale cultuur, met vrijheid of zedelijkheid vereenzelvigd. Ofschoon het monisme in zijne verschillende vormen aan de absolute macht, die de wereld regeert, alle persoonlijkheid, bewustzijn en wil ontzegt, wordt toch van deze macht voortdurend als van een persoon gesproken, Men schrijft er onbewust, bewustzijn, instinct, wil, arbeid, streven, ontwikkeling, doel, heiligheid aan toe; zelfs wordt met eene wonderbare naïviteit, die tegenover de wetenschappelijke pretentie scherp afsteekt, de wereldmacht met absolute, Goddelijke liefde vereenzelvigd. En liefde heet dan „the original of all social forces, the creator and reconciler of all; the only true God is love." 36 Zooals de heiden met zijn afgod omspringt, handelt de moderne mensch met de evolutie-idee.

In our days evolution takes the place of such metaphysics. The modern man derives his faith and animation, 291 his activity and his optimism, from the idea of evolution, which according to his belief governs the whole world. If he endeavors restlessly to establish a holy and happy kingdom of humanity on earth, and stands firm in his belief in its realization notwithstanding all diiticulties and disappointments, this can he explained only in one way, — that he feels himself borne on by the true reality, which is hidden behind the oftentimes very sad phenomena. Striving and laboring to attain his ideal, he believes himself in harmony with the innermost motive-power of the world, with the mysterious course of nature. To work, to endeavor, to strive, to become, is the deepest meaning of the world, the heart and the kernel of true reality. The doctrine of evolution thus takes the place of the old religion in the modern man. 35 It is no science; it does not rest on undeniable facts; it has often in the past and in the present been contradicted by the facts. But that does not matter; miracle is the dearest child of faith. All change in the world, as if it were nothing, is identified with development, development with progress, progress with material welfare or ethical culture, with liberty or morality. Although monism in its different forms denies that the absolute power which rules the world has personality, consciousness and will, yet it always speaks of this power as if it were a person. Consciousness, instinct, will, labor, endeavor, development, aim, and holiness are unintentionally ascribed to it; it is even identified with absolute divine love in a naive way, which is in direct antagonism to the scientific pretensions of the speakers. And love is then called “the original of all social forces, the creator and reconciler of all; the only true God is love." 36 Just as the pagan treats his idol, so modern man acts with the idea of evolution. 292

Het bijgeloovig karakter, dat deze idee meer en meer aanneemt, treedt nog sterker aan het licht bij den inhoud 252 der optimistische verwachtingen, welke aangaande de toekomst van het menschelijk geslacht gekoesterd worden. Immers die verwachtingen houden niet minder in, dan dat de menschelijke natuur in de toekomst, hetzij langzaam door geleidelijke ontwikkeling of plotseling door sprongsgewijze mutatie, radicaal veranderen zal. In den toekomststaat zal er geen krankheid en misdaad, geen nijd en haat, geen vijandschap en oorlog, geen justitie en geen politie meer zijn, maar zal tevredenheid en vrede het deel van allen wezen. Nu kan men wel zeggen, dat zonde en misdaad haar oorzaak alleen in de omstandigheden hebben en dus met de hervorming van het milieu vanzelf verdwijnen zullen. Maar dit is toch zoo oppervlakkig geoordeeld, dat er geene wederlegging van noodig is. Ieder mensch weet bij ervaring, dat de zonde wortelt in zijn eigen hart. Indien er dus eene menschheid zal komen zonder zonde en misdaad, heilig en zalig, dan moet er eene radicale verandering der menschelijke natuur aan voorafgaan.

Maar zulk eene verandering is voor de verwachting der optimisten niet te groot, want zij wordt hun door de evolutie gewaarborgd. De mensch heeft het immers in het verleden zoover gebracht, dat wij met de beste hoop voor de toekomst bezield mogen zijn. Hij was een dier en werd een mensch; waarom zou hij in de toekomst dan geen engel kunnen worden? Als louter door immanente krachten het leven uit het levenlooze, het bewustzijn uit het onbewuste, het verstand uit de associatie van voorstellingen, de wil uit de drift, de geest uit de stof, het goede uit het kwade kan voortkomen, wat belemmering zou dan aan den mensch in den weg staan, om, nu hij bovendien zelf door inspannenden arbeid het evolutieproces leiden en bevorderen kan, in het vervolg van tijd alle zonde te overwinnen, aan alle ellende een einde te maken en het „kingdom of man" voorgoed op aarde te vestigen? Zoo staat de idee van den „Uebermensch" met de evolutieleer in het nauwste verband. Darwin zelf geloofde eraan, en troostte zich over het lijden dezes tegenwoordigen tijds met de hoop, dat de mensch in verre toekomst een veel volkomener schepsel zou worden dan hij nu is, 37 en de optimistische evolutionisten stemmen met deze verwachtingen in: de mensch is nog in wording, hij staat 253 nog in het begin van zijne ontwikkeling; eene rijke, heerlijke toekomst ligt voor hem. 38

The superstitious character, which is more and more taken on by this idea, is clearly seen in the contents of the optimistic expectations which are cherished concerning the future of the human race. For these expectations involve nothing less than that human nature in the future, either slowly by gradual development, or suddenly by leaps of mutation, will undergo radical change. In the future state there will he no longer any sickness or crime, no envy or malice, no enmity or war, no courts of justice and no police, but contentment and peace will be the portion of all. Now it is possible to say that sin and crime are owing to circumstances alone, and thus will disappear with the reformation of the environment. But this is nevertheless such a superficial judgment that no refutation of it is necessary. Every man knows by experience that sin is rooted in his own heart. If there ever is to be a humanity without sin and crime, holy and blessed, then it must be preceded by a radical change in human nature. But such a change is not too great for the expectation of the optimists, for they are assured of it by evolution. Man has advanced so much in the past that we may cherish the best hope for the future. He was an animal, and became a man, — why should he not become an angel in the future? As by immanent forces alone life has proceeded from the lifeless, consciousness from the unconscious, intelligence from the association of representations, will from feeling, spirit from matter, good from evil, what should hinder man from conquering in course of time all sin, putting an end to all misery, and establishing “the kingdom of man" on earth once for all, the more because he himself by exertion can lead and promote the evolutionary process? Thus the idea of an Uebermensch is intimately connected with the idea of evolution. Darwin 293 himself believed in it, and comforted himself for the suffering of this present time with the hope that man in the far future would become a much more perfect creature than he is now; 37 and the optimistic evolutionists join in this expectation: man is still in the making, he is still at the beginning of his development, — a rich, beautiful future lies before him. 38

Maar al is die toekomst misschien spoedig aanstaande, zij is er thans toch nog niet, en het is niet waarschijnlijk, dat zij reeds in de dagen van het thans levend geslacht aanbreken zal. Wat voordeel hebben van al die verwachtingen dan die menschen welke thans leven en met elken dag zich nader zien aan hunne verdwijning? Het socialisme spot met het Christelijk geloof, dat een wissel trekt op de eeuwigheid, maar de eeuwigheid is altijd nog beter te vertrouwen dan eene onzekere, twijfelachtige en verre toekomst. Zoo zag de evolutieleer zich plotseling wederom voor de vraag gesteld, welke beteekenis in de eschatologische verwachtingen aan het individu toekomt. In het materialistisch tijdperk, dat achter ons ligt, had zij voor deze ernstige vraag slechts een minachtenden glimlach over. Maar het geloof aan een toekomstig menschheidsrijk komt altijd weder voor het probleem der persoonlijke onsterfelijkheid te staan. En de evolutieleer neemt er thans in haar nieuwen idealistischen vorm eene gansch andere houding tegenover aan. 39 Waarom zou zij deze onsterfelijkheid ook niet in haar systeem kunnen opnemen? Als de mensch in den langen weg zijner mensch-wording zich met zijn geest hoog boven het dier heeft verheven, kan hij zeer waarschijnlijk bij voortgaande ontwikkeling zichzelf ook onsterfelijk maken. Natuurlijk is het onwaarschijnlijk, dat alle menschen, die vroeger hebben geleefd en reeds dien naam hebben gedragen, het ook zoover hebben gebracht, want de overgang van dier tot mensch is zeer geleidelijk geweest; en ook is het mogelijk, gelijk de voorstanders der conditioneele onsterfelijkheid beweren, dat thans en in de toekomst alle menschen het nog niet zoover brengen, maar alleen zij, die ethisch aan hunne zelfvolmaking arbeiden. Doch op zichzelf is er niets tegen, dat de mensch door eigen ontwikkeling onsterfelijk worden kan.

But although this future may speedily appear, it is not in existence yet, and it is not likely that it will dawn in the days of the present generation. What profit all these expectations for the men who now live, and each day draw nearer to their end? Socialism scoffs at the Christian faith, which promises a bill of exchange on eternity; but eternity is after all more worthy of our trust than an insecure, doubtful, and distant future. So the doctrine of evolution has found itself suddenly confronted with the question, what significance the eschatological expectations have for the individual. In the materialistic period, which lies behind us, it had for this serious question only a contemptuous smile. But the belief in a future kingdom of humanity is always confronted by the problem of personal immortality. And the doctrine of evolution assumes now in its new idealistic form quite a different bearing towards this problem. 39 Why should it be impossible to introduce this immortality into its system? If man in the long process of his development has raised himself by his intelligence high above the animal, probably he can make himself immortal by continual development. Of course it is improbable that all men who have already lived and borne that name have reached such immortality, for the transition from animal to man has been very gradual; and it is also possible, as the adherents of conditional immortality assure us, that even now and in the future not all men 294 will be able to advance so far, but only they who ethically work out their own self-perfecting. But in itself there is no reason why man by his own development should not become immortal.

De dood kan toch ook niet gedacht worden als eene catastrophe, als eene straf der zonde, als een gericht, dat over den mensch voltrokken wordt, maar hij is een normaal verschijnsel, een geleidelijke overgang, zooals er zulke menigmaal in de organische wereld voorkomen. Het el wordt een kip, de rups wordt een 254 vlinder; de mensch gaat bij de geboorte en zoo ook bij den dood in een anderen bestaansvorm over; hij verwisselt van kleed, legt het grove stoffelijke lichaam af en zet zijn leven in een fijner, aetherisch lichaam voort. Zoo brengt het Darwinisme ons langs zeer geleidelijken weg in gezelschap van Swedenborg en Jung Stilling, van Davis en Kardec, van Mevrouw Blavatzky en Annie Besant, van Mrs Eddy en Eljah Dowie, in gemeenschap met al de theosophen en spiritisten van den nieuweren tijd. En het baart volstrekt geene verwondering, dat vele aanhangers van de evolutieleer tevens voorstanders van het spiritisme zijn. 40 Al deze richtingen gaan toch van dezelfde gedachte uit; ze zijn alle ten sterkste gekant tegen de Christelijke leer van de schepping en den val, van de erfzonde en de ethische onvrijheid van den wil, tegen de verzoening door Christus en de zaliging uit genade; en in plaats daarvan stellen zij, dat alles eeuwig wordt, dat er in absoluten zin geen ontstaan is en geen vergaan, maar alleen een verandering in bestaansvorm. Er vloeit hieruit voort, dat, gelijk Haeckel de substantie, den aether en de atomen met geest, ziel, bewustzijn, wil toerust, zoo de menschen eigenlijk eeuwig hebben bestaan, zoodat dan ook het praeëxistentianisme bij velen weer instemming vindt. 41

Death certainly cannot be thought of as a catastrophe, as a punishment of sin, as a judgment which is executed upon man. It is simply a normal phenomenon, a gradual transition, such as often takes place in the organic world. The egg becomes a chick, the caterpillar becomes a butterfly; and so man advances, as at birth so at death, into another form of existence; he changes his clothing, — he lays aside the coarse, material body, and continues his life in a finer, ethereal body. So Darwinism successively brings .us into company with Swedenborg and Jung Stilling, Davis and Kardec, Madame Blavatsky and Mrs. Annie Besant, Mrs. Eddy and Elijah Dowie, with all the theosophists and spiritualists of recent times. And it is not to be wondered at that many adherents of the evolutionary doctrine are at the same time advocates of spiritualism. 40 For all these tendencies are produced by the same root idea: they are all strongly opposed to the Christian doctrine of creation and fall, of hereditary sin and ethical impotence, of redemption by Christ and salvation by grace; and they declare instead that all is eternally becoming, that in an absolute sense there is no coming into existence and no dissolution, but only a change in the form of existence. This leads to the consequence that, as Haeckel has equipped substance, ether, and atoms with spirit, soul, conscience, and will, so men have truly existed eternally; and it is no wonder that pre-existenceism has again gained many adherents to-day. 41

