Wijsbegeerte der openbaring The Philosophy of Revelation

VIII.

VIII.

Openbaring en Religieuze ervaring.

Revelation and Religious Experience*

171 Indien het Christendom een was en geen godsdiensten naast zich had, zou de erkenning zijner waarheid, naar het schijnt, gemakkelijker vallen. Maar het is zelf eindeloos verdeeld en verbrokkelt zich meer en meer. De ééne kerk, welke in de Middeleeuwen het centrum was van dorp en stad, is òf geheel vervallen, òf ziet in elk geval tal van kapellen naast zich verrijzen; tal van belijdenissen maken er naast elkander aanspraak op, de zuivere uitdrukking der Christelijke waarheid te zijn en gaan nog altoos voort, zich te verdeelen en te vermenigvuldigen. En daarnaast zijn vooral in den nieuweren tijd de godsdiensten der volken ons in veel grooteren getale en in veel betere mate bekend geworden, dan dit in vroeger eeuwen het geval was; de verhouding van het Christendom tot die godsdiensten is een ernstig probleem geworden. Onder die godsdiensten zijn er toch, die millioenen aanhangers tellen en, quantitatief beschouwd, nog meer aanspraak hebben op den naam van wereldgodsdienst dan het Christendom. Zij leveren ons voorbeelden van krachtige geloofsovertuiging, ernstige vroomheid en zelfverloochenende toewijding, welke metdie der Christelijke kerken kunnen wedijveren. Al de elementen van den godsdienst, geloofsleer en zedewet, schuldgevoel en vergiffenis, troost en hope, doodsverachting en heilsverzekerdheid, gebed en zang, samenkomsten en eeredienst komen allerwege 172 voor; en het beroep op Goddelijke openbaring is aan alle godsdiensten gemeen. 1

203 If Christianity were at one with itself, and there were no other religions, the recognition of its truth would be easier. But it is endlessly divided and tornto pieces. The one church, which was the centre of village and city in the Middle Ages, is completely demolished; on every side a number of sects arise around her, each laying claim to be the purest expression of Christian truth, and continually subdividing and multiplying. Beyond that, the religions of the various nations are latterly becoming much better known to us than in former centuries, and the relation which Christianity bears to other religions has become a serious problem. Among those religions there are some which number millions of adherents, and numerically considered may, therefore, put in a more telling claim to the name of world-religions than Christianity. They provide examples of strong conviction of faith, earnest piety, and self-denying devotion which bear comparison with those of Christian confessions. All the elements of religion — doctrine and ethics, consciousness of sin and forgiveness, comfort and hope, contempt of death and certainty of salvation, prayer and praise, assemblies and public-service — appear in all. The claim to divine revelation is common to all religions. 1

Deze uitbreiding van den religieuzen gezichtskring zou het geloof aan de waarheid van het Christendom niet in die mate, als thans feitelijk het geval is, ondermijnen, indien zij niet vergezeld ware gegaan van eene scherpe critiek op de kracht en de waarde van het menschelijk kenvermogen. Naar het voorbeeld der H. Schrift leerde de Christelijke theologie wel ten allen tijde, dat de zonde ook in dwaling en leugen bestond en dus niet alleen het harten den wil had bedorven, maar ook het verstand had verduisterd; en inzonderheid kwam deze leer der Schrift, tegenover de Roomsche voorstelling van het naturalia integra supernaturalia amissa, in de Reformatie weder tot haar recht. Luther vooral leefde met Frau Vernunft op een gespannen voet. Maar deze Christelijke leer hield dan toch altijd in, dat het verstand wel door de zonde verduisterd, doch niet vernietigd, en van nature, krachtens zijn aard, tot het kennen van onzienlijke en Goddelijke dingen in staat was.

Doch toen de nieuwere philosophie zich van deze Christelijke geloofsovertuiging losmaakte, en uitsluitend op de kracht der rede haar vertrouwen stelde, deed zij spoedig eene zeer onaangename ervaring op. Zij begon bij Cartesius en Bacon met eene scheiding tusschen geloof en rede, liet het gebied des geloofs aan de theologie over, en vergenoegde zich met eene plaats naast deze ongemoeid gelaten wetenschap. Vervolgens leefde zij een korten tijd in den waan, dat zij de openbaring, het geloof, de theologie zeer goed zou kunnen missen en al datgene, wat de mensch voor zijn godsdienstig en zedelijk leven noodig had, genoegzaam uit en door de rede aan het licht zou kunnen brengen. Doch teen zij dit hoogtepunt harer macht had bereikt, werd zij door haar eigen voortgezet onderzoek ten val gebracht. Bij de critiek op de openbaring had zij één ding vergeten: de zelfcritiek. De rede was in de nieuwere philosophie te goeder trouw en kinderlijk naïef van haar eigen gaafheid en betrouwbaarheid uitgegaan. Maar toen zij, na haar sloopingswerk aan de openbaring volbracht te hebben, tot zichzelve inkeerde en haar eigen natuur en inhoud onderzocht, kwam zij zichzelve gansch onvoldoende voor. De rede 173 kreeg in de rede haar scherpste onderzoekster en ontving van zichzelve de scherpste critiek. Alwat vast scheen te staan, begon te wankelen en te vallen. De secundaire eigenschappen, de wet der causaliteit, de objectieve zinlijke wereld, het substantiebegrip, de persoonlijkheid en het zelfbewustzijn, de wereld der bovenzinnelijke en der Goddelijke dingen — ze bleken alle onhoudbaar of onkenbaar te zijn. Kant maakte van dit critisch proces de balans op: het kenvermogen van den mensch is tot de phaenomenale wereld beperkt en weet van alwat daarachter, daarbuiten of daarboven liggen moge, niets af. De rede is niet maar door de zonde verduisterd of verzwakt; zij is van huis uit krachtens haar natuur en wezen ten opzichte van de geestelijke wereld blind en doof en stom.

This extension of the religious horizon would not have proved so undermining to faith in Christian truth had it not been accompanied by a keen criticism of the power 204 and value of human reason. In accordance with Scripture, Christian theology has always taught that sin involves also error, and thus has not only corrupted the heart and will, but also blinded the understanding. This doctrine of Scripture was especially reasserted in the Reformation, in opposition to the Roman view that the natural gifts have remained to men and only the supernatural lost. Luther, above all, was not on friendly terms with reason; though the substance of this doctrine is merely that intelligence has been blinded by sin, but not extinguished, and by its nature remains able to understand unseen and divine things. The newer philosophy, however, emancipated itself entirely from this Christian conviction and placed its trust exclusively in the power of reason, and was soon called upon to pass through an unpleasant experience. Both Descartes and Bacon established a separation between faith and reason, leaving the domain of faith to theology and satisfying themselves with a position external to it. For a while they lived in the illusion that they could very well dispense with revelation and faith, and could throw sufficient light upon all that man needs for his religious and moral life by reason. When this new philosophy, however, had reached the highest point of its development, it was wrecked by its own continued inquiry. In criticising revelation it had forgotten one thing, — criticism of itself. Reason in this newer philosophy took its starting-point in childish naïveté from its own integrity and trustworthiness. But when it had completed its work of demolishing revelation and now came to itself and examined its own nature and content, it found itself quite dissatisfied with itself. Reason found in reason its keenest inquisitor, and received its sharpest criticism from itself. All that had appeared to 205 stand firm began to waver and to fall. The secondary attributes, the law of causality, the objective world of sense, the ideas of substance, personality, and self-consciousness, the world of supernatural and divine things — all appeared untenable and unknowable. Kant struck the balance of this critical process thus: the intelligence of man is confined to the world of phenomena, and does not know anything of what lies behind it. Reason is not merely blinded or weakened by sin; it is in its very nature blind and deaf and dumb in the presence of the spiritual world.

Welke waarde men nu ook aan deze critische philosophie moge hechten, hierover kan geen twijfel bestaan, dat zij in zeer bedenkelijke mate het vertrouwen op de menschelijke rede heeft geschokt en aan het geloof, aan de overtuiging, aan de geestelijke vastheid, aan de zedelijke wilskracht van den modernen mensch eene diepe wonde heeft toegebracht. Doordat zij eenerzijds den mensch autonoom heeft verklaard en van alle apriorische regelen, van alle objectieve normen, van alle uitwendig gezag heeft losgemaakt, heeft zij anderzijds voor eene wilde anarchie van het denken de deur geopend. Als de kennis van God en van alle geestelijke dingen buiten de erve der wetenschap gesloten wordt, dan wordt deze niet alleen van haar zedelijk karakter beroofden „athée" gemaakt, maar ook godsdienst en zedelijkheid aan individueele willekeur prijsgegeven. Beide worden dan Privatsache en Geschmackssache; ieder kan er mede doen wat bij wil. Dit is eene onberekenbare schade, niet alleen voor de school maar nog meer voor het leven; het agnosticisme brengt ethisch en practisch indifferentisme mede. Maar natuurlijk, bij het criticisme (positivisme) kan niemand leven, Al wordt het agnosticisme, „that scientific superstition" volgens F.W.H. Myers, tegenwoordig ook door vele geleerden omhelsd, „it has never been the creed nor is it now the creed of the human race generally." 2 Daar zijn vraagstukken, die onophoudelijk zich voor den geest plaatsen en waarop 174 ieder een antwoord zoekt. „There are some beliefs for which mankind cannot afford to wait. What must I do to be saved? is a question quite otherwise urgent than the cause of the tides or the meaning of the marks on the moon. Men must settle roughly somehow what it is that from the Unseen World they have reason to fear or to hope." 3 Auguste Comte liet zijne positieve philosophie uitloopen in eene sociolatie, in eene positieve religie, welke de menschheid en hare heroën tot objecten van cultus maakt.

De gansche negentiende eeuw is dan ook vol van pogingen, om het geleden verlies te herstellen en de geslagen wonde te heelen. Kant zelf begon er reeds mede; om voor het geloof eene plaats te bekomen, beperkte hij de wetenschap tot de kennis der zinnelijk-waarneembare verschijnselen; wat hij met de theoretische rede afbrak, trachtte hij met behulp der practische rede weder op te bouwen. En na hem is de een na den ander opgestaan, om soortgelijke poging te wagen en een weg te vinden naar het onbekende land. De speculatieve rede en de intellectueele aanschouwing, de mystiek des gevoels en de zedelijke kracht van den wil, het geloof der gemeente en de godsdiensten der volken zijn beurtelings te hulp geroepen, om tot het bovenzinlijke door te dringen en de kennisse Gods te bouwen op een nieuwen, wetenschappelijk onaantastbaren grondslag. Waarin deze pogingen ook verschillen, zij hebben allen dit gemeen, dat zij aan een zoogenaamd uitwendig gezag, aan eene objectieve openbaring, aan een gesproken woord Gods zich niet meer onderwerpen, doch door den mensch heen God trachten te vinden. De theologie is na Kant in haar geheel bewustzijns-, ervaringstheologie geworden en dus feitelijk in religieuze anthropologie overgegaan.

Whatever value we may attach to this critical philosophy, there can be no doubt that it has roughly shaken confidence in human reason, and has given a deep wound to the faith and conviction, to the spiritual security and moral will-power of the modern man. As on the one side it has declared man autonomous, and set him free from all objective forms and external authority, on the other side it has opened the door for a wild anarchy of thought. If the knowledge of God and of spiritual things is excluded from the domain of science, then not only is science bereft of moral character and made atheistic, but religion and morality also are left to individual caprice. Both become matters of private judgment and individual taste; each one can do what he will. That is an incalculable injury, not only for the schools, but still more for life; agnosticism produces ethical and practical indifference.

But naturally one cannot live on criticism and agnosticism. Although the agnostic view, that “scientific superstition," as Mr F.W.H. Myers calls it, is embraced to-day by many learned men, it has never been the creed, nor is it now the creed, of the human race. 2 Questions continually arise in the mind for which every one 206 necessarily seeks an answer. There are some beliefs for which man cannot afford to wait. What must I do to be saved? is a question of an urgency of a totally different kind from the cause of the tides or the meaning of the marks on the moon. Men must settle roughly somehow or other what they have reason to hope or to fear from the unseen world. 3 Auguste Comte's positive philosophy grew into a sociolatry and a positive religion which made humanity and its heroes objects of worship. The whole of the nineteenth century is full of endeavors to recover the loss that had been suffered, to heal the gaping wound. Kant himself began it. In order to find a place for faith he confined science to the knowledge of sensible phenomena; what he demolished by theoretical reason, he tried to build up by practical reason. After him first one and then another arose, to make a similar effort to find a way to the unknown land. Speculative reason and intellectual contemplation, mysticism of feeling and the moral power of the will, the faith of the church and the religions of the nations, were all summoned in turn to aid in penetrating into the supernatural world, and building up the knowledge of God on a new scientific, unassailable foundation. However these efforts may differ, they all have in common that they no longer subject themselves to any so-called external authority, but try to find out God through man. Theology has, since Kant's time, become theology of consciousness and experience, and thus loses itself practically in religious anthropology.

In deze omzetting der theologie in godsdienstwetenschap spreekt zich de nieuwe opvatting van de wetenschap uit. Kant kwam reeds tot zijne beperking van de kracht van het kenvermogen, omdat hij diep onder den indruk leefde van de eenzijdige Newtoniaansche natuurverklaring en alleen zulk eene opvatting van het wereldgeheel als wetenschappelijk erkende, welke een streng mechanistisch karakter droeg. 4 Nu is dit mechanisme wel door 175 velen als afdoende wereldverklaring verworpen en ook de philosophie in waarde gestegen, maar desniettemin blijft de gedachte voortleven, dat er maar ééne of hoogstens twee wetenschappen zijn, n.l. de natuur- en de geschiedwetenschap en dat er dienovereenkomstig slechts twee wetenschappelijke methoden zijn, de empirische en de historische. 5 Indien de theologie dus eene wetenschap zal zijn en de kennis van onzienlijke en Goddelijke dingen betrouwbaar zal wezen, dan moet op dit terrein dezelfde methode worden toegepast als in de natuur- of geschiedwetenschap. De theologie moet worden eene ervaringswetenschap. 6

In this transformation of theology into the science of religion the new conception of science comes to light. Kant had already limited the power of the intelligence, because he was under the influence of the one-sided Newtonian explanation of nature and could recognize as 207 scientific only a conception of the world which bore a strictly mechanical character. 4 This mechanism is in wide circles no longer looked upon as a sufficient explanation of the world, so that philosophy has acquired a new value; but nevertheless, the idea still exists that there is only one science, or at most two sciences, namely, the sciences of nature and of history, and that accordingly there are, only two scientific methods, the empirical and the historical. 5 Thus, if theology is to be a science, and the knowledge of unseen and divine things trustworthy, the same method must be applied in its domain as in those of nature and history. Theology must become an empirical science. 6

Maar het woord ervaring speelt hierbij eene bedenkelijke rol. In de religie en de theologie gebezigd, heeft het eene gansch andere beteekenis, dan wanneer men van empirische wetenschap spreekt. Bij deze laatste is de bedoeling juist, om door consequente toepassing van de empirische methode zooveel mogelijk alle persoonlijk belang bij het onderzoek uit te sluiten en de verschijnselen zoo zuiver en onpartijdig mogelijk waar te nemen en vast te stellen; de empirie neemt daartoe dan zelfs het opzettelijk experiment te baat. Maar als men in de religie van ervaring (Erlebnis) spreekt, wil men er juist omgekeerd door te kennen geven, dat zij eene door en door persoonlijke zaak is of althans worden moet.

De godsdienst is naar deze voorstelling geen leer, geen voorschrift, geen historie, geen cultus, in één woord geen gelooven op gezag en geen toestemming van waarheden; maar zij ontstaat eerst dan inwendig in de ziel, als, hetzij al dan niet naar eene aanleiding van buiten, het hart wordt geraakt en er eene persoonlijke gemeenschap tusschen God en onze ziel wordt tot stand gebracht. Nu is er zeer zeker zulk eene religieuze ervaring; de stichtelijke lectuur van alle godsdiensten getuigt ervan en dient op hare beurt ook weer, om meer nog dan Bijbel en Catechismus dat religieuze leven te voeden en te versterken. 7 Maar de fout is, dat men meent van de theologie op die wijze eene wetenschap te maken, even zeker als die der natuur, en langs dezen weg acht te komen tot eene exact-wetenschappelijke kennis van onzienlijke en eeuwige dingen.

But in this way the word “experience" is made to play an ambiguous rôle. When used in religion and theology, it has a wholly different significance from that which it bears in empirical science. In the latter what is meant is, that, by consistent application of the empirical method, personal interest in the inquiry is to be excluded as much as possible, and that the phenomena are observed and explained in their purity and impartially; empiricism even calls to its help the experimental proof. But when men speak of experience in religion, they mean it to be understood, on the other hand, that religion is, or at any rate must become, a personal matter through and through. Religion is, according to this interpretation, no doctrine, no precept, no history, no worship, in a word, not a belief on authority, nor a consent to truth, but arises from within, when the heart is touched and a personal fellowship established between God and our soul. Now there is certainly such a religious experience; the devotional writings of all religions bear witness to it, and serve in their turn to feed and strengthen that religious life even more than Bible and catechism. 7 But the mistake is when men fancy 208 they in this way make theology a science as exact as that of nature, and thus arrive at a scientific knowledge of unseen and eternal things. 8

Immers, welke beteekenis de religieuze ervaring ook hebben 176 moge, zij is geen heuristisch principe en kan dat niet zijn. Ervaring is er eerst dan, als er iets te ervaren valt en daarna werkelijk ervaren wordt; zij kan niet uit niets ontstaan. 8 De religie is zonder twijfel eene zaak van het hart, maar zij kan daarom nog niet van alle objectieve kennis Gods, van zijne openbaring in natuur en geschiedenis, in Schrift en geweten worden losgemaakt. Aan de religio subjectiva gaat altijd eene religio objectiva vooraf, welke deze ook zij. Zooals de taal in het kind het spraakvermogen onderstelt maar zelve toch van de moeder geleerd wordt, zoo ook komt de religieuze ervaring eerst tot stand door de openbaring, welke eraan voorafgaat. Elk kind groeit op in den godsdienst zijner ouders en brengt daardoor zijn eigen religieuze leven tot ontwikkeling; het godvruchtig onderwijs en voorbeeld der moeder wekt de godsvrucht op in het hart van het kind. Zooals het bij de zinnelijke waarneming, bij de wetenschap en de kunst toegaat, zoo heeft het ook in den godsdienst plaats. De mensch is nooit zelfstandig en van de buitenwereld onafhankelijk; hij heeft de aarde noodig, om zich te voeden en te kleeden, het licht om te zien, de klank om te hooren, de verschijnselen der natuur of de feiten der geschiedenis, om ze te onderzoeken en te kennen, en zoo ook de openbaring, om er zijn religieuze leven mede te wekken en te versterken. Het hart laat zich niet scheiden van het hoofd en het geloof als vertrouwen niet losmaken van het geloof als kennis. Ook zij, die de dogmatiek opvatten als beschrijving van vrome gemoedstoestanden, laten deze toch weder onder den indruk bijv. van den persoon van Christus ontstaan. 9 Het „Erlebnis" is niet het eerste, waarop dan de „Deutung" volgt, maar de „Offenbarung" gaat vooraf en wordt in het geloof ervaren en alzoo in een „Erlebnis" omgezet. 10

