Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

189. Deze hoge, verheven God daalt echter ook uit zijn transcendentie tot het schepsel neer. Hij openbaart Zich niet alleen in het algemeen door de schepping aan alle volken, maar heeft Zich in bijzondere zin ook aan Israël kenbaar gemaakt. De eerste Naam, waarmee God nu in de bijzondere openbaring optreedt, is die van ydv of ydv la. Als zodanig openbaart Zich God aan Abraham, als Hij hem stelt tot een vader van vele volken en zijn verbond met de besnijdenis bezegelt, Gen. 17:1. In de tijd der aartsvaders komt deze Naam dan ook herhaaldelijk voor, Gen. 28:3, 35:11, 43:14, 48:3, 49:25, Ex. 6:3, Num. 24:4, maar voorts ook in Job, in enkele Psalmen en een paar keer bij de Profeten. In het Nieuwe Testament wordt hij weergegeven door pantokratwr, 2Cor. 6:18, Openb. 4:8 enz. De oorsprong van de Naam is nog duister. Nöldeke heeft hem afgeleid van dv, heer, en als ydv geïnterpuncteerd, maar blijkens Gen. 43:14, 49:25, Ezech. 10:5 is de Naam toch ongetwijfeld een adjectivum. Vroeger werd hij afgeleid van v voor rsa en yd, ikanov, en dan vertaald als qui est sufficiens, algenoegzaam; of van ddv in de betekenis van sterk zijn, verwoesten; of ook van hdv of rva uitstorten, zodat God daardoor aangeduid wordt als Degene, die alles overvloedig mededeelt. Overal staat echter bij deze Naam het denkbeeld van de macht en de onoverwinlijke sterkte op de voorgrond, en Jes. 13:6 brengt, zij het dan ook slechts in een woordspeling, deze Naam met ddv, verwoesten, in verband, cf. Joël 1:15. Daarom doet deze Naam ons God kennen als Degene, die alle macht bezit en dus alle tegenstand breken en alles dienstbaar maken kan aan Zijn wil. Terwijl Elohim de God is van de schepping en de natuur, is El Shaddai de God, die alle krachten van die natuur ondergeschikt maakt aan en in dienst stelt van de genade1. In deze Naam is de yeiothv en aidiov dunamiv van God geen voorwerp van schrik en vrees meer, maar een bron van heil en van troost. God geeft Zichzelf aan Zijn volk en staat met Zijn onoverwinlijke kracht voor de vervulling van Zijn beloften, voor de handhaving van Zijn verbond in. Daarom heet Hij van nu voortaan ook telkens de God van Abraham, Gen. 24:12, Izak, Gen. 28:13, Jakob, Ex. 3:6, de God der vaderen, Ex. 3:13,15, de God der Hebreeën, Ex. 3:18, de God Israëls, Gen. 33:20, en bij Jesaja dikwijls de Heilige Israëls. God is de Verhevene, Schepper van hemel en aarde, de Almachtige, maar die tegelijk ook in een bijzondere, gunstrijke verhouding tot Zijn volk staat.

