Wijsbegeerte der openbaring The Philosophy of Revelation

IX.

IX.

Openbaring en Cultuur.

Revelation and Culture*

207 De bekende predikant J.Chr. Blumhardt zeide eens, dat de mensch tweemaal bekeerd moest worden, eerst van het natuurlijk tot het geestelijk leven en daarna van het geestelijk tot het natuurlijk leven. 1 Hij sprak daarmede in eenigszins paradoxe taal eene waarheid uit, die door de religieuze ervaring van elk Christen en door de geschiedenis der Christelijke vroomheid in alle eeuwen bevestigd wordt. Het geestelijk leven, dat van boven is, streeft ook weer naar boven; het uit zich in de verzuchting van den dichter: wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde, en het kent geen hooger verlangen dan ontbonden te zijn en met Christus te wezen, want dat is zeer verre het beste. Zonder twijfel is, mede onder invloed van deze neiging van het geestelijk leven, reeds in den aanvang van het Christendom die ascetische richting opgekomen, welke tot opden huidigen dag in allerlei vrome kringen zich gehandhaafd heeft. Maar daar kwamen toch andere oorzaken en overwegingen bij, die in den eersten tijd deze richting deden opkomen en versterkten.

242 The well-known preacher, J. Chr. Blumhardt, once said that man must be twice converted, first from the natural to the spiritual life, and then from the spiritual to the natural. 1 He thus declared, in somewhat paradoxical language, a truth which is confirmed by the religious experience of every Christian and by the history of Christian piety in all ages. The spiritual life, which is from above, strives again after what is above; it expresses itself in the sigh of the psalmist, — Whom have I in heaven but thee, and there is none upon earth that I desire beside thee; and it knows no higher desire than to depart and be with Christ, which is far better. It was under the influence of this inclination of the spiritual life that in the early days of Christianity ascetic life arose, and it is for that reason also that it has maintained itself till the present day in various pious circles. Other causes and considerations have, however, certainly added to that influence, which in primitive times gave origin and strength to this tendency of spiritual life.

Toen het Christendom zijne intrede in de wereld deed, kwam het toch aanstonds voor een ontzaglijk probleem te staan. De Christelijke religie, welke op openbaring berust, trad eene wereld binnen, die reeds lang had bestaan en een eigen leven had geleid. Er had zich allengs eene maatschappij gevormd, die rijk was aan ingewikkelde verhoudingen. Eene staatsinrichting was ontstaan, 208 die de burgers in veiligheid en vrede wonen deed. Kunsten en wetenschappen waren beoefend en tot grooten bloei gebracht; zeden en gewoonten hadden eene vaste gestalte aangenomen; veroveringen hadden een machtig rijk gevormd en enorme kapitalen aangebracht. In één woord, het Evangelie van Christus vond tegenover zich een rijk natuurlijk leven, eene hoog ontwikkelde cultuur. Zoo drong zich vanzelf de vraag op, hoe de verhouding tusschen beide geregeld moest worden.

When Christianity entered into the world, it was immediately called on to face a difficult problem. Christianity, which is based on revelation, appeared in a world which had long existed and led its own life. A society had been formed which was full of intricate interests. A state was in existence the citizens of which lived in safety and peace. Arts and sciences were practised and had been 243 brought to great perfection. Morals and habits had assumed a fixed form. Conquests had created a powerful kingdom, and had brought in enormous capital. In a word, the Gospel of Christ found a rich natural life, a highly developed culture. And thus the question was inevitably raised how the relations between the two should be adjusted.

De verschillende vormen, waarin deze vraag gesteld kan worden, bewijzen hare belangrijkheid en uitgestrektheid. Want het blijft altijd hetzelfde probleem, of men spreekt van de verhouding tusschen de prediking der apostelen en de Grieksch-Romeinsche wereld, of van die tusschen de herschepping en de schepping, het werk des Zoons en het werk des Vaders, het koninkrijk der hemelen en de rijken der aarde, Sabbat en werkdagen, Christendom en humaniteit, kerk en staat, geloof en wetenschap, theologie en philosophie, gezag en rede, religieuze en empirische wereldbeschouwing, hemel en aarde, Goddelijke gave en menschelijke arbeid, openbaring en cultuur. Het probleem, dat in al deze vormen vervat is, behoort daarom ook niet tot één enkelen tijd, maar het was en blijft aan de orde, alle -eeuwen door tot aan de toekomst van Christus toe; en het bestaat volstrekt niet alleen voor het wetenschappelijk denken, maar dringt zich aan ieder mensch in de practijk van het leven op. Alle richtingen die er in het leven en in het denken voorkomen, kunnen beschreven en beoordeeld worden naar het standpunt, dat zij tegenover deze principiëele vraag innemen. Zelfs stelsels, die met alle religie en Christendom gebroken hebben, worden toch door de macht der werkelijkheid gedwongen, er rekening mede te houden. Want al spannen zich duizenden, bij duizenden in, om onze hedendaagsche cultuur van geheel het verleden los te maken en op een nieuwen, natuurwetenschappelijken, grondslag te vestigen, feitelijk rusten alle onze instellingen van gezin en maatschappij en staat nog op Christelijke beginselen, en zijn al onze zeden en gewoonten nog doortrokken van den Christelijken geest.

The different forms in which this question may be put show its importance and extent. For the problem always remains the same, whether one speaks of the relation between the preaching of the apostles and the Greco-Roman world, or between re-creation and creation, the work of the Son and the work of the Father, the kingdom of heaven and the kingdoms of the earth, sabbath- and week-days, Christianity and humanism, church and state, faith and science, theology and philosophy, authority and reason, the religious and empirical world-view, heaven and earth, divine gifts and human labor, revelation and culture. The problem which is present in all these forms of expression belongs not to a single period, but has been in order all through the ages, and will remain so till the return of Christ. And it does not belong to scientific thought alone, but forces itself upon every man in his every day life. All tendencies which present themselves in life and thought can be described and estimated from the standpoint they take respecting this principial question. Even systems which have broken with all religion and Christianity are compelled, by the force of reality, to take it into account. For though thousands exert themselves to set our present-day culture free from all the past, and to establish it on a new scientific foundation, in reality all our institutions of family and society and state are still resting on Christian principles, and all our morals and habits are still pervaded by the Christian spirit. 244

Daarom ligt er niets bevreemdends in, dat de eerste Christenen 209 dit wereldhistorisch probleem niet bevredigend hebben opgelost noch ook over de aan te nemen houding eenstemmig dachten. Daar waren er, die de cultuur zoo vriendelijk tegemoet traden, dat zij aan de rechten en de eischen der Christelijke belijdenis tekort deden; daar waren anderen, die aan de toenmalige cultuur den rug toekeerden en in onthouding hun kracht zochten. Eigenlijke asceten waren de eerste Christenen niet, want zij geloofden vast, dat de aarde des Heeren was, mitsgaders hare volheid en zij beschouwden zichzelven als de nieuwe menschheid, waarin jood en Griek hun eenheid en bestemming vonden. 2 Maar de toen bestaande cultuur hing zoo nauw met allerlei Heidensche practijken saam, dat de Christenen, zonder verloochening van hun geloof, er geen deel aan konden nemen en zich met de beoefening van de meer passieve deugden der Christelijke zedeleer tevreden moesten stellen. In eene wereld, zooals Paulus die teekent in het eerste hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen, was er voor eene kleine, zwakke schaar van geloovigen geene andere dan eene negatieve houding mogelijk.

Therefore it is not to be wondered at that the first Christians did not solve this world-historical problem satisfactorily, and did not attain unanimity in the position which they adopted. There were those who looked so kindly upon culture that they failed to do justice to the rights and requirements of the Christian confession. There were others who turned their backs on the entire culture of the time, and sought their strength in renouncing it. The early Christians were nevertheless not essentially ascetics. They firmly believed that the earth is the Lord's, and the fulness thereof; and they considered themselves the new humanity, in which Jew and Greek found their unity and destination. 2 But the then existing culture was so intimately connected with all kinds of heathen practices that Christians could take little part in it without denying their faith, and needed to content themselves with practising the more passive virtues of Christian morality. In a world such as Paul describes in the first chapter of his epistle to the Romans there was, for a small, weak body of believers, no other than a negative position possible.

Maar deze negatieve houding bracht toch op den duur hare gevaren mede. Toen in de tweede eeuw het dualistisch en ascetisch Gnosticisme zich in allerlei vormen over het Romeinsche rijk verbreidde, had dit ook op vele Christenen invloed. De ascetische neiging, die toen opkwam, werd in de derde en vierde eeuw door de verwereldlijking der kerk bevorderd en door het binnendringen van stoische en neoplatonische ideeën versterkt. 3 Van toen af zochten velen de eenzaamheid op, om hun leven in boetedoening door te brengen of aan werken van barmhartigheid te wijden. Dit kluizenaarsleven werd later in het Westen belangrijk gewijzigd en door de kerk aan allerlei zedelijke doeleinden, aan landontginning en akkerbouw, aan wetenschap en kunst, aan verbreiding van het Evangelie en machtsvergrooting der kerk dienstbaar gemaakt. Maar de kerk onderging ook zelve den invloed van deze erkenning van het monnikwezen en ontsloot in de onderscheiding van geboden en raden een dubbelen weg tot het ideaal der Christelijke volmaaktheid. Voor iederen Christen, zoowel voor den leek als voor den geestelijke en, den monnik, is deze volmaaktheid 210 wel het einddoel. Maar de belofte der armoede, der kuischheid en der gehoorzaamheid is tot dat einddoel toch de korter en veiliger weg. Het ascetische leven is een bijzonder verdienstelijk streven naar de volmaaktheid; het monnikwezen is een onderscheiden stand en een hoog te roemen verschijningsvorm vanhet Christelijk leven; huwelijk, huisgezin, maatschappelijk beroep, staatsdienst, eigendom, rijkdom zijn wel op zichzelve niet zondig, maar leggen toch aan het religieuze leven vele bezwaren in den weg; wie er zich van onthoudt, doet dus beter en wordt een religieus mensch bij uitnemendheid. 4

But this negative position nevertheless brought serious dangers in the long run. When in the second century dualistic and ascetic Gnosticism spread in its varied forms over the Roman empire, it did not fail of influence over many Christians also. The ascetic inclination which thus appeared was in the third and fourth centuries increased by the worldliness of the church, and strengthened by the infiltration of Stoic and Neoplatonic elements of thought. 3 From that time onward many sought solitude in order to pass their life in penitence, or to devote it to works of mercy. This anchorite life in the West underwent later an important modification, and was made use of by the 245 church for all kinds of moral ends, — land-development and agriculture, science and art, the spreading of the gospel and the expansion of the church. But the church also felt the influence of this recognition of the monastic life, and developed a double way to the attainment of the ideal of Christian perfection by introducing the distinction between precepts and counsels. Perfection, to be sure, is the goal for every Christian, as much for the laity as for the clergy and the monk. But the vow of poverty, chastity and obedience is nevertheless the shorter and safer way to that goal. Ascetic, life is a specially meritorious striving after perfection; monastic life sets apart a special class of men, and is a praiseworthy form of Christian life; marriage, family, social vocation, service of the state, property, and riches are not in themselves sinful but place many obstacles in the way of the religious life; he who abstains from them acts better, and becomes the religious man par excellence. 4

Ofschoon dit ascetisme met de leer en het leven der Roomsche kerk ten innigste is samengesmolten, heeft het toch van de dagen der Hervorming af tot heden toe op vele kerken en secten in het Protestantisme eene sterke aantrekkingskracht geoefend. Het Anabaptisme is volstrekt niet alleen uit de Middeleeuwsche monnikenorden en secten te verklaren, want vanwaar kwam dan zijne breuk met de Roomsche kerk en zijne heftige oppositie tegen haar hiërarchie en eeredienst? Maar het nam toch het oude ascetische ideaal over en trachtte dit door eene radicale reformatie in den kring der geloovigen te verwezenlijken. Die reformatie kwam echter op separatie neer, op separatie tusschen kerk en wereld, Christelijk en burgerlijk leven, herschepping en schepping, Geest en Woord, Nieuw en Oud Testament, in één woord tusschen de hemelsche substantie, welke Christus medebracht en in de wedergeboorte aan de zijnen mededeelt, en de aardsche substantie, welke wij in de natuurlijke geboorte uit Adam ontvangen. Ditzelfde dualisme werkte sedert in veelszins gewijzigden vorm in vele vrome kringen na, en ontving in den nieuweren tijd zelfs krachtigen steun van al die personen en richtingen, die aan het oorspronkelijk Christendom een ascetisch levensideaal toeschrijven, maar zelven toch weer in twee partijen onderscheiden zijn.

Though this asceticism is intimately associated with the doctrine and the life of the Roman Church, it has nevertheless, from the Reformation to the present day, exercised also a strong attractive power over many churches and sects in Protestantism. Anabaptism certainly cannot be fully explained from the monastic orders and sects of the Middle Ages; for whence came then its schism with the Roman Church, and its strong opposition to its hierarchy and forms of worship? But it adopted the old ascetic ideal, and tried to realize it by a radical reformation in the circle of believers. This reformation ended in separation, — separation, namely, between church and world, Christian and civil life, re-creation and creation, Spirit and Word, New and Old Testament; in a word, between the heavenly substance, which Christ brought with 246 him and communicates to his believers in regeneration, and the earthly substance, which we receive from Adam in the natural birth. The same dualism has in a modified form since continued to work in many devout circles, and has even received more lately strong support from all those persons and schools which ascribe to original Christianity an ascetic ideal of life. These, however, are themselves divided again into two parties.

