Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

184. Als de Christelijke theologie dan ook de onderscheiding tussen Wezen en eigenschappen in God verwierp, dan geschiedde dit niet, om aan God het Wezen te ontzeggen of het gebruik van dit woord in de leer van God te verbieden. Maar dan had zij daarmee juist integendeel de bedoeling, om alles, wat niet wezenlijk is, van God verwijderd te houden en om zo sterk mogelijk uit te drukken, dat Hij louter Wezen, absolute realiteit in al zijn eigenschappen is. En ook nog om een andere reden kan het woord Wezen in de leer van God niet gemist worden. In de leer van de triniteit hebben wij het nodig, om het onderscheid tussen de Goddelijke natuur en haar bestaanswijze enigermate onder ons begrip te brengen. Maar ook daarvan afgezien, kunnen wij in de leer van de eigenschappen van God niet nalaten, van Zijn Wezen te spreken. Want juist omdat God louter Wezen, het absolute, volmaakte, enige en eenvoudige Wezen is, kan er van Hem geen definitie gegeven worden; er is geen genus, waartoe Hij behoort, en geen differentia specifica, waardoor Hij in dit genus van andere wezens is te onderscheiden. Zelfs het zijn, dat Hij, om zo te zeggen, met alle schepselen gemeen heeft, komt Hem en de creaturen niet in dezelfde zin, univoce, maar alleen in analoge zin, analogische, proportionaliter, toe. En toch moeten wij Hem noemen, wij hebben in de religie en ook in de theologie een descriptie nodig, om Hem aan te duiden en van al wat niet God is, te onderscheiden. Doch daarbij stuiten wij op het bezwaar, dat God, die enerzijds anwnumov is, aan de andere kant poluwnumov is. Wij kunnen de vraag laten rusten, of God nog meer eigenschappen heeft, dan die Hij in schepping en herschepping heeft geopenbaard. Spinoza zei, dat een substantie, naarmate zij meer realiteit had, ook meer attributen bezat, en dat God als de oneindige substantie daarom ook oneindig veel attributen had1, ofschoon er ons slechts twee, denken en uitgebreidheid, bekend zijn. En Reinhard vond het zeer waarschijnlijk, dat God eine Menge von Eigenschaften besitzen könne, wovon wir gar keinen Begriff haben, weil die unendliche Vollkommenheit in so eingeschränkten Geschöpfen, wie wir sind, unmöglich alle Aehnlichkeiten mit sich hat vereinigen können2. Hoe dit zij, het aantal eigenschappen, dat Hij van Zichzelf heeft geopenbaard, is zo groot, dat er van een volledige opsomming geen sprake kan zijn. Zo zijn wij dus gedwongen, om hetzij van een descriptie geheel afstand te doen, of anders tussen de vele eigenschappen, die God toekomen, een keuze te doen.

Die keuze valt bij verschillende richtingen zeer verschillend uit3. Al de descripties, van God gegeven, behoeven niet besproken te worden; slechts twee ervan verdienen onze aandacht, omdat zij in de nieuwere tijd bij velen ingang hebben gevonden. De theïstische wijsgeren gaven er de voorkeur aan, om van de Persoonlijkheid van God uit te gaan, en zagen daarin vooral de juiste uitdrukking van Zijn Wezen. Ter afwering van het pantheïstisch Godsbegrip hadden zij daarin ook volkomen gelijk. Maar overigens verdient het toch geen aanbeveling, om bij de descriptie van het Goddelijk Wezen van de idee der persoonlijkheid uit te gaan. Want ten eerste is het woord persoon reeds elders, bij de leer der triniteit, in een bepaalde, eigenaardige betekenis in gebruik. Ten andere kan het woord persoonlijkheid, van het Wezen van God gebezigd, er licht toe leiden, om Hem als een “Einzelpersönlichkeit” op te vatten, en aan zijn “Dreipersönlichkeit,” gelijk de triniteit ons die doet kennen, te kort te doen. En ten derde ligt in het abstracte, moderne en formele begrip van persoonlijkheid nog niets, wat God als zodanig van de mens onderscheidt4. Evenzo is het aan bedenking onderhevig, om bij de descriptie van het Wezen van God de liefde tot uitgangspunt te nemen. Want liefde onderstelt reeds de persoonlijkheid, bewustzijn en wil; zij is zeer zeker het Wezen van God, maar in geen andere zin, dan waarin alle eigenschappen het Goddelijke Wezen zijn; en zij stelt bloot aan het gevaar, om andere eigenschappen van God, zoals bijv. de gerechtigheid en de heiligheid, minder wezenlijk te achten5.

