Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

185. Indien er geen onderscheid is te maken tussen Gods Wezen en Zijn eigenschappen, omdat iedere eigenschap dat wezen zelf is, dan volgt daaruit nog niet, dat ook het onderscheid tussen de eigenschappen onderling slechts nominaal en subjectief is, zonder enige grond in de werkelijkheid. Toch hebben velen zo geoordeeld. Op voorgang van Aëtius redeenerde Eunomius aldus: God is eenvoudig en zonder enige samenstelling, de eigenschappen, die wij Hem toekennen, zijn dus met Zijn Wezen identiek en kunnen onderling slechts subjectief, in onze voorstelling, verschillend zijn. Maar voorts moet onze kennis van God een adequate zijn, want anders zou ze vals wezen. Nu hebben wij in het begrip der agenesie een adequate kennis van het Goddelijk Wezen, en dus moeten alle andere eigenschappen, zoals goedheid, wijsheid, macht, werkelijkheid, daarmee samenvallen; alle eigenschappen Gods zijn synoniem. En omdat de agenesie het Wezen Gods uitmaakt, kan de Zoon, die gegenereerd is van de Vader, niet waarachtig God zijn1. In de Middeleeuwen leerde Gilbert Porretanus, bisschop van Poitiers, overleden in het jaar 1159, een reëel onderscheid tussen wezen en personen, tussen de Godheid en God, en misschien ook, ofschoon dit onzeker is, tussen het wezen en de eigenschappen en de eigenschappen onderling2. Volgens de Nominalisten, met name Occam, waren de eigenschappen slechts ratione ratiocinantis cum connotatione ad diversos effectus verschillend, dat is met het oog op de verhouding, waarin zij staan tot de verschillende werken Gods; het begrip van een eigenschap was dus in dat van de andere vervat; involvitur unum in altero; wie God goed noemt, noemt Hem tegelijk daarin rechtvaardig, machtig enz.3. De Scotisten achten het beter te zeggen, dat de eigenschappen niet ratione ratiocinata of ratione ratiocinantis, maar formaliter verschilden4. Veel verder gingen nog de naar een aartsbisschop van Thessalonica zich noemende Palamiten in de 14e eeuw, die een emanatie leerden en de daden Gods in schepping, onderhouding enz., evenals ook de eigenschappen van almacht, goedheid, wijsheid enz. voorstelden als eeuwige uitstralingen van het onkenbare Goddelijke wezen, die daarvan wezenlijk onderscheiden waren en als een soort lagere godheden moesten worden aangemerkt. Ook in de Arabische en Joodse filosofie komt meermalen een louter subjectieve opvatting van Gods eigenschappen voor5. Spinoza verstond onder attribuut id quod intellectus de substantia percipit tanquam ejusdem essentiam constituens6. Al naar gelang de nadruk op het eerste of tweede gedeelte dezer definitie gelegd wordt, loopt het oordeel uiteen, of Spinoza de attributen beschouwde als subjectieve opvattingen van het verstand of als objectieve, reëele eigenschappen der substantie7. Het pantheïsme, dat door hem in de filosofie ingang vond, heeft geen plaats meer voor de eigenschappen Gods. God heeft geen van de wereld onderscheiden zijn, geen eigen leven meer. Zijn eigenschappen zijn met de wetten der wereld identiek8. Schleiermacher omschreef ze dan ook geheel subjectief, als etwas Besonderes in der Art, das schlechthinige Abhängigkeitsgefühl auf Gott zu beziehen; haar oorsprong ligt in de religieuze Dichtung, zij zijn zonder speculatieve inhoud, zij drukken noch Gods Wezen uit, dat onkenbaar is, noch zijn relaties tot de wereld, omdat God dan in velerlei verhoudingen tot de wereld moest staan; ze zijn eenvoudig subjectieve opvattingen, zonder objectieve grond. En hij behandelde de leer der eigenschappen daarom ook niet afzonderlijk maar door heel de dogmatiek heen9.