For whatever meaning religious experience may have, it is not and cannot be an heuristic principle. Experience comes into being only when, first, there exists something to experience, and afterwards this something is really experienced; it cannot otherwise exist. Religion is without doubt a matter of the heart; but it cannot be separated from all objective knowledge of God through his revelation in nature and history, in Scripture and conscience. A subjective religion is always preceded by an objective religion, whatever this may be. Just as language presupposes the capacity for speech in the child, but yet is learned from the mother, so also religious experience arises out of preceding revelation. Every child grows up in the religion of its parents, and thereby develops its own religious life; the pious teaching and example of the mother awaken piety in the heart of the child. No less than in sensation, science, and art, does this take place also in religion. Man is never self-sufficient and independent of the outside world; he needs the earth to feed and clothe him, light to see, sound to hear, the phenomena of nature or the facts of history to observe and to know, and in the same way revelation to awaken and strengthen his religious life. The heart cannot be separated from the head, nor faith as trust from faith as knowledge. Even those who look upon dogmatics as an exposition of pious feelings recognize that these feelings nevertheless are due to external influences, as, for example, from the person of Christ. 9 Experience does not come first, after which interpretation follows, but revelation precedes, and is experienced in faith. 10 209

Als men deze empirische orde bestrijdt en consequent in haar tegendeel omzetten wil, komt men bij de in den nieuweren tijd druk beoefende psychologie der religie uit. Er bestaat geen twijfel over, dat ook deze jonge wetenschap, reeds van de dagen van het piëtisme en het methodisme af voorbereid en een rechtstreeksche vrucht van de empirische psychologie en theologie, 177 recht van bestaan heeft en belangrijke winst voor de kennis en de leiding van het religieuze leven afwerpen kan. Ook laat zich verwachten, dat de methode, door James, Starbuck, Coe enz. toegepast, langzamerhand aan de bezwaren tegemoet zal komen, die er thans rechtmatig tegen worden ingebracht. En eindelijk kan men erkennen, dat de dogmatiek, vooral in de leer van de ordo salutis, meer psychologisch moet worden en met de religieuze ervaring meer rekening moet houden. 11 Maar dit alles neemt niet weg, dat de psychologie der religie alleen zielstoestanden onderzoekt en over hun recht en waarde zich niet uitspreekt en niet uitspreken kan. Zij neemt waar en beschrijft de verschijnselen van het religieuze bewustzijn, maar laat zich over hun waarheid en zuiverheid niet uit. Al beschouwt zij den godsdienst nog zoo zeer als een van „the most important biological functions of mankind," 12 zij komt nooit aan de waarheidsvraag toe, vermag zich niet te verheffen tot eene logica der religie en kan dus uit den aard der zaak nooit in de plaats treden van metaphysica of dogmatiek. 13

If we reject the empirical order and proceed in an oppositive direction, we reach the so-called psychology of religion which has latterly aroused so much attention. There is no doubt that this young science, for which Pietism and Methodism prepared the way, and which is a direct fruit of the empirical psychology and theology, has a right to exist, and may be expected to yield important aid for the knowledge and guidance of religious life. It may be hoped also that the method which has been applied in this science by James, Starbuck, Coe, and others, will gradually meet the objections which to-day are properly urged against it. Finally, we may acknowledge that dogmatics, especially in the doctrine of the ordo salutis, must become more psychological, and must reckon more fully with religious experience. 11 But this does not alter the fact that the psychology of religion only inquires into the experiences of the soul and cannot form a judgment upon their right and value. It observes and describes the phenomena of religious consciousness, but it cannot pronounce upon their truth and purity. It regards religion, no doubt, as one of “the most important biological functions of mankind," 12 but it can never come to the question of its truth, it cannot elevate itself to a logos of religion, and therefore can never replace metaphysics or dogmatics. 13

Zelfs bestaat er rechtmatige twijfel aan de verwachting van Coe, dat deze psychologie der religie velen, die thans van den godsdienst vervreemd zijn, herwinnen zal. 14 Want zonder te kort te doen aan de nieuwe gezichtspunten, die zij geopend, en de belangrijke opmerkingen, welke zij ten opzichte van het religieuze leven gemaakt heeft, de resultaten, waartoe de psychologie der religie gekomen is, steunen de verwachtingen niet, welke Coe op haar bouwt. Dat komt duidelijk uit bij de bekeering, waaraan zij de meeste aandacht heeft gewijd. De psychologie der religie maakt daarvan niet alleen een „natural and necessary process," 15 dat een onderdeel uitmaakt van 's menschen biologische ontwikkeling en met de puberteit ten nauwste samenhangt; 16 maar zij verliest bij het onderzoek langzamerhand geheel uit het oog, wat onder bekeering moet worden verstaan. Zelve heeft zij namelijk geen maatstaf om te beoordeelen, wat al dan niet bekeering is; zij onderzoekt en beschrijft deze enkel en alleen als psychologisch verschijnsel. Maar onder dit gezichtspunt beschouwd, is het verraad van judas even belangrijk als het berouw van Petrus, en is 178 bekeering niets anders dan eene van de vele transformaties van het bewustzijn of „ altérations de la personnalité", gelijk die in het menschelijk leven zoo dikwerf voorkomen. 17 De uitsluitend psychologische beschouwing heeft ten gevolge, dat al deze veranderingen van hare qualiteit worden beroofd en naar haar inhoud geheel en al aan den vorm worden opgeofferd. De bekeering verliest haar eigen bijzonder karakter; analogie met andere psychologische verschijnselen leidt tot hare identificatie, evenals in de religionsgeschichtliche methode alle godsdiensten met elkander vergeleken en daarna, wegens eenige punten van overeenkomst, vereenzelvigd worden. Wat bekeering is en wezen moet, dat kan geen psychologie der religie ons leeren; dat zegt de Schrift alleen, en indien deze het ons niet zegt, weet niemand het.

We may reasonably question even the anticipation of Coe, that this psychology of religion will be able to regain many who in our days have turned away from all religion. 14 For without underestimating the new conclusions which present themselves, and the important suggestions which have been derived from this new study of religious life, the results to which it has led do not support the expectations which Coe formed for them. This is very clearly manifested in the fact of conversion, to which 210 the greatest attention has been devoted. The psychology of religion not merely conceives conversion as a “natural and necessary process," 15 forming a part of man's biological development and connected intimately with puberty, 16 but its investigation gradually loses sight of what must be understood by conversion. In itself it has no standard by which to form a judgment of what conversion consists in; it inquires into and describes conversion only as a psychological phenomenon. But regarded from this point of view the treason of Judas is as important as the penitence of Peter, and conversion is nothing other than one of the many transformations of consciousness, or alterations of personality, which take place so frequently in human life. 17 If all these religious phenomena are studied only from a psychological standpoint, the result is that they lose their character and their content is sacrificed to their form. Conversion thus loses its special meaning; on the ground of certain analogies with other psychological phenomena it is confused and identified with them in the same manner as in the religio-historical method. All religions are first compared one with another, and then, on the ground of some points of agreement, are identified with one another. What conversion is and ought to be no psychology of religion can teach us; the Scriptures alone can tell us that; and if they do not tell it to us, nobody knows.

Dat geldt van de bekeering en van alle speciale religieuze verschijnselen, schuldgevoel, berouw, geloof, hoop, bewustzijn van vergeving, gebed, gemeenschap met God; maar het geldt ook van de religie in het algemeen. De religieuze psychologie staat op een neutraal standpunt buiten en boven alle godsdiensten, en zij bestudeert en vergelijkt de religieuze ervaringen van Roomschen en Protestanten, Christenen en Heidenen, Joden en Mohammedanen en voelt zich natuurlijk aangetrokken door die personen en groepen, wier godsdienstig leven een min of meer eccentrisch karakter draagt; de mystici, de fanatici, de enthusiasten van allerlei secte en belijdenis vormen voor haar de interessante gevallen, welke zij met welgevallen onderzoekt. 18 Maar wederom verliest zij daarbij het qualitatieve onderscheid uit het oog; of liever zij mist daarvoor het oog, zij ziet alleen den psychologischen vorm en dringt tot de kern en het wezen der verschijnselen niet door. Zoo scheert zij dan alles over één kam en werpt het alles over één boeg: de religie is bij allen naar inhoud dezelfde, alleen de vorm verschilt; iedere godsdienst is waar hij voorkomt, waar en goed. Zoo zegt James bijv., dat de religie door en door „private" en „Individualistic" is; 19 allen behoeven niet dezelfde religie te hebben; ieder heeft zijn eigen God. Zoolang een mensch zijn God gebruikt, bekommert hij er zich weinig om, wie Hij is; „God is not known, He is used." In het huis des Vaders zijn vele 179 woningen, „all ideals are matters of relation." 20 Zelfs is het de vraag, of het polytheïsme niet beter dan het monotheïsme aan de verscheidenheid der religieuze ervaring beantwoordt, want deze eischt niet eene absolute, doch alleen eene hoogere macht dan die der natuur. 21

This remark applies not to conversion only, but also to all special religious experiences, such as consciousness of sin, repentance, faith, hope, sense of forgiveness, prayer, fellowship with God; and it applies as well to religion in general. Religious psychology occupies a neutral standpoint outside and above all religions, and studies and compares the religious experiences of 211 Romanist and Protestant, Christian, heathen, Jew and Mohammedan, and feels itself naturally attracted by those persons and groups whose religious life bears a more or less eccentric character; mystics, fanatics, enthusiasts of all sects and confessions, form for it interesting cases which it eagerly inquires into. 18 But again the qualitative discrimination disappears from view; or rather the psychology of religion does not perceive it, and attends only to the psychological form of these phenomena; it does not penetrate to their core and essence. So it treats them all alike. Religion is everywhere the same as to contents, — only the form differs, — and every religion, wherever it appears, is therefore true and good. Thus James, for example, says that religion is quite “private" and “individualistic"; 19 all do not need to have the same religion; each one has his own God. So long as a man has use for his God, he cares little about who he is; “God is not known; he is used." In the house of the Father are many mansions; “all ideals are matters of relation." 20 The question even arises whether polytheism does not better correspond to the variety of religious experience than monotheism, for what is required is not an absolute power, but only one higher than that of nature. 21

En als om te bewijzen, dat wij in deze eigenaardige voorstelling niet met eene private opinie, maar met eene noodzakelijke en algemeene conclusie te doen hebben, laten anderen, ver van elkander verwijderd, zich uit in volkomen denzelfden geest. Reeds enkelejaren geleden sprak Schian uit, dat er geen ideale typus van geloof en vroomheid is, maar dat elk dogmaticus zijn eigen type geeft. Als men geen onfeilbare Schrift meer heeft, „so gibts nur subjektive und darum nur individuelle Erkenntnis dessen was zum Christlichen Glauben gehört". Alle wegen zijn goed, als ze maar tot geloof voeren, niet tot een geloofsinhoud, want deze verschilt eindeloos, maar tot geloof als vertrouwen op den in Christus openbaren God. 22 Met deze gedachte heeft Schian bij velen instemming gevonden, 23 en ook Prof. Herrmann heeft in den laatsten tijd zich daarbij aangesloten. De strenge Ritschliaansche scheiding tusschen religie en metaphysica, Wert- en Seinsurteile heeft er hem toe gebracht, om het geloof schier geheel in vertrouwen te doen opgaan. Openbaring, zoo zegt hij, is niet iets uitwendigs, maar „die Offenbarung, durch die die Religion begründet wird, empfängt der Mensch vielmehr damit, dass sich ihin die Tiefen seines eignen Wesens öffnen." Religie is een nieuw leven, en berust op een „Erlebnis" van de macht van het goede, „die Macht sittlicher Güte," gelijk die in Jezus ons tegemoet treedt. Op die macht te vertrouwen, dat is gelooven, ervaren, leven, verlost worden. En wijl de religie dus is „das volle Lebendigwerden eines Menschen, so gibt es nicht eine allgemeine in Allen gleiche Religion, sondern es gibt nur Individuen der Religion." 24 Zoo blijft er op het standpunt der Religionspsychologie. niet alleen geen plaats meer over voor metaphysica, theologie en dogmatiek, maar zelfs niet meer voor eene „Ethik der religiösen Persönlichkeit." Want alle maatstaf valt hier weg; er is geen enkele wet of regel meer; de mensch, de individueele mensch is de maatstaf van alle dingen, 180 ook van den godsdienst; God zegt niet, hoe Hij gediend wil worden, de mensch maakt uit, of hij en hoe hij Hem dienen wil.

That this peculiar idea is not a private opinion of Professor James, but a necessary and general conclusion from the premises, is demonstrated by the fact that other men, though widely separated from one another, announce the same opinion. Some years ago, even, Schian declared that there is no such thing as an ideal type of faith and piety, but that each dogmatist presents his own type. If there is no infallible Scripture, “there can exist only a subjective and purely individual notion of what belongs to Christian faith." All ways are good, if they but lead to 212 faith: not to what is contained in faith, for this differs endlessly, but to faith as trust in God as revealed in Christ. 22 Schian has received much support from others in this idea, 23 and Professor Herrmann too has given his adherence to it during the last few years. The strict Ritschlian distinction between religion and metaphysics, between judgments of value and judgments of being, has led him to supplant faith almost wholly by trust. Revelation, he says, is not an external thing, but “man receives the revelation, which is the ground of his religion, because the depths of his own being are opened to him." Religion is a new life, and rests upon an experience of the power of moral good, as Jesus has shown us. To trust in that power is to believe, to live, to be saved. And because religion is thus “the complete quickening of a man, there is no general religion, the same for every one, but there are only individuals in religion." 24 So we see that from the standpoint of religious psychology there is no longer a place for metaphysics, theology, or dogmatics, nor even for an “ethics of the religious personality." For every standard fails here; there is no single law or rule; the individual man is the measure of all things, also of religion; God does not say how he will be served, but man decides how he will serve him.

Het spreekt vanzelf, dat zulk een consequent indifferentisme niet aan allen behagen en ook op den duur niemand bevredigen kan. De meesten van hen, die met Kant en Schleiermacher den overgang tot het religieuze subject hebben medegemaakt, trachten daaruit toch weder eene of andere wereldbeschouwing op te bouwen. Trouwens, Kant zelf beperkte het weten, maar om daarnaast voor het geloof eene plaats te bekomen en door redeneering over de natuur en den inhoud der practische rede ruimte te vinden voor de realiteit eener zedelijke wereldorde. En Schleierrnacher streefde er wel naar, om de theologie van de philosophie vrij te maken; maar hij kon naar zijne overtuiging alzoo zonder schade handelen, omdat hij in het religieus gevoel der absolute afhankelijkheid eene onmiddellijke openbaring van het Oneindige meende te bezitten. 25 De gansche Vermittelungstheologie, welke in de negentiende eeuw allerwege optrad en tot op den huidigen dag in vele kringen heerschappij voert, kenmerkte zich door de poging, om met behulp van speculatieve redeneering uit de immanente eischen, behoeften of ervaringen van den godsdienstig-zedelijken mensch tot eene transcendente werkelijkheid te concludeeren, die in sterker of zwakker mate eene copie was van de oude dogmatiek. Wel is waar kwam Ritschl daartegen in verzet en ondernam hij eene scheiding tusschen religie en metaphysica, die vooral door Herrmann consequent volgehouden en doorgetrokken werd. Maar beide op theologisch en philosophisch gebied, tot zelfs onder de eigen volgelingen van Ritschl toe, is tegen deze scheiding eene krachtige reactie ontwaakt. Wij beleven eene wedergeboorte der philosophie, eene vernieuwde erkenning van het recht der metaphysica, en in verband daarmede eene betere waardeering van het geestesleven, van zijne normen en waarden, van zijne godsdienstige en zedelijke natuur. 26

Naturally such a consistent indifferentism does not please all, and in the long run cannot satisfy any one. Most of those who have followed Kant and Schleiermacher in taking their standpoint in the religious subject, try nevertheless to build up on that subject one or another view of the world. In truth, Kant himself set limits to knowledge in order to make a place for faith, and to find room, by reasoning on the nature and content of practical reason, for the reality of a moral government of the world. And 213 Schleiermacher, though striving after the liberation of theology from philosophy, could act in this way according to his conviction only because he believed he possessed in the religious feeling of absolute dependence an immediate revelation of the Infinite. 25 The peculiarity of the whole mediating theology which spread over the world in the nineteenth century, and remains still to-day dominant in many circles, is its effort to attain a transcendent reality — which was only more or less a reflection of the old dogmatics — by means of speculative reasoning on the immanent requirements, needs, or experiences of the religious and ethical man. Ritschl, it is true, set himself in opposition to this, and brought about a separation between religion and metaphysics which Herrmann especially has carried forward. But a powerful reaction theologically and philosophically has arisen against this separation, even among Ritschl's own followers. We are witnesses in these days of a rebirth of philosophy, a fresh acknowledgment of the right of metaphysics; and in connection therewith of a fuller recognition of the spiritual life, of its norms and values of its religious and ethical nature. 26

Maar deze nieuwe philosophie ziet er in menig opzicht anders uit, dan die in vroegere tijden hare wijsheid verkondigde. De oüde problemen blijven wel altijd dezelfde, maar zij keeren thans toch in gansch andere vormen terug. Terwijl zij in vroeger tijd 181 dikwerf apriorisch te werk ging en de wereld construeerde uit de idee, bewandelt zij thans den omgekeerden weg en tracht uit de werkelijke wereld der waarneming en ervaring op te stijgen tot hare idee. Natuur- en geesteswetenschappen hebben zooveel nieuws aan het licht gebracht; de oorsprong van de mathematische axiomata, van getal-, tijd- en ruimtebegrip, de voorstelling van stof en kracht, van beweging en wet, de gedachte over de ontwikkeling van al het organisch leven, in planten-, dieren- en menschenwereld, de opvatting van de geschiedenis, van de wording en voortgang van staat en maatschappij, zij hebben alle zoo groote verandering ondergaan, dat niemand en inzonderheid de wijsgeer ze niet zonder groote schade verwaarloozen kan. 27 Met name geldt dat ook van de psychologie. Hier vooral heeft voortgezette studie aan het licht gebracht, dat de zoogenaamde empirische psychologie tot recht verstand van het zieleleven ongenoegzaam is.

This new philosophy, however, appears in many respects different from that of former times. The old problems always remain the same, but they return in quite another form. Whilst formerly the procedure was often aprioristic, and the world was constructed out of the idea, now the opposite direction is taken and an effort is made to raise the real world of sensation and experience to its idea. The natural and mental sciences have brought much that is new into the field. What has been said as to the source of mathematical axioms, the ideas of number, time, and space, matter and force, movement and law, the 214 development of the whole organic life, in plants, animals, and humanity, the interpretation of history, of the origin and progress of state and society, presents so much that is important that nobody, and certainly no philosopher, can neglect it without great loss. 27 This applies also to psychology. Here above all continued study has shown that the so-called empirical psychology cannot suffice for the right understanding of the psychical life.

