Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

191. In het Nieuwe Testament zijn al deze namen behouden. El en Elohim zijn, weergegeven door yeov, Eljon is vertaald door uqistiv yeov, Mk. 5:7; Luk. 1:32,35,76; 8:28; Hd. 7:48, 16:17, Hebr. 7:1, cf. en uqistoiv yeov, Luk. 2:14. Ook de benaming van God als God van Abraham, Izak en Jakob of als de God Israëls gaat over in het Nieuwe Testament, Mt. 15:31, 22:32, Mk. 12:26, Luk. 1:68, 20:37, Hd. 3:13; 7:32,46; 22:14; 24:14; Hebr. 11:16. Maar meestal worden deze bijstellingen vervangen door de genitivi mou, sou, hmwn, umwn want in Christus is God de God en Vader van Zijn Volk, en van ieder Zijner kinderen geworden, Hebr. 8:10, Openb. 7:12, 19:5, 21:3. De Naam Jahweh wordt in het N.T. enkele malen geëxpliceerd door to alfa kai to w, o wn kai hn kai o ercomenov, h arch kai to telov o prwtov kai o esxatov, Op. 1:4,8,11,17; 2:8; 21:6; 22:13. Overigens wordt hij op het voetspoor van de LXX, die reeds Adonai las, vertaald door kuriov, van kurov, macht. Kuriov doet God kennen als de Machtige, de Heer, de Eigenaar, de Heerser, die rechtens macht en autoriteit bezit, in onderscheiding van despothv, de heer, die feitelijk macht oefent, en wordt in het Nieuw Testament nu eens van God, dan van Christus gebruikt1. Ook de verbindingen van Jahweh Elohim, Jahweh Elohim Zebaoth worden in het Nieuw Testament teruggevonden, als kuriov o yeov, Luk. 1:16, Hd. 7:37, 1 Petr. 3:15, Op. 1:8, 22:5, kuriov o yeov pantokratwr, Op. 4:8; 11:17; 15:3; 16:7; 21:22; terwijl in Rom. 9:29, Jak. 5:4 Zebaoth onvertaald is gebleven.

Een nieuwe Naam schijnt er in het Nieuwe Testament bij te komen, het is de Naam van Pathr. Toch komt deze naam voor de Godheid ook in de Heidense godsdiensten voor2 en wordt hij reeds in het Oude Testament verscheidene malen van God gebezigd, Deut. 32:6, Ps. 103:13, Jes. 63:16, 64:8, Jer. 3:4,19; 31:9; Mal. 1:6, 2:10, gelijk ook Israël meermalen zijn zoon wordt genoemd, Ex. 4:22, Deut. 14:1, 32:19, Jes. 1:2, Jer. 31:20, Hos. 1:10, 11:1. De Naam drukt hier de bijzondere, theocratische verhouding uit, waarin God tot Zijn volk Israël staat; Hij heeft dat volk op wondere wijze uit Abraham geformeerd. In de meer algemene zin van Oorsprong en Schepper aller dingen wordt de Vadernaam in het Nieuwe Testament gebruikt in 1 Cor. 8:6, Ef. 3:15, Hebr. 12:9, Jak. 1:18, cf. Luk. 3:38, Hand. 17:18. Maar overigens drukt de Naam de ethische verhouding uit, waarin God nu door Christus tot al Zijn kinderen staat. De verhouding, die in het Oude Testament tussen God en Israël bestond, is hiervan type en voorbeeld; zij is thans verdiept en uitgebreid, geëthiseerd en geïndividualiseerd. De Naam van Vader wordt thans de gewone Naam van God in het Nieuwe Testament De benaming Jahweh is door kuriov onvoldoende weergegeven; zij wordt als het ware aangevuld door de Vadernaam. Deze is de hoogste openbaring Gods. God is maar niet de Schepper, de Almachtige, de Getrouwe, de Koning en Heer; Hij is ook de Vader van zijn volk. Het theocratische koninkrijk onder Israël gaat over in een koninkrijk van de Vader, die in de hemelen is. De onderdanen zijn tevens kinderen; de burgers huisgenoten. Beide, recht en liefde, staat en huisgezin komen in de nieuwtestamentische verhouding van God tot Zijn volk tot volkomen vervulling. Hier is het volmaakte Koningschap, want hier is een Koning, die tevens Vader is, die Zijn onderdanen niet met geweld onderwerpt, maar die Zelf Zijn onderdanen schept en bewaart. Zij zijn als kinderen uit Hem geboren, zij dragen Zijn Beeld, zij zijn Zijn familie. Deze verhouding is in het Nieuwe Testament mogelijk geworden door Christus, die de Eigen; eniggeboren en geliefde Zoon des Vaders is. En de gelovigen worden dit kindschap deelachtig en worden zich daarvan ook bewust door de Heilige Geest, Joh. 3:5,8, Rom. 8:15 v. In de Naam Vader, Zoon en Geest heeft God Zich het rijkst geopenbaard. De volheid, die van de beginne af in Elohim lag opgesloten, heeft langzamerhand zich ontplooid en in de trinitarische Naam Gods zich het luisterrijkst en volledigst ontvouwd.

1 S. Herner, Die Anwendung des Wortes kuriov im N.T. Lund 1903.

2 W. Robertson Smith, Die Religion der Semiten bl. 27 v.

x
This website is using cookies. Accept