Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 29. De onmededeelbare Eigenschappen

Verg. de literatuur bij par. 28 en hierna bij elke eigenschap afzonderlijk.

192. Bij sommige theologen gaat de locus de trinitate aan die over de deugden Gods vooraf; en Frank heeft tegen de omgekeerde orde zelfs ernstige bezwaar1. Indien de behandeling van de deugden Gods vóór de leer der triniteit bedoelde, om langzamerhand uit de theologia naturalis tot de theologia revelata en uit het natuurlijk tot het Christelijk Godsbegrip op te klimmen, zou ze zonder twijfel afkeuring verdienen. Maar dit is geenszins het geval. In de leer der volmaaktheden Gods wordt de Goddelijke natuur behandeld, gelijk zij in de Schrift ons is geopenbaard, door het Christelijk geloof wordt beleden, en straks in de locus de trinitate zal blijken, op drievoudige wijze te bestaan. Om in die locus te verstaan, dat Vader, Zoon en Geest dezelfde Goddelijke natuur deelachtig zijn, is het nodig te weten, wat die Goddelijke natuur in zich bevat en waarin zij van alle geschapen natuur onderscheiden is. De Schrift gaat ons daarin ook voor. Het Wezen Gods wordt daar ons eerder en duidelijker geleerd dan Zijn trinitarisch bestaan; de Drieëenheid komt eerst in het Nieuwe Testament tot duidelijke openbaring; de namen Jahweh, Elohim gaan aan die van Vader, Zoon en Geest vooraf. Het eerste, dat de Schrift ons van God kennen doet, is, dat Hij een eigen, van alle schepselen onderscheiden, zelfstandig en onafhankelijk Zijn en leven heeft. Hij heeft een eigen Wezen, een eigen fusiv, natura, substantia, essentia, niet in onderscheiding van Zijn deugden, maar in alle deugden en volmaaktheden ons tegemoet tredende en kenbaar wordende. Hij draagt Eigen Namen, welke aan geen schepsel toekomen. Onder deze staat de Naam van Jahweh bovenaan, Ex. 3:14. Door deze Naam wordt Hij aangeduid als Degene, Die is en zijn zal wat Hij was, die eeuwig in betrekking tot Zijn volk Zichzelf gelijk blijft. Hij bestaat van Zichzelf. Hij bestond vóór alle dingen, en deze bestaan alleen door Hem, Ps. 90:2, 1 Cor. 8:6, Openb. 4:11. Hij is Nwda, kuriov, despothv in absolute zin, Heer der ganse aarde, Ex. 23:17, Deut. 10:17, Jos. 3:13. Hij is van niets, alles is van Hem afhankelijk, Rom. 11:36. Hij doodt en maakt levend, schept het licht en de duisternis, de vrede en het kwaad, Deut. 32:39, Jes. 45:5-7, 54:16. Hij doet met het heir des hemels en met de inwoners der aarde naar Zijn wil, Dan. 4:35, zodat de mensen in Zijn hand zijn als leem in de hand van de pottebakker, Jes. 64:8, Jer. 18:1 v., Rom. 9:21. Zijn raad, Zijn welbehagen is laatste grond van al wat is en geschiedt Ps. 33:11, Spr. 19:21, Jes. 46:10, Mt. 11:26, Hand. 2:23, 4:28, Ef. 1:5,9,11. Hij doet dan ook alles om Zijns zelfs, om Zijns Naams, om Zijns roems wil, Deut. 32:27, Jos. 7:9, 1 Sam. 12:22, Ps. 25:11, 31:4 [Ps. 31:3], 79:9, 106:8, 109:21, 143:11, Spr. 16:4, Jes. 48:9, Jer. 14:7,21, Eze. 20:9,14,22,44.