De onderzoekingen van de ongewone verschijnselen, welke in telepathie en telaesthesie, hypnotisme en spiritisme, geloofs- en gebedsgenezing, geniale intuitie en profetische of poëtische inspiratie aan het licht treden, hebben dit ééne feit buiten allen twijfel gesteld, dat het zieleleven van den mensch in zijn bewuste voorstellen en handelen niet opgaat. Men kan over de namen verschillen; maar hetzij men spreke van wakend en droomend, dag en nacht-, supraliminal en subliminal, intuitief en reflexief bewustzijn; daar is een groot onderscheid tusschen wat beneden en wat boven den dorpel van het bewustzijn plaats grijpt. Zeker verdient het geene aanbeveling, om hierbij met Max Dessoir van twee persoonlijkheden in den éénen mensch te spreken, 28 want er blijft altijd een zwakker of sterker bewustzijn over, dat beide zielen wonen in ééne en dezelfde borst en toekomen aan den éénen persoon. 29 Maar toch kan een mensch zoo met en tegen zichzelf verdeeld zijn en kunnen er zoodanige alteraties in zijn bewustzijn plaats hebben, dat hij als het ware een dubbel leven leidt. Soms schijnen het twee werelden te zijn, waarin hij leeft, en die niets met elkander te maken hebben. In vele pathologische gevallen en vooral in de zoogenaamde bezetenheid dient het bewustzijnsapparaat als instrument in de handen eener vreemde, 182 geheimzinnige macht. Maar ook, wanneer het tot deze excessen niet komt, blijft er toch in iederen mensch een onderscheid tusschen zijn subliminale en supraliminale bewustzijn aanwezig. Door zijn bewustzijn tracht de mensch wel leiding aan zijn leven te geven, maar dat leven zelf komt uit de diepte zijner persoonlijkheid op. „It must not be forgotten," zegt Coe terecht, „that though reason is necessary to guide the ship of life, feeling is the steam that propels it." 30 Beneden het bewustzijn bevindt zich eene wereld van instincten en neigingen, beseffen en begeerten, geschiktheden en vatbaarheden, welke het rad der geboorte voortdurend in beweging houdt. Beneden het hoofd ligt het hart, vanwaar de uitgangen des levens zijn.

Researches into uncommon phenomena, such as telepathy and teloesthesy, hypnotism and spiritualism, faith- and prayer-healing, the intuition of genius and prophetic or poetic inspiration have demonstrated one fact beyond all doubt, — that the psychical life of man is much richer than his conscious intelligence and action. One may disagree over the names; but whether we speak of waking and dreaming, clay and night, supraliminal and subliminal, intuitive and reflexive, consciousness, in any case there is a great difference between what happens beneath and what above the threshold of consciousness. It certainly does not commend itself when Max Dessoir speaks of two personalities in one man; 28 for there always remains a weaker or stronger consciousness that both dwell in one and the same breast, and belong to one person. 29 But still a man may be so divided against himself, and so many alterations may take place in his consciousness, that he leads as it were a double life. Sometimes he seems to live in two worlds, which have nothing to do with each other. In many pathological cases, and especially in the so-called demoniacal possession, the apparatus of consciousness appears to become an instrument of a foreign, mysterious power. Apart altogether from these extremes, however, in every man there is present a difference between his subliminal and supraliminal consciousness. 215 Man tries to give direction to his life by his consciousness, but that life itself has its origin in the depth of his personality. It must not be forgotten, Coe says truly, that though reason is necessary to guide the ship of life, feeling is the stream that propels it. 30 Beneath consciousness there is a world of instincts and habits, notions and inclinations, abilities and capacities, which continually sets on fire the course of nature. Beneath the head lies the heart, out of which are the issues of life.

Daarom zal de empirische psychologie het zieleleven nooit ten volle kunnen kennen en verklaren. Zij moge de bewustzijnsverschijnselen, de gewaarwordingen, de voorstellingen, de gevoelens, de aandoeningen nog zoo nauwkeurig waarnemen en hunne werking mechanisch trachten te begrijpen; zij moge er zelfs naar streven, om het ik, het zelfbewustzijn, uit associatie van voorstellingen te doen ontstaan; zij kan uit den aard der zaak niet doordringen tot datgene, wat achter en beneden het bewustzijn ligt en ontsteekt geen licht over de verborgen schuilhoeken van het hart. Ook hier geldt het woord, dat God alleen de harten kent en de nieren proeft. De empirische psychologie kan de toestanden van het bewustzijn onderzoeken, kan dus ook aan het zelfbewustzijn, dat immers langzamerhand in den mensch ontstaat en aan allerlei verandering onderworpen is, hare aandacht wijden; maar de vraag of daarachter een verborgen ik, eene zelfstandige ziel ten grondslag ligt, gaat hare grenzen te buiten; zoodra zij zich hiermede inlaat, gaat zij tot de metaphysica over. 31 Sterker nog, als de empirische psychologie de bewustzijnsverschijnselen onderzoekt, begint zij altijd met eene abstractie; zij maakt den mensch uit zijne sociale omgeving, de psychische processen uit hun levensverband, en in die psychische processen weder bepaalde verschijnselen, b.v. de gewaarwordingen van tijd, ruimte, kleur, enz. uit het geheel van het zieleleven los. Natuurlijk heeft dit alles zijn recht en zijne waarde, maar men dient toch den waan te laten varen, alsof op die wijze 183 ooit het menschelijk zieleleven zou verklaard kunnen worden. Want als de wetenschap dien waan koestert, slaat zij in psychologisme, historisme en relativisme over en doet aan de volheid en den rijkdom van het leven tekort. In de werkelijkheid komen al die bewustzijnsverschijnselen niet geïsoleerd voor, maar staan zij onderling in innig, wederkeerig verband en komen zij samen uit de diepte der persoonlijkheid op. Het geheel is niet atomistisch uit saamvoeging der deelen, maar omgekeerd de deelen zijn organisch uit de ontplooiïng der totaliteit te begrijpen. Achter het bijzondere ligt het algemeene en het geheel gaat aan de deelen vooraf. Als wij bijv. het waarnemen moesten leeren, waren wij dood, eer wij het kenden. 32 Maar evenals de vogel de kunst, om zijn nest te bouwen, zoo brengen wij allerlei geschiktheden en vatbaarheden van onze geboorte af in onze natuur mede. Het is het intuitieve, organische leven, dat in het gewaarworden en waarnemen, in het denken en handelen ons voortdrijft en den weg doet vinden. Aanleg en vaardigheid, neiging en geschiktheid, norm en wet, gaan aan het leven der reflectie vooraf. De mensch wordt niet ongewapend de wereld ingezonden, maar is naar lichaam en ziel met rijke gaven en krachten toegerust; hij krijgt talenten mede, die hij in den handel van dit aardsche leven op woeker zetten en vermeerderen moet. De empirische psychologie moge dus eene uitnemende, paedagogische beteekenis hebben; zij gaat toch stilzwijgend uit van en leidt ook weer tot de metaphysische psychologie terug. En deze ontdekt, dat het empirische leven wortelt in een apriorisch gegeven, hetwelk niet door mechanische ontwikkeling langzaam is ontstaan, maar gave van Gods genade en vrucht en werking van zijne openbaring is. 33

For this reason empirical psychology will never be able fully to explain the psychical life. It may with the utmost closeness examine the phenomena of consciousness, the sensations, the feelings, the passions, and it may try to conceive their working mechanically; it may even endeavor to explain the ego or the self-consciousness by association of ideas; but naturally it cannot penetrate to what lies behind and beneath consciousness, and can kindle no light in the secret places of the heart. Herein the declaration may find its application that God alone proves the hearts and reins of man. Empirical psychology can inquire into the conditions of consciousness, can even investigate the self-consciousness which slowly arises in man and is subject to all kinds of changes. But the question whether a hidden ego or an independent soul lies behind it is beyond its reach. So soon as it occupies itself with this question it passes beyond itself into metaphysics. 31 Let us put it more strongly still, — in inquiring into the phenomena of consciousness, empirical psychology always takes its start from an abstraction; it separates man from his social environment, the psychical processes from their contact with life, and in those psychical processes it again isolates definite phenomena, 216 such as sensations of time, space, color, wholly from the psychical life. No doubt there are gains to be registered by this method; but we must abandon the illusion that human psychical life can ever find its explanation in this manner. For if science cherishes this illusion it degenerates into psychologism, historism, and relativism, and the fulness and richness of life are curtailed. In reality all these phenomena of consciousness, so far from being isolated, exist only in intimate mutual relations, and ever spring out of the depths of personality. The whole cannot be explained in an atomistic manner by a combination of its parts; but on the contrary the parts must be conceived in an organic way by unfolding the totality. Behind the particular lies the general, and the whole precedes the parts. if, for example, we had to learn to see, we should be dead before the task was accomplished. 32 But just as the bird knows how to build its nest, so we bring with us from our birth all kinds of abilities and capacities. It is the instinctive, organic life which in sensations, in thoughts and actions, gives an impulse to us and shows us the way. Instinct and capacity, norm and law, precede the life of reflection. Man is not sent into the world unarmed, but is equipped in body and soul with rich gifts and powers; he receives the talents which he has only to invest and augment them in the acts of his earthly life. Empirical psychology may thus possess an important pedagogical significance, but it takes its origin from, and also leads back to, metaphysical psychology. And thus it becomes manifest that empirical life is rooted in an aprioristic datum, which does not come slowly into existence by mechanical development, but is a gift of God's grace, and a fruit and result of his revelations. 33

Indien de psychologie bij ernstig nadenken tot eene metaphysische realiteit en deze weder tot de gedachte der openbaring leidt, zijn wij niet ver verwijderd meer van de meening, dat de mensch in het verborgene van zijn zieleleven nog tot eene andere en hoogere wereld dan die dezer aardsche verschijning behoort. Plato oordeelde, dat de menschelijke ziel reeds voor hare inwoning in het lichaam had bestaan, daar in de wereld der ideeën had geleefd en de herinnering daarvan in haar aardsche ballingschap had bewaard. 34 184 Anderen koesteren de gedachte, dat de mensch naar de donkere zijde van zijn wezen in gemeenschap staat of althans betrekkingen aanknoopen kan met eene onzienlijke wereld en uit het geestenrijk allerlei verschijningen en openbaringen ontvangen kan. De in 1882 opgerichte Society for psychical research stelde zich ten doel, om al de verschijnselen, die op zulk een rapport der geesten betrekking hadden, aan een streng wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen; 35 en een harer leden, de in 1901 overleden Frederic W.H. Myers kwam met anderen tot de overtuiging, dat de mensch in zijn „subliminal life" over vermogens en krachten beschikt, waardoor hij zonder behulp van het lichaam met zielen en geesten in verkeer treden kan. 36

If psychology leads by serious reflection to a 217 metaphysical reality, and this again to the idea of revelation, we are not far removed from the conviction that man, in the hidden places of his soul, yet belongs to another and a higher world than that of this earthly existence. Plato asserted that the human soul existed before its indwelling in the body, lived in the world of ideas, and preserved the memory of it in its earthly exile. 34 Others cherish the idea that man in the hidden side of his nature holds communion with the unseen world and can receive from it all kinds of manifestations and revelations. The Society for Psychical Research, established in 1882, aimed at inquiring into all the phenomena which belong to the domain of spiritualism, 35 and one of its members, namely, F.W.H. Myers, who died in 1901, arrived with others at the conclusion that man in his subliminal life possesses faculties and powers whereby, without the help of the body, he can hold communication with souls and spirits. 36

Nu bestaat er over de natuur en den oorsprong der hypnotische en spiritistische verschijnselen, in weerwil van het daaraan bestede onderzoek, nog altijd een zeer groot verschil van gevoelen. Terwijl men eenerzijds al die verschijnselen op natuurlijke wijze, inzonderheid door de suggestie, tracht te verklaren en deze verklaring zelfs tot de wonderen der H. Schrift uitbreidt, achten anderen zich door de feiten gedrongen, om in sommige of in vele gevallen aan eene bovennatuurlijke openbaring te denken. Hier is het onnoodig, de juistheid dezer meeningen te toetsen. Want apriori laat zich zulk een verkeer van zielen en geesten, zonder behulp van het lichaam, niet als onmogelijk afwijzen. Indien de menschelijke ziel inderdaad van den aanvang af als eene totaliteit bestaat, en niet langzamerhand bij stukjes en beetjes door mechanische evolutie wordt voortgebracht, dan is ze vanzelve über-empirisch en heeft zij nog aan eene andere wereld dan deze zichtbare wereld deel. Ze is dan in haar wezen geest en kan als zoodanig met geesten of zielen zonder lichaam gemeenschap hebben. Het lichaam is toch blijkbaar een orgaan der ziel; het is niet het lichaam, maar de ziel, die door het lichaam ziet en hoort, denkt en handelt. Er is dus niets ongerijmds in de gedachte, dat zij deze werkzaamheden ook in bijzondere gevallen zonder het orgaan des lichaams uitoefenen kan. Opmerkelijk is het dan ook, dat de menschheid allerwege en ten allen tijde die mogelijkheid heeft aangenomen, dat de H. Schrift er meermalen stilzwijgend van 185 uitgaat en dat zij in het begrip der openbaring opgesloten ligt. Want openbaring onderstelt altijd, dat de mensch vatbaar is voor indrukken, beseffen, gedachten, hebbelijkheden, gezindheden, die niet uit de phaenomenale wereld stammen en niet langs den gewonen weg in zijne ziel worden ingeplant.

Now there has always existed very great difference of opinion as to the nature and origin of hypnotic and spiritualistic phenomena, notwithstanding the exact research which has been devoted to them. On the one side an attempt is made to explain all these phenomena in a natural way, especially by suggestion, and this attempt is even extended to the miracles of Scripture; and on the other side, men feel forced by the facts to assume in some or in maiiy cases a supernatural interposition. It is unnecessary to examine here the correctness of these opinions; for it is not impossible, a priori, that such an intercourse with souls and spirits, without the help of the body, may exist. If the human soul indeed exists from the beginning as a whole, and is not slowly produced by steps and stages in the way of mechanical evolution, then it is in itself super-empirical, and has part in another world 218 besides this visible one. It is then spiritual in its essence, and it is possible for it to hold communication with spirits or souls without the body. The body evidently is the organ of the soul; it is not the body, but the soul, which sees and hears, thinks and acts, through the body. Thus there is nothing absurd in the idea that the soul can exercise those activities in special cases without the organ of the body. It is also remarkable that humanity, every- where and in all ages, has acknowledged this possibility, that Scripture often presupposes it, and that it is included in the idea of revelation. For revelation always supposes that man is able to receive impressions or thoughts or inclinations from another than this phenomenal world, and in a way other than that usually employed.

Maar als de wetenschap er zich toe zet, om de voor zulk een geestenverkeer in aanmerking komende verschijnselen te onderzoeken, stelt zij zich aan ernstige gevaren bloot. Natuurlijk zullen zij, die aan dit onderzoek hun tijd en krachten wijden, met de huns ondanks bestaande verschijnselen zich niet tevreden stellen; maar om volkomen betrouwbaar materiaal voor hun arbeid te hebben, zullen zij allicht zelf het experiment ter hand nemen en soortgelijke verschijnselen bij zichzelven of bij anderen kunstmatig trachten voort te brengen. De ernst van het wetenschappelijk onderzoek dwingt er toe, om zelf een rapport met de wereld der geesten te zoeken. Zulk een rapport is er niet binnen den kring onzer gewone ervaring; als het mogelijk is, zal het dus altijd slechts op kunstmatige wijze gelegd kunnen worden, dat is met behulp van zulke middelen, die, hoe verschillend ook, toch alle de strekking hebben, om het bewuste, supraliminale leven terug te dringen en de „subliminal consciousness" aan het werk te zetten. Afgezien nu van de schade, welke deze kunstmatige trancetoestanden aan de gezondheid berokkenen, gaan zij stilzwijgend van de gedachte uit, dat het subliminale leven de eigenlijke werkplaats is van den geest. Evenals de philosophie van het onbewuste, rusten hypnotisme en spiritisme op de onderstelling, dat het bewustz-ijn slechts een tijdelijke en gebrekkige vorm van kennen is; het ware zijn ligt in het onbewuste en de uitnemendste wijze, om met dit zijn in aanraking te komen en er eenige kennis van te verkrijgen, is de droom, de hypnose, de ecstase, de trance. Wie zich echter met opzet van zelfbewustzijn, rede en wil berooft, bluscht het licht uit, dat God aan den mensch heeft geschonken, vernietigt zijne menschelijke vrijheid en zelfstandigheid en verlaagt zich tot een instrument in de hand eener vreemde, onbekende macht. 37

But when science undertakes to inquire into the phenomena which belong to such a spiritual intercourse, it exposes itself to serious dangers. For naturally those who devote their time and strength to this study will not be contented with the phenomena as such, but in order to obtain completely trustworthy material for their work will adopt the experimental method, and will endeavor to produce such experiences in themselves or in others by artificial means. The seriousness of scientific study compels them to seek such intercourse with the world of spirits themselves. Such an intercourse is not within the circle of their common experience; if it is possible, it can only be reached in artificial ways, that is, by the help of means, all of which, however diverse, have the tendency to throw into the background the conscious supraliminal life and to set the subliminal consciousness to work. If we do not lay stress on the injury which these artificially induced trance conditions may work to the bodily health, yet we must at least observe that it is silently supposed that subliminal 219 life is the chief domain of the spirit. Just as the philosophy of the unconscious so spiritism and hypnotism inculcate the idea that consciousness is only a temporary and defective form of knowledge, and that true being lies in the unconscious; and the best way to come into contact with this being, and to obtain knowledge about it, is in the dream, the ecstasy, the trance. Nevertheless, whosoever intentionally robs himself of self-consciousness, reason, and will, extinguishes the light which God has given to man, annihilates his human freedom and independence, and degrades himself to an instrument for an alien and unknown power. 37

Want, en dat is een tweede gevaar, dat dreigt, niemand weet, aan welke invloeden en werkingen hij in zulk een trance-toestand 186 zich overgeeft. Want men kan eenerzijds wel zeggen, dat alles suggestie en hallucinatie is en andererzijds wel staande houden, dat er een werkelijk verkeer met geesten plaats grijpt. Maat niemand weet hier iets met zekerheid van. Door moedwillig rede en wil te onderdrukken en uit deze wereld met hare openbaring zich in een land van duisternis terug te trekken, geeft men allen maatstaf uit de hand en maakt men alle controle onmogelijk. De realiteit der verschijningen en der openbaringen, die er in den ecstatischen toestand plaats grijpen, blijft onzeker; onzeker blijft het ook, of die geesten, welke verschijnen, werkelijk die zijn, voor welke zij zich uitgeven; en onzeker blijft het ook, of de openbaringen, welke zij schenken, waarheid of leugen behelzen, te volgen of te verwerpen zijn. 38 Onderstel dus al, dat er een reëel verkeer met de geesten mogelijk is, wij zouden daarmede toch altijd voor deze keuze komen te staan, dat wij aan de zoo verkregen verschijningen en openbaringen ons onvoorwaardelijk overgaven, maar dan ook, evenals in het gewone menschelijk verkeer, de dupe werden van bedrog en verleiding; òf dat wij die ontvangen openbaringen later weer controleerden naar den maatstaf, door ons bewustzijn aan de hand gedaan, maar ze dan ook eenvoudig geheel gingen duiden naar de wereld- en levensbeschouwing, welke wij in het bewuste leven de onze noemen.

