Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

120. Bij dit verschil tussen Rome en de Hervorming over de grond van het gezag van de Schrift kwam er in de 17e eeuw in de Protestantse kerken zelf nog een belangrijke strijd over de aard van dat gezag. Hierover was men het eens, dat aan de Schrift, omdat zij God tot auteur had, een auctoritas divina toekwam. Nader werd deze autoriteit daardoor omschreven, dat de Schrift door allen geloofd en gehoorzaamd moest worden, en de enige regel was van geloof en leven. Deze omschrijving leidde echter vanzelf tot de onderscheiding van een auctoritas historica en een auctoritas normativa. De openbaring van God toch is gegeven in de vorm van een geschiedenis; zij heeft verschillende tijden doorlopen. Lang niet alles, wat in de Schrift staat opgetekend, heeft normatief gezag voor ons geloof en leven. Veel van wat door God geboden en ingesteld is geweest, of door profeten en apostelen is voorgeschreven en verordend, gaat ons niet rechtstreeks meer aan en had op vroeger levende personen betrekking. Het gebod aan Abraham, om zijn zoon te offeren; het bevel aan Israël, om alle Kanaänieten te doden; de ceremoniële en burgerlijke wetten, die golden in de dagen van het Oude Testament; de bepalingen van de synode te Jeruzalem en zo veel meer zijn zeker als historie nog nuttig ter lering en vermaning, maar kunnen en mogen door ons niet meer opgevolgd worden. En dat niet alleen, maar de openbaring heeft in haar beschrijving niet alleen de goede werken van de heiligen maar ook de boze daden van de goddelozen opgetekend. Meermalen komen er dus woorden en handelingen in de Schrift voor, welke wel als historisch waar maar niet als normatief worden voorgesteld; zover is het er vandaan, dat deze regel mogen zijn voor ons geloof en leven, dat zij veeleer verworpen en afgekeurd moeten worden. Ook de zonden van de heiligen, van een Abraham, Mozes, Job, Jeremia, Petrus enz. worden ter waarschuwing, niet ter navolging meegedeeld. En eindelijk kan bij vele personen, bij de aartsvaders, Debora, de richters, de koningen, de vrienden van Job, Hanna, Agur, de moeder van Lemuel, de dichters van sommige psalmen, zoals de vloekpsalmen, Ps. 73:13-14; 77:7-9 [Ps. 77:6-8]; 116:11, en voorts bij Zacharia, Simeon, Maria, Stephanus enz. de vraag gesteld worden, of hun woorden alleen formeel, wat hun optekening betreft, of ook zakelijk, wat hun inhoud aangaat, zijn geïnspireerd. Voetius oordeelde, dat vele van deze personen, zoals Job en zijn vrienden, niet tot de profeten kunnen gerekend worden en handhaafde dit gevoelen tegenover Maresius1. Deze kwestie had wel geen verdere gevolgen, maar was toch in veel opzichten belangrijk. Zij bracht het eerst duidelijk tot bewustzijn, dat er onderscheid is tussen woord van God in formele en woord van God in materiële zin, en dwong tot nadenken over de verhouding, waarin beide tot elkaar staan. Nu werd die verhouding zeer zeker door de meesten van de bovengenoemde theologen al te dualistisch opgevat. De auctoritas historiae en de historia normae laten zich in de Schrift niet op zo abstracte wijze scheiden. De formele en de materiële betekenis van de uitdrukking woord van God zijn veel te nauw verbonden. Ook in de leugenachtige woorden van Satan en de boze daden van de goddelozen heeft God iets tot ons te zeggen. De Schrift is niet alleen nuttig tot lering, maar ook tot waarschuwing en vermaning. Zij onderwijst en verbetert ons, zowel door af te schrikken als door aan te sporen, zowel door beschaming als door vertroosting. Maar wel werd het door die onderscheiding duidelijk gemaakt, dat de Schrift niet kan en mag opgevat worden als een wetboek vol artikelen. Beroep op een tekst buiten het verband is voor een dogma niet genoeg. De openbaring, in de Schrift neergelegd, is een historisch en organisch geheel. Zo wil ze gelezen en verklaard worden. En daarom moet het dogma, dat met autoriteit tot ons komt en regel wil zijn voor ons geloof en leven, op heel het organisme van de Schrift gegrond en daaruit afgeleid zijn. Het gezag van de Schrift is een ander dan dat van een staatswet.