De eene groep wordt gevormd door hen, die door neiging of opvoeding, door levenservaring of vreemde invloeden de waarde van de ascese hebben leeren kennen en daarom min of meer met droefheid en ergernis op de tegenwoordige cultuur nederzien. Daar zijn er niet weinigen, die, het leven van onzen tijd met dat van 211 Jezus vergelijkende, hoegenaamd geen verwantschap en overeenstemming, maar enkel tegenstelling en strijd ontdekken. Als Jezus gelijk heeft, die de machthebbers en de rijkaards veroordeelt, de aardsche schatten veracht, zich over de armen en kranken ontfermt, en de tollenaars en zondaren opzoekt, dan heeft de tegenwoordige maatschappij met haar mamonisme en kapitalisme, met haar zelfvertrouwen en machtsvergoding ten eenenmale ongelijk. Zij roepen het den Christenen toe: indien gij Jezus belijdt als den Zone Gods en zijn woord voor Goddelijke waarheid houdt, waarom volgt gij zijn voorbeeld dan niet na en wandelt gij niet in zijne voetstappen; waarom leeft gij in uwe groote huizen alle dagen vroolijk en prachtig en vergadert u schatten, die de mot en de roest verderven; en waarom geeft gij niet veel liever uwe goederen weg, waarom spijst gij de hongerigen, laaft gij de dorstigen, herbergt gij de vreemdelingen, kleedt gij de naakten, bezoekt gij de kranken en de gevangenen, verkondigt gij den armen het Evangelie niet? Zij houden ons voor en rekenen uit, hoe Jezus, indien Hij thans leefde, zich gedragen zou hebben en welke zijne houding geweest zou zijn tegenover de pers en de politiek, op de markt en de beurs, in de fabriek en de raadszaal. 5 En sommigen hunner hebben het met deze berekening zoo nauw genomen, dat zij zelven met de daad hun zedelijk ideaal hebben zoeken te verwezenlijken. Tolstoï bouwde op het verbod der bergrede, om den toorn te wederstaan, eene gansche passieve moraal. Bron van alle ellenden is de maatschappij met haar leugen en schijn, de kerk met haar ongerijmde dogmata, de staat met zijn rechtspraak en oorlog, de gansche burgerlijke samenleving met haar huwelijk, kastenwezen, conventioneele vormen, bedorven lucht, tabak en alcohol. En ontkoming is er aan die ellenden alleen, als wij aan al deze inrichtingen den rug toekeeren, naar de natuur teruggaan, van alle geweld en recht, van alle toorn en straf ten eenenmale afzien en weer als kinderen eenvoudig en oprecht gaan leven. Dan wordt het verbroken evenwicht tusschen behoefte en bevrediging hersteld en keert het geluk en de vrede weer. 6

The first group is formed by those who, by inclination or education, by their own experience or through exterior influences, have learned to know the value of the ascetic life, and therefore look with more or less of grief and ofeence on present-day culture. There are not a few who, in comparing the life of our time with that of Jesus, discover no connection or congruity, but only contrast and opposition. If, they say, Jesus, who condemns the powerful and rich, despises earthly treasures, feels compassion for the sick and poor, and seeks out the publican and sinner, is right, then present-day society, with its mammonism and capitalism, with its self-conceit and deification of power, is quite wrong. They demand of Christians, If you confess Jesus as the Son of God, and accept his word as divine truth, why do you not follow his example and walk in his footsteps? Why do you live in magnificent homes, clothed in purple and fine linen, and fare sumptuously every day, and gather treasures which are corrupted by moth and rust? And why do you not give your possessions away, feed the hungry, relieve the thirsty, shelter the homeless, clothe the naked, visit the sick and in prison, proclaim the gospel to the poor? They explain to us and figure out how Jesus if he lived now would behave, and what would be his conduct towards the press and politics, towards the market and 247 exchange, towards the factory and parliament. 5 And some have taken the matter so seriously to heart that they have sought to put this moral ideal into actual practice. Tolstoi, for example, constructed a wholly passive ethics, from the commandment in the sermon on the mount, to resist not evil. The source of all misery is found, they declare, in society, with its lies and pretences; in the church, with her absurd dogmas; in the state, with its law and war; in the whole civil life of our time, with its marriage, castes, conventional forms, corrupt atmosphere, tobacco and alcohol. And escape from these miseries, we are told, is possible only if we turn our backs on all these institutions, return to nature, abandon altogether all force and justice, all wrath and punishment, and live again like children, simply and uprightly. Then the broken harmony between need and satisfaction will be restored, and happiness and peace return. 6

Aan de andere zijde staan zij, die er wel mede instemmen, dat het oorspronkelijk Christendom ascetisch was, maar die daaruit 212 juist het tegenovergestelde besluit trekken, dat n.l. het Christendom zijn tijd heeft gehad, en met onze hedendaagsche cultuur niet meer te vereenigen is. In de beoordeeling van den persoon van Jezus kwam er toch allengs eene merkwaardige verandering. Nadat het Rationalisme de kerkelijke leer aangaande den persoon van Christus verworpen had, kwam bij mannen als Strauss en Renan, Schenkel en Keim, Edersheim en Holtzmann, de humanistische beschouwing van het leven van Jezus op. Jezus was wel niet de Zoon van God, maar Hij bleef toch de ware, ideale mensch, die door zijn woord en daad de zuivere religie had gesticht, vrij van priesterheerschappij en ceremoniëndienst, die de moraal had gereinigd van allen wettischen dwang, als een humaan mensch aan alle genoegens des levens had deelgenomen en een zedelijk ideaal had omhooggehouden, dat ook heden ten dage nog bewondering en navolging verdient. 7

On the other side are those who agree, no doubt, that original Christianity bore an ascetic character, but draw therefrom just the opposite conclusion, namely, that Christianity has had its day, and can no longer live with our present-day culture. In the estimate of the person of Jesus an important change has slowly taken place. After Rationalism had rejected the church doctrine concerning the person of Christ, men such as Strauss and Renan, Schenkel and Keim and Holtzmann took indeed a humanitarian view of the life of Jesus. But in their view Jesus, though not the Son of God, was still the true, ideal man, who established the pure religion by his word and deed, free from all sacerdotalism and ceremonial worship, who purified morals from all legalism, who as a human man shared in all the pleasures of life, and presented a moral ideal which deserves our admiration and imitation to-day. 7 248

Maar inzonderheid sedert de studiën van Baldensperger en Joh. Weiss, 8 is er in den laatsten tijd bij velen voor deze humanistische beschouwing eene gansch andere in de plaats getreden. Al ontbreken de humanistische trekken in het beeld van Jezus niet geheel, Hij was toch naar de beschrijving, welke de Synoptische Evangeliën van Hem geven, een gansch ander mensch. Hij was geen stille vrome en geen wijsgeerig leeraar der deugd, maar een profeet, een enthousiast, een dweeper, die onder den indruk leefde van de spoedige komst van het Godsrijk en daarom bij zijne volksgenooten aandrong op geloof en bekeering. Als mensch staat Hij lang zoo hoog niet, als de liberale theologie zich Hem voorstelt, want ofschoon Hij zich kenmerkte door eene prijzenswaardige bereidheid, om alle ellendigen te helpen, Hij was toch een beperkt en bijgeloovig mensch, geloofde aan booze geesten en eeuwige straffen, leed aan visioenen en hallucinaties, toonde trekken zelfs van een erfelijk belast epilepticus en paranoicus, en trachtte ten slotte, toen zijne prediking geen ingang vond, door eene daad van geweld er boven op te komen. Zijne leer bevatte dan ook niets nieuws maar sloot zich bij de denkbeelden en verwachtingen van zijne tijdgenooten aan; zijne gedachte over het Godsrijk was niet die van eene zedelijke gemeenschap, maar droeg 213 een uitsluitend eschatologisch karakter; en zijne moraal was onder Esseensche of ook Buddhistische invloeden ascetisch gestemd; misschien was hij van afkomst ook een Ariër, of heeft Hij zelfs nooit bestaan en is zijn beeld onder de schokkende gebeurtenissen van den toenmaligen tijd door eene of andere secte gevormd. 9 In elk geval, zijne wereld- en levensbeschouwing past voor onzen tijd en in onze omstandigheden niet meer. Als Hij over de rijken het wee uitspreekt, in de bemoeiing met de aardsche dingen eene hindernis voor de hemelsche roeping ziet, den ongehuwden staat aanbeveelt, en om het politieke en sociale leven zich in het minst niet bekommert, kan Hij voor ons geen voorbeeld en zijne ethiek voor ons geene norma meer zijn. 10 Wat men op de Christelijke ethiek tegen heeft, betreft niet enkele ondergeschikte punten, maar is tegen haar kern en wezen gericht; men legt haar legaliteit en heteronomie, loonzucht en transcendent eudaemonisme, wereldvlucht en verachting van alle cultuur, inzonderheid ook van de zinlijkheid en de generatie, ten laste. Nietzsche heeft daarom eene poging gewaagd, om al haar waarden om te smelten; in de plaats van de door Joden en Christenen ingevoerde slavenmoraal wilde hij de oorspronkelijke heerenmoraal weer in eere herstellen; zijn stelsel is een consequent aristocratisch anarchisme. 11

But in these last days, especially since the investigations of Baldensperger and Johannes Weiss, 8 an entirely new conception has in the case of many taken the place of this humanitarian idea. Humanitarian traits are not indeed entirely lacking from the figure of Jesus; yet according to the description given of him by the Synoptic Gospels he was a totally different kind of man. He was not a quiet, pious man, and not a philosophic teacher of virtue. but a prophet, an enthusiast, a fanatic, who lived under the impression of the speedy advent of the kingdom of God, and therefore exhorted his contemporaries to faith and conversion. As a man he was not nearly so great as the liberal theology has represented him. Although he was characterized by a praiseworthy willingness to help all misery, he was nevertheless a limited and superstitious man, believed in evil spirits and eternal punishment, was subject to visions and hallucinations, showed traits even of an hereditary epilepsy, paranoia, and finally attempted, when his preaching received no acceptance, to gain the victory by an act of force. His doctrine contained nothing new, but joined itself to the ideas and expectations of his time; his notion of the kingdom of God was not that of a moral community,but bore an exclusively eschatological character; and his ethics acquired, under Essenic, or even under Buddhistic, influences, an ascetic color. Perhaps he was originally an Aryan, or perhaps even he never existed, and his figure is the creation of one or another of the sects produced by the commotions of the age. 9 In any case his view of the world and life is not suitable for our time and circumstances. When he pronounces his woe on the rich, esteems occupation with earthly affairs an obstacle to the heavenly vocation, recommends the unmarried condition, and takes no thought at all of political and social life, he 249 can be no example for us, and his ethics can supply us with no standard. 10 Nor does this opposition to Christian ethics concern subordinate points, but their kernel and essence. Christian ethics have laid to their charge legalism and heteronomy, seeking for reward and transcendent eudaemonism, withdrawal from the world and contempt of all culture, and especially of the senses and marriage. Nietzsche has endeavored, therefore, to reverse all its values. Instead of the morals of slaves which Jews and Christians have introduced, he wished to restore to honor the original morals of free men; his system may be called a logical aristocratic anarchism. 11

Wanneer de verhouding van Christendom en cultuur besproken wordt, dient men vóór alle dingen er zich helder rekenschap van te geven, wat onder cultuur te verstaan zij, en welke cultuur het bepaaldelijk is, met welke het Christendom in strijd zou zijn. Het woord, dat vooral sedert de achttiende eeuw naast andere namen als beschaving, verlichting, ontwikkeling, vorming in gebruik kwam, duidt in het algemeen bebouwing, bearbeiding, verzorging, kweeking aan, en onderstelt dus altijd een object, dat bewerkt en gevormd moet worden. Dit object, deze stof kan in het algemeen met den naam van natuur worden aangeduid, want het bestaat altijd in datgene, wat niet door den mensch gemaakt, maar krachtens schepping, van nature voor hem neergezet en aan hem aangeboden wordt. Cultuur in den ruimsten zin omvat dus allen arbeid, die door menschelijke krachten aan de natuur wordt besteed. Maar deze natuur is eene tweevoudige; zij omvat niet alleen de gansche 214 zinlijk-waarneembare verschijningswereld, die zich buiten den mensch voor hem uitbreidt, maar zij sluit in ruimer zin ook den mensch zelven in en niet alleen naar zijn lichaam, maar ook naar zijne ziel. De vermogens en krachten, welke de mensch bezit, zijn niet door hem verworven, maar door God hem geschonken; ze zijn eene gave der natuur, en deze gaven zijn niet alleen een middel, om de uitwendige wereld te bearbeiden, maar tegelijk ook een object, dat zelf bewerkt en gevormd moet worden. Zoo zijn er dus twee groote kringen van cultuur. Tot den eersten behooren al die werkzaamheden, welke de mensch tot het voortbrengen en verdeelen van materieele goederen verricht, landbouw en veeteelt, nijverheid en handel. En de tweede kring omsluit al dien arbeid, waardoor de mensch zijne idealen van het wake, goede en schoone, door middel van letteren en wetenschap, rechts- en staatswezen, werken van schoonheid en kunst naar buiten realiseert en ook zichzelven ontwikkelt en beschaaft. 12