De Christelijke theologie heeft deze eenzijdigheid trachten te vermijden, door in de descriptie van het Wezen van God de aseitas op de voorgrond te stellen. Het absolute kan inderdaad in die omschrijving niet gemist worden, want het komt er daarbij juist op aan, om God als God aan te duiden en te onderscheiden van al wat niet-God is6. Maar dat absolute moet dan, gelijk boven reeds opgemerkt werd, in goede zin verstaan worden. Het is niet juist te zeggen, dat het absolute een wijsgerig en geen religieus begrip is, en dat het daarom in de theologie niet thuis behoort. Er pleit minstens evenveel voor de stelling, dat het absolute ook in de mond der wijsgeren eigenlijk een religieus karakter draagt7. Want over de geldigheid der bewijzen voor het bestaan van God, over het logisch recht, om uit het relatieve tot het absolute te besluiten, bestaat verschil van gevoelen. Toch laat geen enkel mens zich door deze wetenschappelijke onzekerheid weerhouden, om het bestaan van het absolute aan te nemen als grond en oorzaak van het zijn aller dingen. De metafysische, de religieuze behoefte van de mens spreekt daarin altijd een woord mee. Daarom kan ook de religie en theologie het begrip van het absolute niet missen. Natuurlijk komt het daarin niet allereerst op het woord, maar op de zaak aan. Doch voor de religie en de theologie moet God altijd God zijn, onderscheiden van, verheven boven alle dingen, Schepper en Regeerder van al wat bestaat, op Wie de vrome zich verlaten kan in nood en dood; anders kan God voor hem geen God meer zijn. God is als zodanig het volstrekt-onafhankelijke, enige, absolute Wezen. In deze zin werd dit begrip vroeger verstaan. Het absolute was niet het door abstractie verkregen, van alle inhoud beroofde, algemeenste zijn, maar het was het waarachtige, enige, oneindig-volle zijn, juist omdat het was het absolute, dat is, het onafhankelijke, alleen van en door zichzelf bestaande zijn; absolutum idem est quod non dependens ab alio8.

Deze opvatting en beschrijving van God knoopte de Christelijke theologie van oudsher vast aan de betekenis van de naam Jahweh, gelijk die Exod. 3:14 gegeven wordt. Er kan verschil van mening over bestaan, of het begrip van het absolute zijn in deze Godsnaam ligt opgesloten, en eerst in de volgende paragraaf kan dit meer opzettelijk worden opgezocht. Maar in elk geval is het zeker, dat de enigheid van God, Zijn onderscheidenheid van en Zijn volstrekte verhevenheid boven alle schepsel door heel de Schrift heen op de voorgrond staat. Hoezeer Hij ook tot het creatuur, bepaaldelijk tot de mens, kan afdalen, zo, dat Hij voorgesteld wordt te wandelen in de hof, neer te dalen op aarde, om Babels stad en toren te bezien enz., desalniettemin is Hij de Schepper van hemel en aarde, die spreekt en het is er, die gebiedt en het staat er, die van eeuwigheid tot eeuwigheid God is, de Eerste en de Laatste, uit Wie, door Wie en tot Wie alle dingen zijn, Gen. 1:1 v., Ps. 33:6,9; 90:2; Jes. 41:4, 43:10-13, 44:6, 48:12, Joh. 5:26, Hand. 17:24 v., Rom. 11:36, Ef. 4:6, Hebr. 2:10, Openb. 1:4,8; 4:8,11; 10:6; 11:17 enz. In deze leer der Schrift ligt opgesloten, al wat de Christelijke theologie bedoelde met haar omschrijving van het Wezen van God als het absolute zijn. God is het eigenlijke, waarachtige zijn, de volheid des zijns, het inbegrip aller realiteit en volkomenheid, het ganse zijn, dat aan alle andere zijn het bestaan schenkt, een onmetelijke en onbegrensde zee van zijn, het absolute Wezen, dat alleen wezenheid in Zichzelf heeft. Deze descriptie van het Wezen van God verdient nu daarom boven die van persoonlijkheid, liefde, vaderschap enz. de voorkeur, omdat daarin alle eigenschappen van God liggen opgesloten en al die eigenschappen van God in absolute zin worden toegekend, dat is, God wordt door deze descriptie in al Zijn volmaaktheden als God erkend en gehandhaafd. Natuurlijk kunnen die eigenschappen niet logisch door ons uit het begrip van het absolute zijn ontwikkeld worden; wat God is en welke Zijn eigenschappen zijn, weten wij alleen uit Zijn openbaring in natuur en Schrift. Maar al deze eigenschappen zijn toch alleen daarom Goddelijke eigenschappen, omdat zij God op geheel enige wijze, in absolute zin toekomen. In zover kan dan ook de aseitas de primaire eigenschap van het Wezen van God worden genoemd. Zelfs kunnen wij, niet door a-priorische redenering maar op de grondslag van Gods openbaring, in het licht stellen, dat in God met Zijn aseitas al die eigenschappen aanwezig moeten zijn, welke natuur en Schrift ons kennen doen. Als God God is, het enige, eeuwige, absolute Wezen, dan sluit dit in, dat Hij al die volmaaktheden bezit, waarvan in de schepselen slechts een zwakke analogie valt te bespeuren. God is de absoluut-zijnde, maar dan is Hij ook de absoluut wijze en goede, rechtvaardige en heilige, machtige en zalige. Als uit en door en tot zichzelf bestaande, is Hij de volheid des zijns, ens independens en daarom ens perfectissimum.

1 Spinoza, Eth. I prop. 9. 11.

2 Reinhard, Dogm. bl. 100. Verg. ook L. Meijer, Verhandelingen over de Goddel. Eigenschappen. Groningen 1783 I 186 v.

3 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 28 Indeling der Namen Gods; 182

4 F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. bl. 354. Von Oettingen, Luther Dogm. II 100.

5 Nitzsch, t.a.p. bl. 352 v.

6 Frank, Syst. d. Chr. Wahrheit par. 10. Kaftan, Dogm. par. 16. Nitzsch, t.a.p. bl. 354. Von Oettingen, Luther Dogm. II 106.

7 F. A. B. Nitzsch, Evang. Dogm. bl. 356.

8 Alsted, Encyclopedia 1630 bl. 596. Verg. Eisler, Wörterbuch s.v.

x
This website is using cookies. Accept