Maar ook al bestaat hierover verschil, 's menschen ontwikkeling is een onderdeel van het groote evolutieproces en is aan vaste wetten gebonden. De mensch is, wat hij doet en misschien reeds in voorafgaande levens gedaan heeft; alwat een mensch op aarde wedervaart, zijn uitwendige zoowel als zijn innerlijke toestand, is een streng gevolg van zijn handel en wandel. Er is alleen verdienste, loon naar werken; voor genade, voor vergeving is er in den natuurloop geen plaats; de ethische wet valt met de natuurwet samen; overal heerscht karma, de wet der onvermijdelijke gevolgen. Daarom is er verschil onder de menschen; niet in oorsprong en aanleg, door Goddelijke beschikking, maar door het gebruik of misbruik, dat de menschen van hunne gelijke gaven maken. Zij loopen niet allen even hard, zij spannen zich niet allen even sterk in; er zijn sarkische, psychische en pneumatische menschen. En al naar gelang zij in hun aardsch bestaan gearbeid 255 hebben, zetten zij na den dood hun leven voort. De dood is geen dood, maar leven, overgangsvorm tot een hooger bestaan; de afgestorvenen weten zelfs niet, dat zij gestorven zijn, zij behouden een lichaam, zien en hooren, denken en spreken, overleggen en handelen, gelijk zij hier op aarde gedaan hebben. Misschien blijven zij nog wel voor een korter of langer tijd met de menschen op aarde in verkeer, gelijk het spiritisme leert, of zij keeren in andere lichamen tot de aarde terug, zooals de theosophie aanneemt, of zij zetten op eene andere wijze hunne loutering voort. 42

But although there may be difference of opinion on this point, human development is a part of the great 295 evolutionary process and is bound to fixed laws. Man is what he does, and perhaps already has done, in preceding states of existence; all that happens to a man upon earth, his external as well as his internal condition is a strict consequence of his behavior and actions. There is place only for merits, for the law of reward of man's works; there is no grace or forgiveness in the course of nature. The ethical law is the same as the natural law; everywhere karma reigns, — the law of inevitable consequences. Therefore there exist also differences among men, not in origin and disposition, by divine ordinance, but by the use or misuse which they make of their gifts. Men do not run with equal ardor; they do not exert themselves with the same vigor. There are sarcical, psychical, and pneumatic men; and according to their work in their earthly existence they continue their life after death. Death is no death, but life, — a form of transition to a higher existence. The deceased do not even know that they have died; they keep a body, they see and hear, think and speak, consider and act, just as they did here upon earth. Perhaps they continue their intercourse for a shorter or longer time with men on earth, as spiritualism teaches; or they return in another body to the earth, as theosophy assumes; or they continue their purification in some other way. 42

Maar hoe de evolutie de toekomst zich ook voorstellen moge, zij verschaft geen rust aan het denken en geen rust ook aan het hart, omdat zij den Heer der wereld heeft weggenomen. Als er geen zijn maar enkel worden is, dan is er geen eindtoestand, noch diesseitig voor de menschheid noch jenseitig voor den enkelen mensch. Zelfs wordt de leer der evolutie daarmede in haar hartader aangetast; want de idee van eene nimmer eindigende ontwikkeling is de idee van een voortgang zonder doel, 43 en dus geen ontwikkeling meer; elke toestand bestaat alleen, om voor een volgenden plaats te maken; op hetzelfde oogenblik, dat het koninkrijk van den mensch ontstaan zou, zou het ook weder voorbijgaan, en dit te meer, omdat, ook naar het getuigenis der wetenschap, de tegenwoordige wereld en de tegenwoordige menschheid niet eeuwig kunnen voortbestaan. 44 Als er geen almachtig en heilig God is, die boven de wereld staat en voor haar het einddoel en het rustpunt van haar streven is, dan is er geen einddoel, komt er aan het wereldproces geen slot, en blijft er geen ruste over voor het menschelijk hart. Zelfs is het dan een ijdele klank, om met Höffding en Münsterberg van de eeuwige bewaring der waarden te spreken, 45 want met de persoonlijkheid valt ook alle waarde weg; of ook, om met het door Schopenhauer en von Hartmann geprotegeerde Buddhisme aan een geheimzinnig Nirvana te gelooven, waarbij alle leven, bewustzijn en wil wegzinkt in eene eeuwige hypnose. 46 Op het standpunt der evolutie blijft er alleen plaats voor de gedachte van een eeuwigen terugkeer, gelijk die reeds in de Grieksche philosophie door Heraclitus en de Stoa werd aangenomen en in 256 den laatsten tijd door Nietzsche werd vernieuwd. Nietzsche was eerst pessimist, leerling van Schopenhauer en Wagner; later werd hij positivist en plaatste zich, met verwerping van alle metaphysica, in de werkelijkheid als de eenige en waarachtige wereld; en nog later verbond hij daarmede de leer van de „Wille zur Macht"; de werkelijke wereld werd voor hem eene zee van krachten, die niet is maar eeuwig wordt, die geen oorsprong heeft en geen doel, maar eeuwig op- en ondergaat, verdwijnt en verschijnt. Ofschoon hij uit deze scheppende energie van den „Wille zur Macht" nu wel weer het geloof putte aan de verschijning van den Uebermensch, en daarbij als een doel van het wereldproces bleef staan, het spreekt toch van zelf, dat dit geloof zoowel met zijn positivisme als met zijne leer van den eeuwigen terugkeer in lijnrechten strijd is; de Uebermensch is niet alleen een zuiver product zijner phantasie, maar kan ook slechts een overgangsvorm in het proces der wereld zijn. 47 Het optimisme, dat uitsluitend op de evolutie is gebouwd, slaat bij dieper nadenken toch weer in pessimisme om.

But whatever evolution thinks about the future, it affords no rest for the mind and none for the heart, because it takes away from us the Lord of the world. If there is no being, but only becoming, then there is no final state, either on this side of death for humanity, or on the other side for the individual man. The doctrine of evolution is even mortally wounded by this eternal process, because the idea of a never-ending 296 development means a process without aim, 43 and thus no longer a development. For every state exists only to make way for another; as soon as the kingdom of man came into existence it would pass away, and this the more because, according to the testimony of science, the present world and the present humanity cannot last eternally. 44 If there is no omnipotent and holy God who exists above the world, and is for it the goal and resting-place of its strife, then there is no final end, no completion of the process of the world, and no rest for the human heart. It is then an empty sound even to speak with Höffding and Münsterberg of the eternal preservation of values, 45 for all value disappears with personality; or to take refuge in a mysterious Buddhistic Nirvana, as is proposed by Schopenhauer and von Hartmann, wherein all life, consciousness, and will sink into an eternal, hypnotised condition. 46 From the standpoint of evolution there is place only for an eternal return, as was already assumed in Greek philosophy by Heraclitus and the Stoics, and in these later days has been advocated even by Nietzsche. Nietzsche was first a pessimist, pupil of Schopenhauer and Wagner; later he became a positivist, and, rejecting all metaphysics, took his standpoint in reality as the one true world; still later he combined with this the doctrine of the Wille zur Macht; the real world became for him an ocean of powers, which is not, but eternally becomes, which has no origin and aim, but continually rises and falls, appears and disappears. Although he draws from this creative energy of the Wille zur Macht the belief in the appearance of the Uebermensch, and takes this as the aim of the process of the world, yet it is self-evident that this belief is in direct opposition to his positivism, as well as to his doctrine of the eternal return. The 297 Uebermensch is not only a pure product of his imagination, but can only be a transition form in the process of the world. 47 An optimism which is exclusively built on evolution is always transmuted into pessimism if one ponders a little more deeply.

Dat wordt ook in het meliorisme van James openbaar. Als het pragmatisme tegen het idealisme te velde trekt en in de empirie zijn standpunt neemt, kan het ook niet komen tot eenige eschatologie. Men kan aan de wetenschap wel met Comte den eisch stellen, dat ze ons vooruit moet doen zien en de toekomst moet leeren voorspellen; 48 maar terecht zegt Ostwald, dat onze kennis van den aanvang en het einde der wereld gelijk nul is, 49 want de wereld is zoo eindeloos groot en de menschelijke maatschappij is zoo ingewikkeld, dat niemand zelfs ook maar met eenige waarschijnlijkheid berekenen kan, hoe zij in de toekomst zich ontwikkelen zullen. Wie strikt aan de ervaring zich houdt, moet opkomen tegen eene „Entwicklungsmetaphysik", welke van een onfeilbaar voortschrijdenden vooruitgang spreekt. Want dat alles behoort tot het terrein des geloofs, en is voor eene logische en ethische critiek niet bestand. Op den bodem der werkelijkheidis er alleen plaats voor de berusting in onze onkunde: wij weten niet, wat de toekomst brengen, hoever de menschheid zich ontwikkelen zal. Het eenige, dat ons te doen staat, is onzen plicht te volbrengen. Wij kunnen het proces niet tegenhouden, maar 257 wij kunnen het misschien een weinig buigen en leiden. Laten wij dus de wereld nemen zoo als zij is „and make the best of it". Misschien valt dan de toekomst nog mede. 50

This is apparent also in the so-called meliorism of James. If pragmatism is opposed to idealism, and takes its standpoint in the empirical world, it cannot attain to an eschatology. One may with Comte require from science that it give us the power to look forward and predict the future; 48 but Ostwald rightly says that our knowledge of the commencement and end of the world is null, 49 for the world is so enormously great, and human society so complicated, that nobody can calculate with any certainty how they will develop in the future. Every one who holds strictly to experience must protest against a metaphysics of evolution which speaks of an infallible and eternal progress. All this belongs to the province of faith, and is not able to withstand a logical and ethical criticism. On the ground of empirical reality we can only resign ourselves to ignorance; we know not what the future may bring, or how humanity will be developed. The only thing we have to do is to fulfil our duty. We cannot stop the process, but we may perhaps bend and guide it a little. Let us take the world as it is, and make the best of it. Perhaps the future will be better than we think. 50

Van een sterk geloof en van grooten moed getuigt dit meliorisme zeker niet. Het heeft eigenlijk de gansche wereld reeds aan het pessimisme prijsgegeven, en houdt zich alleen nog staande, door zich vast te klemmen aan den plicht. Maar deze isoleering van den kategorischen imperatief uit het levensverband, waarin hij bij mensch en menschheid voorkomt, heeft in niet geringe mate tot de opkomst en verbreiding van de pessimistische stemming in de negentiende eeuw bijgedragen;51 Schopenhauer's stelsel hangt ten nauwste met Kant's criticisme saam. Als het wezen der dingen onkenbaar is, is des menschen ellende niet te overzien. Want het metaphysische „Bedürfnis" is ons allen aangeboren, en de dorst naar de kennis van het absolute laat zich niet uitroeien uit het hart. De toestand zou minder ongelukkig zijn, wanneer religie niet in gemeenschap met God bestond of die gemeenschap ook buiten het bewustzijn om verwezenlijkt en genoten kon worden. Maar wat wij niet kennen, dat hebben en dat minnen wij niet. De bijzondere nooden van onzen tijd zijn daarom voor een aanmerkelijk deel door het agnosticisme veroorzaakt. Het vertrouwen is geschokt, niet alleen in de wetenschap, maar ook en voornamelijk in onszelven, in het getuigenis van ons zelfbewustzijn, in de waarde onzer religieuze en ethische beseffen, in de draagkracht van ons verstand en onze rede. De twijfel is in aller hart ontwaakt, en de onzekerheid slingert onze overtuigingen heen en weer; wij worden bewogen door allerlei wind van leer; en door het ja en neen, dat van alle kanten ons tegenklinkt, is onze wilskracht verzwakt.

This meliorism certainly does not bear witness to strong faith and great courage. It has to all intents abandoned the whole world to pessimism, and maintains itself only by holding fast to duty. But this isolation of the categorical imperative from the totality of life, in which it is presented to us in man and humanity, has in no small measure contributed to the appearance and spreading of 298 a pessimistic feeling in the nineteenth century; 51 the system of Schopenhauer depends closely on Kant's criticism. If the essence of things is unknowable, the misery of man cannot be fathomed. For metaphysical need is born in all of us, and the thirst after the knowledge of the absolute cannot be uprooted from the heart. Our condition would be more tolerable if religion did not consist in fellowship with God, or if that fellowship could be realized and enjoyed without consciousness. But what we do not know, we have not, and we love not. The special needs of our time are therefore caused by agnosticism. Trust is undermined not only in science, but also and principally in ourselves, in the witness of our self-consciousness, in the value of our religious and ethical perceptions, in the power of our intelligence and reason. Doubt is awakened in all hearts, and the uncertainty causes our convictions to sway hither and thither; we are moved by every wind of doctrine, and weakened in our will by the yeas and nays which resound on all sides.

