Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

249. En deze heerlijkheid der verkiezing blijkt nog mooier, wanneer wij tenslotte letten op haar voorwerp en doel. In de vroegere dogmatiek werd dat object gewoonlijk gespecialiseerd. Engelen, mensen en Christus werden als haar voorwerp behandeld. Over de mensen is er geen verschil; hetzij vóór of na het geloof, hetzij vóór of na de val, allen nemen aan, dat mensen het eigenlijke object der predestinatie en der electie zijn. Dit is niet in die zin te verstaan, dat mensen, volken, geslachten, of ook de gemeente in het algemeen, zonder nadere bepaling en in tegenstelling met de individu en bijzondere personen, het voorwerp der verkiezing zouden zijn, zoals Schleiermacher, Lipsius Ritschl e.a. beweren1. Deze voorstelling toch is een loutere abstractie, omdat mensheid, volk, geslacht, gemeente slechts in bijzondere personen bestaan; ze wordt ook door de Schrift weersproken, want deze leert een personlijke verkiezing, Mal. 1:2, Rom. 9:10-12 Jakob, Hd. 13:48 osoi, Rom. 8:29 ouv, Ef. 1:4 hmav, Gal. 1:15 Paulus; de namen der verkorenen staan geschreven in het Boek des Levens, Jes. 4:3, Dan. 12:1, Luk. 10:20, Phil. 4:3, Op. 3:5 enz. Maar toch is het waar, dat die uitverkorenen in de Schrift niet los en atomistisch worden beschouwd, maar als één organisme. Zij zijn het volk Gods, het lichaam van Christus, de tempel van de Heilige Geest. Zij zijn dan ook in Christus verkoren, Ef. 1:4, tot leden van Zijn lichaam. Beide, Christus en de gemeente zijn dus opgenomen in het besluit der predestinatie. Daarom zei Augustinus reeds: sicut ergo predestinatus est ille unus, ut caput nostrum esset, ita multi predestinati sumus, ut membra ejus essemus2. De synode van Toledo 675 sprak in dezelfde geest3, en de scholastiek handelde breedvoerig over de predestinatie van Christus, vooral in aansluiting aan Rom. 1:54. De Luthersen ontkenden dit echter, omdat zij de predestinatie opvatten als verkiezing uit zonde tot zaligheid door de barmhartigheid Gods5. Maar des te meer deden de Gereformeerden het uitkomen, dat Christus ook door God was verordineerd en met de gemeente samen het object van Gods verkiezing was. Er was zelfs nog verschil over, of Christus object was van de predestinatie alleen, of ook van de electie. Sommigen zoals Calvijn, Gomarus, Marck, De Moor, zeiden, dat Christus bestemd was tot Middelaar, om de zaligheid voor de Zijnen tot stand te brengen: de verkiezing der mensen ging dus logisch aan de voorverordinering van Christus tot Middelaar vooraf6. Maar anderen, zoals Zanchius, Polanus, de Synopsis, beschouwen Christus ook als voorwerp der verkiezing, omdat Hij bestemd was niet alleen tot Middelaar maar ook tot Hoofd der gemeente: de verkiezing van Christus ging dan logisch vóór die der gemeente7.