Tegen deze opvatting der namen Gods is nu op grond van Gods openbaring vast te houden, dat zeer zeker iedere eigenschap identiek is met het Goddelijk Wezen, maar dat daarom de eigenschappen toch nog wel onderscheiden zijn. Basilius en Gregorius van Nyssa leerden zo in hun geschriften tegen Eunomius. Zij zeiden enerzijds, dat de attributen niet reëel, tw pragmati, verschilden, omdat God eenvoudig was en boven alle samenstelling verheven, maar ter andere zijde, dat ze toch niet alleen in naam, logw, onderscheiden waren. Deze beide uitersten vermijdende, oordeelden zij, dat de namen Gods kat apinoian verschilden, dat wij in ons verstand verschillende ennoiai, apinoiai, epenyumhseiv hadden van het één en zelfde Goddelijk Wezen, en dat wij bij de verschillende attributen, zoals goedheid, wijsheid enz. dus niet maar verschillende namen gebruikten, maar daarbij werkelijk ook iets verschillends dachten. Geen enkele naam drukt adequaat Gods Wezen uit, maar er zijn toch vele onomata, idiwmata, ennoiai, axiomata, waardoor carakthr tiv hmin egginetai tou yeou. Gregorius van Nyssa sprak zelfs van ousia Gods als to upokeimenon en van poiothtev of idiwmata diaforai in betrekking tot dat Wezen10. De begrippen, die wij in de namen Gods leggen, zijn dus onderling onderscheiden. De namen Gods mochten dus niet met elkaar worden vermengd of verward; ze konden ieder op zichzelf worden beschouwd. Zo was God zeer zeker identiek met de eigenschappen divinitas, bonitas, sapientia, paternitas, filietas enz., maar daarom zijn deze onderling niet in conceptie gelijk. De ene eigenschap is dus niet zo geïnvolveerd in de andere, dat wij de een niet kunnen denken zonder de andere; maar iedere eigenschap drukt iets bijzonders uit11. Augustinus spreekt nog sterker uit, dat iedere eigenschap Gods Wezen en in zover met elke andere eigenschap identiek is. Quidquid enim secundum qualitates, nl. van God, dici videtur, secundum substantiam vel essentiam est intelligendum. Deo autem hoc est esse, quod est fortem esse aut justum esse aut sapientem esse etc. Ook de eigenschappen zijn onderling niet verschillend, quae justitia ipsa bonitas et quae bonitas ipsa beatitudo. Eadem magnitudo ejus est, quae sapientia, non enim mole magnus est sed virtute; et eadem bonitas quae sapientia et magnitudo et eadem veritas quae illa omnia; et non est ibi aliud beatum esse et aliud magnum aut sapientem aut verurn, aut bonum esse aut omnino ipsum esse12. Ja, hij zegt uitdrukkelijk, dat deze predicamenta of kwalitates van God gebezigd, eigenlijk affectiones zijn van onze geest; quidquid horum de Deo dicis, neque aliud et aliud intelligitur et nihil digne dicitur, quia haec animarum sunt, quas illa lux perfundit quodam modo et pro suis qualitatibus afficit, quomodo cum oritur corporibus lux ista visibilis. Si auferatur, unus est corporibus omnibus color, qui potius dicendus est nullus color. Cum autem illata illustraverit corpora, quamvis ipsa unius modi sit, pro diversis tallen corporum qualitatibus diverso eos nitore adspergit. Ergo animarum sunt istae affectiones, quae bene sunt affectae ab illa luce quae non afficitur et formatae ab illa quae non formatur13. Maar hoe sterk Augustinus hier spreekt, hij handhaaft niettemin ten volle, dat al deze predicamenta terecht en naar waarheid van God gebezigd worden. God is dat alles wat Hij heeft en wat in de namen Hem toegeschreven wordt. Het is er Augustinus bij deze simplicitas Dei niet om te doen, om God iets te ontnemen, maar integendeel om Hem altijd op te vatten in de volheid van Zijn zijn. Daarom spreekt hij ook van de simplex multiplicitas of multiplex simplicitas in God, en noemt hij Gods wijsheid simpliciter multiplex et uniformiter multiformis14.

In latere tijd werd de onderscheiding der ratio ratiocinans en der ratio ratiocinata gebezigd, om de moeilijkheid, die zich bij de leer der eigenschappen voordeed, tot enige oplossing te brengen. Het onderscheid der eigenschappen mocht enerzijds niets tekort doen aan de Eenheid, de eenvoudigheid, de onveranderlijkheid van Gods Wezen, en kon toch anderzijds ook niet opgevat worden als een subjectieve, willekeurige en onware vinding van de mens. En daarom werd terecht gezegd, dat dit onderscheid gegrond was in Gods openbaring zelf. Immers wij zijn het niet, die God noemen. Wij vinden die namen niet uit. Integendeel, indien het van ons afhing, wij zouden van Hem zwijgen, Hem trachten te vergeten en al Zijn namen ontkennen. Wij hebben aan de kennis van Zijn wegen geen lust. Wij komen telkens tegen al Zijn namen in verzet, tegen Zijn onafhankelijkheid, Zijn soevereiniteit, Zijn gerechtigheid, Zijn liefde, en weerstaan Hem in al Zijn volmaaktheden. Maar het is God Zelf, die al Zijn deugden openbaart en ons Zijn namen op de lippen legt. Hij geeft Zichzelf Zijn namen en handhaaft die trots onze tegenstand. Het is tot weinig nut, of wij Zijn gerechtigheid loochenen; Hij toont ze ons iedere dag in de geschiedenis. En zo is het met alle deugden. Ons ondanks brengt Hij ze tot openbaring. Het einddoel van al Zijn wegen is, dat Zijn naam schittert in al Zijn werken en op aller voorhoofd geschreven staat, Openb. 22:4. Daarom kunnen wij Hem niet anders noemen dan met de vele namen, die Zijn openbaring zelf ons aan de hand doet.