Hoe het menschelijk geslacht van deze krankheid genezen zal worden, kan niemand voorspellen. De philosophie, die in de laatste jaren herleefde, is daartoe zeker wel niet in staat. Want zij is zelve in hooge mate door de krankheid aangetast; zij is onzeker in haar uitgangspunt, verkeert aangaande haar eigen taak en doel in twijfel, en staat in allerlei richtingen en stelsels gedeeld. Van een gestadigen voortgang is in hare geschiedenis geen sprake; 258 zij heeft, inzonderheid in de periode van Kant, evenveel afgebroken als opgebouwd, en hare voorstanders spreken niet zelden de gedachte uit, dat de bate, die zij afgeworpen heeft, alleen bestaat in de verheldering van het inzicht in het wezen der menschelijke kennis en dat zij overigens vrij wel eene geschiedenis van belangwekkende en leerrijke dwalingen is. 52

Nobody can predict how the human race will overcome this disease. Philosophy, which has revived in late years, assuredly is not fitted for the task. For it is itself infected in a great measure by the disease; it is uncertain in its starting point, is in doubt concerning its own task and aim, and is divided into all kinds of schools and systems. There is no question of a steady progress in its history; it has, especially in the period of Kant, broken more down than it has built up, and its defenders not infrequently give utterance to the opinion that the advantage which it has produced consists solely in the enlightening of insight into the essence of human knowledge, and that aside from this it is mostly a history of instructive and important human errors. 52 299

Ook de zedelijke autonomie, waarin Kant den grondslag voor zijne metaphysica zocht, biedt in hare eenzaamheid geen genoegzame vastigheid aan. Want indien de gansche wereld aan de werking van een blind proces wordt toegeschreven, is het niet te begrijpen, hoe in dien stroom van het worden het plichtbesef een onbewegelijk rotsblok zou vormen. De evolutie, die overal elders erkend wordt, blijft voor deze schijnbare onveranderlijkheid niet staan, maar dringt in het wezen van den zedelijken mensch door, ontleedt zijne inzichten, wijst de bronnen aan, waaruit zijne meeningen geput zijn en haalt over de eeuwigheid van zedelijken plicht en zedelijke geboden de schouders op. 53 Maar afgezien van deze ernstige bestrijding, de zedelijke autonomie kan den mensch soms wel een tijd lang opbeuren en bezielen met kracht, ze kan hem, als de sterrenhemel boven zijn hoofd, met bewondering vervullen en in dagen van zelfvertrouwen hem aansporen tot rusteloozen arbeid, maar ze biedt geen troost in uren van berouw en van bittere smart. Zij is goed voor den Farizeër, die geen andere wet kent dan loon naar verdienste, maar zij is meedoogenloos hard voor den tollenaar en zondaar, die Gods genade behoeft. En zulke arme zondaren zijn wij allen op onze beurt. De sterkste onder de menschen heeft tijden, waarin hij zich ellendig en verlaten gevoelt als de verloren zoon. De „healthy-minded men" staan niet als eene bijzondere, aristocratische klasse van de „morbid-minded men" gescheiden, maar gaan zelven menigmaal in dezen over; optimisme en pessimisme wisselen in ieder menschelijk leven met elkander af. 54 De wijsgeer Fichte levert daar een treffend voorbeeld van. In de eerste periode van zijn wijsgeerig denken had hij aan God geen behoefte en aan de zedelijke wereldorde genoeg; in den beginne was niet het zijn maar het doen, niet het woord maar de daad; het niet-ik was niets anders dan het 259 verzinnelijkte materiaal van den plicht en het volgen vandienplicht de hoogste zaligheid. Maar later, toen ernstige ervaringen zijn leven en zijn denken hadden verrijkt, toen keerde hij uit het doen naar het zijn, uit den plicht naar de liefde, uit het streven naar de rust, uit het moralisme tot de religie terug. Naarmate wij dieper leven, voelen wij ons minder bij Pelagius, en meer bij Augustinus thuis. 55 De kennis der wet wekt de behoefte aan genade.

The ethical autonomy also, which formed for Kant the basis of his metaphysics, offers in its isolation no sufficient security. For if the whole world is ascribed to the operation of a blind process, it cannot be understood how consciousness of duty could obtain a firm foothold in this stream of becoming. Evolution, which is everywhere else recognized, does not respect this apparent immutability, but penetrates into the essence of the moral man, analyzes his views, shows the sources from which his opinions are drawn, and shrugs its shoulders over the eternity of moral duty and moral laws. 53 But apart from this serious objection, moral autonomy may uplift and animate man for a short time; it may fill him with admiration, as does also the starry sky above his head; and in days of self-confidence it may stimulate him to restless eflort, but it can give him no comfort in hours of repentance and bitter agony. It is good for the Pharisee, who knows no other law than reward for service, but it is pitilessly hard for the publican and sinner, who need God's grace. And such poor sinners are we all, each in his turn. The strongest among men have times in which they feel miserable, and as desolate as the prodigal son. The “healthy-minded men" are not separated from “the morbid-minded" as a special aristocratic class, but often themselves pass over into their opposites; optimism and pessimism alternate in every man's life. 54 Fichte, the philosopher, affords us a striking illustration of this. In the first period of his philosophic thought he felt no need of God, and was content with the moral world-order: in the beginning of things there was not being, but doing; not the word, but the deed; the non-ego was nothing but the material of duty, and the fulfilment of this duty the highest blessedness. But later, when serious experiences 300 had enriched his life and thought, he returned from doing to being, from duty to love, from striving to rest, from morality to religion. The more deeply we live, the more we feel in sympathy with Augustine, and the less with Pelagius. 55 Knowledge of law awakens the need for grace.

Nog minder vastigheid biedt voor eene blijde hope de hedendaagsche cultuur-ontwikkeling aan. Daar zijn nog altijd velen, die met de wetenschap dwepen en van hare technische toepassingen het heil der menschheid verwachten. Op de lippen der vrijdenkers liggen nog altijd de kreten van wetenschap, vooruitgang, vrijheid bestorven. 56 Maar de holheid der klanken openbaart zich aan ieder opmerkzaam luisterend oor. De cultuur brengt hare zegeningen, maar ook hare donkere schaduwzijden en ernstige gevaren mede; zij ontwikkelt eigenschappen en krachten in den mensch, die op hoogen prijs te schatten zijn, maar zij doet dit bijna altijd ten koste van andere deugden, die niet minder te waardeeren zijn; terwijl zij het nadenken, de scherpzinnigheid, de activiteit en het inspannend streven bevordert, onderdrukt zij de onbevangenheid, de kinderlijke naïveteit, den eenvoud en de onschuld, die menigmaal aan het natuurleven eigen zijn. 57 Verstandelijke ontwikkeling is op zichzelf nog geen zedelijk goed, gelijk het rationalisme van Socrates' dagen af gedroomd heeft, maar kan evengoed ten kwade als ten goede worden aangewend; ze kan in den dienst der liefde staan, maar ook een gevaarlijk instrument worden in de handen van den haat; niet alleen de deugdzame, ook de misdadiger profiteert ervan. Wat da Costa van de uitvinding der boekdrukkunst zeide, dat zij een reuzenstap was ten hemel en ter hel, dat geldt van alle wetenschappelijke en technische elementen der cultuur.

Present-day culture offers still less security for a glad hope. There are still many who are enthusiastic about science, and anticipate from its technical applications the salvation of humanity. The cries of science, progress, and liberty are continually heard on the lips of free-thinkers. 56 But the hollowness of the sound reveals itself to any keenly listening ear. Culture brings with;it its blessings, but also its dark shadows and serious dangers; it develops attributes and powers in men which are highly valuable, but it does this almost always at the cost of other virtues which are not of less value; while it promotes reflection, sagacity, activity, and strenuous striving, it suppresses the unbiassed opinion, the childlike naïveté, the simplicity and the guilelessness, which often belong to the natural life. 57 Intellectual development is in itself no moral good, as rationalism has dreamed ever since Socrates' day, but may be used equally well for evil as for good; it can be serviceable to love, but it may also become a dangerous instrument in the hands of hate; not only the virtuous, but also the criminal, profit by it. What da Costa said of the invention of printing, that it was a gigantic step to heaven and to hell, may be applied to all scientific and technical elements of culture.

Inderdaad zijn wij er dan ook in onze eigene, ontwikkelde maatschappij getuigen van, dat de zonden en misdaden op schrikbarende wijze toenemen, niet alleen in de onderste lagen der bevolking, maar minstens even sterk in de hooge, aristocratische kringen. Ongeloof en bijgeloof in allerlei vormen, hoererij, ontucht 260 en onnatuurlijke zonden, genotzucht en overdaad, hebzucht, diefstal en moord, naijver, nijd en haat spelen in het levender beschaafde menschheid eene niet minder groote rol dan bij de volken van lage cultuur. Kunst en litteratuur werken niet zelden al deze zonden in de hand, en de tooneelstukken, die in de centra der beschaving, zooals Parijs en Berlijn, voor de élite worden opgevoerd, doen ernstig vragen, waar wij met al onze beschaving henengaan. 58

We are indeed witnesses in our own developed society that sin and crime increase frightfully, not only in the lowest ranks of population, but quite as much in high aristocratic circles. Unbelief and superstition in all forms; 301 adultery, unchastity, and unnatural sins, voluptuousness and excess, avarice, theft, and murder, jealousy, envy, and hatred, play no less a part in the life of cultured humanity than among the lower races. Art and literature are not infrequently handmaids to all these sins, and the plays, which in such centres of civilization as Paris and Berlin are given before the élite, seriously raise inquiries whither we are bound with all our civilization. 58

En tegelijk met die ongerechtigheden verwijdt zich de kloof tusschen godsdienst en cultuur, tusschen zedelijkheid en beschaving, tusschen wetenschap en leven, tusschen de verschillende standen en klassen der maatschappij. De wetgeving staat hier meerendeels machteloos tegenover; innerlijk bederf, zedelijke ontaarding, godsdienstig verval zijn door geen staatswet te herstellen of te keeren; veeleer heeft elke wet met de zelfzucht en den hartstocht der menschen rekening te houden, om niet tot volslagen onmacht gedoemd te zijn; als de wet in de conscientie geen steun vindt, blijft ze buiten het leven staan. Bovendien is die wetgeving meer en meer in de handen van het volk overgegaan, zoodat zij niet zelden aan partijbelang wordt dienstbaar gemaakt. Over de schaduwzijden der parlementaire regeeringsvormen nemen in alle landen de klachten toe; 59 de staat, die boven allen staat en aller belang te behartigen heeft, dreigt een speelbal te worden in den strijd der partijen en een machtig middel, waarvan de meerderheid zich bedient, om de minderheid te onderdrukken. Het groote goed der vrijheid, op religieus, sociaal en politiek gebied staat in sommige landen, zooals Frankrijk, zeer ernstig op het spel.

And at the same time with these iniquities the cleft becomes wider between religion and culture, between morality and civilization, between science and life, between the various classes and ranks of society. Legislation is almost powerlesshere; internal corruption, moral degeneration, and religious decay cannot be removed by a law of the state; on the contrary, every law has to reckon with the egoism and the passion of men, if it does not wish to be doomed to complete impotence; if law does not find support in conscience, it does not touch life. Besides this, legislation is put more and more into the hands of the people, so that it is not seldom made the servant of party interests. Complaints about the shady side of parliamentary government increase in all lands; 59 the state, which is above all, and has to further the interests of all, tends to become a ball in the strife of parties, and a powerful means by which the majority tries to suppress the minority. The benefit of liberty itself, in religious, social, and political domains, comes very seriously into question in many countries, such as France.

Men kan zelfs vragen, of de evolutietheorie dezen voortgaanden triumf van het recht van den sterkste niet in sterke mate bevordert. Want ofschoon zij in dien zin aan vooruitgang gelooft, dat het stoffelijke aan het geestelijke in den weg van geleidelijke ontwikkeling het aanzijn schenkt, zij houdt toch ook in, dat in den „struggle for life" de minderwaardige omkomt en alleen „the fittest" overblijven. Daarom zijn de gevoelens over de verhouding van Darwinisme en socialisme dan ook ten zeerste verdeeld; volgens Virchow, Loria, Ferri en anderen is het Darwinisme aan het socialisme 261 bevorderlijk, maar Haeckel, O. Schmidt, Ammon, H.E. Ziegler, H. Spencer zijn daartegenover van meening, dat het principe der selectie een aristocratisch karakter draagt. 60 In elk geval, het merkwaardig verschijnsel doet zich voor, dat tegen de sociaal-democratie eene sociale aristocratie zich verheft; de Herrenmoral van Nietzsche vindt ook verdediging op oeconomisch gebied; het kapitalisme wordt diep veracht en woedend bestreden, maar het verheugt zich ook in krachtige voorspraak en hartstochtelijke verdediging; 61 en de kunst kwam in de laatste jaren zeer ernstig tegen de sociale nivelleering in verzet en voerde een krachtig pleidooi voor rijkdom en weelde, voor het genie en de aristocratie van den geest: het is ten hoogste normaal, dat velen leven voor enkelen en enkelen leven ten koste van velen. 62

There is even reason for the question, whether the theory of evolution does not promote in a high degree this continual triumph of the power of the strongest. For though it believes in progress in this sense, that the material gives birth to the spiritual in the way of gradual 302 development, it also teaches that in the struggle for life the unfit perish, and only the fittest survive. Therefore opinions greatly differ on the relation between Darwinism and socialism; according to Virchow, Loria, Ferri, and others, Darwinism is serviceable to socialism, but Haeckel, O. Schmidt, Ammon, H.E. Ziegler, and H. Spencer maintain, on the contrary, that the principle of selection bears an aristocratic character. 60 In any case, we are witnesses to this remarkable fact, that a social aristocracy is raised against a social democracy; the Herrenmoral of Nietzsche is also defended on economical grounds; capitalism is deeply despised and fanatically opposed, but it gains also strong support and passionate defence; 61 and art in late years very seriously protests against social levelling, and makes a strong plea for riches and luxury, for the genius and aristocracy of the mind; it is highly normal, it is said, that the many should live for the few and the few live at the cost of the many. 62

Hetzelfde verschijnsel nemen wij ook internationaal, in de verhouding der volken, waar. Het kosmopolitisme der „Aufklärung" maakte niet alleen in de negentiende eeuw voor het patriotisme plaats, maar het patriotisme ontwikkelde zich niet zelden tot een overspannen, gevaarlijk, krijgslustig chauvinisme, dat het eigen volk ten koste van andere volken verheft en verheerlijkt. Op zijne beurt werd dit chauvinisme weer gevoed en versterkt door de ontwaking van het rasbewustzijn, dat in Gobineau en H.St. Chamberlain zijne wetenschappelijke verdedigers vond. Niet alleen in de verschillende deelen der aarde, maar ook dikwerf onder dezelfde volken en in dezelfde landen staan de rassen scherp geteekend tegenover elkaar, dingende naar de oppermacht in den staat en naar de suprematie in het rijk van den geest. Zoozeer neemt deze rasverheerlijking een ernstig karakter aan en gaat zij alle grenzen te buiten, dat de deugden van het ras met het hoogste ideaal worden vereenzelvigd, Deutschtum bijv. met Christentum gelijk gesteld, en Jezus tot een Ariër genaturaliseerd wordt. 63