Nu is ongetwijfeld waar, dat Christus is verordineerd tot Middelaar, om al datgene te doen wat tot zaliging van de mensen nodig was; en even zeker is, dat Christus niet door de ontferming Gods verkoren is uit zonde en ellende tot heerlijkheid en zaligheid. Maar de Schrift spreekt toch menigmaal ook bij de Messias van Gods verkiezing, Jes. 42:1, 43:10, Ps. 89:4,20 [Ps. 89:3,19], Mt. 12:18. Luk. 23:35, 24:26, Hd. 2:23; 4:28; 1Petr. 1:20, 2:4. Deze verkiezing draagt terecht die naam, omdat de Zoon van eeuwigheid door de Vader tot Middelaar is aangewezen, en bovenal omdat de menselijke natuur van Christus uit louter genade en zonder enige verdienste tot vereniging met de Logos en tot het ambt van Middelaar is bestemd. Maar hierdoor is Christus alleen nog object van de predestinatie, omdat deze in onderscheiding van de verkiezing juist de schikking der middelen tot het einde omvat. De Schrift echter zegt anderzijds even sterk, dat de gemeente verkoren is in en tot Christus, om Zijn Beeld te dragen en Zijn heerlijkheid te aanschouwen, Joh. 17:22-24, Rom. 8:29; Christus is niet slechts bestemd tot Middelaar, maar ook tot Hoofd der gemeente; alles is door Hem, maar ook tot Hem geschapen, 1Cor. 3:23, Ef 1:22, Col. 1:16v. Niet alsof daarmee Christus de grond en het fundament van onze verkiezing werd. Maar de verkiezing der gemeente is de allereerste weldaad aan de gemeente: en ook deze weldaad heeft reeds in gemeenschap met Christus plaats, en heeft niet tot grond maar juist tot doel, dat alle andere weldaden, wedergeboorte, geloof enz. door Christus aan de gemeente worden meegedeeld. In deze zin gaat de verkiezing van Christus logisch aan de onze vooraf. Maar hoe men deze logische orde zich ook dacht, alle Gereformeerden zeiden, dat Christus en Zijn gemeente samen, dat de Christus mysticus het eigenlijk object der verkiezing was. Uno et indiviso decreto omnes, Christus et nos, electi sumus8. Ook hierbij bleven ze echter niet staan. In overeenstemming met Augustinus9, de Scholastici10 en in tegenstelling met de Luthersen11, namen zij ook de engelen in het besluit der predestinatie op. De Schrift gaf daar aanleiding toe, 1Tim. 5:21, 2Petr. 2:4, Jud. 6, Mt. 25:41, en het voorbeeld van Christus leerde, dat de verkiezing niet altijd een toestand van zonde en ellende onderstelt. Hoezeer dan ook de eklogh in de Schrift als een afzondering uit de volken, Gen. 12:1, Deut. 7:6, 30:3, Jer. 29:14, 51:45 Ezech. 11:17, Hos. 11:1, Hd. 2:40, Phil. 2:15, 1Petr. 2:9 enz. en het getal der uitverkorenen dikwijls als zeer klein beschouwd wordt, Mt. 7:14, 22:14, Luk. 12:32; 13:23-24; in die ekklhsia wordt toch de wereld behouden. Niet enkele mensen uit de wereld, maar de wereld zelf is het voorwerp van Gods liefde, Joh. 3:16-17; 4:42; 6:33; 12:47; 2Cor. 5:19. In Christus zijn alle dingen in de hemel en op aarde met God verzoend; onder Hem worden ze alle vergaderd tot één, Ef. 1:10, Col. 1:20. De wereld, door de Zoon geschapen, is ook voor de Zoon als haar erfgenaam bestemd, Col. 1:16, 2Petr. 3:13, Op. 11:15. En zo is het niet een toevallig en willekeurig aggregaat, maar een organisch geheel, dat in de verkiezing door God is gekend en in de verlossing door Christus is behouden. Reconciliatus mundus ex inimico liberabitur mundo. Ecclesia sine macula et ruga ex omnibus gentibus congregata atque in aternum regnatura cum Christo, ipsa est terra beatorum, terra viventium12. En juist, omdat het object der verkiezing een volmaakt organisme is, daarom is zij zelf niet anders te denken dan als een vast en bepaald besluit Gods. In een aggregaat is het aantal delen geheel onverschillig. Maar al wat organisch bestaat, berust op maat en getal. Christus is door God verkoren tot Hoofd, de gemeente tot Zijn lichaam; en samen moeten zij opwassen tot een volkomen man, in welke ieder lid zijn eigen plaats bekleedt en zijn eigen taak vervult. De electie is de Goddelijke gedachte, het eeuwig bestek van die tempel, die Hij in de loop der eeuwen bouwt en waarvan Hij zelf de Kunstenaar en de Bouwmeester is. Aan de bouw van de tempel is alles ondergeschikt en dienstbaar. Gelijk alle besluiten Gods uitlopen in dat der verheerlijking Gods, zo werkt heel de geschiedenis van wereld en mensheid mee tot de komst van het koninkrijk Gods. Zelfs zij, die in dat koninkrijk geen burgers zijn, zegt Calvijn, in salutem nascuntur electorum13. Schepping en val, onderhouding en regering, zonde en genade, Adam en Christus, dragen elk op zijn wijze bij tot het tot stand brengen van dit Godsgebouw. En dit gebouw zelf wordt opgetrokken tot eer en tot verheerlijking Gods. panta gar umwn estin,umeiv de cristou, cristov de yeou, 1Cor. 3:21-23.

1 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 119. Lipsius, Dogm. par. 525 v. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III/2 112-130.

2 Augustinus, de praed. sanct. c. 15. de corr. et gr. c. 11. de dono persev. c. 14.

3 Bij Denzinger, Enchir. no. 232.

4 Thomas, Sent. I dist. 40 qu. 11. III qu. 10. S. Theol. III qu. 24. c. Gent. IV c. 9. Petavius, de incarn. Verbi, 1. XI c. 13. 14.

5 Quenstedt, Theol. did. pol. III bl. 18.43.

6 Calvijn, C.R. XXXVII 714. Gomarus, Op. I 430. Marck, Theol. VII 5. Moor, Comm. II 55. Verg. Kuyper, Heraut 286. 287.

7 Zanchius, Op. II 535 v. Polanus, Synt. IV 8. Synopsis pur. theol. 24,24. Examen v.h. Ontw. v. Tol. VII 344-353. Heppe, Dogm. bl. 125 v. Verg. Kuyper, Uit het Woord II 314.

8 Mastricht, Theol. theor. pract. III 3,8. Heidegger, Corpus Theol. V30.

9 Augustinus, Enchir. 100.

10 S. Theol. I qu. 23 art. 1 ad 3.

11 Quenstedt, Theol. III bl. 18.43.

12 Augustinus, de doctr. chr. III 34, verg. Perkins, Werken I 770. Twissus, Vind. gr. I 312.

13 Calvijn, C.R. XXXVI 360. Polanus, Synt. 252.

x
This website is using cookies. Accept