Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

167 Evenals vroeger bij de religie1, zo bleek ook thans bij de kennis van God, dat zij haar oorsprong niet hebben kan dan in openbaring. Indien God niet in Zijn schepselen openbaar wordt, dan is er ook vanzelf geen kennis van Hem mogelijk. Maar als Hij Zijn deugden in de wereld der schepselen ten toon spreidt, dan kan de kenbaarheid Gods ook niet meer bestreden worden. Natuurlijk is daarmede de aard en de mate dier kennis niet bepaald. Allen, die de kenbaarheid Gods leren, stemmen gaarne toe, dat die kennis geheel eigensoortig en van zeer beperkte omvang is. Immers, al wordt God enigermate in Zijn schepselen openbaar, er blijft in Hem een oneindige volheid van kracht en leven achter, welke niet aan het licht treedt. Zijn kennis en macht valt niet met de wereld samen en stort zich daarin niet ten volle uit. Hij kan zelfs aan en in schepselen Zich niet volkomen openbaren, want het eindige vat het oneindige niet, niemand kent de Vader dan de Zoon, Matth. 11:27; Deut. 29:29. Bovendien, datgene, wat God van Zichzelf in en door schepselen openbaart, is reeds zo rijk en zo diep, dat het nooit ten volle door enig mens kan worden gekend. Wij begrijpen in zo menig opzicht de wereld der geschapene dingen niet en staan ieder ogenblik aan alle zijden voor raadselen en geheimenissen, hoe zouden wij dan de openbaring Gods in al haar rijkdom en diepte verstaan? Maar daarmee wordt de kenbaarheid Gods toch niet teniet gedaan. De onbegrijpelijkheid Gods doet deze kenbaarheid zo weinig te niet, dat zij haar veeleer onderstelt en bevestigt; de alle kennis te bovengaande rijkdom van het Goddelijk wezen maakt juist een noodzakelijk en belangrijk element van onze Godskennis uit. Het blijft vast staan, dat God op diezelfde wijze en in diezelfde mate voor ons kenbaar is, als Hij Zich in schepselen aan ons openbaart.

Dat er nu een openbaring Gods in de wereld is, kan eigenlijk moeilijk worden ontkend. Vooreerst laat de H. Schrift ons dienaangaande geen ogenblik in twijfel. Zij richt geen altaar op voor de onbekende God, maar verkondigt die God, die de wereld gemaakt heeft, Hand. 17:23, wiens kracht en goddelijkheid uit de schepselen door de menselijke nouv kan worden aanschouwd, Rom. 1:19 die bovenal de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis, Gen. 1:26 als Zijn geslacht, dat in Hem leeft en zich beweegt, Hand. 17:28, door profeten en apostelen, bovenal door Zijn Zoon Zelf tot Hem heeft gesproken, Hebr. 1:1 en nu voortdurend door Woord en Geest zich aan en in Hem openbaart. Matt. 16:17; Joh. 14:23. Volgens de H. Schrift is de gehele wereld een schepping en dus ook een openbaring Gods; er is in absolute zin niets atheïstisch. En dit getuigenis van de Schrift wordt van alle zijden bevestigd. Er is geen atheïstische wereld, er zijn geen atheïstische volken, er zijn ook geen atheïstische mensen. De wereld kan niet als ayeov worden gedacht, omdat ze dan niet het werk Gods kon zijn maar de schepping van een antiyeov moest wezen. Nu heeft het dualisme, dat in religie en filosofie telkens is opgetreden, in de stof wel een demonisch principe aanschouwd, maar in de wereld toch altijd een verbinding van idee en stof, een strijd van licht en duisternis erkend. Er is niemand die in volstrekte zin en consequent de kenbaarheid Gods, en dus Zijn openbaring in de wereld geheel en al loochenen kan. Het agnosticisme is zelf daarvoor een bewijs, evenals het scepticisme zich niet handhaven kan dan met behulp van wat het bestrijdt. En juist daarom, omdat de wereld niet ayeov te denken is, daarom zijn er ook geen atheïstische en godsdienstloze volken. Wel is dit door Socinus, Locke, en door velen in de nieuwe tijd, bv. Büchner, Darwin e. a. beweerd2. Maar dit gevoelen is genoegzaam weerlegd en thans nagenoeg prijsgegeven3. De bekende uitspraak van Cicero, dat er geen volk zo barbaars is of het gelooft aan de goden, is eeuw aan eeuw bevestigd. Dit feit is van grote betekenis. Datgene, waarin alle mensen krachtens hun natuur overeenstemmen, kan niet onjuist zijn. Opinionum enim commenta delet dies, naturae judicia confirmat4. En zo zijn er ten slotte ook geen atheïstische mensen. Er is niet zozeer verschil over het bestaan, als wel over het Wezen Gods. Wel is er een praktisch atheïsme, een leven zonder God in de wereld, Psalm 14:1; 53:1; Efeze 2:12. Maar het bewuste theoretische atheïsme in absolute zin is zeldzaam, indien het ooit voorkomt. Het woord atheïsme is echter dikwijls in relatieve zin gebezigd, niet als loochening van de Godheid überhaupt, maar van een bepaalde Godheid. De Grieken klaagden Socrates van atheïsme aan5. Cicero rekende Protagoras en Prodicus tot de atheïsten, omdat zij de volksgoden loochenden6. De Christenen werden daarom menigmaal door de Heidenen van atheïsme beschuldigd7. En de Christenen bezigden op hun beurt die naam voor wie de God der openbaring ontkenden. De Roomsen hebben Luther, Melanchton, Calvijn soms tot de atheïsten gerekend en Voetius gebruikte het woord in ruime zin en paste het zo ook op Cartesius toe8. In de nieuwe tijd werd J.G. Fichte openlijk van atheïsme aangeklaagd, omdat hij de zedelijke wereldorde zelf voor God hield. En nog wordt de naam van atheïst wel gegeven aan hen, die geen andere macht kennen dan de stof, zoals Feuerbach, Strausz, Büchner, Haeckel, Czolbe, Dühring9. En inderdaad, als de materialisten niets anders erkennen dan stof en wisseling van de stof, dan zijn ze atheïsten en willen daar zelf voor gehouden worden.