Met de eenvoudigheid Gods is dit onderscheid der eigenschappen ook niet in tegenspraak. Want de simplicitas duidt God niet aan als een abstract en algemeen zijn, maar geeft juist te kennen, dat Hij is een absolute volheid van leven. En daarom kan God aan eindige schepselen zich niet anders dan onder vele namen openbaren. Het Goddelijk Wezen is zo oneindig rijk, dat geen schepsel het kan overzien. Gelijk een kind de waarde van een groot geldstuk zich niet voorstellen kan maar er dan eerst enig besef van krijgt, wanneer het in een aantal kleinere munten wordt uiteengelegd, zo ook kunnen wij van de oneindige volheid van Gods Wezen geen denkbeeld vormen, tenzij zij telkens in een andere verhouding en onder een ander gezichtspunt zich aan ons openbaart15. God blijft eeuwig en onveranderlijk één en dezelfde, maar de relatie verschilt, waarin Hij tot zijn schepselen staat en deze staan tot Hem. Het licht blijft hetzelfde, ook al breekt het in verschillende kleuren (Augustinus). Het vuur verandert niet, of het verwarmt, verlicht of verbrandt (Mozes Maimonides). En koren blijft koren, al noemen wij het naar de verschillende relaties nu eens vrucht, dan zaad, dan voedsel (Basilius). God wordt verschillend genoemd, om de varii effectus, die Hij door Zijn altijd één en Zelfde Wezen in de schepselen teweeg brengt. Daarbij dient herinnerd, dat God in zo verschillende eigenschappen optredend en met zo verschillende namen genoemd worden kan, omdat er verwantschap is tussen Hem en Zijn schepselen. Indien deze niet bestond, waren alle namen onwaar. Maar nu is er in de schepselen analogie van wat in God Zelf aanwezig is. De namen duiden God niet maar aan als oorzaak der dingen, doch ze geven, hoe zwak en gebrekkig ook, toch enige conceptie van het Goddelijk Wezen. Zo spreken wij, God met al deze namen aanduidende, wel onvolmaakt, eindig, beperkt, menselijk, maar toch niet vals en onwaar. Want ofschoon weten en willen, gerechtigheid en genade in God één en altijd hetzelfde volle ganse Wezen zijn, toch spreidt God dat éne rijke Wezen in deze vele deugden als het ware na en naast elkaar voor onze ogen uit. Al is het steeds Hetzelfde Wezen, dat in die namen ons tegenkomt, in elke Naam wordt ons een bevatting geschonken van wat waarlijk dat wezen in oneindige volheid is. In God moge naar het Wezen heiligheid en barmhartigheid hetzelfde zijn, onze conceptie van beide, uit Gods eigen openbaring gevormd, is toch verschillend. Er is geen naam, die Gods Wezen adequaat uitdrukken kan; zo doen dan vele namen dienst, om ons een indruk te geven van Zijn alles te boven gaande grootheid16.

1 Eunomius, Liber apologeticus, Bibl. patr. gr. dogm. ed. Thilo II 581-615.

2 Stöckl, Filos. des M. A. 1 272-288.

3 Stöckl t.a.p. II 968.

4 Petavius, de Deo I c. 12.13. Heinrich, Dogm. Theol. III 402.

5 Stöckl, t.a.p. II 18. 27. 60. 88. 268 v. Verg. Kaufmann, Gesch. der Attributenlehre in der jüd. Rel. Filos. des M.A. von Saadja bis Maimun 1877.

6 Spinoza, Eth. I def. 4.

7 Falckenberg, Gesch. d. neuern Filos. bl. 90.

8 Strausz, Glaub. I 613.

9 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 50.

10 Bibl. patr. gr. dogm. ed. Thilo II 42. Verg. Diekamp, Die Gotteslehre des h. Gregor v. Nyssa. Munster 1896, I 190 v.

11 Petavius, de Deo I c. 7-10. Schwane, D. G. II/2 bl. 19-31. Heinrich, Dogm. Theol. III 408.

12 Augustinus, de trin. VI 4. 6. XV 5. 8.

13 Augustinus, Sermo 341 n. 8.

14 Id., de trin. VI 4. de civ. XII 18.

15 Augustinus, tract. 13 in Ev. Joan. Martyr, Loci bl. 39. Moor, Comm. I 582 enz.

16 Verg. behalve de genoemden, Damascenus, de fide orth. I c. 10. Thomas, S. Theol. I qu. 3 art. 3. qu. 13 art. 4. c. Gent. I c. 5. Sent. I dist. 2 qu. 1 art. 2. Petavius, de Deo I cap. 7-13. C. Pesch, Praelect. dogm. II 71-76. Zanchius, Op. II 49. Polanus, Synt. theol. lib. 2. c. 7. Voetius, Disp. I 233. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 51-53. Schmid, Dogm. der ev. Luth. K. par. 18.

x
This website is using cookies. Accept