For — and this is a second danger which threatens — nobody knows to what influences he abandons himself in such states of trance. It is easy to say, on the one side, that all is suggestion or hallucination, or, on the other side, that a real intercourse with spirits takes place; but nothing is really certain. By intentionally suppressing reason and will, and by going back from this world of revelation to a land of darkness, we lose all guidance and make all control impossible. The reality of the phenomena and revelations which take place in the ecstatic state remains uncertain; uncertain it remains also whether the spirits who appear are really what they represent themselves to be; and, again, whether the revelations which they give contain truth or lies, must be followed or rejected. 38 Let it be supposed that real intercourse is held with the spirits, still the alternative is ever before us whether we shall give ourselves unconditionally up to the phenomena and revelations thus received, in which case, just as in common human intercourse, we should become dupes of misleading and seduction ; or whether we shall later on control the revelations received by the standards which conscience has given to us, in which case we should 220 interpret them according to the view of the world and life, which is ours in conscious existence.

De geschiedenis van het occultisme in vroeger en in later tijd is daar, om dit te bewijzen. Algemeen is de klacht, dat de openbaringen, welke het spiritisme en hypnotisme ons mededeelt, zich kenmerken door banaliteit, de moeite, die er aan hare verwerving besteed is, niet waard zijn, en niets anders bevatten dan fragmenten der wereld- en levensbeschouwing, welke de ontvanger zelf toegedaan is. Myers bijv. is van oordeel, dat het „psychical research" de realiteit der geestelijke wereld, de onsterfelijkheid der ziel en de eindelooze „spiritual evolution" in 't licht gesteld en boven allen twijfel verheven heeft. Dienovereenkomstig verwacht hij, dat de godsdienst in het vervolg niet meer op gezag en geloof zal behoeven te steunen, maar rusten zal op „observation and experiment" en daardoor op den duur ook eene „synthesis of religious belief" te weeg zal brengen. 39 Maar al deze gedachten zijn 187 zoo bekend, dat er werkelijk geen openbaring voor noodig was; ze zijn ten allen tijde door de pantheïstische philosophie verkondigd en hebben in den nieuweren tijd slechts, door eene eigenaardige verbinding van Darwinisme en Buddhisme, van evolutie en theosophie, van Westersch verstand en Oostersche wijsheid een nieuwen en voor het geslacht dezer eeuw aantrekkelijken vorm aangenomen. In plaats dat deze pantheïstisch-theosophische wereldbeschouwing aan de openbaring van geesten te danken zou zijn, kan men omgekeerd met meer recht beweren, dat de nieuwere wijsbegeerte in hooge mate het occultisme bevorderd en het geloof daaraan versterkt heeft. En wat de verwachting aangaat, dat de godsdienst voortaan op de resultaten van het „psychical research" zal gaan steunen, hier tegenover volsta de opmerking, dat de religie, die haar grondslag, zoekt in het verkeer met en in de openbaring van geesten, den naam en het wezen der echte religie verloochent en in plaats van deze het Heidensch bijgeloof binnenvoert. Het geestengeloof leidt zonder meer bij alle volken en in alle tijden tot geestendienst. Want als de geesten, hetzij dan van daemonen of van afgestorvenen, door ons kunnen opgeroepen worden, met ons in rapport kunnen treden, en ons verborgen dingen openbaren kunnen, dan gaat dit uit van de gedachte, dat zij min of meer de Goddelijke eigenschappen der alwetendheid en alomtegenwoordigheid deelachtig zijn, en ons in zekere mate helpen of schaden kunnen. En dit geloof leidt ongemerkt en vanzelf tot de practijk der aanbidding en der vereering. Het occultisme werkt eenerzijds het ongeloof, het indifferentisme ten opzichte van de bestaande godsdiensten, en andererzijds het grofste bijgeloof, den geestendienst en de magie, in de hand. 40

The history of occultism, whether in earlier or later times, demonstrates this. The complaint is common that the revelations which spiritualism and hypnotism impart to us are characterized by banality and are not worth the attention which is bestowed upon them; also that they contain nothing more than fragments of the world-view which the receiver already adheres to. Myers, for example, is of opinion that “psychical research" indicates the reality of the spiritual world, the immortality of the soul, and endless “spiritual evolution," and that it has established these beyond all doubt. In consequence of this he expects that religion in the future will no longer rest on authority and belief, but on observation and experiment, and in that way will in the long run bring about a “synthesis of religious belief." 39 But these ideas are so well known that there is really no need of revelation to make them known to us; they have been proclaimed at all times by pantheistic philosophy, and have only in later days received another, and, for our generation, more attractive form, through a peculiar combination of Darwinism and Buddhism, evolution and theosophy, Western intelligence and Eastern wisdom. It is so incredible that this pantheistic-theosophical world-view should be produced by the revelation of spirits that it could, on the contrary, be with more justice contended that the newer philosophy has in a high degree furthered occultism, and has strengthened the belief therein. And as to the expectation that religion will rest in the future on the results of psychical research, the remark may suffice that the religion which seeks its foundation in intercourse with and in the revelation of spirits denies the name and the essence of pure 221 religion, and instead of this introduces pagan superstition. Belief in spirits leads among all peoples and at all times to spirit-worship. For if the spirits of demons or the deceased can be called up, hold communication with us, and reveal to us secret things, then naturally arises the notion that they are more, or less partakers of the divine attributes of omniscience and omnipresence, and can help or injure us, at least in a certain degree. This belief leads unintentionally and of itself to the practice of adoration and homage. Occultism issues on the one side in unbelief and indifference with regard to existing religions, and on the other in the most abounding superstition, spirit-worship, and magic. 40

Daar is maar één godsdienst, die al deze superstitie en magie principiëel veroordeelt en verbiedt, en dat is het Christendom. Reeds in het Oude Testament had de openbaring tot inhoud, dat de Heere alleen lsraëls God is en daarom ook uitsluitend mag aangebeden en gediend worden; alle waarzeggerij en tooverij, alle ondervraging van onderaardsche geesten en daemonen, is daarmede ten eenenmale in strijd. In het Nieuwe Testament werd deze dienst van den eenigen en waarachtigen God van alle 188 nationale beperking losgemaakt en alzoo verheven tot een dienst in geest en in waarheid. Wel zijn er profeten en apostelen, die dienst doen als organen der openbaring, maar zij zijn en blijven menschen en genieten geen andere eere dan die om huns ambts en huns werks wil; zelfs Maria, de begenadigde onder de vrouwen, is een gewoon lid der gemeente. Ook is er volgens de Schrift wel een rijk der geesten, maar de engelen zijn in weerwil van de groote macht, hun geschonken en de gewichtige taak, hun toebetrouwd, nooit voorwerp van godsdienstige vereering; en tegenover de duivelen wordt nooit eene vreesachtige slaafsche houding aanbevolen, maar alleen vijandschap en bestrijding ten plicht gesteld.

There is only one religion which in principle condemns and prohibits all this superstition and magic, and that is Christianity. The Old Testament already contained the revelation that the Lord alone is Israel's God, and therefore he only must be worshipped and served; soothsaying and magic, inquiry of spirits and demons, are throughout forbidden. In the New Testament this worship of the one only true God is emancipated from all national limits, and is thus raised to its true condition as a worship in spirit and in truth. True there are prophets and apostles who act as organs of revelation, but they are still men, and enjoy no other honor than that which belongs to their office and vocation; even Mary, the blessed among women, is an ordinary member of the church. There is also, according to the Scripture, a realm of spirits; but the angels, notwithstanding the great power which is given to them, and the important task which is intrusted to them, are never objects of religious worship; while the attitude which is required to be taken toward the devils is so far from one of abject slavery that the only duty 222 which we are commanded to fulfil toward them is to hate and resist them.

Door den godsdienst enkel en alleen op God te betrekken, is het Christendom de absoluut geestelijke religie; het is niet anders dan religie; de idee der religie is er volkomen in vervuld. Want indien religie eene realiteit is, dan zal zij hierin toch moeten bestaan, dat de mensch, met vermijding van alle afgoderij, den eenigen waarachtigen God recht kenne, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid zich Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganscher harte liefhebbe, vreeze en eere, alzoo dat hij eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat hij in het allerminste tegen zijnen wil zou doen. Welnu, dit is in het Christendom tot zijne ware en gansche vervulling gekomen. Het is enkel en louter een dienst van God, met uitsluiting van alle schepsel; God is de inhoud en het voorwerp, het begin en het einde, de alpha en de omega der religie, en niets komt er van het schepsel bij. En op dien eenigen en waarachtigen God wordt de gansche mensch betrokken, niet alleen met zijn gevoel, maar ook met zijn verstand en zijn wil, met zijn hart en al zijne genegenheden, met zijn ziel en met zijn lichaam. Het Christendom is louter religie en daarom de zuivere religie, de volle en volkomen, onverbrekelijke en eeuwige gemeenschap van God en mensch.

Christianity is the absolutely spiritual religion, because it is the only religion which sets religion in relation to God alone; therefore it is nothing else but religion; the idea of religion is completely fulfilled in it. For if religion is a reality, then necessarily it must consist in this, — that man, avoiding all idolatry, shall rightly acknowledge the one true God, trust only in him, subject himself to him alone in all humility and patience, expect all good things from him, love, fear, and honor him with the whole heart, so that he would rather renounce every created thing than do anything in the least against the will of God. Now, this is completely fulfilled in Christianity. It is purely a service of God alone, with exclusion of all creatures. God is the content and the subject, the beginning and the ending, the alpha and the omega, of religion, and nothing of the creature enters into it. On the other side the whole man is taken into fellowship with that one true God; not only his feelings, but also his mind and will, his heart and all his affections, his soul and his body. Christianity is religion alone, and therefore the pure religion, the full and complete, indissoluble and eternal, fellowship of God and man.

De Christelijke theologie, die deze religie onderzoekt en indenkt, is daardoor dan ook alleen eene zelfstandige en echte wetenschap. Zoodra de Christelijke religie niet meer als de zuivere, volkomene 189 religie erkend maar met alle godsdiensten op één hoop geworpen wordt, houdt de theologie ook op, eene eigene wetenschap te zijn. Er is dan nog studie van den religieuzen mensch, (religieuze anthropologie), psychologisch en historisch onderzoek van den godsdienst bij de verschillende volken en menschen, misschien ook nog eene poging en een streven, om tot eene philosophie van den godsdienst en eene metaphysica te geraken; maar er is geen theologie meer, geen onderzoek van de kennis Gods, en dus geen maatstaf meer tot beoordeeling der religieuze verschijnselen. Er blijft alleen positivisme, historisme, psychologisme, relativisme over. Openbaring, echte religie en theologie staan en vallen met elkaar.

Christian theology, which investigates this religion, is on this account alone an independent and genuine science. As soon as the Christian religion is no longer acknowledged to be the pure, complete religion, but is thrown into a heap with all religions, theology ceases to be an independent science. There may still remain the study of the religious man (religious anthropology), and also psychological and historical inquiry into the religions of different peoples, perhaps also an endeavor to frame 223 a philosophy of religion and a metaphysics, but there is no longer a theology, no longer an inquiry into the knowledge of God, and thus no standard for the judgment of religious phenomena. There only remains positivism, psychologism, relativism. Revelation, religion, and theology stand or fall together.

Als de theologie echter recht en reden heeft van bestaan, dan brengt zij als zelfstandige wetenschap ook een eigen methode mede. Tegenwoordig is men dikwerf eene andere meening toegedaan. Wijl men de zelfstandigheid der Christelijke religie heeft prijs gegeven, kan men ook de theologie en de haar eigene methode niet handhaven. Men gaat uit van de gedachte, dat er maar ééne of hoogstens twee methoden zijn, de natuurwetenschappelijke en de historische. Als de theologie zich nog als wetenschap aan de universiteit wil handhaven, moet zij eene van deze twee methoden overnemen en consequent op heel haar terrein van onderzoek toepassen; zij moet natuur- of geschiedwetenschap worden. Natuurlijk verliest zij dan ook het recht, om in den cyclus der wetenschappen een eigen faculteit te vormen; de consequentie zou eischen, dat zij bij de philosophische faculteit onder dak werd gebracht. 41

But if theology possesses a reason for and a right to existence, it brings with it, as an independent science, its own method also. At the present time most people hold another opinion. Because they have abandoned the self-sufficiency of the Christian religion, they cannot hold to a theology with a method of its own. They suppose that there are only one or two scientific methods, namely. the physical and the historical. And thus, if theology is to maintain itself as a science in the university, it must accept one of these two methods, and apply it logically to the whole domain of inquiry; in other words, it must become natural or historical science. In this way it would lose its right to form an independent faculty in the circle of science, and would require, therefore, to be brought into the domain of the philosophical faculty. 41

Hetzij men al dan niet in de practijk deze consequentie aanvaarde, het beginsel, waarvan men uitgaat, doet der wetenschap geweld aan en miskent haar rijkdom en verscheidenheid. Zeer zeker, als het monisme de juiste wereldbeschouwing ware en alle verschijnselen slechts modificaties van ééne substantie waren, dan zou er maar ééne wetenschap en ook maar ééne methode zijn. Dan ware het al verloochening van het beginsel, om naast de natuurwetenschap eene zelfstandige plaats voor de geschiedwetenschap te eischen en voor het recht der historische methode op te komen. Maar de wereld is rijker, dan de materialistische of 190 pantheïstische evolutieleer het ons wil doen voorkomen. Wij komen bij de verklaring der verschijnselen op geen enkel gebied met een eenigen factor toe. Daar is overal een rijkdom van leven, eene volheid van zijn. Daar zijn onderscheidene soorten van schepselen en verschijnselen, die allen naar gelang van hun aard eene bijzondere methode vereischen, om ze te leeren kennen en te verstaan. Godsdienst en deugd, kunst en wetenschap, schoonheid en recht zijn geen tastbare en meetbare grootheden als de lichamen, maar toch bestaan ze en nemen eene albeheerschende plaats in. De werkelijkheid schikt zich niet naar ons systeem, maar ons systeem dient te passen op de werkelijkheid.

Whether one accepts this consequence or not, the principle on which the standpoint is founded violates science, and denies its richness and diversity. True, if monism were the right world-view, and if all phenomena were purely modifications of one, substance, then there would be only one science and also only one method. It would be to deny its principle, to give an independent place to historical science by the side of natural science, and to defend the right of the historical method. But the world is richer than materialistic or pantheistic evolution wishes it to appear. A single factor never suffices for the explanation of phenomena in any domain. Everywhere there 224 is a richness of life and a fulness of being. There are different kinds of creatures and phenomena, each of which requires a special method according to its nature, that we may know and understand it. Religion and virtue, art and science, beauty and justice, cannot be handled and measured like bodies; yet they exist, and occupy a dominating place in existence. Reality does not arrange itself to fit our system, but our system must form itself in accordance with reality.

Veel erger dan de wetenschap wordt daarom nog het leven door het monistisch doctrinairisme geschaad. Als de empirisch-experimenteele en de historische methode de eenige weg tot kennis zijn, dan verliest die wijsheid, welke van nature aan elk mensch eigen is en in de practijk van het leven vermeerderd en uitgebreid wordt, al hare waarde, en komt er tusschen de school en de maatschappij een steeds grootere verwijdering en een altijd sterker tegenstelling. Want hoezeer de wetenschap met hare onderzoekingen en uitkomsten dat leven dienen, leiden en bevorderen kan, het gaat toch zelf overal en altijd aan de wetenschap vooraf, het is er niet uit voortgekomen en kan er ook niet op wachten. Huisgezin en maatschappij, arbeid en beroep, landbouw en veeteelt, handel en nijverheid, zedelijkheid en recht en kunst, zij hebben een zelfstandigen oorsprong en dragen allen een eigen karakter. Het gansche, volle leven, dat in al deze kringen en werkzaamheden tot openbaring komt, kan dankbaar gebruik maken van het licht, dat de wetenschap erover ontsteekt, maar het vloeit voort uit een eigen bron en stroomt in eene eigene bedding voort.

Voor leven en wetenschap beide is het daarom van het hoogste belang, dat de empirische kennis, welke in het leven wordt opgedaan, en de wetenschappelijke kennis, welke in de school wordt nagejaagd, elkaar schragen en steunen; de wijsheid des levens is het uitgangspunt en de grondslag van alle wetenschap, en het onderzoek der geleerden heeft niet ten doel, om deze kennis der 191 practische ervaring te vernietigen, maar wel om ze te zuiveren en te verhelderen. 42

Life itself receives much greater injury from monistic doctrinairism than science. If the empirical and historical methods are the only paths to knowledge, then that wisdom which by nature is proper to every man, and is augmented and extended in the practice of life, loses all its value, and there arises between the schools and society a continually greater divergence and ever increasing opposition. For however science, with her inquiries and results, may serve, lead, and promote life, this life always and everywhere precedes science; it did not originate in science, and cannot wait for it. Family and society, work and vocation, agriculture and cattle-rearing, trade and industry, morality, justice, and art, have all an independent source and sustain their own character. The whole complete life, which reveals itself in all these domains and activities, can gratefully make use of the light which science kindles, but it flows from its own proper source and streams onward in its own channel. For both life and science it is, therefore, of the highest importance that the empirical knowledge, which is obtained in life, and the scientific knowledge, which is striven after in the schools, should support and strengthen one another; the wisdom of life is the starting-point and the foundation of all science, and the researches of the learned should not 225 aim at extinguishing this knowledge of practical experience, but at purifying and augmenting it. 42

Met name is dit op de religie van toepassing. Indien de theologie geene andere methode erkent dan die in natuurwetenschap en historie gebruikelijk is, wordt de religieuze mensch niet alleen totaal van het clericalisme der wetenschap afhankelijk, maar ook de religie zelve van hare zelfstandigheid en vrijheid beroofd. Dit wordt onder invloed van Schleierrnacher in zoover door allen erkend, als zij er naar streven, om de religie van alle cognitio en assensus los te maken en als fiducia te laten zetelen in het hart. Maar deze poging is een ijdel ondernemen., Want religie ontstaat niet bij ieder individu spontaan, zonder anderer invloed, maarzekomt altijd tot ontwikkeling door en sluit zich aan bij de religieuze voorstellingen, die in een bepaalden kring als waarheid worden erkend. Het woord geloof, dat in het Christendom de subjectieve religiositeit aanduidt, omvat zoowel de oorspronkelijke religieuze hebbelijkheid, welke in het hart des menschen woont, als de aansluiting bij de voorstellingen, welke in dezen godsdienst over God, wereld, mensch enz. bestaan; het is cognitio en fiducia tegelijk, en drukt zóó juist de eigenaardigheid der Christelijke religie uit, want deze verlangt eene zoodanige kennis van God, welke tegelijk vertrouwen, liefde, vroomheid zij. juist omdat de religie altijd kennis insluit, kan zij met de wetenschap in botsing komen en deze met haar. En die botsing is telkens alle eeuwen door en in alle godsdiensten voorgekomen; ze berust niet op willekeur of toevallige machtsoverschrijding, gelijk het geval zou zijn, wanneer geloof niets meer dan eene gevoelszaak ware; maar ze vloeit hieruit voort, dat beide krachtens haar aard op hetzelfde terrein zich bewegen en over dezelfde objecten en verschijnselen zich uitspreken. 43 En zoozeer behoort de cognitio tot het wezen der religie, dat deze, consequent van alle religieuze voorstellingen losgemaakt en zuiver tot het gevoel beperkt, aanstonds haar eigen karakter verliezen zou. Want het gevoel heeft uiteraard zelf geen inhoud en geen qualiteit; religieus, ethisch en aesthetisch gevoel bestaan niet los naast elkaar, maar ze worden onderscheiden door de verschillende voorstellingen, waardoor het gevoel wordt 192 opgewekt. Het monisme bevordert daarom altijd de vermenging van het religieus en aesthetisch gevoel en doet daarmede aan de religie te kort; de beperking van de religie tot het gevoel handhaaft niet de zelfstandigheid der religie maar ondermijnt haar bestaan.