If we are to speak of the relation which Christianity bears to culture, we must first of all give a clear account of what we understand by culture, and of precisely the kind of culture Christianity is to form a contrast to. The word “culture," which has come into use especially since the eighteenth century, along with other terms, such as civilization, enlightenment, development, education, indicates generally cultivation, improvement, and always presupposes an object which must be improved. This object may be indicated generally by the name of nature, for it always consists of something not made by man, but ofiered to him by creation. Culture in the broadest sense thus includes all the labor which human power expends on nature. But this nature is twofold; it includes not only the whole visible world of phenomena which is outside man, but also, in a wider sense, man himself ; not his body alone, but his soul also. The faculties and powers which man possesses have not been acquired by him, but are given to him by God; they are a gift of nature, and these gifts are a means for cultivating the external world, as well as an object which must be cultivated. Thus there are two great 250 circles of culture. To the first belong all those activities of man for the production and distribution of material goods, such m agriculture, cattle-rearing, industry, and trade. And the second circle includes all that labor whereby man realizes objectively his ideals of the true, the good, and the beautiful, by means of literature and science, justice and statecraft, works of beauty and art, and at the same time works out his own development and civilization. 12

Zoodanige cultuur heeft er nu ten allen tijde bestaan, van het oogenblik af, dat de mensch op aarde verscheen en door arbeid bevrediging van zijne menigvuldige behoeften zocht. En van haar allereersten oorsprong af hing deze cultuur ten innigste met de religie samen; in alle eeuwen en bij alle volken zijn beide ten nauwste verbonden en gaan ze met elkander hand aan hand. Eerst in de vorige eeuw verhief ze zich tot eene macht, die zich van de Christelijke religie en van heel de antieke wereld- en levensbeschouwing emancipeerde en in absoluten zin moderne cultuur wil zijn. Van de cultuur in het algemeen kan dus niemand beweren, dat zij met de religie in strijd is, want al de eeuwen, die voorafgegaan zijn, dienen daar het scherpste protest tegen in. Hoogstens kan men de stelling verdedigen, dat onze hedendaagsche cultuur met de religie, met het Christendom in strijd is.

Such a culture has existed at all times, from the moment when man appeared on the earth and sought satisfaction of his manifold needs by labor. And from its first origin this culture has been closely connected with religion; in all ages and among all peoples these two are found together, and go forward hand in hand. It was not till the eighteenth century that culture was raised to a power which emancipated itself from the Christian religion and the whole ancient world-view, and sought to become an absolutely new, modern culture. Nobody, therefore, can declare that culture as such stands in contrast with religion, for all the preceding centuries raise a sharp protest against such an assertion. It can, at the most, be contended that our specifically present-day culture is in conflict with religion and Christianity.

Maar om dit te beweren, moet men eerst weer nauwkeurig omschrijven, wat men met deze moderne cultuur bedoelt. Hierbij doen zich echter zulke enorme moeilijkheden voor, dat men de hoop op een duidelijk en algemeen erkend begrip gerust mag laten varen. Immers ten eerste, de moderne cultuur staat in sommige opzichten en volgens sommiger oordeel wel antithetisch 215 tegenover die van vorige eeuwen, maar deze antithese is volstrekt niet absoluut. Wij staan allen, of wij willen of niet, op de schouders der voorgeslachten. Onze gansche maatschappij, gezin, arbeid, beroep, staat, wetgeving, zeden, gewoonten, kunsten, wetenschappen, alles is nog doortrokken van den Christelijken geest. De tegenstanders weten dit ook zelven wel, want daarom is hun strijd tegen het Christendom zoo heftig, wijl het zich overal op hun weg vertoont, in alles doorwerkt, en huns ondanks op henzelven nog zijn invloed oefent. Het denken heeft zich menigmaal en voor een groot gedeelte wel aan het Christendom onttrokken, maar het leven gaat stil zijn gang en wordt uit de bronnen van het verleden gevoed. De moderne cultuur wil wel absoluut modern zijn, maar zij is het niet en kan het niet wezen; zij is een product van en dus ook een moment in de geschiedenis.

But before this can be proved an exact definition should first be given of what is meant by modern culture. Immense difficulties present themselves when this is attempted, and the hope of attaining a clear and generally accepted conception seems illusive. In the first place, modern culture in some respects, and according to some estimates, forms an antithesis to that of former centuries. But this antithesis is not absolute. We are all, whether we will or not, standing on the shoulders of former generations. 251 All our society, family, labor, vocation, state-craft, legislation, morals, habits, arts, sciences, are permeated still with the Christian spirit. The opponents of Christianity know this very well, and their antagonism against Christianity is so strong just because the Christian spirit shows itself all along the line, leavens everything, and exerts its influence even upon them notwithstanding themselves. Thought has often to a great extent emancipated itself from Christianity ; but life goes quietly on, and is continually led from the sources of the past. Modern culture would like to be absolutely modern, but it is not, and cannot be so; it is a product of, and thus also a moment in, history.

Maar ook, wanneer men dezen band aan het verleden buiten rekening wilde laten en datgene, wat modern is in de moderne cultuur, op zichzelf wilde beschouwen, verkrijgt men nog de eenheid en de duidelijkheid niet, welke men in haar begrip verlangt. De moderne cultuur is een abstracte naam voor vele, vele verschijnselen, maar zij vormt volstrekt geene eenheid. Niet alleen zijn er een aanzienlijk aantal factoren, die tot hare ontwikkeling hebben medegewerkt, maar zij is ook innerlijk ten hoogste verdeeld. Overal en op alle gebied, in de politiek, in de oeconomie, in de kunst, in de wetenschap, in de moraal, in het onderwijs, in de opvoeding, overal en allerwege staan partijen, richtingen, scholen tegenover elkander; rechts- en cultuurstaat, kerk en staat, geloof en wetenschap, kapitaal en arbeid, nomisme en antinomisme voeren onderling een heftigen strijd en leven uit verschillende beginselen voort. Het monisme zoekt ook hier wel naar eene abstracte eenheid, maar brengt de verscheidenheid en den rijkdom des levens aan eene theorie ten offer en blinddoekt zich voor de scherpe tegenstellingen, die er in de werkelijkheid te aanschouwen zijn. Dat de moderne cultuur met het Christendom en de religie in strijd zoude zijn, is eene nietszeggende, ijdele phrase; van sommige verschijnselen moge dit met eenigen schijn van recht gezegd worden, van andere geldt het in het minst niet. 216

But even if we do not take into account this alliance with the past, and wish to judge modern culture on its own merits, we do not obtain the unity and clearness which are necessary in order to form an exact conception of it. For modern culture is an abstract name for many phenomena, and forms no unity at all. Not only are there innumerable factors which have contributed to its development, but it is also in the highest degree divided in itself. Everywhere, and in all domains, in politics, social economy, art, science, morals, instruction, education, there are parties, tendencies, and schools which stand in opposition to one another; the realms of justice and culture, church and state, faith and science, capital and labor, nomism and antinomism, combat each other, and proceed on different principles. Monism no doubt seeks here also for an abstract unity; but it sacrifices the diversity and richness of life to a theory, and blinds itself to the sharp contrasts which reality exhibits. It is, therefore, an empty phrase to say that modern culture, is at strife with Christianity and religion; as to some phenomena it may 252 be said with some appearance of right, but to others it is not in the least applicable.

Eindelijk moge men ook wel bedenken, dat de moderne cultuur, waaronder men dan eene bonte en uitgebreide groep van verschijnselen samenvat, volstrekt niet àf is; ze is niet voltooid en staat niet objectief buiten ons, maar zij heeft nog slechts een betrekkelijk kort verleden achter zich en ontwikkelt zich voort van dag tot dag. Wij staan er dus midden in en leven in een „overgangstijd", eene uitdrukking, die op zichzelve weinig zegt, omdat alle tijd een tijd van overgang en voorbijgang is, maar die hier toch eene oude en bekende waarheid uitspreekt tegenover allen, die het heden uit het verleden en de toekomst willen uit schakelen en absoluut willen maken. En daarom kan ook niemand zeggen, waar de moderne cultuur ons heenleiden zal; men kan vermoeden, gissen, waarschijnlijkheidsrekeningen opmaken, maar van zekerheid is er niet de minste sprake. Over de verschijnselen, die zich thans reeds voordoen en onder den naam van moderne cultuur worden samengevat, loopt de waardeering zeer verre uiteen; daar zijn er zelfs onder, die bij niemand goedkeuring vinden; wie neemt bijv. den materialistischen geest, het mamonisme, het alcoholisme, de prostitutie in bescherming, welke zulke belangrijke plaats innemen in de moderne cultuur; wie is blind voor de gebreken, die haar aankleven, en voor de gevaren, waaraan zij ons blootstelt? Ieder is dus verplicht, welk godsdienstig of wijsgeerig standpunt hij overigens ook inneme, om bij de beschouwing der moderne cultuur een maatstaf aan te leggen; hij kan ze niet in haar geheel, zooals ze reilt en zeilt, voor zijne rekening nemen; hij gaat, of hij wil of niet, eclectisch te werk en zal van vele verschijnselen beweren, dat ze met zijne wereld- en levensbeschouwing in overeenstemming zijn, maar andere even sterk in naam van diezelfde beschouwing veroordeelen en bestrijden. En wat de toekomst aangaat, de waardeering van de moderne cultuur zal afhangen van de richting, waarin zij zich beweegt en die door niemand kan worden voorzien of voorspeld. Lofredenaars en klaagzangers wisselen onder de menschen niet alleen elkander af, maar dezelfde mensch vervult nu eens de eene en dan weder de andere rol, alnaargelang het leven hem vreugde bereidt of zijne wenschen teleurstelt. 217

Finally, we should consider that modern culture in the sense of an extensive group of various phenomena is not a finished thing; it is not complete, and not objectively placed before us; it has existed but a short time in the past, and is still developing from day to day. We are thus in the middle of it, and live in a “transition period," — an expression which says little of itself, because all time is a time of transition and change, but yet here embodies an old and well-known truth, in opposition to all who try to separate the present from the past and the future and make it absolute. Therefore nobody can say whither modern culture will lead us; one can surmise, guess, speculate, but there is no certainty at all. As to the phenomena which now already present themselves, and are included under the name of modern culture, the estimates of their value vary very much. There are some of them which are approved by nobody. Who, for example, defends the materialistic tone, the mammonism, the alcoholism, the prostitution so prevalent in these days? Who is blind to the defects which attach to our modern culture or to the dangers to which it exposes us? Each one is thus obliged, whatever religious or philosophical standpoint he may occupy, to apply a standard in his judgment of modern culture; he cannot accept it in its entirety; whether he will or not, he goes to work eclectically. and will approve some phenomena as in agreement with his own world-view, and dissent strongly from others in the name of that same world-view. And as to the future, the estimation of modern culture will depend upon the direction in which it moves, which nobody can foresee or foretell. Men are alternately panegyrists and grumblers, and the same man plays in turn the one 253 or the other role according to what pleases or vexes him.

De bewering, dat de moderne cultuur met het Christendom in strijd is, is dus eene zinledige phrase. Wie durft ook staande houden, dat huwelijk en huisgezin, staat en maatschappij, kunst en wetenschap, handel en nijverheid op zichzelve door het Christendom veroordeeld en bestreden worden? Hoogstens kan dit beweerd worden ten aanzien van de wijze, waarop, en de richting, waarin deze instellingen en verschijnselen in den tegenwoordigen tijd door enkelen ontwikkeld en geleid worden. En daarop komt dan, ook feitelijk de uitgesproken antithese neer. Daar zijn verschijnselen, waarover het Evangelie van Christus een ander oordeel velt dan velen onzer tijdgenooten. Maar het is aanmatigend, wanneer dezen hun oordeel met de moderne cultuur vereenzelvigen en in naam van deze het gansche Christendom bestrijden. Verklaarbaar is dit wel, want het maakt indruk, als men zegt, dat de cultuur en de wetenschap en de staat het oude Christendom hebben doen verouderen en verdwijnen; maar te verontschuldigen is deze aanmatiging niet, want zij stelt de antithese in een valsch licht, brengt verwarring in de denkbeelden aan en pleegt onrecht beide aan Christendom en aan cultuur.

The assertion that modern culture is in conflict with Christianity is thus a meaningless phrase. Who ventures to assert that marriage and family, state and society, art and science, trade and industry as such are condemned and opposed by Christianity? At the most such an assertion may be made as to the manner and the direction in which these institutions and activities at the present time are developing or are carried on. This is no doubt what is meant. There are phenomena upon which a very different estimate is placed by many of our contemporaries from that placed upon them by the gospel of Christ. But it is mere presumption for them to identifv their judgment with modern culture itself and to reject the whole of Christianity in her name. It may be explainable, for it makes an impression to say that culture, and science and state have antiquated Christianity; but it is not excusable, for it places the antithesis in a false light, brings confusion into the ideas, and is injurious to both Christianity and culture.