Maar dit komt bijna nooit voor. In absolute zin genomen, als loochening van een absolute macht, is het atheïsme bijna ondenkbaar. Allen erkennen ten slotte weer een macht, die als God wordt vereerd. Strausz vraagt voor zijn universum een respect, als de gelovige voor zijn God10. Het atheïsme en materialisme slaat telkens in pantheïsme om11. De reden daarvan is niet ver te zoeken, want een mens kan zich aan de erkenning van een hoogste macht niet onttrekken. Op hetzelfde ogenblik dat hij de ware God loochent, versiert hij zich een valse God. De religie zit daartoe te diep in ‘s mensen natuur en de openbaring Gods spreekt te luid. Zelfs als in sommige tijden het religieuze indifferentisme en scepticisme diep en ver om zich heen grijpt, zoals bv. in de eeuw van Pericles, van keizer Augustus, van de Renaissance, en ook in deze eeuw, dan komt toch altijd de godsdienst weer boven. Veeleer grijpt de mens het grofste bijgeloof aan, dan dat hij op de duur bij het naakte, koude ongeloof het uithouden kan. Maar wij kunnen nog verder gaan. Niet alleen komt het atheïsme in absolute zin bijna nimmer voor; maar zelfs in die zin is het zeldzaam, dat het een persoonlijk God zou loochenen, die aanspraak heeft op onze verering. Het naturalisme, het hylozoïsme, het pantheïsme zijn zonder twijfel richtingen, die telkens zich voordoen. Maar het zijn richtingen, niet zozeer op godsdienstig als wel op wijsgerig gebied. Ze zijn nooit vanzelf, spontaan opgekomen, maar danken haar ontstaan aan kritiek op de religieuze voorstellingen bij anderen. Zij zijn niet dogmatisch maar kritisch; en zij dienen daarom altijd maar voor een tijd en in een beperkte kring. Een volk, een maatschappij, een kerk, een gemeente van zulke naturalisten en pantheïsten is ondenkbaar en onbestaanbaar; de pantheïsten erkennen dit zelf, als zij zeggen, dat de godsdienstige voorstelling voor de mindere man noodzakelijk is, en alleen de wijsgeer zich verheft tot het zuivere begrip. Daaruit volgt, dat het geloof aan een persoonlijk God natuurlijk en normaal is; het komt overal vanzelf en bij alle mensen op. Maar het atheïsme, zelfs als loochening van een persoonlijk God, is uitzondering. Het is wijsbegeerte, geen godsdienst. Er ligt waarheid in het scherpe woord van Schopenhauer: ein unpersönlicher Gott ist gar kein Gott, sondern bloss ein missbrauchtes Wort, ein Unbegriff, eine contradictio in adjecto, ein Shiboleth fur Philosophieprofessoren, welche, nach dem sie die Sache haben aufgeben mussen, mit dem Worte durchzuschleichen bemüht sind12. Daarom is er ook een zekere wil nodig, om niet aan een God, aan een persoonlijk God, te geloven. Deum non esse non credit, nisi cui Deum non esse expedit. Er zijn geen atheïsten, die vast en zeker, tot de marteldood toe, van hun ongeloof overtuigd zijn. Omdat het abnormaal en onnatuurlijk is, niet op de onmiddellijke beseffen maar op de middellijke bewijzen en feilbare redeneringen steunt, daarom is het nooit zeker van zijn zaak. De bewijzen voor het bestaan van een persoonlijk God mogen zwak zijn, zij zijn altijd nog sterker dan die voor de loochening. Te bewijzen, dat er geen God is, is zelfs onmogelijk; daartoe zou men alwetend en alomtegenwoordig, d.i. zelf God moeten zijn13.