This applies especially to religion. If theology acknowledges no other method than that which is usually taken in the sciences of nature and history, the religious man is not only totally dependent on the clericalism of science, but religion itself is robbed of its independence and freedom. This is recognized by all, so far as under the influence of Schleiermacher they strive to set religion free from all knowledge and assent, and conceive it as only trust in the heart. But this endeavor is a fruitless one. For religion does not spring up in every individual spontaneously, without outside influence, but always comes to development by connecting itself with the religious representations which are, recognized in a definite circle as truth. The word “faith," which in Christendom expresses subjective religiousness, includes, along with the original religious habit which dwells in the heart of man, also the adjustment to representations which exist in this religion about God, world, man, etc.; it is at the same time knowledge and trust, and expresses the peculiarity of the Christian religion so well because this religion desires a knowledge of God which is at the same time trust, love, piety. Just because religion always includes knowledge, it comes into collision with science, and vice versa. This collision has existed through all ages and in all religions; the cause does not lie in arbitrary or occasional abuses of power, as would be the case if faith were nothing more than a matter of feeling; but the cause is that both, according to their several natures, move in the same domain and pronounce themselves on the same objects and phenomena. 43 And knowledge belongs so intimately to the essence of religion that religion, 226 if freed from all religious representations and limited purely to feeling, would immediately lose its own character. For feeling has in itself no content and no quality; religious, ethical, and aesthetic feelings do not exist independently of each other, but are distinguished by the various representations by which feeling is awakened. Monism, therefore, always promotes the confusion of religious and wsthetic feeling, and thereby weakens religion; to limit religion to feelings does not maintain its independence, but undermines its existence.

Na de critiek der „reinen Vernunft", die door Kant uit het standpunt der mathematisch-mechanische natuurwetenschap geleverd werd, en na de critiek der „historischen Vernunft", welke in de laatste jaren tegenover de eenzijdigheid der natuurwetenschap door mannen als Dilthey, Windelband, Rickert verdedigd werd, blijft er dringend behoefte aan eene „Kritik der religiösen Vernunft" bestaan. De theologie is hier dan ook feitelijk in alle landen mede bezig; de pars formalis van de dogmatiek neemt veel meer dan de pars materialis alle denken in beslag. Toch kan zij deze niet uit zichzelve, door speculatieve beschouwingen voortbrengen. Elke wetenschap moet die ontleenen aan het object, dat zij onderzoekt, want door het object wordt de methode bepaald. Als nu het object der theologie geen ander kan zijn dan de zuivere religie, welke in het Christendom als vrucht van openbaring voor ons optreedt, dan komt het onderzoek naar de methode neer op deze ééne maar zeer gewichtige vraag: hoe stelt de Christelijke religie zelve het voor, dat een mensch tot haar komt, hare waarheid erkent en door haar een waarachtig religieus mensch, een Christen, een kind Gods wordt? De theologie kan over het antwoord, dat de Christelijke religie geeft, later nadenken evenals over andere bestanddeelen, die zij bevat; zij heeft daar zelfs het recht, den plicht en de roeping toe. Maar zij kan nooit eene andere methode aan de hand doen, dan die door haar eigen object wordt geëischt. De heilsorde der Christelijke religie bepaalt de methode der Christelijke theologie.

After the criticism of “the pure reason," which Kant has worked out from the standpoint of a mathematical-mechanic science, and after the criticism of “the historical reason," which has recently been developed by men like Dilthey, Windelband, Rickert, over against the one-sidedness of the science of nature, a “criticism of the religious reason" is still necessary. Theology is occupying itself with this task in all lands; the formal part of dogmatics is drawing thought to itself much more than the material part. Yet it cannot proceed here by mere speculation. Each science must borrow its form from the object which it investigates, for method is determined by the object. Now, if the object of theology is no other than the true and pure religion, which appears to us in Christianity as the fruit of revelation, then the inquiry after method results in this one and very important question: How does the Christian religion itself represent that a man comes to her, acknowledges her truth, and by her becomes a true religious man, — that is, a Christian, a child of God? Theology may afterwards reflect upon the answer which the Christian religion gives, as she does also upon other elements of truth; she has even the right, the duty, and the vocation to do this. But she can never produce any 227 other method than that which is given by her own object. The plan of salvation in the Christian religion determines the method of Christian theology.

Wanneer wij naar die heilsorde een onderzoek instellen, dan treft het ons terstond, dat de Christelijke religie ons niet alleen in verbinding stelt met personen en feiten, die tot het verleden behooren, maar juist door middel van die openbaring ons in gemeenschap zoekt te brengen met dien God, die zijne waarachtigheid juist daarmede bewijst, dat Hij toen en nu, voorheen en thans en 193 altijd dezelfde is. De Christelijke religie is eene historische, maar tegelijk eene „ Gegenwartsreligion". 44 Wie gemeenschap met God zoekt, buiten alle historie, buiten alle openbaring in natuur en geschiedenis om, dat is centraal genomen buiten Christus om, die komt tot eene religieuze gevoelsstemming, waaraan de objectieve realiteit ontbreekt, die alleen zichzelve voedt en daarom ook zichzelve verteert; wie zich losmaakt van alle gemeenschap met wat voor en rondom is, gaat te gronde aan zijne autonomie. Indien iemand omgekeerd de Christelijke religie enkel en alleen als eene historische religie beschouwt en ze niet maakt tot „Gegenwartsreligion", die wischt in beginsel het onderscheid tusschen het Christendom en de andere godsdiensten uit en maakt het tot een verschijnsel, dat hoe langer zoo meer tot het verleden gaat behooren en voor het heden en de toekomst zijne beteekenis verliest.

If we institute an inquiry into that plan of salvation, we are met by the fact that the Christian religion does not bring us merely into relation with persons and events of the past, but by means of revelations in history seeks to bring us into fellowship with that God who manifests his truth in that he is always the same, in the past and in the present. The Christian religion is an historical, but also a present, religion. 44 Whoever seeks fellowship with God, excluding all history, and revelation in nature and history, — that is to say, without Christ, — experiences a religious feeling which misses the objective reality, which feeds only on itself, and therefore also digests itself. He who frees himself from all connection with what is before and around him ruins himself by his autonomy. On the other hand, whosoever considers the Christian religion simply and alone as historical religion, and does not make it a religion of the present, wipes out in principle the distinction between Christianity and the other religions, and reduces it to a phenomenon which belongs only to the past, and loses its significance for to-day and the future.

Het eigenaardige der Christelijke religie ligt toch, gelijk meermalen in het licht gesteld en ook door bestrijders erkend is, 45 in den persoon van Christus. Alle andere godsdiensten zijn in zekeren zin van hunne stichters onafhankelijk, omdat die stichters niet anders dan de eerste belijders waren. Maar Jezus is niet de eerste Christen geweest, maar Hij was en is de Christus; Hij is niet subject, maar object der religie; het Christendom is niet de religie van Jezus en veel minder nog Jezuscultus, 46 maar Christusreligion. Het Christendom is van oogenblik tot oogenblik nog even afhankelijk van Hem, als toen Hij zelf op aarde verkeerde, Immers is Hij niet een persoon, die alleen in het verleden geleefd en gewerkt heeft. Maar Hij leeft en werkt nog, is nog profeet, priester en koning, en houdt zelf de gemeente, die Hij stichtte, van eeuw tot eeuw in stand en waarborgt haar de overwinning. Het Christendom bestaat naar zijn eigen belijdenis niet door de kracht en de trouw zijner belijders, maar door het leven en den wil van zijn Middelaar. De heilsorde is evengoed en in denzelfden zin zijne zaak als de verwerving des heils. Menschen in waarheid religieus te maken, hen te brengen tot en te doen leven in de gemeenschap met God, dat is zijn wil en zijn werk en dus de wil en het werk van God zelven. Want de wil Gods, om de wereld zalig te maken, is niet bloot eene bekendmaking van Gods 194 gezindheid in het verleden geweest, maar is een actie, eene daad, een werk Gods, dat voortgezet wordt van dag tot dag. God is liefde, maar die liefde is geene rustende eigenschap, doch eene eeuwige, alomtegenwoordige energie, die zich realiseert in de harten der menschen. God is. Vader, maar dat Vaderschap is geen eeretitel, doch eene almachtige, altijd werkzame kracht, die menschen herschept tot zijne kinderen en erfgenamen. 47 Het Christendom is geen openbaring Gods in het verleden alleen, maar het is in aansluiting aan dat verleden een werk midden in dezen en in elken tijd. De Vader van Jezus werkt altijd tot nu toe, en Hijzelf werkt ook. Terwijl alle andere godsdiensten de zaligheid zoeken te verkrijgen door de werken van den mensch, is het Christendom daartegen één machtig protest; het is niet auto-, maar heterosoterisch; het predikt geen „Selbsterlösung" maar roemt in de verlossing door Christus alleen; de mensch maakt zichzelf, maakt God niet zalig, maar God alleen zaligt den mensch, den ganschen mensch, den mensch voor eeuwig. Het is een godsdienst, niet van werken maar van geloof, niet van verdienste maar van genade. Ook in de heilsorde bewijst het Christendom zich de absolute, geestelijke, zuivere religie te zijn. Er komt niets in van den mensch; de zaligheid is het werk Gods alleen; uit, en door en tot Hem zijn alle dingen.

The peculiarity of the Christian religion, then, as has been so often shown, and acknowledged even by opponents, 45 lies in the person of Christ. All other religions are independent, to a certain degree, of their founders, because those founders were nothing more than their fust confessors. But Jesus was not the first Christian; he was and is the Christ. He is not the subject, but the object, of religion. Christianity is not the religion of Jesus, still less Jesus-worship, 46 but Christ-religion. Christianity 228 is now as dependent on him, from moment to moment, as when he trod this earth. For he is not a person who lived and worked only in the past, but he lives and works still, is still Prophet, Priest, and King, and himself upholds the church, which he established, from age to age, and assures to her the victory. Christianity, according to its own confession, does not exist through the strength and fidelity of its confessors, but through the life and will of its Mediator. The stages of the application of salvation are as much, and in the same sense, his interest as the impetration of salvation. His will and his work is to make men truly religious, to bring them into fellowship with God, and that is also the will and the work of God himself. For the will of God to save the world was not only an annunciation of God's inclination in the past, but is an action, a deed, a work of God, which goes on from day to day. God is love; but that love is no quiescent attribute, but an eternal, omnipresent energy which realizes itself in the hearts of men. God is Father; but that Fatherhood is no mere title of honor, but an almighty, energetic power which regenerates men as his children and heirs. 47 Christianity is no mere revelation of God in the past, but it is, in connection with the past, a work in the midst of this and every time. The Father of Jesus works always hitherto, and he himself works also. All other religions try to obtain salvation by the works of men, but Christianity makes a strong protest against this; it is not autosoteric but heterosoteric; it does not preach self-redemption, but glories in redemption by Christ alone. Man does not save himself, and does not save God, but God alone saves man, the whole man, man for eternity. It is a religion, not of works, but of faith; not of merits, but of grace. Christianity proves itself in the plan of salvation to be 229 the absolutely spiritual and pure religion. Man can add nothing to it, — salvation is God's work alone; of him, and through him, and to him, are all things.

Maar deze krachtige en altijd werkzame wil Gods realiseert zich niet buiten den mensch om, gelijk de Antinomianen van alle gading het zich voorstellen, maar in den mensch en door hem henen. Hij realiseert zich naar het getuigenis der gansche H. Schrift in wedergeboorte en geloof, in bekeering en vergeving der zonden, in heiligmaking en trouwe volharding. Met andere woorden, als wij aan de profeten, als wij aan Christus en al zijne apostelen vragen, hoe naar hunne gedachte de mensch tot kennis der waarheid en tot een nieuw leven in Gods gemeenschap komt, dan geven zij eenparig ten antwoord: niet door weten en door doen, niet door wetenschap en kunst, niet door goede werken en zelfbeschaving, maar door geloof en bekeering. De Schrift is ontzaglijk rijk in benamingen voor deze via salutis; zij geeft er nooit eene dorre dogmatische beschrijving noch een droog schema van 195 begrippen van; maar zij laat ze ons zien in het leven, en geeft daardoor eene psychologie der religie, gelijk geen wetenschappelijk onderzoek en geen questionaire methode die aan het licht brengen kan. Want alle momenten der heilsorde zijn Gods werk, werking en vervulling van zijn wil; maar omdat zij in den mensch plaats grijpen en zich realiseeren door zijn bewustzijn en wil heen, kunnen zij ook alle van den anthropologischen kant beschouwd en beschreven worden. In de verschillende namen, waarmede het heilsproces wordt aangeduid, komt de onderscheidene individualiteit en ervaring der profeten en apostelen zelven aan het licht. Maar van welk gezichtspunt deze via salutis ook bezien wordt, altijd komt zij hierop neer, dat de mensch, om een kind Gods te worden, niet een cultuurwezen of een staatsburger, niet een man van wetenschap of van kunst, niet een beschaafd of een ontwikkeld mensch moet worden. Dat alles is goed, maar het is de weg naar de Goddelijke gemeenschap niet. Om deze deelachtig te worden, moet iemand wedergeboren, veranderd, vernieuwd, of om den meest gewonen term te gebruiken en daar alles onder samen te vatten, moet iemand bekeerd worden. Bekeering is de eenige, de gansch bijzondere weg naar den hemel.

But this almighty and always active will of God is not realized without man, as antinomians of all kinds imagine, but in man, and through man. It is realized, according to the witness of the whole Scripture, in regeneration and faith, in conversion and forgiveness of sin, in sanctification and perseverance. In other words, if we, ask of the prophets, of Christ and his apostles, how man comes to a knowledge of the truth, and to a new life in God's fellowship, then they give the answer unanimously, — not by knowledge or action, nor yet by science or art, nor yet again by good works or civilization, but by faith and conversion. Scripture has a richness of names for this plan of salvation; it never gives a dry, dogmatic description, nor an abstract scheme of conceptions, but shows it to us in life, and gives us thereby a psychology of religion such as no scientific investigation, and no questionaire method can bring to light. For all the steps in the way of salvation are God's work, the effect and fulffiment of his will; but because they take place in man, and are realized in his consciousness and will, they may all be considered and described also from an anthropological point of view. The distinct individuality and experience of the prophets and apostles themselves appear in the different names by which the process of salvation is indicated. But from whatever point of view this plan of salvation is con- sidered, this is always the result, — that man, in order to become a child of God, does not need to be a cultured being or a citizen of standing, a man of science or of art, a civilized or a developed man. These are all good, but not one indicates the way to divine fellowship. In order 230 to become a sharer in this a person must be regenerated, changed, renewd, or, to use the most common term, aperson must be converted. Conversion is the sole and the absolutely peculiar way to heaven.

Als de Christelijke religie zich zoo bij monde van al hare getuigen uitspreekt, heeft zij daarmede reeds terstond de conscientie van alle menschen op hare hand. Want hierover kan geen twijfel bestaan, dat, indien er werkelijk eene verlossing is, deze allereerst in verlossing van de zonde moet bestaan. Alle menschen hebben een besef van goed en kwaad, een ontschuldigend en beschuldigend geweten, een bewustzijn van schuld en onreinheid, een vrees voor straf en een verlangen naar verlossing. Maar zij dwalen menigmaal zoowel over het karakter der zonde, als over den weg der verlossing. Eenerzijds wordt de zonde verzwakt tot eene toevallige, willekeurige daad, waarvan de mensch door weten of door doen, zich langzamerhand bevrijden kan; anderzijds wordt ze gehouden voor zulk een ingeworteld kwaad, dat zij met het zijn, met de natuur, met de stof of de zinlijkheid vereenzelvigd wordt. Confucius staat hier tegenover Buddha, Mohammed tegenover Mani, Socrates tegenover Plato. En binnen de Christelijke kerk komen nu en 196 dan dezelfde opvattingen en tegenstellingen voor. Heden ten dage hoort men eenerzijds de leer verkondigen, dat men het met de zonde niet te ernstig nemen moet; ze is geen hebbelijkheid, geen toestand, geen booze gezindheid van het hart, maar uitsluitend eene willekeurige wilsdaad, die zeer gemakkelijk geboren wordt uit den strijd tusschen individu en maatschappij, tusschen natuur en cultuur, maar die daarom ook gemakkelijk nagelaten en overwonnen kan worden. 48 Anderzijds wordt de zonde voorgesteld als een geheel van egoïstische instincten en driften, die den mensch uit zijn vroegeren dierlijken toestand bijgebleven zijn, in den wilde en in het kind nog over de altruïstische neigingen de overhand hebben, en anachronistisch en atavistisch in het misdadigerstype krachtig nawerken. 49

In speaking in this way the Christian religion gains at once the consciences of all men. For there can be no doubt that, if there is really a redemption, this must consist before all things in redemption from sin. All men have a notion of good and evil, a conscience which accuses or excuses thein, a consciousness of guilt and impurity, a fear of punishment, and a desire for redemption. But they often err as deeply about the character of sin as about the way of redemption. On the one side, sin is minified to an accidental and arbitrary act, from which man can eventually deliver himself by knowledge or act; on the other side, sin is considered as such an ineradicable evil that it is identified with being and nature itself. Confucius holds here the opposite view from Buddha, Mohammed from Mani, Socrates from Plato. And within the Christian church the same ideas and contrasts appear now and then. In our days some preach the doctrine that one must not take sin too seriously, because it is no habit, no condition, no bad inclination of the heart, but exclusively an arbitrary act of the will, which very easily arises from the conflict between the individual and society, between nature and culture, but for that reason also can easily be given up and conquered. 48 On the other hand, sin is represented as a mass of egoistic instincts and passions, which have been carried over by man from his former animal condition, which still hold supremacy over the altruistic inclinations in the savage and in the child, and anachronistically and atavistically exercise their influence in the criminal type. 49 231

Beide beschouwingen naderen elkander dan weer daarin, dat de aangeboren zelfzuchtige neigingen, de dierlijkheid en zinnelijkheid, op zichzelf geen zonde zijn, dat zij ook op lateren leeftijd, wanneer zij in strijd met de belangen der maatschappij worden ingewilligd, geen schuld en smet veroorzaken, maar alleen eene zwakheid, eene ziekelijkheid verraden, die genezing behoeft. Wat de wond is aan het lichaam, dat is de misdadiger in de maatschappij.50 In de „Christian Science" wordt dan de zonde consequent met de ziekte op ééne lijn gesteld, en beide worden voorgesteld als eene inbeelding, als eene dwaling in de gedachte, die alleen door de gedachte overwonnen en genezen kan worden. 51 De gronddwaling van het Heidendom keert terug; wijl de heiligheid Gods verloren is gegaan en de goden met de natuurmachten vereenzelvigd worden, gaat ook het onderscheid tusschen zonde en ellende en dienovereenkomstig ook dat tusschen verlossing van de zonde en redding uit den nood te loor. Met het moderne bijgeloof hangt de in allerlei vormen zich verbreidende kwakzalverij ten nauwste samen. Als de macht, waarvan de mensch afhangt, het karakter van persoonlijke heiligheid mist, voelt hij zich daartegenover niet als schuldig zondaar, maar als onmachtig, hulpeloos, ellendig schepsel, en zoekt hij dus geen ethische verlossing, maar physische genezing en lichamelijk welzijn. Indien deze bij de artsen niet te vinden zijn, wordeg zij bij de 197 charlatans en de kwakzalvers, in superstitieuze en magische middelen gezocht.