Wanneer men nu een onderzoek instelt naar datgene, wat in de moderne cultuur antithetisch tegenover het Christendom staat en dit tot een beginsel herleidt, dan komt men inderdaad bij diezelfde gedachte uit, welke boven reeds als onverzoenbaar met het Christelijk geloof werd uitgesproken. Wat velen op het Christendom, op zijne leer van het geloof en van het leven, tegen hebben, dat is de zoogenoemde heteronomie en transcendentie. Daar is in de moderne maatschappij een vroeger ongekend of althans lang niet in die mate bekend streven naar zelfstandigheid en vrijheid. Wij treffen dat streven aan bij lederen mensch en ook in elken stand en levenskring; wetenschap, kunst, nijverheid, handel, arbeid, kapitaal, zij willen allen hun eigen leven leiden en alleen gehoorzamen aan de wetten, die door hun eigen leven worden voorgeschreven. Ongeoorloofd en ongerechtvaardigd is dit streven op zichzelf nog niet, want menschen zijn geen machines, doch vrij-denkende en vrij-levende, redelijke en zedelijke wezens. Maar dit streven neemt toch, gelijk niemand ontkennen kan, 218 menigmaal dit karakter aan, dat het aan alle objectief gezag, aan alle boven ons staande wet, aan alle boven dit aardsche bestaan uitgaande levensbestemming van den mensch het bestaan en het bestaansrecht ontzegt. Het rechtmatige streven naar zelfstandigheid en vrijheid slaat dan om in eene theoretisch gepredikte en practisch nageleefde autonomie en anarchie; en deze stellen zich natuurlijk en naar den aard der zaak vijandig tegen het Christendom over. Want evenals elke religie, zoo komt ook het Christendom tegen zulk eene autonomie in verzet. Het verkondigt eene vrijheid en zelfstandigheid van den mensch, zoo groot als immer mogelijk is, want het laat hem geschapen zijn naar het beeld en de gelijkenis Gods, maar het handhaaft tegelijk, dat de mensch een schepsel is en dus nooit onafhankelijk kan worden of zijn; het legt hem aan God vast en bindt hem aan Zijn woord en wil. Als de woordvoerders van de moderne cultuur aan het Christendom dus legaliteit, heteronomie, transcendent eudaemonisme enz. ten laste leggen,. dan bedienen zij zich van woorden, die niet zonder opzet de zaak onjuist weergeven en van te voren tegen het Christendom innemen; maar de zaak zelve is toch juist. Het is het supranatureele, dat inderdaad tusschen het Christendom en vele moderne cultuurvereerders in geschil is.

If we search out what in modern culture is antithetically opposed to Christianity and then reduce this to a principle, we shall arrive at the same idea which was found above to be irreconcilable in it with Christian faith. The complaint which many make against Christianity, its doctrine of faith and life, is based on its so-called heteronomy and transcendence. There is in modern society a striving after independence and freedom, such as was unknown in earlier times, or at least not recognized in the same degree. We meet with this among all men, and in every position and circle of life ; science, art, industry, trade, labor, capital, all desire to govern themselves, and to be obedient only to the laws which are laid down for them 254 by their own mode of life. This striving in itself is not illegitimate or unjustifiable, for men are not machines, but free-thinking and free-living rational and moral beings. But it undeniably often assumes a character which interdicts existence, and the right of existence, to all objective authority, to all external law, to every destiny of man which passes beyond this earthly life. The legitimate, struggle for independence and liberty is transformed into a theoretically proclaimed and practically applied autonomy and anarchy, and these naturally place themselves in opposition to Christianity. For Christianity comes into collision with such an autonomy, as does every religion. It asserts all possible freedom and independence for man, for it teaches his creation after the image and likeness of God ; but it maintains at the same time that man is a creature, and thus can never become or be absolutely independent; it joins him to God, and binds him to his word and will. When the apologists of modern culture accuse Christianity of legalism, heteronomy, transcendent eudaemonism, etc., these are words which intentionally represent the matter in an unjust way and rouse prejudice against Christianity; but the matter itself is beyond dispute. It is supernaturalism, which in point of fact forms the point of controversy between Christianity and many panegyrists of modern culture.

Van dit supranatureele kan de Christelijke religie geen afstand doen, zonder zich zelve te vernietigen. Er is zelfs geen religie denkbaar of bestaanbaar zonder het geloof aan eene bovennatuurlijke macht. Want alle religie sluit in, dat God en wereld onderscheiden zijn, dat God in de wereld inwerken, met den mensch in gemeenschap treden, en door die gemeenschap hem boven die wereld verheffen en tegen die wereld beschermen en handhaven kan. Wijl het Christendom de zuivere, de ware religie is, is het niet minder, maar nog meer supranatureel dan alle andere godsdiensten. Wijl deze toch de Godheid ontbinden in allerlei natuurkrachten, zien zij overal in de wereld slechts werking van goede of booze geesten en brengen zij ook in den mensch geene waarachtige gemeenschap met God zelven tot stand. Maar volgens de Christelijke belijdenis schuilt achter alle verschijnselen in de natuur en achter alle gebeurtenissen in de geschiedenis de ééne, 219 alwijze, algoede en almachtige wil van God, die allen tegenstand breekt en wereld en menschheid, niettegenstaande haar verzet, tot de zaligheid en de heerlijkheid leidt. Van die gedachte gaat de gansche Schrift, gaan Mozes en de profeten, Christus en de apostelen uit; de Christelijke kerk is op de groote feiten van creatie, incarnatie en resurrectie gebouwd; en het Evangelie, gelijk het door Jezus persoonlijk op aarde gepredikt is, heeft dezen zelfden raad en wil Gods tot inhoud.

The Christian religion cannot abandon this supernaturalism without annihilating itself. There is even no religion thinkable or possible without belief in a supernatural power. For all religion implies that God and the world are distinct, and that God can work in the world, enter into fellowship with man, and by that fellowship can raise him above, and maintain him against, the world. Because Christianity is the pure and true religion, it is not 255 less, but more supernatural than all other religions. For these religions dissolve the godhead into all kinds of natural powers, see everywhere in the world only the influences of good or evil spirits, and cannot therefore bring man into a true fellowship with God. But according to the Christian confession the one, all-wise, all-good, and all-powerful will of God lies behind the phenomena of nature and the events of history, and this will breaks down all resistance in the world and humanity and leads them in the face of their opposition to salvation and glory. This is the idea which underlies the whole of Scripture; on it Moses and the prophets, Christ and the apostles take their stand; the Christian church is built on the great facts of creation, incarnation, and resurrection; the gospel as it is preached by Jesus himself in his earthly life embodies this same counsel and will of God.

Immers is Jezus niet onder het volk van Israël opgetreden als een dichter of wijsgeer, als een geleerde of kunstenaar, noch ook als een politiek of sociaal hervormer. Het nieuwe, het geheel eenige van zijn persoon bestaat daarin, dat Hij meer is dan Salomo en dan Jona en dan een der profeten, dat Hij de Messias, de Zone Gods is, door God gezonden, om het verlorene te zoeken en zondaren zalig te maken, om den armen het Evangelie te verkondigen en te prediken het aangename jaar des Heeren, om den Vader te verklaren en ons zijn naam te openbaren. Wat Hij op aarde brengen kwam, is dan ook een goed van onuitsprekelijke waarde; het is het koninkrijk der hemelen, niet als eene door menschelijke inspanning te stichten gemeenschap, maar als een hemelsche, Goddelijke schat, inhoudende de gerechtigheid, de redding van het verderf en het eeuwige leven, en alleen verkrijgbaar in den weg van wedergeboorte, van geloof en bekeering.

It is not open to doubt that it was not as a poet or philosopher, as a scholar or artist, as a politician or social reformer, that Jesus appeared among the people of Israel. What is new and peculiar in the person of Christ consists in this — that he was more than Solomon and Jonah, or one of the prophets; that he is the Messiah, the Son of God, sent by God to seek the lost, and save sinners, to proclaim the gospel to the poor, and to preach the acceptable year of the Lord, to declare the Father, and to reveal his name. What he came to bring to earth is therefore a blessing of unspeakable value, namely, the kingdom of heaven, not as a community which could be founded by human endeavor, but as a heavenly, divine treasure, embracing righteousness, salvation from corruption, eternal life, and obtainable only through regeneration, faith, and conversion.

Nu kan er verschil van meening over bestaan, of Jezus met deze prediking van zijn Evangelie gelijk heeft gehad, en of inderdaad de kennisse Gods en het eeuwige leven het hoogste goed voor den mensch uitmaken. Daar zijn er althans velen, die dit ontkennen en bestrijden, en de Christelijke moraal willen uitwisselen voor de ethiek van het individualistisch of sociaal eudaemonisme. Ofschoon nu het Christendom zeer zeker voor den zedelijken arbeid aan eigen persoon en in het midden der maatschappij volle ruimte laat, bestaat er toch tusschen beide ethische stelsels eene principiëele tegenstelling, welke niet mag verbloemd of uitgewischt worden. De Christelijke moraal legt nadruk op zonde en genade, de evolutionistische ethiek gaat uit van de natuurlijke goedheid van den mensch; gene beschouwt den mensch 220 als een verlorene, die redding behoeft, deze ziet in hem het eenige wezen, dat de wereld hervormen en redden kan; de eerste spreekt van verzoening en wedergeboorte, de tweede van ontwikkeling en opvoeding; voor de eene daalt het nieuwe jeruzalem eenmaal van God uit den hemel op de aarde neer, voor de andere komt het langzaam door menschelijken arbeid tot stand; daar beweegt Goddelijke actie de geschiedenis voort, hier is evolutie het alles dirigeerend proces. 13

We may differ on the question whether Jesus was right in this preaching of the gospel, and whether the knowledge 256 of God and eternal life mean the highest good for man. There are many at least who deny and controvert this, and seek to set Christian morals aside in favor of the ethics of individualistic or social eudeamonism. Now Christianity leaves full room for the ethical culture of our own personality in the midst of society, but there is a notable contrast between the two systems of ethics, which cannot be disguised or obliterated. Christian morals lays stress upon sin and grace, the ethics of evolution proclaims the natural goodness of man; the former regards man as a lost being, who needs salvation, the latter sees in him the one creature who can reform and save the, world; the first speaks of reconciliation and regeneration, the second of development and education; for the one the new Jerusalem comes down from God out of heaven, for the other it comes slowly into being by human eflort; there divine action moves history, here evolution is the all-directing process. 13

Maar dit is zeker, indien het Evangelie waarheid is, dan brengt het ook een eigen maatstaf mede tot beoordeeling van alle cultuur. Jezus heeft dit zelf zeer duidelijk getoond in de houding, welke Hij tegenover alle aardsche dingen en natuurlijke verhoudingen aannam. Hij was geen asceet, want Hij beschouwde spijze en drank, deksel en kleeding als goede gaven van den hemelschen Vader en nam aan bruiloft en gastmalen deel, en was evenmin een epicurist, die alleen om zichzelven denkt en voor zichzelven zorgt, want Hij wordt ieder oogenblik met ontferming bewogen over allerlei ellendigen, die zijne hulp inroepen. Noch het oppervlakkig optimisme, noch het moedeloos pessimisme vindt in Hem een bondgenoot. Maar ofschoon hij de natuurlijke instellingen en goederen volstrekt niet veracht, toch beoordeelt Hij ze niet op zichzelve en stelt nooit hunne zelfstandige waarde in het licht. Dat was het werk niet, hetwelk door den Vader Hem was opgedragen om te doen. Hij aanvaart de sociale en politieke toestanden zooals ze zijn, wendt geen enkele poging tot verbetering aan en bepaalt zich uitsluitend tot het vaststellen der waarde, die zij hebben voor het koninkrijk der hemelen, dat Hij op aarde brengen komt. En dan zegt Hij, dat niets, wat een mensch in deze wereld bezit, spijs noch drank, deksel noch kleeding, huwelijk noch gezin, beroep noch stand, rijkdom noch eer in vergelijk kan treden met dien parel van groote waarde, dien Hij alleen kan schenken. Alles moet des noodig om des Evangelies wil worden prijsgegeven; en de schatten der aarde zijn menigmaal eene groote hindernis voor den ingang in het koninkrijk Gods. In één woord, landbouw, nijverheid, handel, wetenschap, kunst, gezin, maatschappij, staat, enz., die gansche cultuur moge op zichzelve 221 groote waarde hebben; maar wanneer ze tegenover het koninkrijk der hemelen in de weegschaal gelegd wordt, heeft ze niets te beduiden. De winst der geheele wereld baat den mensch niets, als hij zichzelf, zijn eigen ziel heeft verloren; daar is in de gansche schepping geen prijs, dien hij geven kan tot lossing zijner ziel.