Aard en grond van het gezag van de Schrift zijn echter vooral in de nieuwere theologie in discussie gebracht. In vroeger tijd rustte de autoriteit van de Heilige Schrift op haar inspiratie en was met deze vanzelf gegeven. Maar toen de inspiratie werd prijsgegeven, was het gezag der Schrift niet meer te handhaven. Wel werd dit op allerlei wijze beproefd, maar men zag zich genoodzaakt, om zowel de gronden als het karakter van de autoriteit van de Heilige Schrift heel anders op te vatten. Het gezag van de Schrift, voorzover het nog werd erkend, werd daarop gebaseerd, dat zij de authentieke oorkonde is van de openbaring; de Christelijke idee het zuiverst uitdrukt, evenals het water ook het reinst is bij de bron; de vervulling is van de Oudtestamentische heilsgedachte, en de Christelijke leer volkomen, zij het ook in kiem, in zich bevat; en de aanvang en voortdurende vernieuwing is van de Christelijke geest in de gemeente. Deze en dergelijke overwegingen voor het gezag van de Schrift kan men vinden bij theologen van de verschillendste richtingen2. Toch zijn al deze gronden niet hecht genoeg, om een gezag te dragen, zoals dat de religie behoeft. Zij mogen als motiva credibilitatis in aanmerking komen, maar als gronden zijn ze onhoudbaar. Want vooreerst maken zij door de onderscheiding tussen openbaring en haar oorkonde, tussen woord van God en Schrift, het gezag van de Schrift feitelijk geheel illusoir. Want indien niet de Schrift in haar geheel, maar alleen het woord van God in haar, het religieus-ethische, de openbaring of hoe men het noemen wil, gezag heeft, dan heeft ieder voor zichzelf uit te maken, wat dat woord van God in de Schrift is, en elk bepaalt dit naar goedvinden. Het zwaartepunt wordt uit het object naar het subject overgebracht; de Schrift kritiseert niet de mens, maar deze oordeelt de Schrift; het gezag van de Schrift hangt af van het menselijk welgevallen; het bestaat slechts, voorzover men het erkennen wil, en wordt dus geheel vernietigd. Maar ook al zouden al deze gronden enig gezag voor de Schrift kunnen vindiceren, het zou toch geen ander zijn dan een louter historisch gezag. En dit is in de religie onvoldoende. Hier hebben wij aan een historisch, d.i. menselijk en feilbaar gezag niet genoeg. Omdat de religie onze zaligheid raakt en in verband staat met onze eeuwige belangen, kunnen wij in haar met niets minder toe dan met een goddelijk gezag. Wij moeten niet alleen weten, dat de Schrift de historische oorkonde voor onze kennis van het Christendom is en dat zij de oorspronkelijke Christelijke ideeën het zuiverst bevat en weergeeft; maar in de religie dienen wij te weten, dat de Schrift het woord en de waarheid van God is. Zonder deze zekerheid is er geen troost in het leven en in het sterven. En niet alleen heeft ieder Christen aan deze zekerheid behoefte, maar ook de kerk zelf kan als instituut deze gewisheid niet ontberen. Want indien een prediker de overtuiging mist van de goddelijke waarheid van het woord dat hij verkondigt, verliest zijn prediking alle gezag en invloed en kracht. Indien hij geen goddelijke boodschap heeft te brengen, wie geeft hem dan het recht, om op te treden voor mensen van gelijke bewegingen als hij? Wie geeft hem vrijheid, om zich op de kansel boven hen te plaatsen, hen bezig te houden over de hoogste belangen van de ziel en van het leven en zelfs hun aan te kondigen een eeuwig wel of een eeuwig wee? Wie durft en wie kan dat doen, anders dan die een woord van God te verkondigen heeft? Het Christelijk geloof en de Christelijke prediking eisen beide een goddelijke autoriteit, waarop zij steunen. Titubabit fides, si divinarum scripturarum vacillat auctoritas3.