The two views approach one another in this way, that the innate egoistic inclinations, namely, the animality and sensuality, are of themselves no sin, that they also in later life, if they are yielded to in conflict with the interests of society, cause no guilt and no stain, but only betray a weakness and disease, which need cure. What the wound is to the body, that is the criminal in society. 50 In so-called “Christian Science" sin consequently is put into the same category as illness, and both are represented as an illusion, as an error in thought, which can only be cured by thought. 51 The fundamental error of heathenism thus returns, because the holiness of God is lost, and the gods are identified with the powers of nature; and therefore the distinction between sin and misery, and accordingly between redemption from sin and relief from misery, is lost. Modern superstition and the increasing quackery rest upon each other. If the power on which man depends loses the character of personal holiness, man feels himself no longer a guilty sinner, but a powerless, helpless, miserable creature, and desires not an ethical redemption, but physical cure and bodily welfare. And if one cannot find these among the physicians, they are sought for amongst the charlatans and quacksalvers through superstitious and magic means.

Tegenover al deze richtingen handhaaft de Christelijke religie en zij alleen het zuiver ethisch karakter der zonde. Zij doet dat, door tusschen schepping en val onderscheid te maken. In alle stelsels, die de zonde met de substantie der dingen vereenzelvigen, wordt de schepping tot een val verlaagd, en de val, waarvan de Schrift verhaalt, als inkleeding beschouwd van een aanmerkelijken vooruitgang in het leven der menschheid, als intrede uit de dierlijke onnoozelheid in den staat van menschelijke bewustheid. 52 Feitelijk wordt daarmede de gansche orde omgekeerd; God wordt de auteur van de zonde, en aan de slang is de vooruitgang van het menschelijk geslacht te danken. De Ophieten waren daarom consequent, als zij God als een onzaligen demiurg beschouwden en de slang als eene Godheid vereerden. Trouwens, in de voluntaristisch-pantheïstische philosophie van den nieuweren tijd is het niet God, die den mensch, maar de mensch, die God verlost. De Schrift herstelt de oorspronkelijke orde, onderscheidt en scheidt den val van de schepping, maar handhaaft daardoor ook de mogelijkheid der verlossing. Want als de zonde met de dierlijkheid en zinlijkheid, met de afkomst en de natuur van den mensch samenvalt, dan is er geen verlossing mogelijk tenzij door vernietiging. De hemel is dan geen opperste expansie van het waarachtige leven, maar de ondergang van alle bewustzijn, wil en persoonlijkheid, de afgrond van het niets, de wegzinking in den eeuwigen dood. Daarentegen, indien de zonde een ethisch karakter draagt, dan is er verlossing mogelijk en is de bekeering in beginsel de overwinning der zonde, afsterving van den ouden, opstanding van den nieuwen mensch. 53

The Christian religion alone maintains, in opposition to all these tendencies, the purely ethical character of sin. It does this by distinguishing between creation and fall. In all systems which identify sin with the substance of things, creation is changed into a fall, and the fall which Scripture relates is represented as the symbol of a remarkable progress in the life of humanity, as the rise from animal innocence into the state of human consciousness. 52 In reality, the whole order of things is thereby 232 reversed; God becomes the author of sin, and the serpent the author of human progress. The Ophites acted, therefore, logically when they represented God as an unhappy demiurge, and the serpent as a blessed deity. In truth, in the voluntaristic-pantheistic philosophy of recent times it is uot God who saves man, but man who saves God. Scripture restores the original order by distinguishing and separating creation and fall, but maintains thereby also the possibility of redemption. For if sin is identified with animality and sensuality, and has its origin in the descent and nature of man, then there is no redemption possible except by annihilation. Heaven is then no uppermost expansion of true life, but the extinction of all consciousness, will, and personality, the abyss of nothing, the sinking into everlasting death. On the contrary, if sin bears an ethical character, then redemption is possible, and conversion is in principle the conquest of sin, the death of the old and the resurrection of the new man. 53

Maar dan is de bekeering ook voor ieder mensch noodzakelijk en zedelijk verplicht. En als de Christelijke religie deze absolute noodzakelijkheid der bekeering staande houdt, heeft zij wederom het getuigenis van aller conscientie, de leer en het leven der gansche menschheid op hare hand. Ieder mensch heeft het diepe, onuitroeibare besef, dat hij niet is, die hij behoort te zijn; daar is eene tweespalt tusschen zijn plicht en zijne neiging, welke hij 198 evenmin te niet doen als ontkennen kan; de mensch is gebroken, zijne eenheid, zijne harmonie is weg. En het vreemdste in dit vreemde verschijnsel is, dat het geen twee menschen zijn, die alzoo in hem met elkander worstelen, maar het is beide keeren dezelfde mensch. Het zijn onze voorstellingen, gedachten, neigingen en begeerten, die onderling tegen elkander strijden en de overwinning zoeken te behalen; het is hetzelfde subject, dat zich nu eens verontschuldigt en dan zichzelf aanklaagt, dat de zondige neiging met wellust inwilligt en daarna door berouw en spijt wordt gekweld, dat nu eens opspringt van vreugde en daarna ten doode is bedroefd. 54 Uit de gansche geschiedenis der menschheid klinkt eene ontroerende klacht over deze gebrokenheid des levens ons tegen; zij vindt haar schoonste uiting in de zangen der dichters, maar ieder mensch weet er van mede te spreken; alle godsdienst wordt er door bezield, elke poging tot hervorming gaat van haar uit, alle ethiek gaat haars ondanks uit den descriptieven toon in den imperatieven over, en iedere philosophie zoekt met de behoeften des verstands ook die des harten te bevredigen. Men kan over den aard en den omvang der bekeering verschillen, maar hare noodzakelijkheid staat voor allen vast; de gansche menschheid verkondigt de waarheid van den val.

But in that case conversion is a necessary and moral duty for every man. If the Christian religion maintains the absolute necessity of conversion, it. joins to itself again the witness of all consciences, the doctrine and life of the whole of humanity. Every man has the deep and ineradicable conviction that he is not what he ought to be; there is a schism between his duty and his inclination which he cannot deny and cannot do away with. Man is broken; his unity, his harmony has gone. And the strangest thing in this strange phenomenon is that he is not two men who struggle with one another, but he is in both cases the same man. It is our conceptions, ideas, inclinations and desires which are striving together and seeking to obtain the mastery; it is the same subject which excuses and accuses itself, which gives way willingly to 233 sinful desire, and is afterwards torn by repentance and grief, which alternately springs up in joy and languishes in sorrow. 54 From the whole history of man resounds a heartbreaking complaint over the disruption of life; it finds its finest expression in the songs of the poets, but each man knows it by experience; all religion is animated by it, every eflort toward reform proceeds from it, all ethics assume the imperative tone after the descriptive one, and every philosophy strives to set the heart at ease as well as to satisfy the intelligence. Men may differ as to the nature and the reach of conversion, but its necessity is established beyond all doubt; the whole of humanity proclaims the truth of the fall.

Zeker is er allerlei verschil in de wijze, waarop de bekeering plaats grijpt. Ofschoon de H. Schrift onder bekeering altijd eene zoodanige godsdienstig-zedelijke verandering van den mensch verstaat, waardoor hij zijn zondigen weg verlaat en den waarachtigen God, die zich aan Israël en in Christus heeft geopenbaard, van harte leert kennen, liefhebben en dienen; toch is zij in de toepassing van dit begrip zoo ruim mogelijk en maakt zij de zaak onafhankelijk van de wijze, waarop zij tot stand komt. Zij spreekt van bekeering bij Israël en bij de Heidenen, bij enkelen en bij steden en volken, en zij laat ons in de voorbeelden van Nathanaël en Nicodemus, Zacheus en de groote zondares, Paulus en Timotheus en zoovele anderen de verschillende vormen zien, waarin de bekeering zich voordoen kan. 55 In den eersten tijd, toen het Christendom door de prediking der apostelen in de Heidenwereld eene plaats veroveren moest, viel de bekeering saam met 199 het voornemen, om de afgoderij te laten varen en alleen den levenden God te dienen; het Nieuwe Testament teekent ons den overgang van het Christendom uit de joodsche in de Grieksch-Romeinsche wereld en is in de eerste plaats het boek van de missie, toen door den dienst der apostelen vervuld. 56 Toen later de kerk vasten voet in de wereld verkregen had, en zich niet het meest door zending onder de Heidenen, maar door de catechese van hare eigene kinderen zich uitbreidde, veranderde de bekeering niet in wezen, maar nam zij toch een anderen vorm aan. De kerk bracht den kinderdoop in practijk en sprak daarmede uit, dat wedergeboorte en bekeering onderscheiden zijn, en dat de bekeering in den regel eene bewustwording is van dat nieuwe leven, dat reeds lang te voren in het hart is geplant.

Zelfs de revivals leveren daarvan een bewijs; want zij zijn onder eene Heidensche bevolking niet mogelijk en hebben alleen binnen de grenzen der Christelijke kerken plaats. Ook heeft de psychologie der religie zeer duidelijk in het licht gesteld, dat de plotselinge bekeeringen, die er in de revival-meetings plaats grijpen, niet zoo plotseling zijn als ze schijnen, maar eene herleving zijn van indrukken en aandoeningen, die soms reeds jaren te voren ontvangen, daarna in het hart, beneden den drempel van het bewustzijn, weggezonken zijn, en bij bijzondere gelegenheden wederom met kracht te voorschijn springen. 57 De fout van het Methodisme bestaat dan ook niet daarin, dat het de slapende kerken wakker wil schudden en het onbewuste leven in bewuste daad wil doen overgaan; maar zij is hierin gelegen, dat het maar al te vaak het organisch bestaan der kerk, dat is m.a.w. het verbond der genade miskent, het wezen der bekeering met een bepaalden vorm vereenzelvigt, dezen als noodzakelijk aan allen voorschrijft en dienovereenkomstig ook kunstmatig teweegbrengen wil. Zoodra dit geschiedt, mengt menschenwerk zich onder het werk des Geestes, wordt het wezen aan den vorm, en soms zelfs aan zeer vreemde vormen, opgeofferd, en gaan de ernst en de rijkdom belde van de H. Schrift te loor.

There is no doubt much diversity in the manner in which conversion takes place. Scripture makes it clear that by conversion is meant a religious and moral change in man, by which he deserts his sinful ways and learns to know, love, and serve with his whole heart the true God, who has revealed himself in Christ; but it at the same time allows a wide application of this idea, and discriminates the process itself from the manner in which it is brought about. It speaks of the conversion of Israel and of the heathen, of individuals and of towns and of peoples, and it exhibits ir. the examples of Nathanael and Nicodemus, Zaccheus and Mary Magdalene, Paul and Timothy, different modes in which conversion may be realized. 55 In early times, when Christianity was conquering a place for itself in the world through the preaching of the apostles, conversion coalesced with the resolution to abandon idolatry and to serve the only living God. The New Testament describes to us the transition of Christianity from Judaism to the Greco-Roman world, and is, in the first place, the book of the mission which was fulfilled by the work of the 234 apostles. 56 When later the church obtained a firm foothold in the world, and grew not so much through missions among the heathen as by means of catechizing her own children, conversion assumed another form, while remaining the same in essence. In infant baptism it was confessed that conversion and regeneration differ, and conversion is ordinarily a coming to consciousness of that new life which has long before been planted in the heart. An illustration of this is supplied also by revivals, which do not occur among heathen, but only within the limits of the Christian church. The psychology of religion also suggests that the sudden conversions which occur in revival-meetings need not be so sudden as they appear, but may he a revivification of impressions and emotions received sometimes years previously, and have sunk into the heart beneath the threshold of consciousness, and by the force of peculiar circumstances spring again into new life. 57 It is a good work to awaken the sleeping churches, and to stir up the unconscious life into conscious action, but it is a fault if the organic existence of the church is insufficiently recognized, involving as this does a misunderstanding of the covenant of grace and too close an identification of conversion with one definite form of conversion, which is therefore prescribed as necessary to all and produced artificially. As soon as this happens, human agency is confused with the work of the Spirit, the essence is sacrificed to the form, and sometimes even to very strange forms, and the earnestness and richness of Scripture is lost.

Want deze kenmerkt zich altijd daardoor, dat zij het wezen en den ernst der bekeering nooit verzwakt, en steeds toch voor hare 200 rijke verscheidenheid een open oog houdt. Maria en Martha waren zeer verschillend in religieuze gezindheid, maar Jezus had ze beide lief. De apostelen liepen in aanleg en karakter zeer verre uiteen, maar zij waren allen discipelen des Heeren. In de Christelijke kerk zijn Augustinus en Franciscus van Assisi, Luther en Calvijn, Wesley en Zinzendorf langs zeer onderscheidene wegen geleid, maar zij zijn toch allen kinderen van hetzelfde Vaderhuis met zijne vele woningen. Inzoover er niets anders mede bedoeld wordt, dan om aan deze rijke verscheidenheid van het geestelijk leven uitdrukking te geven, bevat, de onderscheiding tusschen „healthy-minded" en „morbid-minded souls" een goeden zin. 58 Niet allen doen dezelfde ervaring van schuld en genade op; de diepere kennis van de zonde en de rijkere troost van de vergeving is zelfs niet wortel maar vrucht van het Christelijk geloof. 59 Het Evangelie is zoo rijk en het heil, door Christus verworven, bevat zoovele en zoo onderscheidene weldaden, dat de verschillendste behoeften erdoor bevredigd en de rijkste krachten der menschelijke natuur er door tot ontwikkeling gebracht Worden. Er zijn tijden, waarin het Evangelie vooral aantrekt, omdat het vergeving van alle schuld der zonde belooft; en er zijn andere tijden, waarin het vooral bekoort, wijl het den dorst naar een nieuw, heilig leven stilt. 60 Het Evangelie van de Synoptici en van Johannes, van Paulus en Petrus en Jakobus hebben in de verschillende Christelijke kerken, bij verschillende personen, in verschillende tijden en plaatsen ook onderscheidene sympathieën opgewekt. Onder allen volke is Gode aangenaam, die Hem vreest en gerechtigheid werkt.

It may be remarked throughout Scripture that the essence and the seriousness of conversion are never obseured, and yet the rich variety of its manifestation is continually exhibited. Mary and Martha were very 235 different in religious disposition, but Jesus loved them both. The apostles differed in endowments and character, but they were all disciples of the Lord. In the Christian church, Augustine and Francis of Assisi, Luther and Calvin, Wesley and Zinzendorf, walked in various pathways, but still they were all children of the same Father's house, with its many mansions. So far as it is intended merely to give expression to the rich diversity of spiritual life, the distinction between “healthy-minded" and “morbid-minded souls" need not be condemned. 58 All have not the same experience of guilt and grace; the deeper knowledge of sin, and the richer comfort of forgiveness, are not the root, but the fruit of Christian faith. 59 The Gospel is so rich, and the salvation purchased by Christ contains so many and diverse benefits, that the most varied needs of men are satisfied by it, and the richest powers of human nature are brought to development. There are times in which the Gospel especially attracts, because it promises forgiveness of all guilt of sin; and there are other times in which it charms most, because it stills the thirst for a new, holy life. 60 The Gospel of the Synoptics, of John, and Paul, and Peter, and James, have awakened various sympathies in the different churches and among different peoples in different times and places. In every nation is accepted with God he who fears him and works righteousness.

Desniettemin, bekeering moet bekeering blijven. Wat zij is, dat zegt ons geen wetenschap of wijsbegeerte, maar dat leert ons alleen de H. Schrift; en indien deze het ons niet zegt of in haar zeggen niet te vertrouwen is, blijft er slechts vertwijfeling over aan de verlossing der menschheid en de redding der wereld. De wijsbegeerte kan ons, maar dan toch altijd weer onder invloed van het Christendom, bij monde van Kant en Schopenhauer prediken, dat er, indien de zonde werkelijk geheel en al uit de menschelijke natuur zal worden uitgeroeid, „eine Art Wiedergeburt" noodzakelijk is; maar zij kan ons nooit de blijde boodschap 201 verkondigen, dat er zulk eene bekeering bestaat, noch ook den weg aanwijzen, waarin zij verkregen kan worden. En de psychologie der religie kan de verschijnselen, die met de bekeering samengaan, van den anthropologischen kant bezien en ze ophelderen uit analogieën op ander gebied; maar zij dringt naar hare eigene erkentenis 61 tot de kern en de oorzaak van deze verschijnselen niet door. Zelfs loopt zij, wanneer zij de norma der H. Schrift prijsgeeft en die verschijnselen uitsluitend anthropologisch beziet, gevaar, om op eene aan het Methodisme verwante wijze het wezen aan den vorm en de kern aan de schaal op te offeren.

Want psychologisch beschouwd, zijn alle alteraties der persoonlijkheid gelijk; de val is evengoed eene transformatie van het bewustzijn als de verlossing en de wedergeboorte; de verandering van een deugdzaam mensch in een dronkaard, een wellusteling, een dief en een moordenaar is dan evengoed eene „bekeering", als het tot zichzelven komen van den verloren zoon en zijn terugkeer naar het vaderhuis. 62 Wanneer de verschijnselen, die menigmaal met de bekeering samengaan, ontbreken, wordt hieruit lichtvaardig besloten, dat zij of niet heeft plaats gehad of zelfs in het geheel niet noodig was; naast de „twice-born men" komen dan de „once-born men", de rechtvaardigen, te staan, die geen bekeering van noode hebben. 63 En uit de verscheidenheid der religieuze verschijnselen leidt men even lichtvaardig af, dat er geen wezen aan ten grondslag ligt, dat alle bekeeringen op zichzelf even waar zijn, en dat ieder zalig kan worden op zijne eigene wijze. 64 Zoo gaat onder de psychologische behandeling het wezen der bekeering teloor, evenals het leven onder de vivisectie bezwijkt: het pragmatisme, dat alleen met empirische verschijnselen rekent, is nominalistisch in beginsel en wordt relativistisch bij de uitkomst.