But this is certain, — if the gospel is true, then it carries with it its own standard for the valuation of all culture. Jesus has shown this distinctly in the attitude which he adopted towards all earthly things and natural relations. He was no ascetic: he considered food and drink, covering and clothing, as good gifts of the Heavenly Father, and was present at wedding-feasts and dinners. And he was as little an epicurean, who thinks only of himself and cares only for himself ; he was continually moved with compassion for all kinds of misery. Neither shallow optimism nor weak pessimism finds in him an ally. But although he did not despise natural institutions and blessings, still he does not undertake to estimate them as such or to determine their inherent value. That was not the work which the Father had given him to do. He 257 accepted the social and political conditions as they were, made no ondeavor to reform them, and confined himself exclusively to setting the value which they possessed for the kingdom of heaven. And in that connection he said, that nothing a man possesses in this world — food or drink, covering or clothing, marriage or family, vocation or position, riches or honor — can be compared with that pearl of great price which he alone can present. It must all be abandoned, if necessary, for the gospel's sake, and the treasures of earth are often a great obstacle to entrance into the kingdom of God. In a word, agriculture, industry, commerce, science, art, the family, society, the state, etc., — the whole of culture — may be of great value in itself, but whenever it is thrown into the balance against the kingdom of heaven, it loses all its significance. The gaining of the whole world avails a man nothing if he loses his own soul; there is nothing in creation which he can give in exchange for his soul.

De waarheid van dit woord kan alleen ontkend worden door wie voor den ontzaglijken ernst der werkelijkheid zijne oogen sluit. Dat de mensch zichzelf verloren heeft en hoe langer hoe meer zichzelf verliezen kan, leert de Schrift niet alleen, maar getuigt ook ons aller ervaring. De mensch is voor God verloren, want hij geeft zich niet aan God en dient Hem niet in liefde, maar ontvlucht Hem en verbergt zich voor zijn aangezicht. Hij is voor den naaste verloren, want hij trekt zich van hem terug in den nood, en offert hem in den strijd om het bestaan aan zijne belangen op. De mensch is ook verloren voor zichzelven; daar is eene kloof gegraven tusschen zijn zijn en zijn bewustzijn, eene tweespalt ontstaan tusschen zijn plicht en zijn lust, tusschen zijn geweten en zijn wil. Hij zoekt dies afleiding in de dingen der wereld; inplaats van zich te verzamelen, verstrooit hij zich; en naarmate hij met zijne voorstellingen en verbeeldingen, met zijne gedachten en begeerten, met zijne neigingen en driften zich in verschillende richtingen beweegt, raakt hij hoe langer hoe meer het centrum van zijn leven kwijt. Hij verliest zich zelven hoe langer hoe meer. Geen schatten kunnen dit geestelijk verlies der ziel vergoeden, want ziel verloren is alles verloren. Niets vult de ledigheid, niets vervangt het gemis, niets bedekt de armoede. Het is om deze reden, dat Christus het koninkrijk der hemelen op aarde heeft gebracht; Hij sticht het inwendig in de harten der menschen, en geeft hen daardoor aan God en den naaste, maar ook aan zichzelven terug. De vrede met God brengt voor den mensch ook den vrede met zichzelven mede; de klove tusschen zijn geweten en zijn wil wordt gedempt, de tweespalt tusschen zijn zijn en zijn bewustzijn wordt verzoend; zijne ziel wordt met al hare krachten verzameld tot de vreeze van Gods naam. Wat hij moet, dat wil hij voortaan, en wat hij wil, dat mag hij. De 222 bekeering is een terugkeer tot God, maar daarin ook tegelijk een komen tot zichzelven. 14

The truth of this declaration can be denied only by the man who shuts his eyes to the awful seriousness of real life. Not only does Scripture teach that man has lost himself, and may lose himself more and more, but our own experience also testifies to this. Man is lost before God, for he does not give himself to God, and does not serve him in love, but flies from him, and hides himself from his presence. He is lost for his neighbor, for he abandons him in his need, and sacrifices him to his own interests in the struggle for existence. He is also lost for himself, for there is a cleft between his being and his consciousness, a dissension between his duty and his desire, between his conscience and his will. That is the reason why we seek diversions in the world; instead of re-collecting our thoughts we scatter them, and in proportion as with our 258 representations and imaginations, with our thoughts and desires, with our inclinations and passions, we move in various directions, we lose more and more the centre of our own life. Man is ever losing himself more and more. No treasures are able to compensate for the spiritual loss of our soul, for when the soul is lost all is lost. Nothing fills the emptiness, nothing replaces the loss, nothing covers the poverty. For this reason Christ brought the kingdom of heaven to earth; he implants it in the hearts of men, and thereby gives them back to God, and their neighbor, and also to themselves. Peace with God carries with it for man peace with himself also; the cleft between his conscience and his will is filled up; the discord between his being and consciousness is reconciled; his soul with all its powers is brought back to unity in the fear of God's name. His duty becomes his choice, and his choice his privilege. Conversion is a turning back to God, but at the same time a coming to one's self. 14

Indien dit nu de inhoud van het Evangelie is, dat God n.l. door zijn genadigen en almachtigen wil in den weg van vergeving en bekeering het zedelijk ideaal in den mensch handhaaft en herstelt, dan kan men daaraan indien men wil de waarheid ontzeggen, maar het valt niet te begrijpen, hoe zulk, een Evangelie vijandig tegenover de cultuur zou staan. Veeleer is het, indien men het zoo eens noemen wil, het allervoornaamste bestanddeel van alle cultuur, beginsel en doel van wat alle cultuur in den echten zin des woords nastreeft en nastreven moet. Want wel zijn er velen, die de ontwikkeling en den vooruitgang van het menschelijk geslacht voornamelijk of uitsluitend gelegen achten in de vermeerdering der stoffelijke welvaart. Maar deze materialistische levensopvatting vindt de krachtigste tegenspraak in 's menschen redelijke en zedelijke natuur. Ons aller hart en geweten getuigt, dat de mensch bij brood alleen niet leven kan; „das Leben ist der Güter höchtes nicht". Niet alleen de godsdienst, maar ook de wijsbegeerte heeft dit ten allen tijde beseft. Hare voornaamste tolken hebben allen zonder onderscheid in het einddoel, waarnaar mensch en menschheid te streven hadden, het zedelijk-goede opgenomen en daaraan zelfs de centrale plaats toegekend; het goede valt met het Goddelijke saam en is hoog boven de zinlijk-waarneembare wereld verheven, de ethos streeft ver de physis te boven. Zoo machtig leeft dit besef van de waarde van het goede in het hart van den mensch, dat de materiëele cultuur, die in de vorige eeuw tot bloei kwam en een tijd lang aan het materialisme zeker overwicht verschafte, weldra eene sterke reactie in het leven riep en vanwege hare teleurstelling het hart des menschen weer dorsten deed naar idealisme en mystiek. Zelfs Haeckel onderging dien invloed; want ofschoon hij zijne wereldbeschouwing materialistisch blijft noemen, hij hief zijn monisme tot den rang eener religie op en beschouwt als haar kern de cultuur van het ware, goede en schoone. 15

If this is the content of the gospel, — namely, that God maintains and renews the ethical ideal of man by his merciful and powerful will in the way of forgiveness and conversion, — then the reality of this content may indeed he denied, but it is inconceivable that such a gospel should be opposed to culture. Much rather is it, if we may so say, the most important element of all culture, — principle and goal of what all culture in the genuine sense of the word strives after, and must strive after. There are indeed many who think that the development and progress of the human race principally or exclusively consist in the improvement of material welfare. But this materialistic view of life is strongly contradicted by man's rational and moral nature. Heart and conscience witness to us all that man cannot live by bread alone; “life is not 259 the highest good." It is not religion only, but philosophy, which has at all times proclaimed this. Its chief representatives have declared, without exception, that the destiny of man and humanity must bear an ethical character, and that that ethical character must take the first place; the good is the same as the divine, and is raised high above the sensual world; ethics goes further than Physics. So powerfully does this idea of the value of the good work in the heart of man that material culture, which began to flourish in the last century and for some time cast a certain glamour over materialism, soon gave way to a strong reaction in life, and by the disappointment which it brought caused the heart of man to thirst again after idealism and mysticism. Even Haeckel has felt this influence; he has continued, indeed, to call his world-view materialistic, but he has raised his monism to the rank of religion, and regards as its kernel the worshipping of the true, the good, and the beautiful. 15

Zoodra nu de cultuur niet in naam, maar inderdaad en in der waarheid zedelijke cultuur wil zijn, verliest zij alle reden, om het 223 Evangelie van vijandschap te haren opzichte te beschuldigen, en kan zij zichzelve geen beteren dienst bewijzen dan door in dat Evangelie de eerste en hoogste cultuurmacht te eeren. Zelfs tegen de supranatureele elementen, die in dat Evangelie opgesloten liggen, kan zij geen principiëel bezwaar meer inbrengen, wijl zij zelve als ethische cultuur op metaphysica rust en bij dieper nadenken blijkt, zelve op openbaring gegrond te zijn.

Historisch komt dit al terstond daarin uit, dat de cultuur niet zelfstandig is ontstaan en ontwikkeld, maar van den aanvang af ten nauwste met de religie is verbonden. Met name hebben de hoogere bestanddeelen der cultuur, wetenschap, kunst en zedelijkheid, aan den godsdienst hun ontwikkeling en wasdom te danken. De oudste wetenschap, waarvan wij in Griekenland, Egypte, Babylonië, Indië kennis dragen, was theologie; de philosophie ontstond uit de religie en bracht eerst later verschillende bijzondere wetenschappen voort. 16 De kunst droeg van oudsher bij alle volken een overwegend godsdienstig karakter, 17 en de neiging, om de zedelijke wetten als Goddelijke geboden op te vatten, treffen wij van de oudste tijden af bij alle menschen aan. 18 Wetenschap, kunst en zedelijkheid zijn in oorsprong, wezen en doel aan den godsdienst verwant; want alle te zamen zijn zij gebaseerd op,het geloof aan eene ideale wereld, wier realiteit echter alleen door den godsdienst, dat is, door openbaring van Gods wege, verzekerd en gewaarborgd wordt. 19

Now as soon as culture wishes to be ethical culture, not in name, but in fact and in truth, it loses all ground for accusing the gospel of enmity against it, and it cannot do itself greater service than by honoring the gospel as the chief and highest power making for culture. It cannot bring a valid objection even against the supernatural elements which are included in the gospel, because as ethical culture it rests on metaphysics, and on deeper introspection proves to be based indeed on revelation. Thus, it is historically proved that culture has not had an independent origin and development, but from its first commencement is bound up with religion in the closest way. The higher elements of culture especially, such as science, art, and morality, are indebted to religion for their origin and growth. The oldest science of which we have knowledge, 260 in Greece, Egypt, Babylon, and India, was theology; philosophy originated in religion, and only later brought forth various particular sciences. 16 Art among the people of old bore a specially religious character; 17 and among all men of ancient times we meet the tendency to regard moral laws as divine commandments. 18 Science, art, and morality are cognate in origin, essence, and meaning with religion, for they are all based on the belief in an ideal world, the reality of which is assured and guaranteed only by religion; that is, from God's side by revelation. 19

Wel is nu in den laatsten tijd het streven opgekomen, om de ethische cultuur van den godsdienst onafhankelijk te maken. 20 Maar behalve dat dit streven nog jong is en tot een kleinen kring beperkt, belooft het ook weinig kans van slagen. Zeker, voor den godsdienst is het onteerend, als politieagent of wachthond van het zedelijke dienst te doen. Maar godsdienst en zedelijkheid zijn niet op die wijze, uitwendig en mechanisch, aan elkander verbonden, doch zij staan beide krachtens hunne innerlijke natuur organisch met elkaar in verband. De liefde tot God sluit die tot den naaste in, en de laatste wijst naar de eerste terug. Immers, het goede treedt ons allen van onze prille jeugd af aan in den vorm van een gebod tegemoet. Noch autonome noch evolutionistische 224 ethiek kan hierin eenige verandering brengen. Het kind brengt de zedelijke geboden niet langzamerhand instinctief of reflexief uit zichzelve voort, maar wordt opgevoed in een kring, welke die geboden reeds lang te voren bezat en ze met gezag aan het kind oplegt. 21 En als wij rondom ons zien bij de verschillende volken en terugzien in de geschiedenis der menschheid, dan worden wij wel getuigen van veel verandering en afwisseling; maar een fonds van zedelijke geboden, „ein Grundstock moralischer Wertungen", komt altijd en overal voor. 22 Ieder mensch erkent dan ook, dat er in het zedelijke eene wet boven hem staat, die hem in zijn geweten tot gehoorzaamheid verplicht.

Indien dit nu alzoo is, dan hebben wij in dit wonderbaar verschijnsel òf met een waan, een droom, eene inbeelding van het menschelijk geslacht te doen, òf met eene realiteit, die hoog boven de empirische wereld zich verheft, en ons met diepen eerbied vervult. Want als de zedewet, het ideale goede, inderdaad buiten en boven ons zal bestaan, dan moet zij in de wereldmacht gegrond en met de Godheid één zijn. Alleen God is de oorsprong en dus ook de waarborg van de realiteit der zedewet, van de objectiviteit van den plicht, van de zedelijke roeping en bestemming van den mensch. In zoover is alle moraal ook heteronoom.