Hij heeft ook niets nodig, is algenoegzaam, Job 22:2,3, Ps. 50:19 v., Hand. 17:25, en heeft het leven in Zichzelf, Joh. 5:26. En zo is Hij de Eerste en de Laatste, de Alfa en de Omega, Die is en Die was en Die komen zal, Jes. 41:4, 44:6, 48:12, Openb. 1:8 enz.; volstrekt onafhankelijk, niet alleen in Zijn bestaan, maar tengevolge daarvan ook in al Zijn deugden en volmaaktheden, in al Zijn besluiten en daden. Onafhankelijk is Hij in Zijn verstand, Rom. 11:34,35, in Zijn wil Dan. 4:35, Rom. 9:19, Ef. 1:5, Op. 4:11, in Zijn raad, Ps. 33:11; Jes. 46:10, in Zijn liefde, Hos. 14:5 [Hos. 14:4], in Zijn macht, Ps. 115:3 enz. En algenoegzaam in Zichzelf, en niets van buiten Zich ontvangende, is Hij integendeel de enige Bron van alle zijn en leven, van alle licht en liefde, de overvloedige fontein aller goed. Ps. 36:10 [Ps. 36:9], Hand. 17:25.

Deze onafhankelijkheid Gods wordt min of meer door alle mensen erkend. De Heidenen trekken het goddelijke wel in het creatuurlijke neer en leren een theogonie, maar nemen achter en boven hun goden toch dikwijls weer een macht aan, waaraan alles in volstrekte zin onderworpen is. Velen spreken van natuur, toeval, noodlot of fortuin als een macht, die boven alles verheven is; en wijsgeren duiden God bij voorkeur met de Naam van het Absolute aan. In de Christelijke theologie droeg deze deugd Gods de Naam van autarkeia, aseitas, omnisufficientia, independentia, magnitudo. In het Oosten sprak men van yeov anarcov, asaitiov, agesshtov en noemde men God bij voorkeur autogennhtov, autofuhv, aitousiov, autoyeov, aitofwv, autosofia, autoareth, aitagayov enz.2. God is al wat Hij is door Zichzelf. Hij is ipsa per se bonitas, sanctitas, sapientia, vita, lux, veritas etc. Gelijk vroeger reeds is gezegd, gingen de kerkvaders in navolging van Philo bij de beschrijving Gods meest uit van de Naam Jahweh. Dat was Zijn Wezensnaam bij uitnemendheid. God was de Zijnde. In deze Naam: Ik zal Zijn die Ik zijn zal, lag alles opgesloten. Alle andere deugden Gods werden daaruit afgeleid. God is summum esse, summum bonum, summum verum, summum pulchrum. Hij is het volmaakte, het hoogste, het beste zijn, quo esse aut cogitari melius nihil possit. Hij heeft het gehele zijn in Zich, Hij is een oneindige en onbegrensde zee van zijn. Si bonum, si magnum, si beatum, si sapientem vel quidquid tale de Deo dixeris, in hoc verbo instauratur quod est Est. Nempe hoc est ei esse, quod haec omnia esse. Si et centum talia addas, non recessisti ab esse; si ea dixeris, nihil addixisti; si non dixeris nihil minuisti3. De scholastiek sloot zich hierbij aan4, en behandelde deze deugd ook wel onder de naam van de infinitas of spiritualis magnitudo Dei5 of onder die van de aseitas Dei, waarmee werd aangeduid, dat God als summa substantia perse ipsam aut ex se ipsa est quidquid est6. Latere Roomse theologen gaan evenzo meest van deze aseitas of independentia uit7.

De Hervorming bracht hierin geen wijziging. Ook Luther omschrijft God op grond van de Naam Jahweh als de volstrekt zijnde; Hij is louter Wezen. Maar toch houdt Luther zich niet lang met abstracte, metafysische beschrijvingen op en gaat spoedig van de Deus absconditus over tot de Deus revelatus in Christo8. Melanchton in zijn Loci omschrijft God als essentia spiritualis. De Luthersen hebben deze omschrijving meest overgenomen maar dan dikwijls nog de nadere bepaling infinita, ase subsistens of independens er aan toegevoegd9. Bij de Gereformeerden treedt deze volmaaktheid Gods nog sterker op de voorgrond, al wordt de Naam aseitas later meest met die van independentia verwisseld. Aseitas drukt alleen de onafhankelijkheid Gods in Zijn bestaan uit, maar independentia heeft een ruimer zin en sluit in, dat God onafhankelijk is in alles, in Zijn zijn, in Zijn deugden, in Zijn besluiten, in Zijn werken. Terwijl vroegere daarom meest van de Naam Jahweh uitgaan10 komt later de independentia meest voor als de eerste der onmededeelbare eigenschappen11.