Als God der genade treedt Hij echter vooral op in de Naam hwhy. De Joden noemden deze Naam de Naam bij uitnemendheid, de Wezensnaam, de eigennaam, de heerlijke Naam, de Naam van de vier letters, tetragrammaton enz., en leiden uit Lev. 24:16 Ex. 3:15, en waar men Mlel, om te verbergen, las, af, dat het verboden was hem uit te spreken. Het is onbekend, wanneer deze mening onder de Joden is opgekomen. Maar het is zeker, dat de LXX reeds geregeld Adonai heeft gelezen en daarom de Naam door kuriov heeft overgezet; andere vertalingen volgden dit voorbeeld en gaven de Naam weer door Dominus, The Lord, der Herr, HEERE2; het Frans heeft l’Eternel. Daardoor is ook de oorspronkelijke, juiste uitspraak verloren gegaan. De kerkvaders noemden de Naam aporrhton, alekton, afraston, waarschijnlijk niet omdat zij de uitspraak van deze Naam voor ongeoorloofd hielden, maar omdat de Joden zo oordeelden en de uitspraak feitelijk verloren was3. In het Grieks werden de vier letters geschreven als IIIIII, of ook volgens Diodorus Siculus en Origenes weergegeven door Iaw of Iah volgens Hieronymus door Jaho, volgens Philo Byblius door Ieuw, volgens Clemens Alex. door Iaou. Theodoretus verhaalt, dat de Joden Aia en de Samaritanen Iabe uitspraken. Dit alles wijst waarschijnlijk op een oude uitspraak Jahveh terug4. Met beroep op de traditie bij de Joden, werd door sommigen de Naam als Jeve uitgesproken, bijv. door Joachim van Floris in zijn Evangelium aeternum. Inderdaad is deze interpunctie te vinden bij Samuël b. Meir, en werd ze later nog verdedigd door Hottinger, Reland e.a.5. De uitspraak Jehovah is van jonge dagtekening: ze vond vooral ingang door de Franciscaner Petrus Galatinus, die echter door velen, o.a. door Genebrardus, bestreden werd6. Later beweerden ook nog mannen, als Drusius, Amama, Scaliger, Vriemoet e.a., dat de uitspraak Jehovah niet de ware kon zijn, en dat het woord de vocalen aan Adonai had ontleend7. Werkelijk wordt deze interpunctie door zeer ernstige bezwaren gedrukt. Vooreerst is Jahweh in de Hebr. Bijbel een keri perpetuum en heeft nu eens de vocalen van Adonai, dan die van Elohim; voorts is de vorm Jehovah on-Hebreeuws en onverklaarbaar; en tenslotte dagtekent deze interpunctie uit een tijd, toen de Joden allang de uitspraak van de Naam verboden achten.

Indien deze vocalisatie onjuist is, rijst de vraag, hoe dan de Naam te verklaren zij. De bewering, dat hij van Egyptische oorsprong is (Voltaire, Schiller, Wegscheider, Heeren, Brugsch), wordt door Ex. 5:2 weersproken en vindt nagenoeg geen verdediging meer. Ook de mening van Hartmann, Bohlen, Colenso, Dozy, Land, dat hij Kananitisch of Fenicisch is en door de Israëlieten na hun intocht in Kanaän is overgenomen, is onhoudbaar gebleken en afdoende weerlegd8. Desalniettemin is dezelfde bewering door Friedrich Delitzsch op andere gronden in zijn eerste voordracht over Babel und Bibel herhaald. Volgens zijn lezing komt nl. de Naam van Jahweh reeds voor in twee eigennamen, die gevonden worden op de kleitafeltjes uit de tijd van Hammurabi, nl. als Ja-a’-ve-ilu en Ja-u-um-ilu. En daaruit leidt hij af, dat de Naam van Jahweh oorspronkelijk Kananitisch was en door de stam van Hammurabi uit Kanaän naar Babel is overgebracht. Maar over de juistheid van deze lezing bestaat groot verschil; velen achten haar beslist verkeerd of hoogst twijfelachtig en vatten het eerste gedeelte in deze eigennamen niet als nomen maar als een verbum op, zodat ze betekenen zouden: El beschermt mij, of als de naam van een Babylonische Jahu of Jau. Ten andere blijft, ook al zou de lezing van Delitzsch de juiste zijn, de mening toch onhoudbaar, dat de Naam Jahweh oorspronkelijk Kananitisch zou zijn geweest, want de Semitische oorsprong van de Kanaänieten en de verhuizing van de stam van Hammurabi uit Kanaän naar Babel zijn onbewezen hypothesen, en van een Kanaänitische godheid met de Naam Jahweh is in die oude tijd nergens een spoor te vinden. Vervolgens is het volstrekt niet onmogelijk, dat de Naam Jahweh reeds vroeger vóór Mozes bestond en zelfs ook bij Semieten en Babyloniërs bekend was, maar opmerkelijk is toch, dat daarvoor alle bewijs, behalve dan de bovengenoemde twee twijfelachtige namen, ontbreekt. Jahweh was beslist de God van Israël, niet alleen volgens de Schrift, bijv. Richt. 5:3-4, maar ook volgens het getuigenis van de Mesasteen uit de negende eeuw vóór Christus. En tenslotte, ook al zou de Naam Jahweh de naam van een of andere Babylonische godheid geweest zijn, de betekenis van die naam en de Godheid, die er door aangeduid wordt, is bij Israël toch een geheel andere, want Jahweh is hier de God van Israël en tevens de enige God, de Schepper van hemel en aarde9.