No doubt an endeavor has recently been made to make ethical culture independent of religion. 20 But this attempt is still new and limited to a small circle, and it probably will have little success. It is a dishonor for religion, to be sure, to serve as a police agent, or as a watchdog of morality. Religion and morality are not bound together in this external and mechanical way, but they are in alliance with each other organically, by reason of their inner nature. The love of God includes that of our neighbor, and the latter is reflected in the former. For good presents itself to us all from our earliest youth in the form of a commandment. Neither autonomic nor evolutionary ethics can make any change here. The child does not gradually create moral laws by instinct or reflection, but is brought up in a circle which has possessed those laws long before, and which imposes them on the child with authority. 21 As we look around us among the nations and examine the history of mankind, we are witnesses of much vacillation and variety, but a fund of moral laws is always and everywhere found. 22 Every man acknowledges that in morality a law is laid upon him which obliges him to obedience in his conscience. If this be so, then in this wonderf ul phenomenon we have to do either with an 261 illusion, a dream, an imagination of mankind, or with a reality which is raised high above the empirical world and fills us with deepest reverence. For if the moral law or the ideal good indeed exists around and above us, then it must he grounded in the world-power and be one with the Godhead. God alone is the source, and thus also the guarantee of the reality of the moral law, of the objectivity of duty, the ethical vocation and destiny of man. In so far all ethics is also heteronomous.

Tegen deze heteronomie is de philosophie, vooral sedert Kant, in heftig verzet gekomen; en zij is daartoe in haar recht, wanneer bij deze heteronomie aan eene zedewet wordt gedacht, welke van buiten tot ons komt, van boven met dwang ons opgelegd wordt, en geen weerklank vindt in ons eigen gemoed. Zulk eene bloot uitwendige wet ware inderdaad, misschien eene natuurwet, maar in geen geval eene zedelijke wet. Deze opvatting van de heteronomie der zedewet moge tegenover die moralisten op haar plaats zijn, welke meenen, dat de mensch oorspronkelijk een dier was en eerst van buiten af, door den invloed der maatschappelijke samenleving of door de dwingende tucht van den staat, tot een mensch is geworden; maar zij mist alle kracht en is volkomen overbodig tegenover de Christelijke ethiek, welke zich houdt aan de Schrift. Deze leert toch, dat de mensch oorspronkelijk naar Gods beeld werd geschapen en de zedewet droeg in 't binnenste 225 van zijn hart, dat hij ook in den toestand der zonde door zijn rede en geweten aan de ideale wereld gebonden blijft, en dat de tweespalt, die thans naar aller ervaring tusschen plichten neiging bestaat, in de wedergeboorte en bekeering principiëel wordt verzoend. Gelijk Jezus zeide, dat het zijne spijze was, den wil des hemelschen Vaders te doen, zoo betuigde Paulus, dat hij een vermaak in de wet Gods had naar den inwendigen mensch; en alle oprechte Christenen spreken ootmoedig deze woorden na.

Philosophy, particularly since Kant, has strongly controverted this heteronomy, and it is right in its opposition if this heteronomy be thought of as a moral law, which comes to us from without, is forcibly imposed upon us from above, and finds no echo in our own spirit. Such a merely external law may be, perhaps, a natural law, but in no case can it he a moral law. Such a view of the heteronomy of law might be acceptable, accordingly, to those moralists who think that man was originally an animal, and has become man by external influences, either by the pressure of society or by the discipline of the state; but it has no attractions to, and is quite superfluous to, Christian ethics, which is based on Holy Scripture. For Scripture teaches that man was originally created after God's image, and bore the moral law in the inmost recesp,es of his heart; that even in the state of sin he is still bound to the ideal world by his reason and conscience; and that the dissension which now exists between duty and inclination, according to all experience, is, in principle, reconciled in regeneration and conversion. As Jesus said that it was his meat to do the will of his Heavenly Father, so Paul testified, that he delighted in the law of God after the inward man; and all sincere Christians humbly speak the same words. 262

De autonome moraal en de ethische cultuur kunnen tegen deze leer geen enkel wettig bezwaar inbrengen, want zij is ten slotte de vervulling van wat zij zelve bedoelen en wenschen. Immers terecht wordt gezegd, dat het goede de innerlijke gezindheidvan den mensch moet zijn. Het goede ontleent niet op sociaal-eudaemonistische wijze, zijn maatstaf en zijne natuur aan de gevolgen der menschelijke handelingen, want deze gevolgen zijn uitwendig, menigmaal toevallig en schier altijd onberekenbaar. De mensch is niet goed om de werking en de vrucht zijner handelingen, maar de handelingen zijn goed, omdat en in zoover zij openbaring en uiting zijn van den goeden wil des menschen. Er is daarom, volgens Kant, overal niets in de wereld wat zonder beperking voor goed gehouden kan worden, dan alleen een goede wil. De wijsgeer herhaalde daarmede slechts in andere woorden, wat Jezus had gezegd: een goede boom alleen kan goede vruchten dragen, en een mensch kan alleen goede dingen voortbrengen uit den goeden schat zijns harten. 23 Zelfs wordt in dit Bijbelwoord de eenzijdigheid van Kant vermeden, alsof het goede dan alleen tot stand kan komen, wanneer het zonder medewerking van het hart, enkel en alleen uit verstandelijk plichtsbesef, betracht wordt. In plaats van dit intellectualistisch rigorisme, dat dan altijd weer uit reactie het emotioneele romantisme in het leven roept, handhaaft de Christelijke moraal, dat de gansche mensch goed moet zijn, met verstand en wil, hart en geweten. Het goede te doen, dat is een plicht en een lust, een taak en een voorrecht tegelijk, en dus een werk der liefde. Deze is daarom de vervulling der wet.

Autonomous morality and ethical culture cannot raise objection to this doctrine, for it is the ultimate fulfilment of what they themselves mean and wish. It is rightly said that good must be the inner inclination of man. Good does not in a social-eudeamonistic way borrow its standard and nature from the consequences of human actions, for these consequences are external, often accidental, and almost always incalculable. Man is not good by the operation and fruit of his actions, but the actions are good because, and in so far as, they are a revelation and expression of the good will of man. There is therefore, according to Kant, nothing in the world which can be considered as good without limitation except a good will. The philosopher therein simply repeated in other words what Jesus had said: A good tree alone can bring forth good fruit, and a man can only bring forth good things out of the good treasure of his heart. 23 This declaration of Scripture even avoids the one-sidedness of Kant, who makes it seem as if good can be achieved only if it is accomplished by the intellectual sense of duty alone without the co-operation of the heart. In place of this intellectual rigorism, which always produces by reaction emotional romanticism, Christian ethics maintains that the whole man must be good in intellect and will, heart and conscience. To do good is a duty and a desire, a task and a privilege, and thus the work of love. Love is therefore the fulfilling of the law.

Maar wederom, indien dit de kern is der Christelijke moraal, 226 met welk recht wordt haar dan vijandschap tegenover de cultuur ten laste gelegd? Zij maakt inderdaad de waarachtige cultuur eerst mogelijk en plaatst haar op een hecht fundament. Want als de ethische cultuur terecht uitspreekt, dat de mensch innerlijk, in den wortel van zijn wezen, in de kern van zijn willen goed moet zijn, dan ziet zij toch bij eerlijke overweging tot de bekentenis zich genoopt, dat er zulke menschen niet zijn, en dat zij zelve ze niet vormen kan. Alle cultuur, evenals alle opvoeding, beschaving, ontwikkeling, is toch, welke beteekenis zij hebben moge, volkomen onmachtig, om den mensch innerlijk te vernieuwen. Want zij werkt altijd van buiten naar binnen en dringt in het hart des menschen niet door. Ze kan fatsoeneeren, besnoeien, beteugelen, inbinden, vormen; zij kan het leven dwingen, om in een gareel te loopen; ze kan legaliteit, ze kan moraliteit kweeken. Maar dat alles is nog het goede, het echte, innerlijk, geestelijk goede niet, het is geen ware „Sittlichkeit". Zonder meer, zoolang de ethische cultuur meent aan zichzelve genoeg te hebben, staat zij daarom aan ernstige gevaren bloot. Want zij zal, aan haar ideaal vasthoudende en tot de verwezenlijking daarvan zich in staat achtende, den mensch van allen kant omtuinen en gebod op gebod en regel op regel hem opleggen; of zij zal, na vele pogingen hare onmacht inziende, de strengheid van het zedelijk ideaal laten varen, aan den wil de leiding overgeven en ieder doen uitleven overeenkomstig zijn eigen aard. Phariseïsme en Sadduceïsme zijn ook op philosophisch en practisch terrein geen ongewone verschijnselen. Alleen dan komt het ware en goede en schoone, dat de ethische cultuur bedoelt en zoekt, tot verwezenlijking, wanneer het absoluut goede ook almachtige, Goddelijke wil is, die niet slechts het goede in de zedewet voorschrijft, doch het ook in den mensch zelf krachtdadig werkt. De heteronomie van het gebod en de autonomie van den, mensch worden alleen in deze theonomie verzoend.

But again, if this is the kernel of Christian morality, with what right can the charge of enmity against culture be brought against it? For it is it alone which makee; true culture possible, and places it on a firm foundation. Ethical culture rightly declares that man must be good internally, in the roots of his being, in the core of his will; 263 but it feels itself obliged, after honest consideration, to confess that such men do not exist, and that it cannot create them. All culture, whatever significance it may have, just as all education, civilization, development, is absolutely powerless to renew the inner man. For it always works externally, and does not penetrate into the heart of man. It may fashion, prune, restrain, bridle, form; it may force life to run in harness; it may cultivate legalism and even morality. But that is nevertheless not the good, the genuine, inner, spiritual good; it is no true Sittlichkeit. As long as ethical culture thinks itself sufficient, it is exposed to serious danger. For adhering firmly to its ideal, and esteeming itself able to realize it, it will hedge man about on all sides, and lay upon him command on command, rule upon rule; or it will, after many endeavors, convinced of its powerlessness, abandon the height of the moral ideal, give the leadership to the will, and permit every one to live himself out in accordance with his own character. Phariseeism and Sadduceeism are no uncommon phenomena on philosophical and practical ground. Thus the true, and the good, and the beautiful, which ethical culture means and seeks, can only come to perfection when the absolute good is at the same time the almighty, divine will, which not only prescribes the good in the moral law, but also works it effectually in man himself. The heteronomy of law and the autonomy of man are reconciled only by this theonomy.

Zoo kan de ethische cultuur noch bij den oorsprong noch bij het wezen der moraal den metaphysischen grondslag missen, en zij kan dit ten slotte nog veel minder bij de bepaling van het einddoel. 24 Zoolang zij streng „diesseitig" wil blijven, vermag zij op de vraag wat het doel van het zedelijk handelen is, geen ander antwoord 227 te geven, dan dat dit òf in den enkelen mensch, òf in de menschheid is gelegen. In het eerste geval offert zij, hetzij zij wil of niet, de gemeenschap aan den enkele, en in het tweede geval offert zij den enkele aan de gemeenschap op. Maar de zaak zelve wijst duidelijk uit, dat geen van beide voor den ander tot een middel verlaagd mag worden; individu en gemeenschap zijn niet gesubordineerd maar gecoördineerd. Als dus beide in hunne zelfstandigheid gehandhaafd en toch onderling in overeenstemming gebracht moeten worden, dan kan dit alleen zoo geschieden, dat men boven beide uitgaat, en het doel van het zedelijk handelen buiten beide verlegt. Eene andere overweging dringt deze noodzakelijkheid der „Jenseitigkeit" nog sterker aan. Zoowel de menschheid als iedere bijzondere mensch heeft noch den oorsprong noch het einddoel in zichzelve; zij bestonden eenmaal niet, zij gaan van dag tot dag voorbij en naderen hun einde. In het wereldgeheel nemen zij dus eene tijdelijke, voorbijgaande plaats in; zij zijn een middel en geen doel, geen einddoel n.l. omdat zij hun eigen oorsprong niet zijn.

Ethical culture accordingly can neither in the source nor in the essence of morals be independent of the metaphysical foundation ; and finally much less can it clisponse with it in the definition of the goal of morality. 24 As long as it remains diesseitig, it cannot give to the question, What may be the goal of the moral action? 264 any other answer than that this is to be found either in the individual man or in humanity. In the first instance, whether it wishes to do so or not, it sacrifices the community to the individual, and in the second it sacrifices the individual to the community. But nature itself distinctly proves that neither of these may be lowered to a mere means to the other; the individual and the community are not subordinate to one another, but coordinate with each other. If both are thus to maintain their independence and be brought into agreement, this can be accomplished only when men rise above both, and posit a goal for moral action outside of both. Another consideration enforces the necessity of Jenseitigkeit still more strongly. Neither humanity nor the individual can have the origin or the goal in itself. There was a time when they did not exist; they are transitory, and near their end. In the universe they occupy a temporary, transitory place; they are a means, and not an end, and certainly no final end, because they are not their own origin.