Nevertheless conversion must remain conversion. What it is no science or philosophy can tell us, but we learn from Holy Scripture alone. If this does not tell us, or is not to be trusted in what it tells us, we are in despair as to the redemption of the world and the salvation of mankind. Philosophy may teach us through the lips of Kant and Schopenhauer — though even this always under the 236 influence of Christianity — that if sin is to be really eliminated from human nature, a sort of regeneration is necessary. But it can never proclaim the glad tidings that such a conversion exists, nor can it show the way to obtain it. The psychology of religion may bring into view the phenomena which are connected with conversion from the anthropological side, and illustrate them by analogies from other regions, but it does not penetrate, as it itself acknowledges, 61 to the core and the cause of these phenomena. It even incurs the danger — if it abandons the guidance of Scripture and presents these phenomena exclusively from an anthropological standpoint — of sacrificing the essence to the form and the kernel to the husk. Viewed psychologically, all alterations of personality are alike: the fall is as much a transformation of consciousness as redemption and regeneration; the change of a virtuous man into a drunkard or a voluptuary, a thief or a murderer, is as much a “conversion" as the coming to himself of the prodigal son and his return to his father's house. 62 If certain phenomena which are often connected with conversion are wanting, some rashly conclude that conversion itself has not really taken place, or was not wholly necessary. By the side of the “twice-born" is ranged, then, the category of the “once-born men," or righteous men who have no need of conversion. 63 The diversity of religious phenomena leads men rashly to the conclusion that conversion has no reality, that all “conversions" are in themselves equally real, and that each man can be saved in his own way. 64 Thus under the psychological treatment the essence of conversion is lost, just as life perishes vivisection. Pragmatism, which only takes into account empirical phenomena, is nominalistic in principle, and becomes relativistic in result. 237

Tegen deze nivelleering van alle wezensonderscheid verzetten zich echter beide Schrift en ervaring. Want naar beider getuigenis is de bekeering niet eene van die vele transformaties van het bewustzijn, welke telkens in het menschelijk leven voorkomen, maar draagt zij een specifiek karakter. Er is dan alleen van bekeering in echten zin sprake, wanneer een mensch zoodanig in zijn gansche 202 wezen veranderd wordt, dat hij een hartelijk leedwezen over en een innigen afkeer van de zonde verkrijgt en in plaats daarvan eene hartelijke vreugde in God en een oprechten lust tot het volbrengen van zijn wil ontvangt. Waarachtige bekeering bestaat alleen in de afsterving van den ouden, zondigen mensch en in de opstanding van den nieuwen, heiligen mensch. 65 „All holy persons are twice-born persons", 66 want van nature bezit de mensch die heiligheid, die innige, hartelijke liefde tot God en dien lust in het volbrengen van zijne geboden niet. Als Kant en Schopenhauer met zoovele anderen van het radicaal-booze in de menschelijke natuur spraken, hebben zij daarmede aan de waarheid getuigenis gegeven. Stanley Hall vraagt terecht: „who that is honest and has true self-knowledge, will not confes to recognising in his own soul the germs and possibilities of about every crime, vice, insanity, superstition and folly in conduct he ever heard of?" 67 En ook James erkent, dat „healthy-mindedness is inadequate as a philosophical doctrine, because the evil facts which it refuses positively to account for are a genuine portion of reality". 68

Scripture and experience are both in opposition to this levelling of all essential distinctions; for both testify that conversion is not one of those many transformations of consciousness which often take place in human life, but that it bears a specific character. Conversion can be said to be genuine only when a man is changed in his entire being in such a way that he experiences a hearty repentance and an inner horror of sin, succeeded by a lively joy in God and a sincere desire for the fulfilment of his will. True conversion consists only in the dying of the old sinful man, and in the resurrection of the new, holy man. 65 “All holy persons are twice-born persons," 66 for by nature man does not possess that holiness and that deep and hearty love to God and desire for the fulfilment of his commandments. When Kant and Schopenhauer, and many others speak so much of the radical evil in human nature, they thereby bear witness to the truth. Stanley Hall rightly asks, “Who that is honest and has true self-knowledge will not confess to recognizing in his own soul the germs and possibilities of about every crime, vice, insanity, superstition, and folly in conduct he ever heard of?" 67 And James acknowledges in the same way that “healthy-mindedness is inadequate as a philosophical doctrine because the evil facts which it refuses positively to account for are a genuine portion of reality." 68

Nu kan er verschil van meening over bestaan, of zulk eene bekeering, als Schrift en Christelijke religie leeren, mogelijk en of zij werkelijk is. Maar indien zij bestaat, kan er geen twijfel over rijzen, dat zij een anderen oorsprong en eene andere oorzaak heeft, dan de louter psychologische werking van menschelijke voorstellingen en menschelijke krachten. De psychologie der religie zegt terecht, dat zij hierover niet beslissen wil of kan. 69 James gaat zelfs verder en zegt, dat in het onbewuste de realiteit zelve zich openbaart, dat daar verborgen krachten en ideëen werken, dat Gods genade werkt door de „subliminal door", en hij noemt zich daarom ook een supanaturalist, zij het in gewijzigden vorm. 70 Deze erkenning van het supranaturalisme in de religieuze ervaring baart geen verwondering, want, als de openbaring in de historie, bijzonder in den persoon en het werk van Christus, ontkend wordt, kan men de waarheid en het recht der religie alleen nog handhaven, door eene openbaring aan te nemen in het religieuze subject. Indien religie werkelijk gemeenschap met God is, sluit zij zijne inwoning en inwerking in des menschen zieleleven in. 203 Schrift en theologie hebben zulk eene gemeenschap van God en mensch in hare leer van de unio mystica dan ook steeds uitgesproken en gehandhaafd. Maar wanneer deze subjectieve openbaring op zichzelve wordt gesteld en van alle objectieve openbaring in natuur en Schrift, in historie en kerk wordt losgemaakt, opent zij de deur voor allerlei dwaling; ten slotte komt zulk eene subjectieve openbaring dan op niets anders neer, dan dat er een „ More" is, hetwelk in de „ subliminal consciousness" van den mensch inwerkt en door ieder naar gelang van zijn natuur en omgeving anders geïnterpreteerd wordt. 71 Het pragmatisme leidt wederom tot een tegenover alle godsdiensten neutraal indifferentisme.

Now there may be differences of opinion as to the possibility and reality of a conversion such as Scripture and the Christian religion teach. But if it exists, there can be no doubt that it has another source and another cause than the purely psychological operation of human representations and powers. The psychology of religion rightly says that it neither will nor can pronounce a decision. 69 James goes even further, and says that reality itself is 238 revealed in the unconscious, that hidden powers and ideas work there, and that God's mercy is working through the “subliminal door"; and so he calls himself a supernaturalist, though in a modified form. 70 It causes no wonder that this supernaturalism is acknowledged in religious experience, for, if revelation in history, especially in the person and work of Christ, is denied, the truth and the right of religion can only be maintained by accepting a revelation in the religious subject. If religion is, really communion with God, it includes his indwelling and inworking in the human soul. Scripture and theology, therefore, have always taught and maintained such a fellowship of God and man in their doctrine of the mystical union. But if this revelation in the subject is isolated from all objective revelation in nature and Scripture, in history and the church, it opens the door for all kinds of error. Finally, such a subjective revelation results in nothing beyond a “more," which works in the “subliminal consciousness" of man, and is interpreted by each one according to his nature and environment. 71 Pragmatism leads here also to indifferentism regarding all religions.

Zulk een religieus indifferentisme is echter met alle ervaring in strijd en wordt met name door de Christelijke religie ten sterkste weersproken. Want de bekeering, die ons met God in gemeenschap brengt, komt nooit unvermittelt tot stand, maar sluit zich altijd aan bij voorstellingen en indrukken, welke wij korter of langer tijd te voren ontvangen hebben. 72 Zij heeft altijd plaats in verband met het historisch Christendom, dat in eenen of anderen vorm vóór en buiten ons bestaat en nu in harmonie treedt met ons eigen zieleleven. Zij ontstaat niet spontaan uit en door ons zelf, maar doet ons met volle overtuiging inleven in het religieuze milieu, waarin wij geboren en opgevoed of ook op lateren leeftijd ingeleid zijn. De religieuze voorstellingen zijn dan ook volstrekt geen subjectieve interpretaties van de gemoedsaandoeningen, die iemand persoonlijk ervaart; hij formuleert deze evenmin als het kind, dat, het spraakvermogen medebrengende, de taal niet zelf produceert maar zijn ganschen woordenschat van de lippen zijner moeder ontvangt, Op geen enkel terrein en zoo ook niet op godsdienstig gebied brengt de mensch denkende de waarheid voort, maar door onderzoek en studie leert hij de waarheid kennen, die onafhankelijk van en vóór hem bestaat. Daarom is de religieuze ervaring noch de bron noch de grondslag der religieuze waarheid; 73 alleen brengt zij ons met de bestaande waarheid in verband en doet ze ons als waarheid erkennen, wat vroeger voor ons slechts een klank was of ook geloochend en bestreden werd. Bekeering is niet de bron der waarheid, maar bron der zekerheid 204 aangaande de waarheid. Zij geeft getuigenis in ons hart aan de godsdienstige voorstellingen, welke buiten en vóór ons bestonden.

Such a religious indifferentism is, however, in conflict with all experience, and is in the strongest way contradicted by the Christian religion. For the conversion which brings us into fellowship with God never happens unmediatedly, but is always connected with representations and impressions which we have received at some time, shorter or longer, previously. 72 It always takes place in connection with historical Christianity, which in one or another form exists before and without us, and now enters into harmony with our own soul. It does not arise spontaneously out of and by ourselves, but causes us to live with fuller conviction in the religious 239 circle wherein we were born and brought up, or into which in later life we have been introduced. The religious representations are thus no subjective interpretations of our personal emotions; we formulate them as little as the child, who, though it brings with it the faculty of speech, does not produce speech itself, but receives the whole treasure of words from the lips of its mother. Man does not produce truth by thought in any domain, and certainly not in religion, but by inquiry and study he learns to know the truth, which exists independently of and before him. Therefore religious experience is neither the source nor the foundation of religious truth; 73 it only brings us into union with the existing truth, and makes us recognize as truth what formerly was for us only an empty sound, or even was denied and opposed by us. Conversion is not the source of truth, but the source of certainty as to the truth. It bears witness in our heart as to the religious representations which existed outside of and before us.

Terwijl alzoo eenerzijds de afhankelijkheid der religieuze ervaring van het historisch Christendom gehandhaafd moetworden, dient andererzijds ook hare zelfstandigheid en vrijheid erkend te worden. Velen kennen geen ander dilemma dan uitwendig gezag, blind autoriteitsgeloof, verstandelijke toestemming van vreemde en harde dogmata aan den eenen kant, en vrije vroomheid, individualistische formuleering van het gemoedsleven aan de andere zijde. 74 Maar de werkelijkheid onderwijst ons gansch anders. Zooals wij de oogen openende, de werkelijkheid der wereld niet scheppen maar gansch vrijwillig erkennen; zooals wij denkende, de waarheid niet voortbrengen, maar zoeken en vinden; zoo ontvangt de religieuze mensch ook volkomen vrij en spontaan de realiteit dier geestelijke dingen, welke hem van God geschonken zijn. Hij ziet ze nu, terwijl hij vroeger blind was; hij verstaat ze nu, terwijl hij ze vroeger als natuurlijk mensch niet vatten kon; door de wedergeboorte gaat hij het koninkrijk der hemelen in; daar hij den wil Gods heeft leeren liefhebben, erkent hij, dat jezus niet van zichzelven maar dit den Vader spreekt; hij hoort en onderkent thans Jezus' stem, omdat hij zijn woord verdragen kan.

Zoo is te verstaan, dat de bekeering eene onwankelbare zekerheid medebrengt aangaande de dingen, waarin de Christelijke religie ons onderwijst. Indien zij niets meer dan eene gevoelszaak, eene gemoedsaandoening ware en volkomen opging in de mystiek van het hart, zou zij zulk eene persoonlijke belangstelling in de objectieve woorden en feiten van het Christendom niet wekken kunnen. Maar de ervaring leert anders; de bekeering heeft in verband met de Christelijke religie plaats; het geloof, dat er de positieve zijde van uitmaakt, is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet, wijl het cognitio en fiducia, een vertrouwend kennen en een kennend vertrouwen tegelijk is. Het brengt terstond, van zijn eerste ontstaan af, eene groep van voorstellingen mede, wordt in verband daarmede in ons hart geboren, en legt ons daaraan nu 205 ook verder onverbreekbaar vast. De bekeering, die berouw en geloof, leedwezen en vreugde, afsterving en opstanding tegelijk is en in beginsel den ganschen mensch vernieuwt naar zijn en bewustzijn beide, lijft ons in in eene andere wereld van voorstellingen, dan waarin wij vroeger leefden. En die voorstellingen hangen ook onderling ten nauwste samen. Beide psychologisch en logisch associeeren zich de voorstellingen, welke wij in onze bekeering opdoen, met die, welke het Christendom bevat naar den kring, waarin wij van geboorte thuis behooren of later opgenomen zijn. Het is, eene niet geringe verdienste van het Christendom, dat het zulk een harmonisch geheel van voorstellingen inhoudt, welke subject en object, mensch en wereld, natuur en openbaring verzoent. 75

So we have on the one side to maintain the dependence of religious experience on historical Christianity, and on the other side equally to recognize its independence and liberty. Many know no other dilemma than either external authority, blind belief, intellectual consent to alien and hard dogma, or else free piety and individual formulation of religious life. 74 But reality teaches us quite differently. Just as we with open eyes do not create the reality of the world, but only recognize it, — just as we by thought do not produce the truth, but seek and find it, — so also the religious man receives the reality of spiritual things which are presented to him by God perfectly freely and spontaneously. He now sees them, where he was formerly blind; he understands now what he earlier as a natural man could not conceive; by re-birth he enters into the 240 kingdom of heaven; by loving the will of God he knows that Jesus speaks, not of himself, but of the Father; he hears and understands Jesus' voice now because he can endure his word. So one can understand that conversion produces and generates an unwavering certainty as to the things which the Christian religion teaches us. If it were nothing more than a matter of feeling or sentiment, and were confined entirely to the mysticism of the heart, it would not be able to awaken such a personal interest in the objective words and events of Christianity. But experience teaches otherwise. Conversion takes place in connection with the Christian religion; faith, which forms its positive side, is the substance of things hoped for, the evidence of things not seen, because it is at the same time cognitio and fiducia, a trustful knowledge and a knowing trust. It is accompanied from its first existence by a group of representations, is born in our heart in connection with them, and binds us to them irrevocably. Conversion, which is equally repentance and faith, sorrow and joy, death and resurrection, changes the whole man in principle as to his being and consciousness, incorporates him into another world of representations than that in which he formerly lived. Those representations also depend mutually on each other. Both psychologically and logically the representations which we receive in our conversion associate themselves with those which Christianity includes within the circle to which we belonged from birth or were later adopted into. It is not the least merit of Christianity that it includes such an harmonious whole of representations, which reconcile subject and object, man and world, nature and revelation. 75

Dit gansche proces der bekeering, dat met de ontwaking van het schuld- en noodgevoel een aanvang neemt en zich ontwikkelt tot eene hartelijke vreugde in God door Christus, is van het begin tot het einde psychologisch vermittelt. Wij zien God hier niet van aangezicht tot aangezicht, ook niet, wanneer wij afdalen in de diepten van ons eigen zieleleven. Het onbewuste, de extase, de hallucinatie, de droom, de contemplatie brengt ons niet nader tot Hem, dan het bewuste leven, gelijk de mystiek van alle eeuwen waant, want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen. En dat niet alleen, maar in ons eigen hart, in de wereld buiten ons, en in de openbaring zelve, welke door de Schrift tot ons komt, verheffen zich dikwerf allerlei bezwaren, die wij niet oplossen kunnen. Maar als wij in het diepst onzer ziel overtuigd zijn, dat God ons persoonlijk zaligen wil en aanvankelijk gezaligd heeft, dan is het een onafwijsbaar postulaat des geloofs, dat diezelfde wil ook buiten ons in de geschiedenis zich openbaart en wereld en menschheid niet een eeuwigen ondergang, een stikduisteren nacht en een onpeilbaren afgrond, maar een nimmer eindigenden dag van licht en heerlijkheid tegemoet voert. Boven de natuurkracht, en boven de macht der zonde verheft zich en houdt zich staande de almachtige wil van den hemelschen Vader, die wind en zee en alle dingen zichzelven gehoorzaam doet zijn.

This whole process of conversion, which begins with 241 the awakening of the consciousness of guilt and misery and develops itself into a hearty joy in God through Christ, is from the beginning to the end psychologically mediated. We do not here see God face to face, even if we descend into the depths of our own soul. Unconsciousness, ecstasy, hallucination, dreaming, and contemplation do not bring us nearer to him than the conscious life, as the mysticism of all centuries has fancied, for we walk by faith and not by sight. And not only so, but there arise in our own heart, in the world around us, and in the revelation of Scripture itself, all kinds of difficulties which we cannot resolve. But if we are convinced in our deepest soul that God will save us personally, and in its beginnings has saved us, then it is an unavoidable postulate of faith that this will also reveals itself outside of us in history, and that the world and humanity will not be led to an eternal death and a dark night and an unfathomable abyss, but to a never-ending day of light and glory. Above the power of nature and above the power of sin raises and maintains itself the almighty will of the Heavenly Father, who subdues wind and sea and all things.

Van dien wil zijn bekeering en geloof in ons eigen hart de 206 werking en de vrucht. Al komen ze dus in ons tot stand, op eene psychologische wijze, die met ieders karakter en omgeving rekening houdt, ze zijn toch openbaring van dien wil, die beide het willen en het werken volbrengt naar zijn welbehagen. In en door ons eigen getuigenis heen vernemen wij het getuigenis des H. Geestes, dat op zijne beurt zich aansluit bij het getuigenis, dat van de Schrift en van de gemeente aller eeuwen tot onsuitgaat. In dit getuigenis ligt de ziel van al Gods kinderen vast; door de branding van den twijfel voert het hen de haven van Gods liefde binnen.


Conversion and faith in our own heart are the opera, tion and fruit of that will. Though they occur thus in a psychological way, which takes into account each man's character and environment, yet they are a revelation of that will which works in us both to will and to do according to his good pleasure. In and by our own testimony we bear the testimony of the Holy Spirit, which, in its turn is added to the witness of Holy Scripture and of the church of all centuries. In this witness the souls of all God's children are secure; through the breakers of doubt it brings them into the haven of God's love.


1 Verg. bijv. Otto Pautz, Mohammeds Lehre von der Offenbarung. Leipzig 1898.

2 Frederic W.H. Myers, Human Personality and its survival of bodily death. Ed. and abridged by his son L.H. Myers 1907 bl. 2.

3 Aldaar bl. 3.

4 Kant gaf aan zijne Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels 1755 den bijtitel van Versuch von der Verfassung und dem mechanischen Ursprung des ganzen Weltgebäudes nach Newtonschen Grundsätzen abgehandelt.

5 Troeltsch, Die Absolutheit des Christ. und die Religionsgesch. 1902. Bernouilli, Die wissenschaftliche und die kirchliche Methode in der Theologie. Freiburg 1897. Gross, Glaube, Theologie und Kirche. Tubingen 1902. Rade, Zeits. fur Theol. und Kirche 1900 bl. 80 v. 1901 bl. 429 v.

6 G. Berguer, L'application de la méthode scientifique à la théologie. Genève 1903.

7 Ritschl, Rechtf. und Versöhnung II2 bl. 12.

8 Bachmann, Zur Würdigung des religiösen Eriebens, Neue Kirchl. Zeits. Dec. 1907 bl. 907-931.

9 Schleiermacher, Ritschl, Herrmann, Harnack, Schian, allen brengen de Christelijke ervaring op eene of andere wijze in verband met den persoon van Christus en de in Hem door God ons geschonken openbaring.