Als God nu in de Schrift Zichzelf deze aseitas toeschrijft, dan doet Hij Zich daardoor kennen als het absolute zijn, als de Zijnde in volstrekte zin. Door deze volmaaktheid is Hij terstond Wezenlijk en volstrekt onderscheiden van alle creatuur. Al het schepsel is toch niet a se maar ab alio, en is en heeft dus niets van zichzelf; het is volstrekt afhankelijk in zijn oorsprong en dus ook in heel zijn verder bestaan en ontwikkeling. Maar God is blijkens deze Naam alleen van Zichzelf, a se, niet in die zin als had Hij Zichzelf veroorzaakt, maar als van eeuwigheid tot eeuwigheid zijnde die Hij is, zijnde niet wordende, het absolute zijn, de volheid van zijn, en dus ook eeuwig en volstrekt onafhankelijk in Zijn bestaan, in Zijn deugden, in al Zijn werken, de Eerste en de Laatste, enige oorzaak en einddoel van alle dingen. In deze aseitas Gods, opgevat niet alleen als een zijn van Zichzelf, maar ook als volheid des Zijns, liggen alle andere deugden opgesloten; ze zijn met haar gegeven en van haar de rijke, alzijdige ontplooiing. En toch, terwijl bij deze deugd het onmetelijk onderscheid tussen Schepper en schepsel helder en klaar aan het licht treedt, is er toch ook van deze volmaaktheid Gods een zwakke gelijkenis in al het schepsel. Het pantheïsme kan dit niet erkennen, maar het theïsme belijdt, dat het schepsel, ofschoon volstrekt afhankelijk, toch een eigen, onderscheiden zijn heeft. En in dit zijn is de volharding in zijn bestaan ingeplant, de conatus in suo esse perseverandi, de Selbsterhaltungstrieb, de zucht tot zelfbehoud. Alle schepsel, in zover het is, vreest de dood; en zelfs het kleinste atoom biedt weerstand aan alle poging tot vernietiging. Het is een schaduw van het onafhankelijke, onveranderlijke zijn van onze Gods.

1 Damascenus, de fide orthod. I 6 v. Lombardus, Sent. I dist. 2 v. Bonaventura, Breviloquium I c. 2 v. Martyr, Loci Comm. bl. 36 v. Frank, Syst. der Christl. Wahrheit I 151 v. Verg. ook Von Oettingen, Luth. Dogm. II 243 v.

2 Verg. Suicerus, Thes. Eccl. s. v.

3 Bernardus, de consider. 1. 5c. 6.

4 Anselmus, Monol. 6. Lombardus, Sent. I dist. 8. Thomas, S. Theol. I qu. 2 art. 3 en qu. 3 en qu. 13 art. 11. S. c. Gent I 16 v.

5 Thomas, S. Theol. I qu. 7. S. c. Gent. I 43.

6 Anselmus, Monol. 6.

7 Petavius, de Deo I c. 6. Theol. Wirceb. III 38 v. Perrone, Prael. theol. II 88-90. Heinrich, Dogm. Theol. III 326. Jansen, Prael. theol. dogm. II 26 v. In enige artikelen over: Die Aseität Gottes, Filos. Jahrbuch 1903-1904 maakt A. Straub echter terecht onderscheid tussen de omschrijving van het Wezen Gods als het ens metafysicum en de aseitas als eerste eigenschap van dat Wezen.

8 Köstlin, Luthers Theol. II. 302 v.

9 Schmid, Dogm. der ev. Luthers. K. par. 17.

10 Hyperius, Meth. Theol. bl. 87, 135. Sohnius, Op. II 48. III 261. Polanus, Synt. Theol. bl. 135 enz.

11 Maastricht, Theol. II c. 3. Heidegger, Corpus Theol. III par. 30. Maresius, Syst. theol. loc. 2 par. 17. Marck, Merg der Gods. IV par. 20. L. Meyer, Verhand. over de Godd. eigensch. 1783 I bl. 39-110 enz.

x
This website is using cookies. Accept