Maar als de enkele mensch noch de menschheid, omdat zij schepselen zijn, einddoel kan wezen, dan is de vraag onafwijsbaar, waar dan dit einddoel in gelegen kan zijn. De ethische moraal, die doordenkt, moet „jenseitig" zijn; zij kan in en binnen de menschheid niet blijven staan. Doch dan blijft er slechts tweeërlei weg open: de menschheid met al haar cultuur is een middel voor de onbewuste, redelooze en willooze wereldmacht, of zij is een middel voor de verheerlijking Gods. Het eerste kan en zal en mag de menschheid nimmer gelooven, want dat komt op niets anders dan op zelfmoord neer. Het tweede, dat mensch en menschheid beide er zijn om Gods wil, uit Hem en door Hem en tot Hem, dat houdt hunne zedelijke, geestelijke waarde staande boven het gansche onbezielde heelal, dat brengt inderdaad het ware, het goede, het schoone tot eeuwigen triumf; dat ook alleen geeft vrede aan het verstand en rust aan het hart. De ethische cultuur zal openbaringsphilosophie moeten worden, of ze zal niet zijn.

But if neither the individual man nor humanity can be the final end, because they are creatures, then the question is unavoidable what this final end is. Ethical morality, which reflects, must go beyond this world of visible things; it cannot maintain its standpoint within humanity. But then there are only two paths open, — either humanity, with all its culture, is a means for the unconscious, unreasonable, and purposeless world-power, or it is a means for the glorifying of God. The first can, and will, and may never be believed by humanity, for it is tantamount to suicide. The second, that man and humanity exist for God's sake, from him, and through him, and to him, upholds their moral, spiritual value far above the 265 whole inanimate universe, and brings indeed the true, the good, and the beautiful to eternal triumph. This alone gives peace to the understanding and rest to the heart. Ethical culture must be a philosophy of revelation or it cannot exist.

Nu ligt echter het eigenaardige van alle openbaring daarin, dat zij wel beginselen aangeeft en grondslagen legt, maar de toepassing en uitwerking dier beginselen en den voortbouw op den gelegden 228 grondslag aan den mensch opdraagt. De schepping was de eerste openbaring, beginsel en grondslag van alle openbaring; maar omgekeerd is iedere openbaring ook eene schepping, een Goddelijke arbeid, om iets nieuws tot stand te brengen, om een nieuwen aanvang te maken en de mogelijkheid voor eene nieuwe ontwikkeling te ontsluiten. Met niets kunnen wij niet beginnen; alle evolutie onderstelt eene kiem; alle worden komt op uit het zijn. Denken en spreken, leven en geschiedenis, wetenschap en kunst, zij hebben allen hun aanvang genomen uit principen, die door Gods scheppende kracht zijn geponeerd. De gansche bijzondere openbaring, welke in Christus haar middelpunt heeft, heeft geen anderen inhoud en geen andere bedoeling, dan om dien vasten grondslag te leggen, waarop de nieuwe menschheid kan worden opgebouwd; Christus is het hoofd en de gemeente is zijn lichaam; Christus is de hoeksteen en de gemeente zijn de levende steenen van het Godsgebouw. Aan dien grondslag valt dan ook niets te veranderen, hij is en blijft voor altijd gelegd. Maar als hij gelegd is, beide in daad en in woord, in natuur en geschiedenis, in den kosmos van het zijn en van het bewustzijn, dan vangt daarnade zelfstandige arbeid der kerk aan in de ontwikkeling van haar leer en leven, van haar inrichting en eeredienst. Openbaring van Gods zijde maakt altijd baan voor de „discovery" van den mensch. 25

Now the peculiarity of all revelation is, that while it posits principles and lays foundations, it charges men with the application of these principles and the building upon these foundations. Creation was the first revelation, the principle and foundation of all revelation; but, on the other hand, every revelation is also a creation, a divine work, in order to accomplish something new, to make a new commencement, and to unlock the possibility of a new development. From nothing, nothing could begin; all evolution supposes a germ; all becoming proceeds from being. Thought and speech, life and history, science and art, have all had their commencement in principles which are laid down by God's creative power. The whole special revelation which has its centre in Christ has no other content and no other meaning than to lay this firm foundation whereon the new humanity can be built. Christ is the head, and the church is his body; Christ is the cornerstone, and believers are the living stones of the divine building. Nothing can be, changed in this foundation; it is laid, and remains for all time. But when it is laid both in deed and word, in nature and history, in the world of being and consciousness, then the independent work of the church begins with the development of doctrine and life, of organization and worship. Revelation from God's side always opens a way for 'discovery" by man. 25

Met de cultuur is het niet anders gesteld. Naarmate zij zelve dieper haar eigen wezen indenkt, komt zij tot de ontdekking, dat zij wortelt in metaphysica en op openbaring is gegrond. Zij rust op gegevens, die door God zijn gesteld, en is alleen daarom zeker van haar recht en haar waarde, omdat God Schepper, Herschepper en Voleinder aller dingen is. Bij de schepping van den eersten mensch komt dat uit; de onderwerping der aarde, dat is de gansche cultuur, wordt hem opgedragen en kan hem alleen worden opgedragen, omdat hij naar Gods beeld is geschapen; de mensch kan heer der aarde zijn, omdat hij en inzoover hij dienstknecht, zoon van God is. Op dezen grondslag is echter door den mensch niet voortgebouwd; de ontwikkeling van het menschelijk geslacht is niet normaal geweest; telkens als ze bij een of ander volk opbloeide, is zij ook weder verdorven en te gronde gegaan. 229 Telkens wordt dan door God als het ware in die ontwikkeling ingegrepen; door het verwekken van groote mannen, door het doen optreden van nieuwe volken, door het bewerken van wereldbeheerschende gebeurtenissen breekt God de zondige ontwikkeling af, heft Hij ze op uit haar verval en opent haar een nieuwen weg. Principiëel heeft dit in Israël, bij Abraham, bij Mozes, bij de profeten, en dan finaal bij Christus plaats. Vandaar, dat hier de cultuur op den achtergrond treedt; de mensch moet eerst weer zoon Gods worden, eer hij in den echten zin een cultuurwezen kan zijn. Israël is niet het volk van kunst en wetenschap, maar het volk der religie; en Christus is prediker van het Evangelie, zaligmaker der wereld, stichter van het koninkrijk der hemelen. Bij dit koninkrijk is niets te vergelijken; wie er ingaan wil, moet alles verloochenen; het kruis is de veroordeeling der wereld en de afsterving van alle zondige cultuur.

This is applicable also to culture. In the measure that it considers more deeply its own essence, it arrives at the 266 discovery that it is rooted in metaphysics and founded on revelation. It rests on data which God himself established, and is certain of its rights and value only because God is creator, regenerator, and consummator of all things. The creation of the first man shows this; the subduing of the earth, that is, the whole of culture, is given to him, and can be given to him, only because he is created after God's image; man can be ruler of the earth only because and in so far m he is a servant, a son of God. But man has not continued to build on this foundation; the development of the human race has not been normal; there has always on a time of flourishing followed a time of decay and ruin for culture. Then God takes, as it were, the development into his own hands by raising up great men, by causing new races to appear, by creating events of a world-wide significance; he demolishes the sinful development and raises culture from its abasement, and opens out to it a new road. This is particularly manifest among the Israelites, in Abraham, Moses, the prophets, and finally in Christ. Culture, therefore, sinks into the background; man must first become again a son of God before he can be, in a genuine sense, a cultured being. Israel was not a people of art and science, but a people of religion; and Christ is exclusively a preacher of the gospel, the saviour of the world, and founder of the kingdom of heaven. With this kingdom nothing can be compared; he who will enter into it must renounce all things; the cross is the condemnation of the world and the destruction of all sinful culture.

Maar ten onrechte wordt uit deze prediking afgeleid, dat het Evangelie aan de cultuur zelve vijandig zou zijn. Want al bepaalt dit Evangelie zich tot de verkondiging van de eischen en wetten des koninkrijks, men mag het niet losmaken uit het organisch verband, waarin het in de geschiedenis en in de Schrift voorkomt. Ten eerste toch staat Christus niet aan den aanvang, maar treedt Hij in het midden der historie op. Hij onderstelt het werk des Vaders in de schepping en in de voorzienigheid, bepaaldelijk ook in zijne leiding van Israël; ja, het Evangelie houdt in, dat Christus dezelfde is, die als het Woord alle dingen heeft gemaakt en bijzonderlijk het leven en het licht van alle menschen was. Als Hij dan ook in zijn aardsche leven niet als politiek of sociaal hervormer, noch ook als man van wetenschap en kunst is opgetreden, maar enkel en alleen geleefd en gearbeid heeft als Zone Gods, als knecht des Heeren, en dienovereenkomstig uitsluitend prediker en stichter van het Godsrijk is geweest, dan kan Hij niet gekomen zijn, om het werk des Vaders, om zijn eigen werk in schepping en voorzienigheid te vernietigen, maar integendeel om het te redden van de verwoesting, welke de mensch door zijne zonde erin aangebracht heeft. Naar zijn eigen zeggen kwam Hij, niet om de wereld te veroordeelen, maar om ze te behouden en zalig te maken. 230

But it is wrong to educe from this pronouncement that the gospel must be at enmity with culture. For although the gospel limits itself to the proclaiming of the requirements and laws of the kingdom, it cannot be set free 267 from the organic alliance in which it always appears in history and Scripture. For, in the first place, Christ does not stand at the commencement, but in the middle of history. He presupposes the work of the Father in creation and in providence, especially also in the guidance of Israel; yea, the gospel asserts that Christ is the same who as the Word made all things and was the life and the light of all men. As he was then in his earthly life neither a politician nor a social reformer, neither a man of science nor a man of art, but simply lived and worked aa the Son of God and Servant of the Lord, and thus has only been a preacher and founder of the kingdom of heaven, he cannot have come to annihilate the work of the Father, or his own work in creation and providence, but rather to save it from the destruction which has been brought about by sin. According to his own word, he came not to judge the world, but to save it.

Ten andere mag daarom de prediking van Jezus ook niet losgemaakt worden van hetgeen er na het kruis op gevolgd is. Het Evangelie gaat in het verleden tot de schepping en zelfs tot de eeuwigheid terug, en strekt zich naar voren tot in de verste toekomst uit. Christus, die als het Woord alle dingen schiep en als knecht des Heeren het kruis droeg, is dezelfde, die ook opgestaan is en ten hemel gevaren en eens als Rechter van levenden en dooden wederkeeren zal. In zijne verhooging neemt Hij terug, wat Hij in zijne vernedering verloochende, maar nu bevrijd van schuld, gereinigd van smet, herboren en vernieuwd door den Geest. De opstanding is de principiëele herstelling van alle cultuur. Immers nam Christus zelf het lichaam weder aan, waarin Hij aan het kruis de zonde der wereld had gedragen, treedt Hij in het bezit van alle macht in hemel en op aarde, en wordt Hij door God zelven aan zijne rechterhand verheven tot eenen Heere en Christus. De leuze, die evenals in vroegere eeuwen door vele secten en monnikenorden, zoo in den nieuweren tijd van verschillende kanten is aangeheven, om van den Paulinischen en Johanneïschen Christus tot den zoogenaamden historischen Jezus, tot het Evangelie der Synoptici, tot de bergrede en, de gelijkenissen terug te keeren, is niet alleen practisch onuitvoerbaar, omdat in het gansche Nieuwe Testament dezelfde gestorven en opgestane Christus ons tegemoet treedt; maar zij houdt ook eene verminking van het Evangelie in, voert den weg der ascese op en schept eene onverzoenlijke tegenstellifig tusschen schepping en herschepping, Oud en Nieuw Testament, natuur en genade, den Schepper der wereld en den Vader van Christus.

Secondly, for the same reason, the preaching of Jesus cannot be separated from what has followed after the cross. The gospel goes back in the past to creation, and even to eternity, and stretches forward to the farthest future. Christ, who as the Word created all things, and bore the cross as the Servant of the Lord, is the same who rose again and ascended into heaven, and will return as Judge of the quick and the dead. In his exaltation he regains what he denied himself in his humiliation; but now it is freed from guilt, purified from stain, reborn and renewed by the Spirit. The resurrection is the fundamental restoration of all culture. Christ himself took again the body in which he bore on the cross the sin of the world; he has received all power in heaven and earth, and is exalted by God himself to his right hand as Lord and Christ. The demand which has been made from 268 many sides of late, as earlier by many sects and monastic orders, that we should return from the Pauline and Johannine Christ to the so-called historical Jesus, the gospel of the Synopties, the sermon on the mount, and the parables, is not only impracticable, because in the whole New Testament the same dead and risen Christ meets us, but mutilates the gospel, leads to asceticism, and creates an irreconcilable dissension between creation and re-creation, Old and New Testament, nature and grace, the Creator of the world and the Father of Christ.

