Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

248. Zo loopt de predestinatie tenslotte op de verkiezing uit; in deze bereikt zij haar einde en komt zij tot haar volle realiteit. In haar hoogste vorm is zij het besluit Gods aangaande de openbaring Zijner deugden in de eeuwige, heerlijke staat Zijner redelijke schepselen, en de schikking der daartoe leidende middelen. Ook zo mag de verwerping niet worden vergeten. Eerst tegenover deze donkere keerzijde treedt de verkiezing zelf in het heerlijkste licht. Het is van aangrijpende ernst, dat ook op dit hoogste terrein, waar het gaat om het eeuwig wel en het eeuwig wee van de redelijke schepselen, de dag opkomt uit de donkere nacht, het licht geboren wordt uit de duisternis. Het schijnt, dat de wet overal doorgaat, dat velen geroepen zijn en weinigen uitverkoren. Er ligt een diepe waarheid in het spreekwoord, dat de dood van de één het brood van de andere is. Darwins leer van the survival of the fittest heeft een algemene geldigheid en is van kracht door de ganse schepping heen. Duizenden bloesems vallen af, opdat enkele zouden rijpen tot vrucht. Millioenen van levende wezens worden er geboren en slechts enkele blijven in het leven1. Duizenden mensen arbeiden in het zweet van hun aanschijn, opdat enkelen zich zouden kunnen baden in weelde. Rijkdom, weelde, kunst, wetenschap, al het hoge en edele wordt gebouwd op de grondslag van armoede, ontbering, onkunde. Nooit en nergens gaat het in de wereld toe naar de gelijkmatige verdeling der socialisten. Er is geen gelijkheid op enig terrein. Overal is er verkiezing naast en op de grondslag der verwerping. De wereld is niet ingericht naar de farizese wet van werk en loon; verdienste en rijkdom hebben niets met elkaar te maken2. En ook op het hoogste terrein is het alleen Goddelijke genade, die onderscheid maakt. Gelijk alle besluiten, zo heeft ook de verkiezing haar diepste oorzaak in het welbehagen Gods. De Pelagianen van alle gading hebben deze besluiten steeds willen opvatten als daden van Gods gerechtigheid, waarin Hij te werk ging naar de verdienste van de mens. God laat zich in Zijn besluiten bepalen door de voorgeziene gedragingen van het schepsel. Hij biedt aan allen de zaligheid aan. Hij schenkt het geloof aan wie van dit aanbod door zijn natuurlijke of ook door geschonken bovennatuurlijke kracht een goed gebruik maakt. Hij zaligt, wie in het geloof volhardt ten einde toe. Nu is er wel onder de besluiten een zekere orde; zij omvatten beide het doel en de middelen. Aan het gebed van Zijn kinderen heeft God in Zijn besluit de verhoring verbonden. Als Hij besloten heeft regen te geven in de droogte, heeft Hij tevens vastgesteld, dat Zijn volk er Hem om bidden zal en dat Hij de regen geven zal als verhoring op hun gebed. In Zijn besluit heeft Hij verband gelegd tussen zonneschijn en warmte, zaaiing en oogst, luiheid en armoede, kennis en macht enz., en zo ook tussen zonde en straf, ongeloof en verderf, geloof en zaligheid. De harmonie tussen de verschijnselen en gebeurtenissen in de werkelijke wereld is een volkomen afdruk van de harmonie in de wereld der gedachten en besluiten Gods3.

