Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

121. Maar, al kan de religie alleen met een auctoritas divina volstaan, de aard van dat gezag dient toch nog nader te worden onderzocht. Gezag is in het algemeen de macht van iemand, die iets te zeggen heeft; het recht, om in een of andere zaak mee te spreken, vandaar in het Mannelijk geweld, macht1. Van gezag kan er alleen sprake zijn tussen ongelijken: het drukt altijd een verhouding uit van een meerdere tot zijn mindere, van een hogere tot zijn lagere. Omdat er onder mensen geen gelijkheid is maar allerlei onderscheid bestaat, kan er onder hen van gezag sprake zijn. En omdat die ongelijkheid zo groot en zo velerlei is, neemt het gezag onder mensen een zeer brede plaats in. Het is zelfs het fundament van de gehele menselijke samenleving. Wie het ondermijnt, arbeidt aan de verwoesting van de maatschappij. Dwaas en gevaarlijk is het dus, om het geloven op gezag in een bespottelijk daglicht te plaatsen. Augustinus vroeg reeds: Si quod nescitur credendurn non est, quomodo serviant parentibus liberi eosque mutua pietate diligant, quos parentes suos esse non credant.....Multa possunt afferri quibus ostendatur, nihil omnino humanae societatis incolume remanere, si nihil credere statuerimus, quod non possumus tenere perceptum2. Op ieder gebied leven wij van gezag. Onder het gezag worden wij in huisgezin, maatschappij en staat geboren en opgevoed. Ouders hebben gezag over hun kinderen, de meester over zijn leerlingen, de overheid over haar onderdanen. In al deze gevallen is het gezag duidelijk. Het drukt een macht uit, die van rechtswege aan iemand over een ander toekomt. Het treedt daarom op met bevelen en wetten, eist gehoorzaamheid en onderwerping, en heeft in geval van opstand zelfs recht van dwang en straf. Maar wij breiden dit begrip van gezag verder uit en passen het ook toe in wetenschap en kunst. Ook hier is er onderscheid van gaven, en ontstaat de verhouding van meerderen en minderen, van magistri en discipuli. Er zijn mannen, die door hun geniale aanleg en noeste arbeid op een of ander gebied het meesterschap hebben verworven, en die daarom op dit terrein met gezag kunnen spreken. Van de ontdekkingen van deze magistri leven en leren de minderen, de leken. Ja, vanwege de ontzaglijke uitbreiding van de wetenschap, kan ook de uitnemendste slechts magister zijn op een zeer klein gebied; in al het andere is hij discipulus en moet hij vertrouwen op het onderzoek van anderen. Dit gezag in wetenschap en kunst draagt echter een ander karakter dan van ouders, onderwijzers en overheid; het is niet juridisch, maar ethisch van aard; het kan en mag niet dwingen, het heeft geen recht van straf. De personen, die hier met autoriteit optreden, mogen nog zo aanzienlijk en gewichtig zijn, hun getuigenis geldt slechts zoveel, als zij er gronden voor kunnen aanvoeren. Het gezag rust hier dus niet tenslotte in de personen, zodat een “ipse dixit” afdoende was, maar rust in de bewijzen, waarop hun beweren steunt. En omdat alle mensen enig verstand en oordeel ontvingen, is blind geloof hier ongeoorloofd en het streven naar een zelfstandig inzicht, voor zoveel nodig en mogelijk, plicht. Ook in de geschiedenis is dit het geval. De kennis van de historie stennt eigenlijk geheel op autoriteit, op getuigenissen van anderen; maar deze getuigenissen behoeven niet blindelings geloofd te worden, maar mogen en moeten rustig worden onderzocht, opdat zoveel mogelijk het eigen inzicht tot zijn recht komt. In één woord, in scientiis tantum valet auctoritas humana, quantum rationes.