10 Bachmann t.a.p.

11 Mulert, Zeits. f. Theol. und Kirche. Jan. 1907 bl. 63, 436.

12 James, The varieties of religious experience, bl. 506.

13 Troeltsch, Psychologie und Erkenntnisstheorie in der Religionswissenschaft. Tubingen 1905. Scheel, Zeits. f. Theol. u. K. 1907 bl. 149-150, 305-307. Id., Die moderne Religionspsych., ib. 1908 bl. 1-38.

14 G.A. Coe, The spiritual life 1903 bl. 23-27.

15 E.D. Starbuck, The psychology of religion 1901 bl. 143-153.

16 Starbuck, bl. 28 v. Coe, bl. 29, 40 v. Stanley Hall, Adolescence I 411 v. II, 95 v. 288 v. 288

17 James, Varieties, bl. 178 v. 195, 196, 201 v. Starbuck, t.a.p. bl. 101-117. Alfred Binet, Les altérations de la personnalité2. Paris 1902.

18 James, Varieties, bl. 3, 6, 29, 30, 486. Flournoy, Les principes de la psych. relig. 1903, bl. 16,17. Murisier, Les maladies du sentiment religieux2. Paris 1903 préface bl. VIII.

19 James, t.a.p. bl. 135, 163, 325, 430.

20 James, t.a.p. bl. 333, 374, 487, 506, 507.

21 James, t.a.p. 122, 131-133, 525, 526. Verg. Lezing IV noot 44.

22 Schian, Der Einfluss der Individualität auf Glaubensgesinnung und Glaubensgestaltung, Zeits. für Theol. und Kirche 1897 bl. 513 v. Id. Glaube und Individualität, id. 1898, bl. 170-194.

23 Pfister, Das Elend unserer wissensch. Glaubenslehre, Schweizer Theol. Zeits. 1905 bl. 209 v. Häberlin, Ist die Theologie eine Wissenschaft? ib. 1906, bl. 17 v.

24 Herrmann, Christ. Protest. Dogmatik, bl. 583-632 van Die Christl. Religion in: Die Kultur der Gegenwart. Id. Die Lage und Aufgabe der evang. Dogm. in der Gegenwart, Zeits. für Theol. und Kirche 1907, bl. 315, 351. Id., Die altorthodoxe und unser Verständnis der Religion, ib. Jan. 1908, bl. 74-77. Verg. C. Wistar Hodge, The idea of dogmatic theology, The Princeton Theol. Review Jan. 1908.

25 Verg. Walther, Eine neue Theorie über das Wesen der Religion, Religion und Geisteskultur 1907, 3, bl. 201-217. Bruining, Over de methode van onze dogmatiek, Teylers Theol. Tijdschr. 1902, 2 bl. 175 v.

26 Bij wijze van voorbeeld zij alleen genoemd F.J. Schmidt, Zur Widergeburt des Idealismus. Leipzig 1908. Dorner, Die Bedeutung der spekulativen Theologie für die Gegenwart, Die Studierstube 1907, bl. 193-207. Mc. Taggart, Some dogmas of religion, bl. 1-12.

27 C. Stumpf, Die Widergeburt der Philosophie. Leipzig 1908, vooral bl. 23v.

28 Max Dessoir, Das Doppel-Ich. Leipzig 1896, bl. 80.

29 Höfler, Grundlehren der Psychologie2. Wien 1905, bl. 108.

30 Coe, The spiritual life, bl. 93.

31 Max Dessoir, t.a.p. bl. 77.

32 Möbius, Die Hofnungslosigkeit aller Psychologie. Halle 1907, bl. 56.

33 Schmidt, Zur Widergeburt des Idealismus, bl. 96.

34 Verg. het praeëxistentianisme bij Mc. Taggart, Some dogmas of religion, bl. 112v. Myers, Human Personality, bl. 26.

35 Bennett, La société Anglo-américaine pour les recherches psychiques. Trad. de M. Sage. Paris 1904.

36 Myers, Human Personality bl. 16.

37 Over de gevaren voor lichaam en geest, zie Zeehandelaar, Het spiritistisch gevaar, Gids Aug. 1907. Traub bij Kalb, Kirchen und Sekten der Gegenwart. Stuttgart 1905, bl. 437 v., 448, 460. Coe, The spiritual life, bl. 169 v. Joseph Hamilton, The spirit world, 1906, bl. 264.

38 Traub bij Kalb, t.a.p. bl. 439 v.

39 Myers, Human Personality, bl. 1 v., 8, 24, 340 v.

40 Traub t.a.p. 449 v.

41 Harnack, Die Aufgabe der theol. Fakultäten und die allgemeine Religionsgesch. 1901. 289

42 J. Kaftan, Die Wahrheit der christl. Religion. Basel 1888 bl. 266 v., 318, 319.

43 Troeltsch, Der Begriff des Glaubens, Religion und Geisteskultur. 1907,3, bl. 191-121.

44 G. Vos, Christian faith and the truthfulness of Bible history, The Princeton Theol. Review, July 1906, bl. 289-305. Troeltsch, Glaube und Geschichte, Religion und Geisteskultur 1908, bl. 29-39. R. Eucken, Hauptprobleme der Religionsphilos. der Gegenwart2. Berlin 1907, bl. 38: Religion und Geschichte.

45 Bijv. Ed. von Hartmann, Die Krisis des Christenthums in der modernen Theologie. Berlin 1880, bl. 1 v.

46 W. von Schnehen, Der moderne Jesuskultus. Frankfort a. M. 1906. O. Pfleiderer, Der moderne Jesuskultus, Protest. Monatshefte 1906, No. 5.

47 Henry W. Clark, The philosophy of Christian Experience. Edinburg 1905, bl. 75 v.

48 Bekend is het woord van Emerson: the less we have to do with our sins the better, en zie voorts Ph. Vivian, The Churches and Modern Thought2 1907 bl. 208 v. F.R. Tennant, The origin and propagation of sin2. Cambridge 1906. W.R. Inge, Personal Idealism and Mysticism 1907, bl. 171. Lodge, The substance of faith3. bl. 46 v. Verg. John M. Edwards, The vanishing sense of sin, Presb. and Ref. Review. Oct. 1899, bl. 606-616.

49 Zoo bij Lubbock, Lombroso, Bagehot, e. a. Verg. Wynaendts Francken, Sociale Vertoogen. Haarlem 1907, bl. 245v.

50 Corre bij R.P. Mees, Wetenschappelijke karakterkennis. 's Gravenh. 1907, bl. 63.

51 Bij James, Varieties, bl. 63.

52 Stanley Hall, Adolescence II, 72.

53 Henry Scott Holland, Vital Values, bl. 107-110.

54 Höfler, Grundlehren der Psychologie2. 1905, bl. 108.

55 Joh. Herzog, Der Begriff der Bekehrung. Giessen 1903, bl. 21 v. Jacques de la Combe, Les nouveau-nés de l'Esprit. Paris 1905, bl. 133v.

56 John W. Diggle, Short Studies in Holiness. London 1900, bl. 47v.

57 Starbuck, Psychol. of religion, bl. 85, 108, 158.

58 James, Varieties, bl. 78-126, 127-165.

59 Joh. Herzog, t.a.p. bl. 103.

60 Aldaar bl. 99v.

61 James, Varieties. bl. 196 v. 242-270. Coe, The spiritual life, bl. 144.

62 James, t.a.p., bl. 178 v. 201. 203.

63 James, t.a.p., 78 v.

64 James, t.a.p., bl. 162, 374, 377,487.

65 Heidelb. Catechismus, vr. 88-90. Verg. Gennrich, Die Lehre von der Wiedergeburt, die Christl. Zentrallehre in dogmengesch. u. religionsgesch. Beleuchtung. Leipzig 1907.

66 John W. Diggle, t.a.p. bl. 25 v.

67 Stanley Hall, Adolescence II, 86.

68 James, Varieties, bl. 163.

69 Zie boven noot 61.

70 James, Varieties, bl. 230 v., 270, 501, 520 v.

71 James, t.a.p., bl. 433, 513-525.

72 Dat in de subliminal consciousness een supranatureele factor werken zou, wordt tegen Myers en James bestreden door Peirce, Jastrow, Stanley Hall, Adol. I preface. II, 43.

73 Forsyth, The distinctive thing in Christian experience, Hibbert Journal April 1908, bl. 481 v. 290

74 Sabatier, Les religions d'autorité et la religion de l'Esprit. Paris 1904.

75 Seeberg, Grundwahrheiten der Chr. Religion. Leipzig 1903, bl. 11-37.


* From the table of Contents:
Causes for the wide-spread weakening of faith: divisions of Christianity; growing acquaintance with many new religions; the agnostic tendency in philosophy. Many take their standpoint in the religious subject. Theology as religiouis anthropology, science of experience. Experience taken in a totally different sense than in natural science. Not fitted to serve as a heuristic principle. The psychology of religion, however important in its own sphere, cannot judge of the right of existence and value of religious phenomena. It is especially apparent in the study of the phenomenon of conversion. Logically this standpoint ought to lead to absolute indifferentism, which can never satisfy the needs of practical life. Attempts to ascend from the subject to the object. Empirical psychology insufficient. Must reach out into metaphysics. Peculiar position of Christianity with reference to all these problems. Conversion Christianity's own way to fellowship with God. Significance of this for the method of theology. Scriptural conception of conversion points back to a supernatural factor, notwithstanding all psychological and historical mediation.

1 Comp., e.g., Otto Pautz, Mohammeds Lehre von der Offenbarung. Leipzig, 1898.

2 Frederic W.H. Myers, Human Personality and its Survival of Bodily Death. Ed. and abridged by his son, L.H. Myers, 1907, p. 2.

3 Ibid., p. 3.

4 Kant gave to his Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels, 1755, the sub-title of Versuch von der Verfassung und dem mechanischen Ursprung des ganzen Weltgebäudes nach Newtonschen Grundsätzen abgehandelt.

5 Troeltsch, Die Absolutheit des Christ. und die Religionsgesch., 1902. Bernoulli, Die wissenschaftliche und die kirchliche Methode in der Theologie. Freiburg, 1897. Gross, Glaube, Theologie und Kirche, Tübingen, 1902. Rade, Zeits. fur Theol. und Kirche, 1900, pp. 80 ff.; 1901, pp. 429 ff.

6 G. Berguer, L'Application de la Methode scientifique à la Théologie. Genève, 1908.

7 Ritschl, Rechtf. und Versöhnung, II,2 p. 12.

8 Bachmann, Zur Würdigung des religiösen Erlebens, Neue Kirchl. Zeits. Dec., 1907, pp. 907-931.

9 Schleiermacher, Ritschl, Herrmann, Harnack, Schian, one and all, connect Christian experience in some way or other 339 with the Person of Christ and the revelation given us by God in him.

10 Bachmann, l. c.

11 Mulert, Zeits. f. Theol. und Kirche., Jan., 1907, pp. 63, 436.

12 James, The Varieties of Religious Experience, p. 506.

13 Troeltsch, Psychologie und Erkenntnisstheorie in der Religionswissenschaft. Tübingen, 1905. Scheel, Zeits. f. Theol. u. K., 1907, pp. 149-150, 305-307. Id., Die moderne Religionspsych., ib. 1908, pp. 1-38.

14 G.A. Coe, The Spiritual Life, 1903, pp. 23-27.

15 E.D. Starbuck, The Psychology of Religion, 1901, pp. 143-153.

16 Starbuck, pp. 28 ff. Coe, pp. 29, 40 ff. Stanley Hall, Adolescence, I, pp. 411 ff.; II, pp. 95 ff.; 288 ff.

17 James, Varieties, pp. 178 ff., 195, 196, 201 ff. Starbuck, op. c., pp. 101-117. Alfred Binet, Les Altérations de la Personalité.2 Paris, 1902.

18 James, Varieties, pp. 3, 6, 29, 30, 486. Flournoy, Les principes de la psych. relig. 1903, pp. 16, 17. Murisier, Les maladies du sentiment religieux.2 Paris, 1903, préface, p. viii.

19 James, op. c., pp. 135, 163, 325, 430.

20 James, op. c., pp. 333, 374, 487, 506, 507.

21 James, op. c., pp. 122, 131-133, 525, 526 Comp. Lecture IV, note 44.

22 Schian, Der Einfluss der Individualität auf Glaubensgesinnung und Glaubensgestaltung, Zeits. für Theol. und Kirche, 1897, pp. 513 ff. Id., Glaube und Individualität, id. 1898, pp. 170-194.

23 Pfister, Das Elend unserer wissensch. Glanbenslehre, Schweizer. theol. Zeits., 1905, pp. 209 ff. Häberlin, Ist die Theologie eine Wissenschaft? ib. 1906, pp. 17 ff.

24 Herrmann, Christ. Protest. Dogmatik, pp. 583-632 of Die Christl. Religion, in Die Kultur der Gegenwart. Id., Die Lage und Aufgabe der evang. Dogm. in der Gegenwart, Zeits. für Theol. und Kirche, 1907, pp. 315, 351. Id., Die Altorthodoxie und unser Verständniss der Religion, ib. Jan., 340 1903, pp. 74-77. Comp. C. Wistar Hodge, The Idea of Dogmatic Theology, The Princeton Theol. Review, Jan., 1908.

25 Comp. Walther, Eine neue Theorie über das Wesen der Religion, Religion und Geisteskultur, 1907, 3, pp. 201-217. Bruining, Over de Methode van onze Dogmatiek, Teylers Theol. Tijdschr., 1902, 2, pp. 175 ff.

26 By way of example we name: F.J. Schmidt, Zur Wiedergeburt des Idealismus. Leipzig, 1908. Dorner, Die Bedeutung der spekulativen Theologle für die Gegenwart, Die Studierstube, 1907, pp. 193-207. McTaggart, Some Dogmas of Religion, pp. 1-12.

27 C. Stumpf, Die Wiedergeburt der Philosophie. Leipzig, 1908, especially pp. 23 ff.

28 Max Dessoir, Das Doppel-Ich. Leipzig, 1896, p. 80.

29 Höfler, Grundlehren der Psychologie. Wien, 1905, p. 108.

30 Coe, The Spiritual Life, p. 93.

31 Max Dessoir, op. c., p. 77.

32 Möbius, Die Hoffnungslosigkeit aller Psychologie. Halle, 1907, p. 56.

33 Schmidt, Zur Wiedergeburt des Idealismus, p. 96.

34 Comp. the preëxistenceism of McTaggart, Some Dogmas of Religion, pp. 112 ff. Myers, Human Personality, p. 26.

35 Bennett, La société Anglo-américaine pour les recherches psychiques. Trad. de M. Sage. Paris, 1904.

36 Myers, Human Personality, p. 16.

37 As to the dangers for body and soul comp. Zeehandelaar, Het spiritistisch Gevaar, Gids, Aug., 1907. Traub, in Kalb, Kirchen und Sekten der Gegenwart. Stuttgart, 1905, pp. 437 ff., 448, 460. Coe, The Spiritual Life, pp. 169 ff. Joseph Hamilton, The Spirit World, 1906, p. 264.

38 Traub in Kalb, op. c., pp. 449 ff.

39 Myers, Human Personality, pp. 1 ff., 8, 24, 340 ff.

40 Traub, l. c. p. 449 ff.

41 Harnack, Die Aufgabe der theol. Fakultäten und die allgemeine Religionsgesch., 1901.

42 J. Kaftan, Die Wahrheit der christl. Religion. Basel, 1888, pp. 266 ff., 318, 319. 341

43 Troeltsch, Der Begriff des Glaubens, Religion und Geisteskultur, 1907, 3, pp. 191-221.

44 G. Vos, Christian Faith and the Truthfulness of Bible History, The Princeton Theol. Review, July, 1906, pp. 289- 305. Troeltsch, Glaube und Geschichte, Religion und Geisteskultur, 1908, pp. 29-39. R. Eucken, Hauptprobleme der Religionsphilos. der Gegenwart.2 Berlin, 1907, p. 38: Religion und Geschichte.

45 E.g. Ed. von Hartmann, Die Krisis des Christenthums in der modernen Theologie. Berlin, 1880, pp. 1 ff.

46 W. von Schnehen, Der moderne Jesuskultus. Frankfort a. M., 1906. O. Pfleiderer, Der moderne Jesuskultus, Protest. Monatshefte, 1906, No. 5.

47 Henry W. Clark, The Philosophy of Christian Experience. Edinburgh, 1905, pp. 75 ff.

48 Comp. the well-known saying of Emerson: “The less we have to do with our sins the better," and further, Ph. Vivian, The Churches and Modern Thought,2 1907, pp. 208 ff.; F.R. Tennant, The Origin and Propagation of Sin,2 Cambridge, 1906. W.R. Inge, Personal Idealism and Mysticism, 1907, p. 171. Lodge, The Substance of Faith,3 pp. 46 ff. Comp. John M. Edwards, The Vanishing Sense of Sin, Presb. and Ref. Review, Oct., 1899, pp. 606-616.

49 Thus Lubbock, Lombroso, Bagehot. Comp. Wynaendts Francken, Sociale Vertoogen. Haarlem, 1907, pp. 245 ff.

50 Corre in R.P. Mees, Wetenschappelijke Karakterkennis. 's Gravenh., 1907, p. 63.

51 In James, Varieties, p. 63.

52 Stanley Hall, Adol., II, p. 72.

53 Henry Scott Holland, Vital Values, pp. 107-110.

54 Höfler, Grundlehren der Psychologie.2 1905, p. 108.

55 Joh. Herzog, Der Begriff der Bekehrung. Giessen, 1903, pp. 21 ff. Jacques de la Combe, Les nouveau nés de l'Esprit. Paris, 1905, pp. 133 ff.

56 John W. Diggle, Short Studies in Holiness. London, 1900, pp. 47 ff.

57 Starbuck, Psychol. of Religion, pp. 85, 108, 158.

58 James, Varieties, pp. 78-126, 127-165. 342

59 Joh. Herzog, op. c., p. 103.

60 Ibid., pp. 99 ff.

61 James, Varieties, pp. 196 ff., 242-270. Coe, The Spiritual Life, p. 144.

62 James, op. c., pp. 178 ff., 201, 203.

63 James, op. c., pp. 78 ff.

64 James, op. c. pp. 162, 374,347, 487.

65 Heidelberg Catechism, questions 88-90. Comp. Gennrich, Die Lehre von der Wiedergeburt, die Christl. Zentrallehre in dogmengesch. u. religionsgesch. Beleuchtung. Leipzig, 1907.

66 John W. Diggle, op. c., pp. 25 ff.

67 Stanley Hall, Adolescence, II, p. 86.

68 James, Varieties, p. 163.

69 See above, note 61.

70 James, Varieties, pp. 230 ff., 270, 501, 520 ff.

71 James, op. c., pp. 433, 513-525.

72 The operation of a supernatural factor in the subliminal consciousness is denied by Peirce, Jastrow, Stanley Hall (Adol., I, preface, II, p. 43), over against Myers and James.

73 Forsyth, The Distinctive Thing in Christian Experience, Hibbert Journal, April, 1908, pp. 481 ff.

74 Sabatier, Les Religions d'Autorité et la Religion de l'Esprit. Paris, 1904.

75 Seeberg, Grundwahrheiten der Chr. Religion. Leipzig, 1903, pp. 11-37.


x
This website is using cookies. Accept