Wat nu de afleiding van de Naam betreft, vrij algemeen wordt aangenomen, dat zij terugwijst op de stam hwh of hyh, en is er, omdat de uitspraak van Jaho, door Von Hartmann10 voorgestaan, in geen aanmerking kan komen11, alleen nog verschil over, of hij een 3e pers. impf. is van kal of van hiphil. De laatste verklaring is verdedigd door Gesenius, Schrader, Lagarde, Schultz, Land, Kuenen12, eigenlijk alleen op grond daarvan, dat een zo verheven Godsbegrip, als in de kal-vorm zich zou uitspreken, in de tijd van Mozes nog niet denkbaar is. De Naam Jahweh zou dan niet betekenen, Hij die is, maar Hij, die zijn doet, die leven geeft, Schepper. Maar Smend zegt op zijn standpunt terecht, dat ook deze Naam nog veel te hoog is voor die tijd; en hij noemt deze verklaring ook daarom onwaarschijnlijk, omdat de hiphil van het werkwoord hwh nooit voorkomt13. Zo blijft alleen de afleiding over, welke in Ex. 3 van de Naam gegeven wordt. Toch is er ook dan nog verschil over de betekenis van de Naam. De kerkvaders dachten bij deze Naam vooral aan de aseitas; God was de Zijnde, het eeuwige, onveranderlijke zijn tegenover het ouk on van de afgoden en het mh on van de schepselen. Anderen, zoals W.R. Smith, Smend, beroepen zich op Ex. 3:12, en vatten de Naam op als Hij, die met u zal zijn. Beide uitleggingen zijn onaannemelijk; de laatste, omdat de bijvoeging met u, Kme, dan niet kon ontbreken, en de eerste, omdat zij te filosofisch klinkt en ook in Ex. 3 geen steun vindt. Immers in vers 13-15 wordt de betekenis van de Naam duidelijk aangegeven. Voluit luidt hij hyha rva hyha; en daarmee zegt de Heere, dat Hij, die nu Mozes roept en Zijn volk wil redden, dezelfde is als Die, die aan hun vaderen is verschenen. Hij is Die Hij is, gister en heden dezelfde in eeuwigheid. Nog nader wordt deze betekenis in vers 15 in het licht gesteld: Jahweh, de God van uw vaderen, de God van Abraham, Izak en Jakob zendt Mozes, en dat is Zijn Naam eeuwig. God noemt Zich hier niet de zijnde zonder meer en geeft geen verklaring van Zijn aseitas, maar Hij zegt uitdrukkelijk, wat en hoe Hij is. Hoe en wat zal Hij dan zijn? Dat is in één woord niet te zeggen, dat is niet door één enkel bijvoegsel te omschrijven, maar Hij zal Zijn die Hij zijn zal. Daarin ligt alles opgesloten; algemeen en onbepaald is deze bijvoeging, maar daarom ook rijk en diep van zin. Hij zal zijn, die Hij geweest is voor de aartsvaders, die Hij nu is, die Hij blijven zal; Hij zal voor Zijn volk alles zijn. Het is geen nieuwe en geen vreemde God, die door Mozes tot hen komt, maar het is de God der vaderen, de onveranderlijke, de bestendige, de getrouwe, de altijd Zichzelf gelijkblijvende, die Zijn volk niet begeeft of verlaat, maar het altijd weer opzoekt en redt, onveranderlijk in Zijn genade, in Zijn liefde, in Zijn hulp, die zijn zal wat Hij is, omdat Hij altijd Zichzelf is; awx yna noemt Hij Zich daarom bij Jesaja, de Eerste en de Laatste, hfdst. 41:4, 43:10, 13,25, 44:6, 48:12. Natuurlijk ligt hier de aseitas wel aan ten grondslag, maar deze treedt toch niet op de voorgrond en wordt niet rechtstreeks in de Naam uitgesproken.