The same fact also presents itself internationally in the mutual relations of the nations. The cosmopolitanism of the “Enlightenment" was not only exchanged in the nineteenth century for patriotism, but this patriotism was not infrequently developed into an exaggerated, dangerous, and belligerent chauvinism, which exalts its own people at the cost of other nations. In its turn this chauvinism was fed and strengthened by the revival of the race-consciousness which in Gobineau and H.St. Chamberlain found its scientific defenders. Not only in the different parts of the earth, but also often among the same people, and in the same land, races are sharply opposed to each other, striving after the chief power in the state, and supremacy in the kingdom of the mind. This race-glorification acquires such a serious character, and so far 303 exceeds all bounds, that the virtues of the race are identified with the highest ideal. Deutschtum, for example, is placed on a level with Christendom, and Jesus is considered as an Aryan in race. 63

De oeconomische belangen drijven daarbij de concurrentie der volken op de spits; en wel draagt deze dikwerf nog uitwendig een vredelievend karakter, maar zij verwijdert desniettemin de volken van elkaar, geeft voedsel aan de zelfzucht, prikkelt de hartstochten, en kan bij de geringste aanleiding een oorlog doen ontbranden, die in vernielende werking alle vroegere oorlogen 262 overtreft. Van een vrederijk, dat alle volken omvat, zijn wij verder dan ooit verwijderd. En al hebben velen van zulk een vrede, of althans van een vredespaleis en een internationaal arbitragehof, vele zoete droomen gedroomd, 64 ze zijn door het plotseling optreden van Japan tot ontwaking en bezinning gebracht. Zooals velen in den staat tot de monarchie en het despotisme terugkeeren en in de maatschappij wederom aan de aristocratie en het kapitalisme de eerste plaats willen toekennen; zoo nemen anderen op internationaal gebied de wapening der volken, den strijd der rassen, en den bloedigen oorlog in bescherming. Uitwissching van alle verschillen tusschen de volken is volstrekt niet het hoogste, waarnaar wij te streven hebben. Een geamalgameerd menschdom ware zonder twijfel eene verarmende beschaving en eene verzwakking van menschenleven. Natuurlijk worden rassenhaat, en minachting van vreemden daarmede nog niet goedgekeurd, maar sterke volken zullen juist, evenals krachtige individuën, het meest de rechten van anderen eerbiedigen en tegenover hunne gebreken barmhartigheid bewijzen kunnen. En mocht dit verschil tusschen de volken en rassen nu en dan eens een oorlog ten gevolge hebben, zulk een oorlog is blijkens de historie voor menig volk en voor de menschheid in haar geheel eene bron van kracht en welvaart geweest. 65 De oorlog is volgens Moltke een bestanddeel van de door God ingestelde wereldorde, waarin zich de edelste deugden des menschen ontwikkelen, moed en zelfverloochening, trouw aan den plicht en gewilligheid om zich op te offeren; zonder den oorlog zou de wereld een moeras worden en wegzinken in materialisme. 66

Economical interests besides sharpen the competition between the nations. Though this competition still bears outwardly a peaceful character, it widens the gulf between the nations, feeds egoism, stimulates the passions, and may on the smallest occasion break out into a war which would surpass all previous wars in devastation. From a kingdom of peace, which shall embrace all nations, we are farther away than ever. Many men have, indeed, dreamed sweet dreams of such a peace, or at least of a palace of peace and international arbitration; 64 but they have been sadly undeceived, and forced into fresh reflection by the sudden apparition of Japan. Just as many in the state are returning to monarchy and despotism, and wish again to accord the first place in society to aristocracy and capitalism, so others in international relations defend the arming of nations, the conflict of races, and sanguinary war. The effacement of all differences between the nations is not, according to their opinion, the highest aim to be striven after. An amalgamated humanity would cause, without doubt, an impoverisheel civilization and a weakening of human life. Of course race-hatred and contempt for foreigners are not approved on this account; but it is said that strong nations, just like strong individuals, will respect most the rights of others and will be most merciful to their defects. And though this diversity between nations and races may now and then cause a war, history proves that such a war has been a source of strength and welfare for many peoples, and for humanity as a whole. 65 War is, 304 according to Moltke, an element of the world-order, as it is established by God, in which the noblest virtues of men are developed, such as courage and self-denial, faithfulness to duty, and self-sacrifice; without war the world would become a morass, and would sink into materialism. 66

Met al deze feiten voor oogen baart het geene verwondering, dat de cultuur, nu niet door Christenen, maar door de kinderen, die zij zelve heeft gevoed en gekweekt, dikwerf met groote minachting bejegend wordt. Daar zijn er, en hun aantal neemt toe, die met Buckle in weerwil van die verstandelijke ontwikkeling aan geen zedelijken voortgang gelooven en slechts van een kringloop der ontwikkeling spreken; 67 anderen gaan nog veel verder, houden het er voor, dat het menschelijk geslacht tengevolge van de cultuur physisch en psychisch, intellectueel, moreel en sociaal 263 achteruit gaat, en dat er alleen redding is te wachten van een radicalen omkeer, n.l. van een terugkeer tot de natuur of zelfs tot den dierlijken toestand, waarin de mensch oorspronkelijk heeft geleefd. Het aantal hervormers, dat tegenwoordig op ieder gebied van menschelijk denken en handelen optreedt, bewijst trouwens afdoende, dat de cultuur met al hare zegeningen het hart niet bevredigt en de behoeften der ziel niet vervult; evolutionisten en socialisten, schoon roemend in de overwinningen, welke de cultuurmensch heeft behaald, wedijveren met elkander in de strenge veroordeeling der tegenwoordige maatschappij, om dan al hun hope op de toekomst te bouwen. Maar die toekomst is donker en onzeker; want wie denkt aan het zedelijk bederf, dat onze cultuur inwendig aantast, en wie daarbij ook in rekening brengt de gevaren, die van buiten dreigen, het roode, het zwarte en het gele gevaar, dien rijst de angstige vraag op de lippen, of onze gansche moderne cultuur niet eenmaal, evenals die van Babylonië en Egypte, Griekenland en Rome, voor de verwoesting en den ondergang is bestemd? 68

If we take into account all these facts, it is not to be wondered at that culture is often treated with deep disdain, not only by Christians, but by the children whom it has fed and nourished. There are those — and their number increases — who, with Buckle, notwithstanding the intellectual development which has taken place, do not believe in any moral progress and speak only of a circle of development. 67 Others go still farther, and are of opinion that the human race, just in consequence of culture, is retrograding physically, psychically, intellectually, morally, and socially, and that safety can be obtained only by a radical change, namely, by a return to nature, or even to the animal state in which men originally lived. The great number of reformers who appear to-day in every domain of thought and action, indeed, sufficiently shows that culture, with all its blessings, does not content the heart, and does not meet all the needs of the soul. Evolutionists and socialists, though glorying in the conquests which the man of culture has made, vie with each other in condemning present-day society, and build all their hopes on the future. But that future is distant and uncertain ; for he who considers the moral corruption which has attacked our culture at the core, and takes into consideration the perils which press upon us from without, — the red, the black, and the yellow peril, — feels the anxious question rising within him, whether our whole modern culture is not destined sometime to devastation 305 and annihilation like that of Babylon and Egypt, Greece and Rome. 68

Zoo blijkt dan, dat wetenschap noch wijsbegeerte, ethiek noch cultuur ons die zekerheid aangaande de toekomst verschaffen kunnen, welke wij niet alleen voor ons denken, maar ook voor heel ons leven en handelen var! noode hebben. Men kan zich n.l. van deze behoefte aan zekerheid niet ontdoen, door te zeggen, dat de mensch zijn plicht maar moet doen en de toekomst aan haar zelve moet overlaten. Want al ligt er eene groote waarheid in de Christelijke levensleus: blind in de toekomst en ziende in het gebod, deze berusting is juist niet uit den twijfel, maar uit het geloof geboren, en laat de toekomst niet aan zichzelve, maar aan Gods vaderlijke leiding over. De behoefte aan zekerheid aangaande de toekomst en het einddoel der wereld blijftonsdaarom altijd bij, wijl met die toekomst alle waarden, die wij kennen in dit leven, in onlosmakelijk verband staan. Indien de wereld, aan het einde van hare ontwikkeling gekomen, in een chaos wordt opgelost of wegzinkt in eeuwigen slaap, is de waarde der persoonlijkheid, de waarde van het religieuze en zedelijke leven, de waarde ook van de cultuur niet te handhaven. Met de 264 eindbestemming van de wereld hangt het wel en wee van den mensch, hangt de zaligheid onzer zielen saam. En dus is, om zaliglijk te leven en te sterven, een troost van noode, die vast en duurzaam is en zekerheid aan ons denken en arbeiden verschaft. Alle wereldbeschouwingen loopen daarom ook uit in eene eschatologie, en alle pogingen tot hervorming worden bezield door het geloof aan de toekomst.

Thus it appears that neither science nor philosophy, neither ethics nor culture, can give that security with regard to the future which we have need of, not only for our thought, but also for our whole life and action. This need of security cannot be voided by saying that every one must do his duty and leave the future to itself. For though there is great truth in the Christian motto, “Blind for the future, and seeing in the commandment," such true resignation is not born of doubt, but of faith, and does not leave the future to itself, but to God's fatherly guidance. The need of security concerning the future and the ultimate end of the world, therefore, always remains with us, because everything we value in this life is inseparably connected with the future. If the world at the end of its development is dissolved in a chaos, or sinks back into everlasting sleep, the value of personality, of religious and ethical life, and also of culture, cannot be maintained. The weal and woe of man, and the safety of our souls, are closely interwoven with the final destiny of the world. Therefore, in order to live and to die happily we need a consolation which is firm and durable, and gives security to our thought and labor. All world-views, therefore, end in an eschatology, and all eflorts at reformation are animated by faith in the future.

Indien noch wetenschap noch cultuur noch ook de verbinding van beide 69 ons zulk eene zekerheid verschaffen kan, blijft de vraag over, of er dan in de gansche wereld niet iets anders is, waarop wij ten allen tijde, in nood en dood, met ons gansche hart ons vertrouwen stellen kunnen? En daarop geeft de geschiedenis, met eene duidelijkheid, die allen twijfel verdrijft, ten antwoord, dat er slechts ééne macht is, welke zulk eene zekerheid verschaffen en zulk een volstrekt vertrouwen in het hart wekken kan, en dat is altijd en overal de religie geweest. Terwijl de wetenschap slechts op enkele martelaren bogen kan, telt de religie hare bloedgetuigen bij duizenden en tienduizenden; wie heeft ook voor eene louter mathematische of natuurwetenschappelijke waarheid zijn leven veil? Indien wij dus de zekerheid vinden willen, die in leven en sterven ons rust verschaft en te midden van de stormen van den twijfel ons staande houdt, dan zullen wij deze bij de religie moeten zoeken, of wij vinden haar nergens. Alle zekerheid aangaande den oorsprong, het wezen en het einde der dingen is op de religie gebaseerd. Zoodra eene of andere wereldbeschouwing met deze problemen in aanraking komt, staat zij voor de keus, om met gissingen en twijfelingen zich tevreden te stellen of tot eene religieuze interpretatie der wereld de toevlucht te nemen. Comte meende wel, dat de godsdienst en de metaphysica tot het verleden behoorden, maar maakte zijn positivisme aan de prediking van een nieuwen godsdienst dienstbaar, en Herbert Spencer laat onverklaard, hoe hij, bij zijne philosophie, achter de verschijnselen een „Unknowable Power" kon aannemen en het vermoeden kon uitspreken, dat deze Macht dezelfde is als die, „which in ourselves wells up in the form of consciousness". 70 265

If neither science nor culture, nor the combination of both, 69 can give us such security, the question remains whether there is anything else in the whole world in which we can trust at all times, in adversity and death, with our whole heart? Now history teaches, with a distinctness which precludes all doubt, that there is only one power which can give such a security, and can awaken such an 306 absolute confidence in the heart always and everywhere, and that is religion. While science can boast of only a few martyrs, religion counts its witnesses by thousands and tens of thousands. Who would be ready to sacrifice his life for a purely mathematical or scientific truth? If we wish to find the security which gives us rest in life and death and keeps us firm in the midst of the storms of doubt, we must seek it in religion, or we can find it nowhere. All certainty concerning the origin, the essence, and the end of things, is based on religion. As soon as a world-view attacks these problems, it is met by the alternative, either to content itself with guesses and doubts, or to take refuge in a religious interpretion of the world. Comte thought, indeed, that religion and metaphysics belonged to the past, but none the less made his positivism serviceable for the preaching of a new religion; and Herbert Spencer did not explain how he, in his philosophy, could accept an unknowable power behind phenomena, and could give expression to the suggestion that this power is the same as that “which in ourselves wells up in the form of consciousness." 70

De reden, waarom alleen de religie zulk eene zekerheid verschaffen kan, ligt voor de hand. Ten eerste sluit zij altijd het geloof in aan eene Goddelijke macht, die van de wereld onderscheiden, boven haar verheven is en ze beheerschen en leiden kan overeenkomstig haar eigen wil. En ten andere stelt zij den mensch zelf, persoonlijk, met die Goddelijke macht in verbinding, zoodat hij in de zake Gods zijn eigen zaak ziet en, met God als bondgenoot, de macht der gansche wereld tot in den dood trotseeren kan. Maar deze idee der religie is alleen in het Christendom.tot h~re ware, volle vervulling gekomen. Want alle godsdiensten, die buiten de bijzondere openbaring in Christus omgaan, en tevens alle belijdenissen en wereldbeschouwingen, welke van haar afwijken kenmerken zich door deze gemeenschappelijke eigenaardigheid dat zij God en wereld, het natuurlijke en het zedelijke, het zijn en het kwade, de schepping en den val vereenzelvigen, en die de religie vermengen met superstitie en magie. Daar is maar één godsdienst, die hier al de lijnen zuiver trekt, de religie geheel er ten volle tot religie maakt, en dat is het Christendom.

