Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

190. De Naam Jahweh is in het Oude Testament de hoogste openbaring Gods. Nieuwe namen komen er niet meer bij. Jahweh is Gods eigenlijke Naam, Ex. 15:3, Ps. 83:18 [Ps. 83:17], Hos. 12:6 [Hos. 12:5], Jes. 42:8; wordt daarom nooit van een ander dan Israëls God gebezigd en komt ook nooit in statu constructo, in plurali of met suffixa voor. Wel wordt deze Naam meermalen in de vorm gewijzigd of door ene of andere bijvoeging versterkt. Door verkorting ontstond de vorm why, why, hy, die vooral in samenstellingen gebezigd wordt, en daaruit ontstond weer het zelfstandige nomen hy. Deze verkorte Naam wordt regelmatig gebezigd in de uitroep hy-wllh, maar komt voorts ook meermalen zelfstandig voor, Ex. 15:2, Ps. 68:5 [Ps. 68:4]; 89:9 [Ps. 89:8]; 94:7,12; 118:14, Jes. 12:2, 38:11, soms in verbinding met hwhy, Jes. 26:4. Zeer gebruikelijk is ook de combinatie Adonai Jahweh, bijv. Ezech. 23:28. Een bijzondere versterking krijgt de Naam Jahweh ook door de toevoeging Zebaoth, twabu hwhy, Ps. 69:7 [Ps. 69:6], 84:2 [Ps. 84:1], Hagg. 2:7-9 [Hagg. 2:6-8], éénmaal twabuh hwhy, Am. 9:5, eigenlijk verkort uit hwabu yhla hwhy, 1 Sam. 1:3, 4:4, Jes. 1:24, of twabu Myhla hwhy, Ps. 80:5 [Ps. 80:4], 84:9 [Ps. 84:8]. Omdat Zebaoth verbonden werd met Jahweh, dat geen status constructus toelaat, en soms met Elohim in statu absoluto, leiden Origenes, Hiëronymus e.a. daaruit af, dat Zebaoth een appositie was; en zij werden hierin nog versterkt door het feit, dat het woord in de LXX, vooral in 1 Sam. en Jes., en ook in Rom. 9:29, Jak. 5:4 onvertaald is gebleven1. Maar dit gevoelen mist genoegzame grond. Elders is Zebaoth weergegeven door pantokratwr of kuroiv twn dunamewn, en de Naam Jahweh, die Zebaoth, d.i. legers, heirscharen is, geeft geen zin.

Moeilijk is het echter te zeggen, wat onder die Zebaoth verstaan moet worden. Sommigen hebben daarbij gedacht aan de krijgslegers van Israël en menen, dat de Naam van Heer der heirscharen God aanduidt als God van de oorlog. Maar de meeste plaatsen daarvoor aangehaald, zoals 1 Sam. 1:3,11; 4:4; 15:2; 17:45; 2Sam. 5:10; 6:2,18; 7:8,26-27, 1Kon. 17:1; 2 Kon. 19:31; Ps. 24:10 bewijzen niets; slechts een drietal plaatsen, 1 Sam. 4:4; 17:45; 2 Sam. 6:2 leveren een schijn van bewijs; en 2 Kon. 19:31 is er veel meer mee in strijd. Voorts is de pluralis Zebaoth wel in gebruik voor de volksscharen Israëls, Ex. 6:25; 7:4; 12:17,41,51; Num. 1:3; 2:3; 10:14; 33:1; Deut. 20:9, maar het krijgsleger van Israël wordt altijd met de singularis zaba aangeduid, Richt. 8:6; 9:29; 2 Sam. 3:23; 8:16; 10:7; 17:25; 20:23; 1 Kon. 2:25. En tenslotte stemmen allen toe, dat de Naam Heere der heirscharen bij de profeten deze betekenis van God van de oorlog niet meer heeft; maar zij laten dan onverklaard hoe en waardoor deze uitdrukking zo van betekenis gewijzigd is. Anderen denken bij het woord heirscharen aan de sterren met beroep op teksten als Deut. 4:19, Ps. 33:6, Jer. 19:13, 33:22, Jes. 34:4, 40:26, Neh. 9:6; Smend breidt dit nog uit en verstaat er onder de machten en elementen van de kosmos, op grond van plaatsen als Gen. 2:1, Ps. 103:21, Jes. 34:2. En inderdaad spreekt de Schrift meermalen van de sterren als het heir des hemels, Deut. 4:19, En van alle schepselen als het heir van hemel en aarde, Gen. 2:1, maar vooreerst is dan nooit de pluralis doch alleen de singularis gebruikelijk; verder worden de sterren wel het heir des hemels maar nooit het heir Gods genoemd; en tenslotte worden wel alle schepselen, maar nooit een zo abstract begrip als machten en elementen van de kosmos met de Naam van heir aangeduid.