De Schrift blijft menigmaal bij deze causae secunde staan, en ook de Gereformeerden hebben haar betekenis ten volle erkend. Maar deze twee oorzaken zijn daarom de laatste en diepste oorzaak nog niet. En aan het onderzoek daarnaar kan men niet ontkomen. Van alle kanten dringen de vragen zich aan ons op. Waarom is er zodanig verband tussen de verschijnselen en gebeurtenissen onderling, als wij telkens in de wereld waarnemen? Een beroep op de natuur der dingen is geen afdoend antwoord, want ook die natuur is van God en door Hem bepaald. De wetenschap kan het dat constateren, maar zij onderstelt het zijnde en weet niet, waarom het zo is en zijn moet. Waarom er causaliteit is tussen de schepselen onderling, waarom elk schepsel dat is wat het is, waarom er zo eindeloze verscheidenheid onder de schepselen is, in aard, natuur, geslacht, soort, macht, verstand, rijkdom, eer enz.; binnen de kring van het geschapene is er geen oorzaak voor te vinden. En zo ook onder de redelijke schepselen; waarom sommige engelen tot de eeuwige heerlijkheid zijn bestemd en van de anderen de val en het verderf is voorgezien en bepaald; waarom juist die menselijke natuur, welke Christus aannam, tot deze eer verwaardigd werd; waarom de een mens binnen, de ander buiten het Christendom wordt geboren; waarom de een in karakter, aanleg, gezindheid, opvoeding zoveel boven de ander vóór heeft; waarom het een kind vroeg sterft en als een kind des Verbonds in de hemel wordt opgenomen en het ander buiten het Verbond zonder genade de dood ingaat; waarom de een tot het geloof komt en de ander niet; het zijn allemaal vragen, waarop geen schepsel antwoorden kan. De besluiten Gods zijn niet te begrijpen als daden van een gerechtigheid, die handelt naar werk en verdienste. Bovenal blijkt bij de engelen duidelijk, dat de laatste oorzaak van hun verkiezing en verwerping moet liggen in de wil Gods. Want ook al neemt men de prescientia te baat zeggende, dat God de volharding van sommige en de val van andere engelen heeft vooruitgezien, zo gaat deze prescientia dan toch aan hun schepping vooraf. Waarom heeft God dan die engelen geschapen, wiens val Hij voorzag? Waarom gaf Hij hun geen genoegzame genade om staande te blijven, gelijk als de anderen? Er is hier een reprobatie, die enkel en alleen rust op Gods soevereiniteit4. Aan de andere zijde is de verkiezing niet op zichzelf altijd een daad van barmhartigheid of als zodanig te verklaren. Bij de verkiezing van Christus en van de goede engelen is er van zonde en dus van barmhartigheid geen sprake. En de verkiezing van mensen is wel een daad van barmhartigheid, maar toch niet alleen uit de barmhartigheid te verklaren. Want dan had God alleen barmhartig moeten zijn, omdat allen ellendig waren. En zo is de verwerping wel een daad van gerechtigheid geweest maar niet uit de gerechtigheid alleen te verklaren, want dan waren allen verworpen geworden5.