The reason why religion alone can create such a security lies at hand. First, it always includes faith in a divine power, which is distinct from the world, far above it, and can govern and guide it according to its own will; and, secondly, it puts man himself personally into connection with the divine power, so that he sees in the affairs of God his own affairs, and allied with God can defy the power of the whole world, even unto death. But this idea of religion has only come to its true and full embodiment in Christianity. For all religions which exist without the special revelation in Christ, and equally all confessions and world-views which differ from it, are characterized 307 by this common peculiarity, that they identify God and the world, the natural and the ethical, being and evil, creation and fall, and therefore mix up religion with superstition and magic. There is only one religion which moves on pure lines and is conceived altogether as religion, and that is Christianity.

In het Christendom is God de Schepper aller dingen. De gansche wereld is het werk van zijne handen; ook de stof is door Hem geformeerd en te voren door Hem gedacht. Aan alwat is en wordt ligt dus eene openbaring Gods ten grondslag. De eenheid der natuur, de eenheid van het menschelijk geslacht, de eenheid der geschiedenis hebben in die openbaring haar uitgangspunt.' De wetten der natuur, de wetten der geschiedenis, de wetten van alle ontwikkeling zijn uit die openbaring voortgevloeid. De ideeën en normen, die voor het godsdienstig, zedelijk, maatschappelijk leven gelden en in het zelfbewustzijn en het denken der menschheid aan het licht treden, zijn aan die openbaring Gods te danken. In één woord, dat de wereld geen chaos, maar een kosmos, een universum is — stilzwijgende onderstelling van alle wetenschap en kunst —, dat rust in de openbaring, die het Christendom ons kennen doet. Natuur en genade, cultuur en cultus zijn op dezelfde fundamenten gebouwd.

In this religion God is the creator of all things. The whole world is the work of his hands; matter itself is made by him, and before its making was the object of his thought. All being and becoming thus embody a revelation of God. This revelation is the starting point of the unity of nature, the unity of the human race, the unity of history, and is also the source of all laws, — the laws of nature, of history, and of all development. The ideas and norms which govern religious, ethical, and social life, and appear in the self-consciousness and the thought of humanity, are the product of this revelation of God. In a word, that the world is no chaos, but a cosmos, a universe, is the silent postulate of all science and art for which they are indebted to the revelation which Christianity makes known to us. Nature and grace, culture and cultus, are built upon the same foundations.

Maar deze openbaring is niet genoeg. God is Schepper, Hij is voorts ook de Verzoener aller dingen. Daar is veel kwaad in de 266 wereld, zedelijk en natuurlijk kwaad, zonde en ellende. Het Christendom is de eenige godsdienst, die deze beide soorten van kwaad in verband houdt en toch ook zuiver onderscheidt. De zonde zit niet in de stof, niet in de natuur, niet in de substantie der dingen, maar zij is eene zaak van den wil van het schepsel, zij is ethisch van aard, en dus verzoenbaar, uitwischbaar, vernietigbaar. Zij kan van het schepsel losgemaakt worden, zoodat zij zelve verdwijnt en het schepsel ongeschonden blijft, ja veeleer hersteld en verheerlijkt wordt. God staat boven de wereld, Hij staat ook boven de zonde en boven alle kwaad. Hij liet ze toe, omdat Hij ze verzoenen kon. Zoo hield Hij alle eeuwen door en bij alle menschen de verlossingsbehoefte en de verlossingsvatbaarheid staande, en bracht Hij in de volheid des tijds, in het midden der historie, in den gekruisten Christus die verlossing zelve tot stand. God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, de zonden haar niet toerekenende. Het kruis op Golgotha is de Goddelijke afrekening met, de Goddelijke veroordeeling van de zonde. Daar wordt het openbaar: de zonde bestaat; ze is geen fictie, die door de gedachte, geen uitwendig gebrek, dat door de cultuur te overwinnen is; maar zij is eene ontzaglijke werkelijkheid van wereldhistorische beteekenis. Maar al bestaat ze, zij heeft geen recht van bestaan, zij mag niet bestaan, en daarom zij zal niet bestaan.

But this revelation is not sufficient. God is creator: he is further the reconciler of all things. There is much evil in the world, — natural and moral evil, sin and misery. Christianity is the one religion which connects these two kinds of evil and yet distinguishes them. Sin does not lie in matter, nor in nature, nor in the substance of things, but it belongs to the will of the creature; it is of ethical nature, and thus capable of being expiated, effaced, extinguished. It can be separated from the creature, so that it disappears and the creature remains intact, yea, much more, is restored and glorified. For God is above the 308 world, and is also above sin and all evil. He allowed it because he could expiate it. So he maintained through all centuries and among all men the longing and the capacity for redemption, and wrought that redemption himself in the fulness of time, in the midst of history, in the crucified Christ. “God was, in Christ, reconciling the world with himself, not imputing their trespasses unto them." The cross of Golgotha is the divine settlement with, the divine condemnation of sin. There it is revealed that sin exists; it is no fiction which can be conquered by thought, no external defect which can be obliterated by culture; but it is an awful reality, and has a world-historical significance. But although it exists, it has no right of existence; it should not exist, and therefore it shall not exist.

God is de Schepper en de Verzoener, en dus ook de Hersteller en Vernieuwer aller dingen. De geschiedenis na Christus' opstanding is de uitvoering van het rechterlijk vonnis, dat aan het kruis is geveld, van het vonnis, dat in Christus de zonde veroordeelt en den zondaar vrijspreekt, en daarom dezen op vergeving en vernieuwing recht en aanspraak geeft. Het kruis van Christus deelt de geschiedenis der menschheid in twee helften,in de voorbereiding tot en in de uitwerking van de verzoening; maar in beide deelen, van de schepping tot het kruis, en van het kruis tot de wederkomst is ze één geheel, één onafgebroken werk Gods. Het Christendom is als religie veel meer dan eene gevoelsaandoening en gemoedsstemming; het omvat den ganschen mensch, geheel de menschheid en de totaliteit der wereld. Het is een 267 werk Gods, eene openbaring van het begin tot het einde der eeuwen, in woord en in daad, voor het verstand en voor het hart, voor den enkele en voor de gemeenschap. En het heeft zijn kern en middelpunt in den persoon en het werk van Christus.

For God is the creator and redeemer, but also finally the restorer and renewer of all things. The history of mankind after the resurrection of Christ is the execution of the judicial sentence which was passed on the cross, of the sentence which in Christ condemns sin and absolves the sinner, and therefore gives to him a right and claim to forgiveness and renewal. The cross of Christ divides history into two parts, — the preparation for and the accomplishment of reconciliation; but in both parts, from the creation to the cross and from the cross to the advent, it is one whole, one uninterrupted work of God. Christianity is as religion much more than a matter of feeling or temperament; it embraces the whole man, all humanity, and the totality of the world. It is a work of God, a revelation from the beginning to the end of the ages, in word and in deed, for mind and heart, for the individual and the community. And it has its heart and centre in the person and the work of Christ.

Christus staat toch tot het Christendom in een gansch andere verhouding, dan Zarathustra of Kong-foetse, Buddha of Mohammed tot den godsdienst, die door ieder hunner werd gesticht. Christus is niet de stIchter van het Christendom, niet de eerste belijder ervan, niet de eerste Christen. Maar Hij is het Christendom zelf, in zijne voorbereiding, vervulling en voleindiging. Hij schiep alle dingen, verzoent alle dingen en vernieuwt alle dingen. Wijl alles in Hem zijn oorsprong, zijn bestand en zijn verband heeft, vergadert Hij ook alles tot één onder zichzelven als het Hoofd, beide dat in den hemel en dat op de aarde is. Hij is profeet en priester, maar ook koning, die het werk niet staakt, voordat Hij het koninkrijk volmaakt en voltooid Gode den Vader overgeeft.

Christ occupies in Christianity quite a different position 309 from that which Zarathustra or Confucius, Buddha or Mohammed, hold in the religion which was founded by each of them. Christ is not the founder of Christianity, nor the first confessor of it, nor the first Christian. But he is Christianity itself, in its preparation, fulfilment, and consummation. He created all things, reconciled all things, and renews all things. Because all things have in him their source, their being, and their unity, he also gathers in one all things under himself as Head, both those which are in heaven and those on earth. He is Prophet and Priest, but also King, who does not cease his work until he has delivered the kingdom perfect and complete to God the Father.

Deze ééne, tegelijk souvereine en almachtige, heilige en genadige wil Gods, die in den persoon en het werk van Christus ons tegemoet treedt en tot onze conscientie spreekt, is de vaste grond van onze zekerheid aangaande het verleden, het heden en de toekomst. Want niemand kan ontkennen, indien er zulk een wil is en werkt, dan ligt de oorsprong, de ontwikkeling en eindbestemming van de wereld vast; dan is het leven en het lot van iederen mensch, die bij dien wil Gods zich aansluit en Gods zaak tot de zijne maakt, voor nu en voor eeuwig verzekerd. Nu weet de wereld, de wetenschap en de kunst, de cultuur en de techniek van zulk een genadigen wil Gods niets af. Zij kunnen het bij al hunne diepzinnigheid en scherpzinnigheid niet verder brengen, dan tot het postulaat, dat er zulk een wil Gods moet zijn. Maar ook dit resultaat van het menschelijk kennen en kunnen is waardevol. Want het bevat de belijdenis, dat deze gansche wereld met al haar ontwikkeling verloren is en te gronde gaat, wanneer zij niet gedragen en geleid wordt door een almachtiglen wil, die uit de duisternis het licht, uit den dood het leven, uit het lijden de heerlijkheid te voorschijn brengen kan. En wat alzoo door geen oor is gehoord en door geen oog is gezien en in het hart 268 des menschen, anders dan als een wensch of verzuchting, niet is opgekomen, dat openbaart ons het Evangelie: Jezus Christus is in de wereld gekomen, om haar te behouden en zalig te maken. Dit is de inhoud des Evangelies, dit blijft het getuigenis der Schrift trots alle critiek en tegenover alle bestrijding. Van dit getuigenis hebben de profeten en de apostelen, van dit getuigenis heeft de gansche Christelijke kerk geleefd, en daarvan zal zij leven tot het einde der dagen toe. Want de waarheid van dit getuigenis ligt, buiten en boven de grenzen van alle critiek, in het verband der gansche wereld, in het bestaan der Christelijke kerk, in de behoefte van het hart des menschen vast. De wereld roept: zulk een wil Gods moet er zijn, indien ik ooit behouden zal worden, en het Evangelie zegt: zulk een wil Gods is er, hef uwe oogen maar op naar het kruis! Tusschen de wereld, zooals ze rondom ons henen bestaat met al haar wetten en al haar rampen, tusschen de cultuur met al haar heerlijkheid en met al haar ellende, tusschen het menschelijk hart met al zijne aspiratiën en al zijne nooden, tusschen dit gansche wereldgeheel en den wil Gods, gelijk het Evangelie ons dien kennen doet, bestaat er eene geestelijke en historische, onverbreekbare eenheid. Neem dien wil weg, en de wereld is verloren; erken dien wil, en de wereld is gered. Samen, in verband met elkaar, vormen de openbaring in de natuur en de openbaring in de Schrift eene harmonische eenheid, die de eischen des verstands bevredigt en de behoeften des gemoeds voldoet.

This one equally sovereign and almighty, holy, and gracious will of God, which meets us and speaks to our conscience in the person and the, work of Christ, is the firm basis of our certainty, of our certainty concerning the past, the present, and the future. For nobody can deny that if there is and works such a will, then the origin, development, and destiny of the world are certain; then the life and fate of every man who identifies himself with this will of God and makes God's cause his own is assured now and for eternity. But the world of science and art, culture and technique, knows nothing of such a merciful will of God. It can advance no further, with all its thoroughness and sagacity, than the postulate that there must be such a will of God. But even this result of human knowledge and effort is a significant fact; for it contains the confession that the whole world, with all its development, is lost and must perish if it is not sustained and guided by an almighty will, which can cause light to appear out of darkness, life out of death, and glory out of suffering. What eye has not seen, nor ear 310 heard, neither has entered into the heart of man to conceive otherwise than as a wish or a sigh, is revealed to us in the gospel. Jesus Christ came into the world to preserve it and to save it. This is the content of the gospel and the testimony of Scripture in spite of all criticism and opposition. By this testimony the prophets have lived, and the apostles and the whole Christian Church, and by it men will live till the end of time. For the truth of this testimony lies outside and beyond the bounds of all criticism in the system of the whole world, in the existence of the Christian church, and in the need of the human heart. The world cries: Such a will of God ought to be, if I am ever to be saved; and the gospel says: There is such a will of God; lift your eyes to the cross. Between the world as it exists around us, with all its laws and all its calamities; between culture, with all its glory and all its miseries; between the human heart, with all its aspirations and all its pains; between this whole universe and the will of God as it is made known to us in the gospel, there exists a spiritually and historically indissoluble unity. Take away that will, and the world is lost; acknowledge that will, and the world is saved. Revelation in nature and revelation in Scripture form, in alliance with each other, an harmonious unity which satisfies the requirements of the intellect and the needs of the heart alike.