1 Verg. Deel I, Hoofdstuk 1, Par. 8 , C81

2 Socinus, Tract. theol. c. 2. de auctor. Script. c. 2. Locke, Essay on human understanding I 4,8. Büchner, Kraft und Stoff16 380 v. Darwin, Afst. des mensen 1884 I 127.

3 De Moor, Comm. I 57. M. Vitringa, Comm. I 16. Peschel, Völkerkunde bl. 260. Ratzel, Völkerkunde I 1885 bl. 30 v. Tiele, Gesch. v.d. godsd. 1876 bl. 8. Flint, Antitheistic theories 3 bl. 250. 289. 519. 532. G. Tr. Ladd, Philos. of religion I 120 v. Zöckler, Das Kreuz Christi 1875 bl. 117 v.

4 Cicero, de nat. deor. I 17, II. 2.

5 Xenophon, Memor. I. 1.

6 Cicero, de nat. deor I 42.

7 Suicerus s. v. ayeov. Harnack, Der Vorwurf des Atheismus in de drei ersten Jahrh. Leipzig 1905.

8 Buddeus, de Atheismo 1747 bl. 116 v. Over Voetius, verg. Dr. A.C. Duker, G. Voetius II 151 v.

9 Verg. A. Drews, Die Deutsche Spekulation seit Kant II 235 v.

10 Strausz, Der alte und der neue Glaube2 141 v.

11 Büchner, Kraft u. Stoffl6 3.70 v. Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch. 20.32.64. Id. Der Monismus als Band zw. Rel.u.Wiss. 1893. Id. Die Welträthsel 1899 bl. 18.22.3 enz.

12 Schopenhauer, Par. u. Paral. I5 123, verg. Die Welt als Wille und Vorst. II6 398.406.739.

13 Verg. Voetius, de atheismo, Disp. I 114-225. G.J.Vossius, de origine et progressu idol. I c.3. Leydecker, Fax Veritatis III controv. 3. Turretinus, Theol. El. III qu. 2. Maresius, Syst. Theol. 1673 bl. 44. Buddeus, Theses theol. de atheismo et superst. ed. Lulofs L.R. 1747. Hodge, Syst. Theol. I 198. 242. Flint, Antith. theories 3, lecture I. Hoekstra, Des Christens godsvrucht bl. 6. Doedes, Inl. tot de leer v. God 57v. Heinrich, Dogm. III 23 v. Adlhoch, Zur wiss. Erklärung des Atheismus, Philos. Jahrbuch, 3 u. 4 Heft 1905. Sabatier, Esquisse 27 v.

x
This website is using cookies. Accept