Zulk eene tegenstelling is nu wel aan het Gnosticisme en Manichaeisme en aan het thans door velen vergode Buddhisme eigen, maar is met het Christendom in lijnrechten strijd. Zonder twijfel, het Christendom hangt in zijne waarheid en waarde niet af van de vruchten, welke het direct voor de beschaving en de cultuur gedragen heeft; het heeft een eigen zelfstandigen inhoud, het is de realiseering van het Godsrijk op aarde en laat niet utilistisch en pragmatisch zijne waarheid afhangen, van wat menschen met de hun toevertrouwde talenten hebben uitgewerkt. Het Evangelie 231 van Christus belooft gerechtigheid en vrede en vreugde en heeft zijne belofte vervuld, als het deze schenkt. Christus spiegelde den zijnen geen schoone toekomst in deze wereld voor, maar bereidde hen voor op verdrukking en vervolging.

Maar desniettemin, het koninkrijk der hemelen moge een parel van groote waarde zijn; het is ook een zuurdeeg, dat heel het brood doorzuurt; de godsvrucht is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven. Het Evangelie doet ons een maatstaf aan de hand, waarmede wij de verschijnselen en gebeurtenissen beoordeelen kunnen; het is eene absolute waarde, die ons in staat stelt, de waarden van dit tegenwoordige leven te bepalen; het is een leiddraad, waarmede wij in den doolhof van de tegenwoordige wereld den weg kunnen vinden; het verheft ons boven den tijd en leert ons alles bezien van het standpunt der eeuwigheid. Waaraan zouden wij zulk een maatstaf en leiddraad ook kunnen ontleenen, indien het eeuwig Evangelie ze ons niet verschafte? Maar het staat niet over tegen al wat rein en goed en liefelijk is. Het veroordeelt de zonde altijd en overal, maar het heeft huwelijk en huisgezin, maatschappij en staat, natuur en geschiedenis, kunst en wetenschap lief. In weerwil van de vele gebreken zijner belijders, is het in den loop der eeuwen voor al die instellingen en werkzaamheden ten rijken zegen geweest. De Christenvolken zijn nog altijd de dragers der cultuur. En steeds blijft het woord van kracht, dat alles onze is, indien wij van Christus zijn. 26


Such a dissension may be proper to Gnosticism and Manichaeism, and also to the Buddhism nowadays admired by so many, but it is in direct contradiction to Christianity. The truth and value of Christianity certainly do not depend on the fruits which it has borne for civilization and culture: it has its own independent value; it is the realization of the kingdom of God on earth; and it does not make its truth depend, after a utilitarian or pragmatical fashion, on what men here, have accomplished with the talents entrusted to them. The gospel of Christ promises righteousness and peace and joy, and has fulfilled its promise if it gives these things. Christ did not portray for his disciples a beautiful future in this world, but prepared them for oppression and persecution. But, nevertheless, the kingdom of heaven, while a pearl of great price, is also a leaven which permeates the whole, of the, meal; godliness is profitable unto all things, having the promise of the life which now is, and that which is to come. The gospel gives us a standard by which we can judge of phenoinena and events; it is an absolute measure which enables us to determine the value of the present life; it is a guide to show us the way in the labyrinth of the present world; it raises us above time, and teaches us 269 to view all things from the standpoint of eternity. Where could we find such a standard and guide if the everlasting gospel did not supply it? But it is opposed to nothing that is pure and good and lovely. It condemns sin always and everywhere; but it cherishes marriage and the family, society and the state, nature and history, science and art. In spite of the many faults of its confessors, it has been in the course of the ages a rich benediction for all these institutions and accomplishments. The Christian nations are still the guardians of culture. And the word of Paul is still true that all is ours if we are Christ's. 26


1 Bij Joh. Herzog, Der Begriff der Bekehrung, bl. 19.

2 Harnack, Mission und Ausbreitung des Christentums in den ersten drei Jahrhunderten2 I 185-197. Sell, Katholiz. und Protest. Leipzig 1908. bl. 24, 103 v.

3 Harnack, Das Mönchtum, seine Ideale und seine Geschichte2. Giessen 1886. Zöckler, Askese und Mönchtum. Frankfurt a. M. 1897.

4 P. Hoveler, Prof. A. Harnack und die Katholische Ascese. Düsseldorf 1902.

5 Bijv. De ware geschiedenis van Jozua Davids. Uit het Eng. door C. Vosmaer, 1874. Sheldon, In zijne voetstappen, of wat zou Jezus doen? Uit het Eng. door A.L. Gerritsen, Nijmegen, Milborn. Verg. ook Hall Caine, The Christian, en M. Corelli, The master-Christian.

6 Tolstoï, Worin besteht mein Glaube? 1885.

7 Weinel, Jesus im neunzehten Jahrh. Tubingen 1903. Schweitzer, Von Reimarus zu Wrede. Tubingen 1906. W. Sanday, The life of Christ in recent research. Oxford 1907.

8 W. Baldensperger, DasSelbstbewustsein Jesu im Lichte der messian. Hoffnungen seiner Zeit I3. Strassburg 1903. J. Weiss, Die Predigt Jesu vom Reiche Gottes2. Göttingen 1900.

9 De litteratuur, die in dezen geest over Jezus handelt, neemt bij den dag toe. Men denke slechts aan Kalthoff, Das Christusproblem, Grundlinien zu einer Sozialtheologie2. Leipzig 1903. Pfleiderer, Das Christusbild des urchristl. Glaubens in religionsgesch. Beleuchtung. Berlin 1903. Paul Wernle, Die Anfánge unserer Religion 2. 1904. W.B. Smith, Der vorchristl. Jesus nebst weiteren Vorstudien zur Entstehungsgesch. des Urchrist. Mit einem Vorwort von P.W. Schmiedel. Giessen 1906. Th.J. Plange, Christus ein Inder? Stuttgart 1907. Dr. de Loosten, Jesus Christus vom Standpunkte des Psychiaters. Bamberg 1905. E. Rasmussen, Eine vergleichende psychopathol. Studie. Leipzig 1905. Binet-Sanglé, La folie de Jésus. Paris 1908. Arthur Heulhard, Le mensonge Chrétien (Jésus-Christ n'a pas existé) I. Le charpentier. Paris 1908. Bolland, Het leven en sterven van Jezus Christus. 1907.

10 Zoo o.a. Mill, Over de vrijheid, cap. 2. Theob. Ziegler, Gesch. der christl. Ethik I, 62 v. Paulsen, System der Ethik, bl. 50 v. Strauss, Der alte und der neue Glaube2. 1872, bl. 57 v. Ed. von Hartmann, Das Christentum des N. Testam. 1905. Vorwort enz.

11 Nitzsch, Die Weltanschauung Fr. Nietzsche's, Zeits. für Theol. und Kirche. 1905, bl. 344-360.

12 Lexis, Das Wesen der Kultur, in 291 Die Kultur der Gegenwart I. Eucken, Geistige Strömungen 1904, bl. 226 v.

13 Vergelijk de tegenstellingen, die Forsyth aangeeft tusschen Reformatie en „Aufklärung". Hibbert Journal, April 1908, bl. 482 v.

14 Vergelijk de Pensées van Pascal.

15 Haeckel, Welträthsel bl. 439 en boven reeds in Lezing I.

16 Verg. Lezing 1 noot 2. VI noot 7. VII noot 19.

17 Portig. Religion und Kunst in ihrem gegenseitigen Verhältnis. Iserlohn. 1879.

18 Eisler, Kritische Einführung in die Philosophie. Berlin 1905, bl. 297.

19 Ernst Linde, Religion und Kunst. Tubingen 1905.

20 Gutberlet, Ethik und Religion. Kneib, Die Jenseitsmoral, bl. 239 v.

21 Eisler, Krit. Einführung, bl. 297.

22 Aldaar bl. 302.

23 Aldaar bl. 292. Stange, Der heteronome Character der Christlichen Ethik, Neue Kirchl. Zeits. Juni 1908 bl. 454-473.

24 Aldaar bl. 312v., 324, 330v. 334.

25 Verg. Lezing I noot 27, VI noot 60.

26 A. Ehrhard, Kathol. Christentum und moderne Kultur. Mainz 1906. E.W. Mayer, Christentum und Kultur. Berlin 1905.


* From the table of Contents:
The relation between revelation and culture the problem of the ages. Rise of the problem with the entrance of Christianity into the world. View of the first Christians. Romanist and Protestant conception. Present-day position on the right and left. Tolstoi and Nietzsche. Recent hyper-eschatological views about the Person of Jesus. Necessity of clear definition of conception of culture in general and modern culture in particular in order to determine their relation to Christianity. Christ in his relation to culture. The inestimable value of the kingdom of heaven. Aim and value of ethical culture. Autonomy, heteronomy, and theonomy. Jenseitigkeit the goal of human history. Relation of Christianity to culture determined by the Christian doctrines of creation and the resurrection.

1 In Joh. Herzog, Der Begriff der Bekehrung, p. 19.

2 Harnack, Mission und Ausbreitung des Christentums in den ersten drei Jahrhunderten,2 I, pp. 185-197. Sell, Katholiz. und Protest. Leipzig, 1908. pp. 24, 103 v.

3 Harnack, Das Mönchtum, seine Ideale und seine Geschichte2. Giessen, 1886. Zöckler, Askese und Mönchtum. Frankfurt a. M., 1897. 343

4 P. Höveler, Prof. A. Harnack und die katholische Askese. Düsseldorf, 1902.

5 E.g. The True History of Joshua Davidson, Communist. 1873 (2 ed.: The Life of Joshua Davidson, by E. Lynn Linton, 1889). Sheldon, In his Steps: or “What Would Jesus Do?" Chicago, 1897, Rev. ed. 1899. Comp. also Hall Caine, The Christian, and Marie Corelli, The Master-Christian.

6 Tolstoi, Worin bestebt mein Glaube? 1885.

7 Weinel, Jesus im neunzehnten Jahrh. Tübingen, 1903. Schweitzer, Von Reimarus zu Wrede. Tübingen, 1906. W. Sanday, The Life of Christ in Recent Research, Oxford, 1907.

8 W. Baldensperger, Das Selbstbewusstsein Jesu im Lichte der messian. Hoffnungen seiner Zeit I.3 Strassburg, 1903. J. Weiss, Die Predigt Jesu vom Reiche Gottes.2 Göttingen, 1900.

9 The literature which deals with Jesus in this spirit is increasing daily; witness such works as the following: Kalthoff, Das Christusproblem, Grundlinien zu einer Sozialtheologie.2 Leipzig, 1903. Pfleiderer, Das Christusbild des urchristl. Glaubens in religionsgesch. Beleuchtung. Berlin, 1903. Paul Wernle, Die Anfänge unserer Religion,2 1904. W.B. Smith, Der vorchristl. Jesus nebst weiteren Vorstudien zur Entstehungsgesch. des Urchrist. Mit einem Vorwort von P.W. Schmiedel. Giessen, 1906. Th.J. Plange, Christus ein Inder? Stuttgart, 1907. Dr. de Loosten, Jesus Christus vom Standpunkte des Psychiaters. Bamberg, 1905. E. Rasmussen, Jesus, eine vergleichende psychopathol. Studie. Leipzig, 1905. Binet-Sanglé, La Folie de Jésus. Paris, 1908. Arthur Heulhard, Le mensonge Chrétien (Jésus-Christ n'a pas existé), I. Le Charpentier. Paris. 1908. Bolland, Het Leven en Sterven van Jezus Christus, 1907.

10 Thus among others Mill, On Liberty, chap. 2. Theob. Ziegler, Gesch. der christl. Ethik, I, pp. 62 ff. Paulsen, System der Ethik, pp. 50 ff. Strauss, Der alte und der neue Glaube.2 1872, pp. 57 ff. Ed. von Hartmann, Das Christentum des N. Testam. 1905. Vorwort, etc.

11 Nitzsch, Die Weltanschauung Fr. Nietzsche's, Zeits. für Theol. und Kirche. 1905, pp. 344-360. 344

12 Lexis, Das Wesen der Kultur, in Die Kultur der Gegenwart I. Eucken, Geistige Strömungen, 1904, pp. 226 ff.

13 Compare the contrasts drawn by Forsyth between the Reformation and the “Enlightenment," Hibbert Journal, April, 1908, pp. 482 ff.

14 Comp. the Pensées of Pascal.

15 Haeckel, Welträthsel, p. 439, and above, Lect. I.

16 Comp. Lectures: I, note 2; VI, note 7; VII, note 19.

17 Portig, Religion und Kunst in ihrem gegenseitigen Verhältniss. Iserlohn, 1879.

18 Eisler, Kritische Einführung in die Philosophie. Berlin, 1905, p. 297.

19 Ernst Linde, Religion und Kunst. Tübingen, 1905.

20 Gutberlet, Ethik und Religion. Kneib, Die Jenseitsmoral, pp. 239 ff.

21 Eisler, Krit. Einführung, p. 297.

22 Ibid. p. 302.

23 Ibid. p. 292. Stange, Der heteronome Character der christlichen Ethik, Neue Kirchl. Zeits. June, 1908, pp. 454-473.

24 Ibid. pp. 312 ff., 324, 330 ff., 334.

25 Comp. Lecture I, note 27; Lecture VI, note 60.

26 A. Ehrhard, Kathol. Christentum und moderne Kultur. Mainz, 1906. E.W. Mayer, Christentum und Kultur. Berlin, 1905.


x
This website is using cookies. Accept