Dit resultaat eener wijsbegeerte van de openbaring vindt ten slotte nog hierin zijne bevestiging, dat de wil Gods, die naar het Evangelie op de zaligheid der wereld is gericht, desniettemin hier en hiernamaals ten volle de verscheidenheid erkent, die er in de wereld der schepselen bestaat. Het monisme in al zijne vormen offert den rijkdom der werkelijkheid op aan de abstracte eenheid van zijn systeem. Het laat alles, door ontwikkeling voortkomen uit ééne stof en ééne kracht; het ziet in de verscheidenheid slechts eene wijziging van hetzelfde zijn; het lost zelfs de tegenstellingen van waar en valsch, van goed en kwaad, van recht en onrecht in historische momenten van dezelfde beweging op; en het eindigt dus ook daarmede, dat de wereld na afloop van het proces tot 269 den chaos, tot de duisternis en den dood terugkeert, om dan misschien opnieuw haar eentonigen kringloop aan te vangen. Ook de eschatologische verwachtingen, die zich aandienen onder den naam van wederherstelling aller dingen, hypothetisch of absoluut universalisme en conditioneele onsterfelijkheid, hebben daarom alleen zoo groote sympathie kunnen vinden, omdat men bewust of onbewust voor de werkelijkheid de oogen sluit en de wenschen van het hart omschept in profetieën der toekomst. Met de tooverformulen van monisme en evolutie laat men de wereld in het verleden en heden, en evenzoo in de toekomst zijn en worden alwat men wil. Maar de werkelijkheid spot met al deze droombeelden; zij plaatst ons voor de ontroerende feiten, dat tegenover het goede de macht van het kwade zich verheft, dat de zonde den mensch niet physisch vernietigt maar geestelijk verhardt en verstokt, en dat deugd en geluk, zonde en straf hierop aarde niet tot elkander in de juiste, door ons aller hart en geweten geëischte, evenredigheid staan. En toch, wijl deze werkelijkheid bestaat, moet zij ook op eene of andere wijs met de heiligheid en de goedheid Gods vereenigbaar zijn. 71

This result of a philosophy of revelation is finally confirmed by this, that the will of God, which, according to the gospel, aims at the salvation of the world, yet acknowledges fully here and hereafter the diversity which exists in the world of creatures. Monism in all its forms sacrifices the richness of reality to the abstract unity of its system. It asserts that all that exists is but the development 311 of one matter and one power; it sees in the diversity only modifications of the same being; it dissolves even the contrasts of true and false, of good and evil, of right and wrong, into historical moments of the same, movement, and it concludes with the declaration that the world at the end of the process returns to chaos, to darkness and death, perhaps after a while to begin anew its monotonous round. The eschatological expectations which present themselves under the name of the restitution of all things, hypothetical or absolute universalism, and conditional immortality, also have received so much sympathy only because man closes his eyes consciously or unconsciously to reality and transforms the wishes of his heart into prophecies of the future. By the magic formulas of monism and evolution men make the world to be and to become in the past, present, and even in the future, everything they please. But reality scoffs at these phantasies; it places before us the sorrowful facts that the power of evil raises itself against good, that sin does not annihilate man, but hardens him spiritually, and that virtue and happiness, sin and punishment, are not in proportion to each other here upon earth as all hearts and consciences require. And yet since this is what really exists, it must in some way be in accordance with the holiness and goodness of God. 71

Het Evangelie past op deze werkelijkheid en komt er volkomen mede overeen; het neemt en erkent de wereld juist zooals zij zich aan onzen onbevangen blik vertoont; het fatsoeneert ze niet naar een eigen model, maar aanvaardt ze onbevooroordeeld, met al hare verscheidenheden, met al hare tegenstellingen, met al hare problemen en raadselen. De mensch is waarlijk zóó, als de Schrift hem ons teekent, en de wereld ziet er juist zóó uit, als de Schrift haar ons vertoont; oppervlakkige beschouwing moge er zich tegen verzetten, diepere ervaring en ernstiger onderzoek leiden altijd weer tot erkenning harer waarheid terug; de grootste geesten, de edelste zielen, de godvruchtigste gemoederen hebben eeuw aan eeuw het getuigenis der Schrift herhaald en bevestigd. Zoo staat deze dan in hare wereld- en levensbeschouwing niet geïsoleerd, maar zij wordt van alle zijden omringd, gedragen, gesteund door den sensus communis der gansche menschheid; daar is geen volk en daar is geen sprake, waar hare stem niet wordt gehoord. De wereld is inderdaad niet monistisch ontstaan, en zij bestaat ook 270 niet op die wijze. Van den beginne af vertoonde zij eene groote verscheidenheid, welke in Goddelijke wilsbeschikking haar grond had. Die verscheidenheid is door de zonde verwoest en in allerlei tegenstelling omgezet. De eenheid der menschheid viel in eene veelheid van volken en natiën uiteen. De waarheid, de godsdienst, de zedewet bleven niet in hunne eenheid en alleenheerschappij bewaard, maar zagen naast zich opkomen de leugen, de valsche religie en de ongerechtigheid. Zoo zag en zoo ziet er ook thans de wereld nog uit. In weerwil van alle streven naar eenheid, door middel van wereldverovering, statenbonden en internationale scheidsgerichten, handelsverdragen en oeconomische belangen, of door de prediking van eene onafhankelijke, positieve, voor allen gelijke wereldtaal, wereldwetenschap, wereldmoraal en wereldcultuur, is de eenheid niet tot stand gekomen en kan zij ook niet tot stand komen. Want al deze machten kunnen hoogstens eene uitwendige, tijdelijke eenheid bewerken, maar ze zetten het hart niet om, en maken de volken niet van eenerlei ziel en van eenerlei sprake. De eenige, waarachtige eenheid kan alleen door den godsdienst, door middel der zending tot stand komen. Als er ooit eene menschheid zal komen, één van hart en één van ziel, dan zal ze geboren moeten worden uit den terugkeer tot denzelfden levenden en waarachtigen God.

The gospel is suited to this reality, and is quite in agreement with it; it takes and acknowledges the world exactly as it is shown to our unbiassed view; it does not fashion it after a prescribed pattern, but accepts it unprejudicedly, with all its diversities and contrasts, with all its problems and enigmas. Man is indeed what Scripture describes him, and the world appears as Scripture shows it to us. A superficial view may indeed deny it; deeper 312 experience and more serious inquiry always lead back again to the acknowledgment of its truth; the greatest minds, the noblest souls, the most pious hearts have repeated and confirmed the witness of Scripture from age to age. Scripture therefore does not stand isolated in its contemplation of the world and life, but is surrounded, upheld, and supported on all sides by the sensus communis of the whole of humanity; there is neither speech nor language where its voice is not heard. The world certainly was not originated in a monistic way, and it does not exist in this way. From the beginning it has shown a great variety, which has had its origin in divine appointment. This variety has been destroyed by sin and changed into all kinds of opposition. The unity of humanity was dissolved into a multiplicity of peoples and nations. Truth, religion, and the moral law have not kept their unity and sovereignty, but are confronted by lies, false religion, and unrighteousness. So the world was, and so it still remains. In spite of all striving after unity by means of world conquest, political alliance, and international arbitration, trade unions and economical interests ; in spite of the advocacy of an independent, positive, and common world-language, world-science, world-morality, and world-culture — unity has not and cannot be realized. For these forces can at the most accomplish an external and temporal unity, but they do not change the heart and do not make the people of one soul and one speech. The one true unity can only be brought about by religion, by means of missions. If there is ever to be a humanity one in heart and one in soul, then it must be born out of return to the one living and true God.

Ofschoon het Evangelie dezen arbeid der zending aan al zijne belijders met den meesten ernst op de conscientiën bindt, vleit het ons toch nooit met de hoop, dat daardoor de inwendige, geestelijke eenheid der menschen in deze bedeeling tot stand zal komen. De gedachte van het millennium is met de doorloopende schildering, welke het Nieuwe Testament aangaande de toekomst geeft, in lijnrechten strijd. Veeleer houdt Jezus aan al zijne discipelen een leven van strijd, van verdrukking en vervolging voor oogen; Hij belooft hun op aarde geen kroon, maar een kruis. Voor een Christen bestaat het hoogste dan ook niet daarin, dat hij met de wereld, met de wetenschap, met de cultuur tot elken prijs vrede sluite, maar dat hij in de wereld zich beware van den Booze. Er bestaat niet de minste waarborg, dat gemeente en wereld niet ook in de toekomst, evenals in de eerste eeuwen van het Christendom, 271 strijdende tegenover elkander zullen komen te staan. Wij hebben niet de minste zekerheid, dat in weerwil van alle prediking van verdraagzaamheid, en naarmate het einde nadert, niet eene vervolging tegen de gemeente van Christus losbarsten zal, welke in hevigheid alle voorafgaande verdrukkingen overtreft. Integendeel, er bestaat groot gevaar, dat de moderne cultuur, indien zij op haar antisupranaturalistischen weg voortgaat, op de standvastigheid der geloovigen vergrimmen zal en door dwang zal trachten te bereiken, wat zij door redeneering en betoog niet verkrijgen kon. In elk geval, zoo stelt het onderwijs van Christus en de apostelen de laatste toekomst voor.

Although the gospel lays this missionary work on the 313 consciences of all its confessors with the greatest earnestness, yet it never flatters us with the hope that thereby the inner spiritual unity of mankind will be accomplished in the present dispensation. The idea of a millennium stands in direct opposition to the description of the future which runs through the whole of the New Testament. Jesus portrays to his disciples much rather a life of strife, oppression, and persecution. He promises them on earth not a crown, but a cross. The highest ideal for the Christian is not to make peace with the world, with science, with culture at any price, but in the world to keep himself from the evil one. We have no guarantee that the church and the world will not as fiercely strive with one another in the future as in the first centuries of Christianity. We have not the least assurance that, in spite, of all preaching of tolerance, a persecution which will exceed all previous oppressions will not break out against the church of Christ before the end of time. On the contrary, there is great danger that modern culture, progressing in its anti-supernaturalistic course, will be stirred up to anger against the steadfastness of believers and attempt to accomplish by oppression what it cannot obtain by reasoning and argument. At any rate, this is what the teaching of Christ and the apostles predicts of the last days.

Met deze werkelijkheid voor oogen, kan het Evangelie niet in eene monistische formule eindigen; daar blijft verschil, daar blijft eene tegenstelling tot aan en dus ook na de parousie. Hemel en hel zijn, wat hun kern aangaat, geen producten der phantasie, maar bestanddeelen van alle godsdienstig geloof, en tevens postulaten van het denken, dat met de hoogheid der zedelijke wereldorde, met het onuitroeibaar rechtsbesef in het hart van den mensch en met het onwraakbaar getuigenis zijner conscientie ernstig rekening houdt. 72 In onderscheiding van alle andere godsdiensten leert echter het Christendom, dat de plaats, welke de mensch in de toekomende wereld inneemt, principieel bepaald wordt door de verhouding, waarin hij zich tegenover God en zijne openbaring stelt, en dat de aanwijzing van die plaats door niemand anders geschiedt dan door Christus, die de wereld schiep, die ze voortdurend in bestand en verband hield, die altijd en overal was het licht en leven der menschen, die in de volheid des tijds als Zaligmaker der wereld optrad, en die daarom die wereld door en door kent en volmaakt naar recht beoordeelen kan. Op de rechtmatigheid en billijkheid van zijne uitspraak zal niemand eenige aanmerking kunnen maken; welke de uitkomst der wereldgeschiedenis ook zij, ze zal door allen, gewillig of onwillig, erkend worden, boven alle critiek verheven en met al Gods deugden in overeenstemming zijn. Daarbij blijft er rechts en links van de groote scheidingslijn voor zoo eindelooze verscheidenheid plaats, dat geen enkel ijdel woord vergeten, maar ook geen enkele goede gedachte of edele 272 handeling te niet gedaan wordt. Daar gaat in de toekomst geen enkele waarde verloren; alle werken volgen ons na, en de koningen en volken der aarde brengen in de Godsstad hun gansche heerlijkheid en eere saam. Boven alle verschil verheft zich dus en over alle verscheidenheid breidt zich in de toekomst uit de ééne, heilige en genadige wil Gods, die de band van heel het universum is en waaraan alles onderworpen en dienstbaar zal zijn. De volstrekte, onveranderlijke en onverbrekelijke heerschappij van den wil Gods is het licht, dat de bijzondere openbaring aan het einde der tijden voor ons zielsoog laat opgaan. Voor het monisme is de tegenwoordige bedeeling een korte tijd van leven tusschen twee eeuwigheden van dood in, en de gedachte een bliksemstraal in den donkeren nacht. 73 Voor den Christen wordt deze donkere wereld nog altijd van omhoog door den glans der Goddelijke openbaring bestraald en gaat zij onder hare leiding het rijk des levens en des lichts tegemoet. Rondom de openbaring zijn wolken en donkerheid, desniettemin zijn gerechtigheid en gericht de vastigheid van Gods troon.