Dit begrip van gezag vinden wij eindelijk ook terug in de religie en theologie. Hier is gezag niet in een mindere graad maar in een veel hogere mate nodig dan in gezin en maatschappij, in wetenschap en kunst. Hier is het een levensbehoefte. Zonder gezag en geloof kan religie en theologie geen ogenblik bestaan. Maar het gezag draagt hier een geheel eigen karakter. Het moet uiteraard een auctoritas divina zijn. En reeds hierdoor is het van het gezag in maatschappij en staat, in wetenschap en kunst onderscheiden. Van het laatste verschilt het vooral in dit opzicht, dat in wetenschap en kunst eigen inzicht oordelen en beslissen mag. Maar bij een divina auctoritas komt dit niet te pas. Als God gesproken heeft, is alle twijfel weg. De divina auctoritas is daarom niet zedelijk te noemen, althans niet in de zin, waarin wij spreken van het zedelijk overwicht van een persoon, want de religie is niet een verhouding van een mindere tot zijn meerdere, maar van een schepsel tot zijn Schepper, van een onderdaan tot zijn Souverein, van een kind tot zijn vader. God heeft recht, om de mens te bevelen en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van hem te verlangen. Zijn gezag rust in zijn wezen, niet in de rationes. In zoverre komt het gezag van God en van zijn woord met dat van de overheid in de staat en van de vader in het gezin overeen. En er is niets vernederends in en niets, dat ook maar enigszins aan ‘s mensen vrijheid te kort doet, als hij kinderlijk naar het woord van God luistert en daaraan gehoorzaamt. God op zijn woord, d.i. op gezag te geloven, is even weinig met ‘s mensen waardigheid in strijd, als het een kind onteert, zich met onbepaald vertrouwen te verlaten op het woord van zijn vader. En zover is het er vandaan, dat de Christen langzamerhand boven dit gezag zou uitgroeien3, dat hij juist hoe langer hoe meer, met verloochening van alle eigen wijsheid, God geloven gaat op zijn woord. De gelovige komt hier op aarde nooit het standpunt van het geloof en van het gezag te boven. Naarmate hij toeneemt in het geloof, klemt hij zich te vaster aan de autoriteit van God in zijn woord. Maar aan de andere zijde is er toch ook een groot verschil tussen het gezag van God in de religie en dat van een vader in zijn gezin en van een overheid in de staat. Een vader dwingt desnoods zijn kind en brengt het door straf tot onderwerping; en de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs. Dwang is onafscheidelijk van het gezag van de aardse overheid. Maar God dwingt niet. Zijn openbaring is een openbaring van genade. En daarin komt Hij tot de mens niet met geboden en eisen, met dwang en met straf, maar met de nodiging, met de vermaning, met de bede, om zich met Hem te laten verzoenen. God kon als Souverein tegenover de mens optreden. Hij zal eenmaal als Rechter oordelen allen, die het Evangelie van zijn Zoon ongehoorzaam zijn geweest. Maar in Christus daalt Hij tot ons neer, wordt ons in alles gelijk, handelt met ons als redelijke en zedelijke wezens; om dan toch weer, stuitende op vijandschap en ongeloof, zijn soevereiniteit te hernemen, zijn raad uit te voeren en glorie zich te bereiden uit alle creatuur. Het gezag, waarmee God in de religie optreedt, is dus geheel eigensoortig. Het is niet menselijk, maar goddelijk. Het is souverein en werkt toch op zedelijke wijze. Het dwingt niet, en weet zich toch te handhaven. Het is absoluut, en wordt toch weerstaan. Het nodigt en bidt, en is toch onoverwinnelijk.

En zodanig is ook de autoriteit van de Schrift. Als woord van God staat zij hoog boven alle gezag van mensen in staat en maatschappij, in wetenschap en kunst. Voor haar moet al het andere wijken; want men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen. Alle andere autoriteit is beperkt binnen haar kring en geldt alleen op haar eigen terrein. Maar het gezag van de Schrift breidt over heel de mens en over de hele mensheid zich uit. Zij staat boven verstand en wil, boven hart en geweten; zij is met geen andere autoriteit te vergelijken. Haar gezag is absoluut, omdat het goddelijk is. Zij heeft het recht, om door een ieder te allen tijde geloofd en gehoorzaamd te worden. Zij gaat in majesteit alle andere macht zeer verre te boven. Maar zij roept, om zichzelf tot erkenning en heerschappij te brengen, niemand te hulp. Zij heeft de sterke arm van de overheid niet nodig. Zij behoeft de steun van de kerk niet. Zij roept het zwaard en de inquisitie niet op. Zij wil niet heersen door dwang of geweld. Zij wil vrije en gewillige erkenning. En daarom brengt zij die zelf tot stand, op zedelijke wijze, door de werking van de Heilige Geest. De Schrift waakt voor haar eigen gezag. Daarom sprak men vroeger ook wel van een auctoritas causativa van de Schrift, qua Scriptura assensum credendorum in intellectu hominis generat et confirmat4.

1 Verg. Woordenboek der Ned. Taal s. v.,

2 Augustinus, de util. cred. 12.

3 Schweizer, Christl. Glaub. I186 v.

4 Schmid, Dogm. der ev. luth. K. par. 8.

x
This website is using cookies. Accept