De onaannemelijkheid van deze nieuwere verklaringen doet de oude uitlegging, die bij de heirscharen aan de engelen dacht, in waarde rijzen. En deze uitlegging vindt in de Schrift overvloedig steun. De Naam van Heere der heirscharen wordt meermalen met de engelen in verband gebracht, 1 Sam. 4:4, 2 Sam. 6:2, Jes. 37:16, Hos. 12:5-6 [Hos. 12:4-5], Ps. 80:2,5; Ps. 80:1, 4 [Ps. 80:4]; 89:6-9 [Ps. 89:5-8], en de engelen worden telkens voorgesteld als een heir, dat de troon Gods omringt, Gen. 28:12-13; 32:2; Jos. 5:14, 1 Kon. 22:19, Job 1:6, Ps. 68:18 [Ps. 68:17], 89:8 [Ps. 89:8], 103:21, 148:2, Jes. 6:2. Al is het, dat zaba gewoonlijk van het heir der engelen in singulari staat, dit kan toch geen bezwaar zijn, omdat de Schrift meermalen van vele scharen van engelen gewag maakt, Gen. 32:2, Deut. 33:2, Ps. 68:18 [Ps. 68:17], 148:2. En hiermede komt de betekenis van de Naam overeen. Deze draagt hoegenaamd geen oorlogzuchtig of krijgshaftig karakter; zelfs uit 1 Sam. 4:4; 17:45; 2 Sam. 6:2 is dit niet af te leiden. Maar in deze Naam wordt allerwege uitgedrukt de heerlijkheid van God als Koning, Deut. 33:2, 1 Kon. 22:19, Ps. 24:10, Jes. 6:2, 24:23, Zach. 14:16, Zach. 1:14. De engelen behoren bij de doxa van God of van Christus, zij verhogen en verbreiden die, Mt. 25:31, Mk. 8:38, 2 Thess. 1:7, Op. 7:11. Jahweh Zebaoth is door heel de Schrift heen de plechtige Koningsnaam Gods, vol Majesteit en heerlijkheid. Elohim duidt God aan als Schepper en Onderhouder aller dingen; El Shaddai doet Hem kennen als de Sterke, die de natuur dienstbaar maakt aan de genade; Jahweh beschrijft Hem als Degene, die in Zijn genade trouw houdt in eeuwigheid; Jahweh Zebaoth tekent Hem als de Koning vol Heerlijkheid, die, door Zijn geordende heirscharen omringd, als de Almachtige in de ganse wereld heerst, en in Zijn tempel eer en hulde ontvangt van al zijn schepselen2.

1 De Moor, Comm. I 512 v.

2 Verg. over Jahweh Zebaoth, Delitzsch, Luth. Zeits. 1869 en 1874 en op Ps.24:10. Schrader, Jahrb. f. prot. Theol. 1875 bl. 316-320. Oehler, Theol. par. 195 v. Schultz, Theol. 529 v. Smend, Altt. Rel. 185 v. König, Die Hauptprobl. deraltisr. Rel. bl. 49 v. Kuenen, G. v. I. II 46. Stade, Gesch. Isr. I 437. Valeton, t.a.p. bl. 208 v. Art. Zebaoth in PRE/2 en Riehm, Handwörterbuch. Borchert, Der Gottesname Jahwe Zebaoth, Stud. u. Kr. 1896 bl. 619-642.

x
This website is using cookies. Accept