Because it recognizes this reality the gospel cannot end in a monistic formula; there remains difference, there remains an opposition, until and, indeed, even after the advent. Heaven and hell in what concerns their essence are no products of imagination, but elements of all religious faith, and even postulates of all thought which seriously takes into account the majesty of the moral world-order, the ineradicable consciousness of justice in 314 the heart of man, and the indisputable witness of his conscience. 72 But in contradistinction to all other religions Christianity teaches that the position which man will hold in the future world is, in principle, determined by the relation in which he stands to God and his revelation, and that the allotment of that position will be made by no one else than Chdst, who created the world, who continually supports it in its being and unity, who is the life and light of man always and everywhere, who appeared in the fulness of time as the saviour of the world, and who therefore knows the world through and through, and can judge it in perfect justice. Nobody will be able to make objection to the righteousness and equity of his sentence. Whatever may be the result of the world-history, it will be acknowledged by all willingly or unwillingly, be raised above all criticism, and be consonant with God's virtues. Right and left from the great dividing line there remains room for such endless diversity that no single idle word will be forgotten, nor will a single good thought or noble action fall unnoted. Nothing of any value will be lost in the future; all our works do follow us, and the kings and nations of the earth will bring together into the city of God all their glory and honor. Above all differences, and over every variety, there will extend into the future the one holy and gracious will of God, which is the bond of the whole universe, and to which all will be subject and ancillary. The absolute, immutable, and inviolable supremacy of that will of God is the light which special revelation holds before our soul's eye at the end of time. For monism the present economy is as a short span of life between two eternities of death, and consciousness a lightning flash in the dark night. 73 But for the Christian this dark world is always 315 irradiated from above by the splendor of divine revelation, and under its guidance it moves onward towards the kingdom of light and life. Round about revelation are clouds and darkness; nevertheless righteousness and judgment are the foundation of God's throne.


1 Carneri, Der moderne Mensch. Volksausgabe. Stuttgart bl. XI.

2 H.D. Lloyd, Man the social creator. London 1908, bl. 3.

3 Ellen Key, Das Jahrhundert des Kindes. Berlin 1902, bl. 358.

4 Lloyd, t.a.p., bl. 12, 13.

5 Jeruzalem, Gedanken und Denker. 1905, bl. 133-148.

6 L. Stein, Der Sinn des Daseins. 1904, bl. 15.

7 Proudhon, Philosophie du progrès. Bruxelles 1853, bl. 20, 24, 25.

8 Stanley Hall, Adolescence I, 131.

9 Proudhon, t.a.p., 25, 19, 156.

10 G. Portig, Das Weltgesetz des kleinsten Kraftanwandes in den Reichen der Natur. 1903-1904.

11 E. Key, Das Jahrh. des Kindes. bl. 322, 3-5.

12 Bij Fr. Galton, Probability, the foundation of Eugenics. The Herbert Spencer lecture delivered on June 5, 1907, bl. 10.

13 E. Key, t.a.p., bl. 2. Stanley Hall, Adolescence II, 123.

14 Galton, t.a.p. Stanley Hall, Adol. II, 722. Lankester, Natur und Mensch, 44, 49. Ludwig Wilser, Rassentheorien. Stuttgart 1908. Wynaendts Franken, Sociale Vertoogen. Haarlem 1907, bl. 1-46. H. Treub, Verspreide Opstellen. Haarlem 1904. Nijhoff, De noodzakelijkheid van geneeskundig onderzoek vóór het huwelijk. Rotterdam 1908.

15 Stanley Hall, Adol. II 561 v. Ellen Key t.a.p. bl. 86, 253. Louise Stratenus, Het Kind, bl. 128, 336.

16 Stanley Hall, t.a.p. I bl. IX, II 55. 292

17 Stanley Hall, t.a.p. I bl. VIII II 62, 69.

18 Ellen Key, bl. 293. Stanley Hall, I 168 v.

19 Ellen Key, bl. 110 v. 181. Louise Stratenus, Het Kind bl. 103. Stanley Hall, II 497. Lodge, Literary World, Aug. 1907 bl. 380.

20 Stanley Hall, I 131 v. 170 v. II 40 v. 58 v. 204 v.

21 Stanley Hall, II 153 v. Lankester, Natur und Mensch, bl. 56, 66. Mach, Popular-wissensch. Vorlesungen. Leipzig 1896 (laatste voorlezing). Lehmann-Hohenberg, Naturwissenschaft und Bibel. Jena 1904 bl. 5, 45, 55 enz.

22 Socialistische litteratuur is genoeg bekend. Verg. alleen H.D. Lloyd t.a.p. H.G. Wells, New worlds for old. London 1908. R.J. Campbell, Christianity and the social order. London 1907. Eene serie artikelen over: The new Socialism, an impartial inquiry, in The Britisch Weekly 1908.

23 Woltmann, Der histor. Materialismus bl. 418-430. Weisengrün, Das Ende des Marxismus2, Leipzig 1899. Ed. Bernstein, Wie ist wissensch. Socialismus möglich? Berlin 1901.

24 Paul Kleinert, Die Profeten Israëls in sozialer Beziehung. Leipzig 1905 bl. 27.

25 Bebel, Die Frau, 16e Aufl. 1892 bl. 263 v.

26 Gumplovicz, Grundriss der Soziologie2 bl. 361.

27 L. Stein, An der Wende des Jahrh. bl. 332. Id., Der Sinn des Daseins, bl. 149 v.

28 Metschnikoff, Beiträge zu einer optimistischen Weltauffassung. Deutsch von Michalsky. Munchen 1908.

29 Stanley Hall, Adol. I bl. VIII, XVIII.

30 James, Pragmatism bl. 243 v.

31 Verg. bijv. ook Proudhon, Philos. du Progrès bl. 65. H.D. Lloyd t.a.p. bl. 12.

32 Verg. Paul Kalweit, Religion und philos. Idealismus, Religion und Geisteskultur II 1908 bl. 44-60.

33 Paulsen, Ethik in: Die Kultur der Gegenwart, System. Philos. bl. 309. Haering, Das Christliche Leben2 1907 bl. 104 v. Külpe, Einl. in die Philos.4 1907 bl. 332. Külpe zegt aldaar: „eine immanente Angabe des höchsten Gutes kann und wird immer nur relativen Charakter tragen, und nur eine transzendente, der wissenschaftlichen Ethik unzugängliche Zwecksetzung ist imstande, der Idee eines schlechthin letzten, obersten, absoluten Wertes zu entsprechen." Verg. ook C. Fraser, Our final venture, Hibbert Journal, Jan. 1907 en G.F. Barbour, Progress and Reality, Hibbert Journal Oct. 1907.

34 Lankester, Natur und Mensch, bl. 26.

35 Gust. Le Bon, Psychologie du socialisme. Paris 1902. Ed. Dolléans, Le caractère religieux du socialisme. Paris 1906. Diepenhorst, Naast het kruis de roode vaan. Amst. bl. 46.

36 Lloyd, t.a.p. bl. 6 v. Stanley Hall, Adol. I 546 v. II 123.

37 Bruno Wille, Darwins Lebensanschauung bl. 6.

38 Stanley Hall, Adol. I VIII II 63-64.

39 Zie bijv. Jos. Royce, Immortality, Hibbert Journal, July 1907. Sir Oliver Lodge, The immortality of the soul, ib. Jan. April 1908. Eucken, The problem of immortality, ib. Juli 1908.

40 Bijv. William Crookes, Alfred Wallace, 293 Sir Oliver Lodge, Fred. W.H. Myers in Engeland, Fechner, Zöllner, Carl du Prel in Duitschland, Hartogh Heys van Zouteveen in Nederland.

41 Bijv. Mc Taggart, Some dogmas of religion bl. 112 v.

42 Verg. W. Bruhn, Theosophie und Theologie. Glückstadt 1907.

43 Schelling, Philos. der Offenbarung bl. 365. Liebmann, Analysis der Wirklichkeit, bl. 398 v.

44 Bruno Wille, Darwins Lebensanschauung bl. 6. Ed. von Hartmann, Die Weltanschauung der modernen Physik bl. 33. Otto, Natur und relig. Weltansicht bl. 47. J. Ude, Monist. oder Teleolog. Weltanschauung. Graz 1907. J.C. Snijders, De ondergang der wereld, Tijdspiegel Oet. 1907. Fridtjof Nansen, Hibbert Journal Juli 1908, bl. 748 v.

45 Höffding bij Paul Kalweit, Religion und Geisteskultur 1908 bl. 44 v., bij Lodge, Hibbert Journal, April 1908 bl. 565, en Barbour, ib. Oct. 1907 bl. 59 v. Münsterberg bij Royce, ib. July 1907 bl. 724 v.

46 Over het Nirvana bij Schopenhauer: J. de Jager, De beteekenis van Schopenhauers pessimisme. Gids Nov. 1907.

47 J. Kaftan, Aus der Werkstatte des Uebermenschen, Deutsche Rundschau. Okt. en Nov. 1905. George S. Patton, Beyond good and evil, The Princeton Theol. Review. Juli 1908 bl. 392-436, vooral bl. 430v. Over de gedachte van een eeuwigen terugkeer bij de Stoa: Zeller, Die Philos. des Griechen3. III, bl. 154 v. Voorts ook Gumplovicz, Soziologie bl. 158, 166 v. 348 v. Arrhenius, Die Vorstellung vom Weltgebäude im Wandel der Zeiten. Das Werden der Welten 1907.

48 Verg. ook Ostwald, Biologie en Chemie, Wet Bladen. Dec. 1904, bl. 420-443.

49 Ostwald, Naturphilos., Syst. Philos. in: Die Kultur der Gegenwart bl. 170-171.

50 Zoo in overeenstemming met Huxley, Romanes, James ook Siebeck, Der Fortschritt der Menschheit, in: Zur Religionsphilosophie. Tubingen 1907.

51 [ontbreekt]

52 Hieron. Lorm, Der grundlose Optimismus, bij Jeruzalem, Gedanken und Denker, bl. 156-163. L. Stein, An der Wende des Jahrh. bl. 54. Der Sinn des Daseins bl. 76. Verg. eene rede van Dr. D.G. Jelgersma over: Is de geschiedenis der philosophie meer dan eene geschiedenis van menschelijke dwalingen? Handelsblad 33 Oct. 1907. Ook Topinard bij Philip Vivian, The Churches and Modern Thought. London 1907 bl. 266 v.

53 Zoo sprak Prof. H. van Embden zich uit in eene discussie met Prof. Aengenent, Handelsblad 28 Nov. 1907.

54 James, Varieties bl. 136 v.

55 Joh. Jüngst, Kultus- und Geschichtsreligion (Pelagianismus und Augustinismus). Ein Beitr. zur relig. Psych. und Volkskunde. Giessen 1901.

56 Berthelot, Science et morale. Paris 1897. Ladenburg, Der Einfluss der Naturwiss auf die Weltanschauung 1903.

57 Vergelijk Lezing VI noot 33.

58 Max Weber bijv., Die Protestantische Ethik und der „Geist" des Kapitalismus, Archiv. f. Sozialwiss. und Sozialpolitik XX 1 v., XXI 1 v. 294 eindigt zijn belangrijk overzicht met de vraag, of de cultuur soms daar op uitloopt, dat de menschen zijn: Fachmenschen ohne Geist, Genussmenschen ohne Herz; dies Nichts bildet sich ein, eine nie vorher erreichte Stufe des Menschentums erstiegen zu haben, bl. 109.

59 Paulsen, Parteipolitik und Moral. Dresden 1900. Valckenaer Kips, Tijdspiegel, Maart 1908.

60 Dr. D. van Embden, Darwinisme en Democratie. Maatsch. vooruitgang en de hulp aan het zwakke. 's Gravenhage 1901.

61 J.St. Loe Strachey, Problems and Perils of Socialism. London 1908. Verg. Handelsblad 12 April 1901, Avondblad 2, over een opstel van R. Ehrenberg, Over het ontstaan en de beteekenis van groote vermogens, en Ammon, Die Gesellschaftsordnung und ihre naturlichen Grundlagen 1895-1900.

62 Van Deyssel, Prozastukken 1895 bl. 43 v. 277 v. Karl Bleibtreu, Die Vertreter des Jahrh. Berlin 1904 II 260-303. W. His, Medizin und Ueberkultur. Leipzig 1908. Gérard, Civilisation in Danger, Hibbert Journal, July 1908.

63 Steinmetz, De rassenquaestie. Gids Jan. 1907.

64 L. Stein, An der Wende des Jahrh. bl. 348 v.

65 Steinmetz, Die Philosophie des Krieges. Leipzig 1907.

66 Zoo ook Ruskin, die zeide: „Ik heb steeds ervaren, dat alle groote naties haar weerkracht en geestkracht in den oorlog verkregen hebben; dat de oorlog haar onderricht, dat de vrede haar bedrogen, de oorlog haar geschoold, de vrede haar misleid heeft; in één woord, dat de oorlog ze gemaakt, de vrede ze gedood heeft."