Uit deze verklaring blijkt ook, of en in hoever de Naam Jahweh reeds vóór de tijd van Mozes bekend was. Ex. 6:3 zegt niet, dat de Naam als Naam toen aan Mozes is meegedeeld, maar dat de Heere met of ten opzichte van Zijn Naam aan de vaderen niet bekend is geweest. De Naam wordt dan ook reeds telkens vóór Ex. 6 aangetroffen, komt in vele eigennamen voor, zoals Jochebed, Achija, Abija, 1 Kron. 2:24,25, en kon ook daarom geen geheel nieuwe Naam wezen, omdat Mozes, om gehoor te vinden bij zijn volk, juist niet met een vreemde Naam maar in de Naam van de God der vaderen, Ex. 3:12, moest optreden. De bedoeling van Ex. 6:3 kan daarom geen andere zijn, dan dat de zin en betekenis van deze Naam eerst toen door de Heere zelf aan Mozes is bekend gemaakt. En dit is immers ook zo. Eerst in Ex. 3 geeft de Heere Zelf een verklaring van deze Naam; hier zegt Hij, hoe Hij deze Naam wil verstaan hebben. De Naam bestond reeds vroeger, is ook toen reeds meermalen door de Heere zelf gebezigd, Gen. 15:7, 28:13, en als aanspraaknaam gebruikt, Gen. 14:22; 24:3; 28:16; 15:2,8; 32:9. Maar nergens wordt er een verklaring van die Naam gegeven. Het is in het afgetrokkene best mogelijk, dat de Naam Jahweh oorspronkelijk, naar zijn afleiding, iets geheel anders betekende dan in Ex. 3 gezegd wordt. Ex. 3 geeft geen etymologie, geen woord, maar een zaakverklaring. Gelijk God in Zijn bijzondere openbaring aan Israël allerlei godsdienstige gebruiken, besnijdenis, Sabbat, offerande, priesterschap enz. overnam en er een bijzondere betekenis aan schonk, zo heeft Hij ook met deze Naam gedaan. Afgezien van oorsprong en oorspronkelijke betekenis zegt de Heere in Ex. 6, hoe en in welke zin Hij Jahweh is, de Ik zal Zijn die Ik zijn zal. De Naam Jahweh is van nu voortaan de omschrijving en de waarborg hiervan, dat God de God van Zijn volk is en blijft, onveranderlijk in Zijn genade en trouw. En dat kon ook thans eerst, in Mozes’ tijd, uitkomen. Er moest juist een lange tijd verlopen, om te bewijzen dat God getrouw en onveranderlijk was; iemands trouw kan eerst op de duur en vooral in tijden van ellende worden beproefd. Zo was het met Israël. Eeuwen waren verlopen na de tijd van de aartsvaders; Israël werd onderdrukt en zat in ellende neer. En nu zegt God: Ik ben die Ik ben, Jahweh, de onveranderlijk getrouwe, de God der vaderen, de God ook nu nog van uen tot in eeuwigheid. Thans legt God in een oude Naam een geheel nieuwe betekenis, die ook thans eerst door het volk kan worden verstaan. En daarom is Jahweh Israëls God van Egypteland af. Hos. 12:10, 13:4.

1 Statenvert. op Ge 17.1. Zanchius, Op. II 43. M. Vitringa, Doctr. Christ. I 132. De Moor, Comm. I 522 v. Oehler, Theol. par. 37. Delitzsch, Comm. op Gen. 17:1

2 Acta Syn. Dordr. sess. 12.

3 De Moor, Comm. I 534. Buddeus, Inst. theol. dogm. I 188.

4 Schultz, Altt. Theol/4. 523.

5 Delitzsch, Neuer Comm. uber die Genesis 1887 bl. 546 v.

6 Petavius, de Deo VIII c. 9.

7 Voetius, Disp. V 55. M. Vitringa, Doctr. Christ. I 130.

8 Kuenen, Godsd. van Israël I 397-401. Valeton, Theol. Stud. 1889 bl. 176 v.

9 H.H. Kuyper, Evolutie of Revelatie. Amsterdam 1903. bl. 95. Robertson, Theol. of the Old Test. bl. 52. Orr, The problem of the Old Test. bl. 221 v.

10 Ed. von Hartmann, Religionsphilos. I 370 v.

11 Kuenen, Volksgodsdienst en Wereldgodsdienst bl. 261 v.

12 Kuenen, Godsd. v. Isr. I 275.

13 Smend, Altt. Rel. Gesch. bl. 21.

x
This website is using cookies. Accept