Onderling mogen de besluiten dus in verband staan, zij zelf zijn als daden Gods niet conditioneel, maar absoluut, daden van Gods volstrekte soevereiniteit. Er is door God een oorzakelijk verband gelegd tussen zonde en straf, en Hij handhaaft dat in ieders conscientie; maar het besluit der reprobatie vindt niet in de zonde en het ongeloof, maar in de wil Gods zijn diepste oorzaak, Sp. 16:4, Mt. 11:25,26, Rom. 9:11-22, 1Petr. 2:8, Op. 13:8. Zo ook is er een causaal verband tussen geloof en zaligheid, maar het besluit der verkiezing is niet door het voorgezien geloof veroorzaakt; veeleer is de verkiezing de oorzaak van het geloof, Hd. 13:48, 1Cor. 4:7, Ef. 1:4-5; 2:8; Phil. 1:29. Zelfs Christus kan niet als causa electionis worden beschouwd. Wel is deze uitdrukking voor een goede uitlegging vatbaar. Thomas zegt terecht, dat Christus de oorzaak is van onze predestinatie, niet als daad of besluit beschouwd, maar met het oog op haar einde en doel. Sic enim Deus preordinavit nostram salutem, ab eterno predestinando, ut per Jesum Christum compleretur6. En zo werd ook door sommige Gereformeerden gesproken van Christus als causa of fundamentum electionis, of van onze verkiezing per en propter Christum7. Christus is inderdaad wel causa of fundamentum electionis, in zover de verkiezing in en door Hem wordt gerealiseerd; Hij is ook de causa meritoria van de zaligheid, die het doel der verkiezing is; Hij is ook de middelaar en het hoofd der uitverkorenen. Het besluit der verkiezing is ook met het oog op de Zoon, uit liefde tot Hem genomen8. De gemeente en Christus zijn samen, in een zelfde besluit, in gemeenschap met en voor elkaar, verkoren, Ef. 1:4. Maar daarom is Christus als middelaar de causa impulsiva, movens, meritoria van het besluit der verkiezing nog niet. In die zin is Christus wel de oorzaak der verkiezing genoemd door vele Roomsen, door de Remonstranten9, door de Luthersen10, en door vele nieuwere theologen11. Maar de Gereformeerden hebben dit terecht bestreden12. Immers, Christus is zelf object der predestinatie en kan daarom haar oorzaak niet zijn. Hij is een gave van de liefde des Vaders en deze gaat dus aan de zending van de Zoon vooraf, Joh. 3:16, Rom. 5:8; 8:29; 2Tim. 1:9, 1Joh. 4:9. De Zoon heeft de Vader niet tot liefde bewogen, maar de verkiezende liefde is opgekomen uit de Vader zelf. En zo leert de Schrift dan allerwege, dat de oorzaak van alle besluiten niet in enig schepsel ligt, maar alleen in God Zelf, in Zijn wil en welbehagen, Mt. 11:26; Rom. 9:11v; Ef. 1:4v. En juist daarom is de leer der verkiezing, beide voor de ongelovige en voor de gelovige, tot zulk een onuitsprekelijk rijke troost. Indien het naar recht en verdienste ging, dan waren allen verloren. Maar nu het naar genade gaat, is er ook voor de ellendigste hoop. Indien werk en loon de maatstaf is in het koninkrijk der hemelen, dan is het voor niemand geopend. Of ook indien naar de leer van Pelagius de deugdzame om zijn deugd en de farizeër om zijn gerechtigheid werd uitverkoren, dan was de arme tollenaar buitengesloten. Het Pelagianisme is zo meedogenloos hard. Maar de verkiezing belijden, dat is, in de onwaardigste der mensen, in de diepst gezonkene nog een schepsel Gods en een voorwerp van Zijn eeuwige liefde te erkennen. De verkiezing dient niet, gelijk ze zo dikwijls gepredikt wordt, om velen af te stoten, maar om allen uit te nodigen tot de rijkdom van Gods genade in Christus. Niemand mag geloven, dat hij een verworpene is, want elk wordt ernstig en dringend geroepen en is verplicht te geloven in Christus tot zaligheid. Niemand kan het geloven, want zijn leven zelf en al wat hij geniet is een bewijs, dat God geen lust heeft in zijn dood. Niemand gelooft het ook werkelijk, want dan had hij de hel reeds op aarde. Maar de verkiezing is een bron van troost en kracht, van nederigheid en ootmoed, van vertrouwen en beslistheid. De zaligheid des mensen ligt onwankelbaar vast in het genadige en almachtige welbehagen van God.

1 Verg. H. Schmidt, De vruchtbaarheid in de dierenwereld, Wet. Bladen, Maart 1903 bl. 447.

2 Schopenhauer, Die beiden Grundprobleme der Ethik/3 1881 bl. 188.

3 Edwards, Works II 514.

4 Bellarminus, de gr. et lib. arb. II. c. 17. Twissus, Vind. gr. I 76.

5 Twissus, t.a.p. IV 111 v.

6 Thomas, S. Theol. I qu. 24 art. 4.

7 Hyperius, Meth. Theol. 193. Conf. Belg. art. 16. Conf. Helv. II art. 10. Martinius, op de synode te Dordrecht sess. 65. 67. Maresius, Syst. Theol. IV par. 41.

8 Heidegger, Corpus Theol. V31.

9 In hun declaratio circa art. 1 de pred., bij M. Vitringa II 55.

10 Form. Concordie, bij J.T. Müller bl. 705. 720, 723. Quenstedt, Theol. III 17. 31 v.

11 Hofmann, Schriftbew. I 299. Meyer op Ef. 1:5 Kitbel in PRE/2 XII 156 enz.

12 Martyr, Loci 236. Polanus, Synt. VI 27. Voetius, Disp. II 267. Twissus, Vind. gr. I 139 v. Turretinus, Theol. El. IV qu. 10. Moor, Comm. II 18 v.

x
This website is using cookies. Accept