67 Gumplovicz, Soziologie bl. 158 166 v., 348 v.

68 Aldaar bl. 350, 352, 354. A.J. Balfour, Decadence. Cambridge 1908 bl. 42.

69 Balfour t.a.p. bl. 48.

70 C. Fraser, Hibbert Journal, Jan. 1907 bl. 242.

71 C. Fraser, Philos. of Theism. bl. 277. Mc Taggart, Some dogmas of religion, bl. 114.

72 Kant achtte eene „Ausgleichung" tusschen deugd en geluk hiernamaals noodzakelijk, en zoo oordeelt ook Paulsen, Ethik, in Die Kultur der Gegenwart, System. Philos. bl. 304 v. Verg. ook het referaat met discussie over de eschatologische verwachtingen op de Vergadering van Moderne Theologen 28, 29 April 1908.

73 Poincaré, La valeur de la science. Paris 1905 bl. 276. Verg. J. Woltjer, De zekerheid der Wetenschap, Amsterdam 1907.


* From the table of Contents:
Christianity according to many a negligible factor in future development. Self-consciousness and self-sufficiency of modern man as reflected in the energetic world-view. Efforts after race-improvement through artificial selection, reform of education in all grades of schools, and entire reconstruction of society. Utopian expectations built on these efforts seemingly based on immanent development but in reality resting on deification of the creature and issuing in the strangest conceptions with reference to the future both on earth and beyond the grave. Superstitious character of the doctrine of evolution. The meliorism of James. Condition of present-day culture. Neither science nor philosophy able to afford certainty with regard to the future. Religion alone able to do this, especially Christianity because it believes in God the Creator, Reconciler, and Restorer of all things.

1 Carneri, Der moderne Mensch. Volksausgabe. Stuttgart, p. xi.

2 H.D. Lloyd, Man the social creator. London, 1908, p. 3.

3 Ellen Key, Das Jahrhundert des Kindes. Berlin, 1902, p. 358.

4 Lloyd, op. c., pp. 12, 13.

5 Jeruzalem, Gedanken und Denker. 1905, pp. 133-148.

6 L. Stein, Der Sinn des Daseins. 1904, p. 15. 345

7 Proudhon, Philosophie du Progrès. Bruxelles, 1853, pp. 20, 24, 25.

8 Stanley Hall, Adol., I, p. 131.

9 Proudhon, op. c., pp. 25, 19, 156.

10 G. Portig, Das Weltgesetz des kleinsten Kraftanwandes in den Reichen der Natur. 1903-1904.

11 E. Key, Das Jahrh. des Kindes, pp. 322, 3-5.

12 In Fr. Galton, Probability, the Foundation of Eugenics, The Herbert Spencer Lecture Delivered on June 5, 1907, p. 10.

13 E. Key, op. c., p. 2. Stanley Hall, Adol., II, p. 123.

14 Galton, op. c., Stanley Hall, Adol., II, p. 722. Lankester, Natur und Mensch, pp. 44, 49. Ludwig Wilser, Rassentheorien, Stuttgart, 1908. Wynaendts Franken, Sociale Vertoogen, Haarlem, 1907, pp. 1-46. H. Treub, Verspreide Opstellen, Haarlem, 1904. Nijhoff, De Noodzakelijkheid van geneeskundig Onderzoek vóór het Huwelijk, Rotterdam, 1908.

15 Stanley Hall, Adol., II, pp. 561 ff. Ellen Key, op. c., pp. 86, 253. Louise Stratenus, Het Kind., pp. 128, 336.

16 Stanley Hall, op. c., I, p. ix; II, p. 55.

17 Stanley Hall, op. c., I, p. viii; II, pp. 62, 69.

18 Ellen Key, p. 293. Stanley Hall, I, pp. 168 ff.

19 Ellen Key, pp. 110 ff., 181. Louise Stratenus, Het Kind., p. 103. Stanley Hall, II, p. 497. Lodge, Literary World, Aug., 1907, p. 380.

20 Stanley Hall, I, pp. 131 ff., 170 ff. II, pp. 40 ff., 58 ff., 204 ff.

21 Stanley Hall, II, pp. 153 ff. Lankester, Natur und Mensch, pp. 56, 66, Mach, Popular-wissensch, Vorlesungen. Leipzig, 1896 (last lecture). Lehmann-Hohenberg, Naturwissenschaft und Bibel, Jena, 1904, pp. 5, 45, 55, etc.

22 The Socialistic literature is sufficiently well-known. Comp. only H.D. Lloyd, op. c., H.G. Wells, New Worlds for Old, London,1908. R.J. Campbell, Christianity and the Social Order, London, 1907. A series of articles on The New Socialism, an Impartial Inquiry, in the British Weekly, 1908.

23 Woltmann, Der histor. Materialismus, pp. 418-430. Weisengrün, Das Ende des Marxismus, Leipzig, 1899. 346 Ed. Bernstein, Wie ist wissensch. Socialismus Möglich? Berlin, 1901.

24 Paul Kleinert, Die Profeten Israels in sozialer Beziehung, Leipzig, 1905, p. 27

25 Bebel, Die Frau, 16e Aufl. 1892, pp. 263 ff.

26 Gumplovicz, Grundriss der Soziologie,2 p. 361.

27 L. Stein, An der Wende des Jahrh., p. 332. Id., Der Sinn des Daseins, pp. 149 ff.

28 Metschnikoff, Beiträge zu einer optimistischen Weltauffassung, Deutsch von Michalsky, München, 1908.

29 Stanley Hall, Adol., I, pp. viii, xviii.

30 James, Pragmatism, pp. 243 ff.

31 Comp. also Proudhon, Philos. du Progrès, p. 65. H.D. Lloyd, op. c., p. 12.

32 Comp. Paul Kalweit, Religion und Philos. Idealismus, Religion und Geisteskultur, II, 1908, pp. 44-60.

33 Paulsen, Ethik, in Die Kultur der Gegenwart, System. Philos., p. 309. Haering, Das Christliche Leben,2 1907, pp. 104 ff. Külpe, Einl. in die Philos.4 1907, p. 332. Külpe here declares: “No immanent definition of the supreme good can possess more than relative character; the positing of a transcendental goal alone (which as such is inaccessible to scientific ethics) satisfies the idea of an ultimate, supreme, absolute value." Comp. also C. Fraser, Our Final Venture, Hibbert Journal, Jan., 1907, and G.F. Barbour, Progress and Reality, Hibbert Journal, Oct., 1907.

34 Lankester, Natur und Mensch, p. 26.

35 Gust. Le Bon, Psychologie du socialisme. Paris, 1902. Ed. Dolléans, Le Caractère religieux du Socialisme. Paris, 1906. Diepenhorst, Naast het Kruis de roode Vaan. Amst., p. 46.

36 Lloyd, op. c. pp. 6 ff. Stanley Hall, Adol., I, pp. 546 ff. II, p. 123.

37 Bruno Wille, Darwins Lebensanschauung, p. 6.

38 Stanley Hall, Adol., I, p. viii; II, pp. 63-64.

39 Comp. Jos. Royce, Immortality, Hibbert Journal, July, 1907. Sir Oliver Lodge, The Immortality of the Soul, ib., Jan., April, 1908. Eucken, The Problem of Immortality, ib., July, Jan., 1908. 347

40 For example, William Crookes, Alfred Wallace, Sir Oliver Lodge, Fred. W.H. Myers in England, Fechner, Zöllner, Carl du Prel in Germany, Hartogh Heys van Zouteveen in Holland.

41 For example, McTaggart, Some Dogmas of Religion, pp. 112 ff.

42 Comp. W. Bruhn, Theosophie und Theologie, Glückstadt, 1907.

43 Schelling, Philos. der Offenbarung, p. 365. Liebmann, Analysis der Wirklichkeit, pp. 398 ff.

44 Bruno Wille, Darwins Lebensanschauung, p. 6. Ed. von Hartmann, Die Weltanschauung der modernen Physik, p. 33. Otto, Natur und relig. Weltansicht, p. 47. J. Ude, Monist. oder Teleolog. Weltanschauung, Graz, 1907. J.C. Snijders, De Ondergang der Wereld, Tijdspiegel, Oct., 1907. Fridtjof Nansen, Hibbert Journal, July, 1908, pp. 748 ff.

45 Höffding in Paul Kalweit, Religion und Geisteskultur, 1908, pp. 44 ff.; in Lodge, Hibbert Journal, April, 1908, p. 565, and Barbour, ib., Oct., 1907, pp. 59 ff. Münsterberg in Royce, ib., July, 1907, pp. 724 ff.

46 About Schopenhauer's Nirvana comp. J. de Jager, De Beteekenis van Schopenhauers Pessimisme, Gids, Nov. 1907.

47 J. Kaftan, Aus der Werkstätte des Uebermenschen, Deutsche Rundschau., Oct. and Nov., 1905. George S. Patton, Beyond Good and Evil, The Princeton Theol. Review, July, 1908, pp. 392-436, especially pp. 430 ff. On the idea of an endless return of things, comp. Zeller, Die Philos. der Griechen,3 III, pp. 154 ff. Further, Gumplovicz, Soziologie, pp. 158, 166 ff., 348 ff. Arrhenius, Die Vorstellung vom Weltgebaude im Wandel der Zeiten. Das Werden der Welten, 1907.

48 Comp. also Ostwald, Biologie en Chemie, Wet. Bladen, Dec. 1904, pp. 420-443.

49 Ostwald, Naturphilos., Syst. Philos. in Die Kultur der Gegegenwart, pp. 170-171.

50 Thus, in agreement with Huxley, Romanes, James, also Siebeck, Der Fortschritt der Menschheit, in Zur Religionsphilosophie, Tübingen, 1907.

51 [Missing.]

52 Hieron. Lorm, Der grundlose Optimismus, in Jeruzalem, 348 Gedanken und Denker, pp. 156-163. L. Stein, An der Wende des Jahrh., p. 54. Der Sinn des Daseins, p. 76. Comp. an address by Dr. D.G. Jelgersma on, Is de Geschiedenis der Philosophie meer dan eene Geschiedenis van menschelijke Dwalingen? Handelsblad, Oct. 33, 1907. Also Topinard in Philip Vivian, The Churches and Modern Thought, London, 1907, pp. 266 ff.

53 Prof. H. van Embden expressed himself to this effect in a discussion with Prof. Aengenent, Handelsblad, Nov. 28, 1907.

54 James, Varieties, pp. 136 ff.

55 Joh. Jüngst, Kultus- und Geschichts-religion (Pelagianismus und Augustinismus). Ein Beitr. zur relig. Psych. und Volkskunde, Giessen, 1901.

56 Berthelot, Science et Morale, Paris, 1897. Ladenburg, Der Einfluss der Naturwiss. auf die Weltanschauung, 1903.

57 Comp. Lect. VI. note 33.

58 E.g. Max Weber, Die Protestantische Ethik und der “Geist" des Kapitalismus, Archiv. f. Sozialwiss. und Sozialpolitik, XX, pp. 1 ff., XXI pp. 1 ff. He concludes his important survey with the question whether culture is to issue in this, that men become “professionals without spirit, pleasure-seekers without heart; non-entities of this sort pride themselves on having mounted to a previously unattained stage of culture."

59 Paulsen, Parteipolitik und Moral, Dresden, 1900. Valckenaer Kips, Tijdspiegel, March, 1908.

60 Dr. D. van Embden, Darwinisme en Democratie. Maatsch. Vooruitgang en de Hulp aan het Zwakke. 's Gravenhage, 1901.

61 J.St. Loe Strachey, Problems and Perils of Socialism, London, 1908. Comp. Handelsblad, April 12, 1901, Avondblad 2, on an essay by R. Ehrenberg, Over het Ontstaan en de Beteekenis van groote Vermogens, and Ammon, Die Gesellschaftsordnung und ihre naturlichen Grundlagen, 1895-1900.

62 Van Deyssel, Prozastukken, 1895, pp. 43 ff., 277 ff. Karl Bleibtreu, Die Vertreter des Jahrh. Berlin, 1904, II, pp. 260-303. W. His, Medizin und Ueberkultur, Leipzig, 1908. Gérard, Civilization in Danger, Hibbert Journal, July, 1908.

63 Steinmetz, De Rassenquaestie, Gids, Jan. 1907. 349

64 L. Stein, An der Wende des Jahrh., pp. 348 ff.

65 Steinmetz, Die Philosophie des Krieges, Leipzig, 1907.

66 Thus also Ruskin, who declared that he had always observed that all great nations acquired their power of resistance and mental vigor in war, that war has instructed, peace has deceived them; war has schooled them, peace led them astray, in a word that war has made and peace has unmade them.

67 Gumplovicz, Soziologie pp. 158-166 ff., 348 ff.

68 Ibid. pp. 350, 352, 354. A.J. Balfour, Decadence, Cambridge, 1908, p. 42.

69 Balfour, op. c., p. 48.

70 C. Frazer, Hibbert Journal, Jan., 1907, p. 242.

71 C. Frazer, Philos. of Theism., p. 277. McTaggart, Some Dogmas of Religion, p. 114.

72 Kant judged an “Ausgleichung" between virtue and happiness necessary hereafter, and Paulsen is of the same opinion, Ethik, in Die Kultur der Gegenwart, System. Philos., pp. 304 ff. Comp. also a paper, with discussion, on Eschatological Expectations in the meeting of Modern Theologians, April 28, 29, 1908.

73 Poincaré, La Valeur de la Science, Paris, 1905, p. 276. Comp. J. Woltjer, De Zekerheid der Wetenschap, Amsterdam, 1907.


x
This website is using cookies. Accept