Daarom kan het ook geen goedkeuring wegdragen, wanneer de aard van het gezag van de Schrift als zedelijk omschreven wordt. Lessing is daarmee al begonnen als hij zei, dat iets niet daarom waar is, omdat het in de Bijbel staat, maar dat het in de Bijbel staat, omdat het waar is. Sedert zijn verzuchting om verlossing van het gezag van de letter en van de papieren paus, is het geloven op gezag op allerlei wijze bespottelijk gemaakt. Christelijke theologen hebben zich daardoor laten beïnvloeden en het autoriteitsgeloof gewijzigd of bestreden. Doedes bijv., wil niets weten van geloven op gezag en spreekt alleen nog van zedelijke autoriteit in de religie, en Saussaye verklaart, dat er geen ander is dan zedelijk gezag en dat het zedelijke geheel gezag is. Intellectueel gezag is er niet, maar moreel gezag is de zedelijkheid, de godsdienst zelf. Men gelooft de waarheid niet op gezag, maar de waarheid heeft gezag, d.i. heeft het recht, dat men haar gehoorzame4. Deze voorstelling lijdt echter aan verwarring van begrippen. De waarheid heeft gezag, zeer zeker; niemand, die het ontkent. Maar de vraag is juist, wat op godsdienstig gebied waarheid is en waar zij te vinden is. Hierop is maar tweeërlei antwoord mogelijk. Of aan de een zijde: wat waarheid is, of indien men wil, wie Christus is, dat zeggen ons de apostelen, dat zegt ons de Schrift; of aan de andere zijde; dit wordt uitgemaakt door het eigen oordeel, door de rede of het geweten van ieder mens voor zichzelf. In het laatste geval is er geen gezag en geen autoriteit van de Schrift meer; zij is geheel en al aan de kritiek van het subject onderworpen. Dan baat het ook niets, om met Rothe te zeggen, dat de Bijbel het volkomen toereikend instrument is, om tot een zuivere kennis van Gods openbaring te komen5. Want elke objectieve maatstaf ontbreekt, waarnaar in de Schrift die openbaring beoordeeld en gevonden kan worden. Er is inderdaad maar één grond, waarop het gezag van de Schrift rusten kan, en dat is haar inspiratie. Valt deze, dan is het ook met de autoriteit van de Schrift gedaan. Zij bevat dan slechts menselijke geschriften, die als zodanig geen enkelen titel kunnen laten gelden, om norma te zijn voor ons geloof en leven. En met de Schrift valt voor de Protestant alle gezag in de religie. Alle pogingen, om dan nog weer een of ander gezag terug te vinden, bijv. in de persoon van Christus, in de kerk, in de religieuze ervaring, in rede of geweten, lopen op teleurstelling uit6. Zij bewijzen alleen, dat een religie zonder gezag niet kan bestaan. Religie is wezenlijk van wetenschap onderscheiden. Zij heeft een eigen zekerheid; niet zulk een, die op inzicht steunt, maar die in geloof, in vertrouwen bestaat. En dit religieuze geloof en vertrouwen kan alleen rusten in God en in zijn woord. In de religie is een testimoniunm humanum en een fides humana onvoldoende; hier hebben wij behoefte aan een getuigenis van God, waarop wij ons verlaten kunnen in leven en sterven. Inquietum est cor nostrum, donec requiescat in Te! Terecht zegt dan ook Harnack, es hat in der Welt keinen starken religiösen Glauben gegeben, der nicht an irgend einem entscheidenden Punkt sich auf eine äussere Autoriteit berufen hätte. Nur in de blassen Ausführungen der Religionsphilosophen oder in den polemischen Entwürfen protestantischer Theologen wird ein Glaube construirt, der seine Gewissheit lediglich den eigenen inneren Momenten entnimmt7. Het recht en de waarde van het gezag in de religie wordt langzamerhand weer erkend.

1 Voetius,disp. I31, 40-44. V634 640. Maresius, Theologus paradoxus bl. 83-87, en verder Maccovius, Loci Comm. bl. 31-32. Cloppenburg, de canone theol. disp. 3, Op. II 18-23. Witsius, Misc. Sacra I 316-318. Moor, Comm. in Marckii Comp. I 131-134. Carpzovius, Critica S. Vet. Test. Ic. 2 par. 3.

2 Verg. Scholten, L.H.K. I78 v. Saussaye, mijn theol. van Ch. d. l. S. 53 v. Schleiermacher, Gl. par. 129 v. Rothe, Zur Dogm. bl. 166 v. Lipsius, Dogm. par. 193 v. Biedermann, Dogm. par. 193 v. Schweizer, Christl. Gl. Ibl. 178 v. Hofmann, Weiss. u. Erf. III 98 v. Ritschl, Rechtf. u Vers. II 5 v. 9 v. enz.

3 Augustinus, de doctr. christ. I37.

4 Doedes, Inl. tot de leer van God, 1880 hl. 29-40. Saussaye, in mijn Theol. van d. 1. S. hl. 53 v.

5 Rothe, Zur Dogm. bl. 287.

6 Verg. Stanton, The place of authority in matters of religious belief. Loudon Longmans 1891.James Martineau, The seat of authority in religion. Loudon Longmans 1891. C. A. Briggs, The authority of H. Scriptures. Inaugural address. 4 ed. New-York Scribner 1892. L. Monod, Le probléme de l’autorité, Paris Fischbacher 1892. E. Doumergue, L’autorité en matière de foi, Lausanne Payot 1892. E. Ménègoz, L’autorité de Die, réflexions sur l’autorité en matière de foi. Paris Fischbacher 1892. G. Godet. Villet et l’autorité en matière de foi, Revue de théol. et de philos. Mars 1893 bl. 173-191. Sabatier, Les religions de l’autorité et la religion de l’esprit. Paris 1904. Verg. verder Lobstein, Einl. bl. 94 v. Riemens, Het Symbolo-Fideisme bl. 81 v.

7 Harnack, Dv G. III 73. Verg. ook P. D. Chantepie de la Saussaye, Zekerheid en Twijfel 1893 bl. 138 v.

x
This website is using cookies. Accept