Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

258. Indien nu deze wereld, welke ontstaan is en bestaat in de tijd, essentieel van het eeuwige en onveranderlijke zijn Gods onderscheiden is, dringt zich met des te meer kracht de vraag op, wat God bewoog, om deze wereld in het aan zijn te roepen. De Schrift leidt telkens alle zijn en zo-zijn der schepselen tot de wil Gods terug, Ps. 33:6, 115:3, 135:6, Jes. 46:10, Dan. 4:35, Mt. 11:25, Rom. 9:15v., Ef. 1:4,9,11, Op. 4:11 enz.1 Dat is voor ons de laatste grond, het einde aller tegenspraak. Dei voluntas suprema lex. Voluntas conditoris rei cujusque natura est2. Op de vraag, waarom de dingen er zijn en zijn zoals ze zijn, is er geen ander en dieper antwoord, dan omdat God het gewild heeft. Wie dan nog verder vraagt: waarom heeft God het gewild? majus aliquid quaerit quam est voluntas Dei; nihil autem majus inveniri potest3. En dit is het standpunt van heel de christelijke kerk en theologie geweest. Maar het pantheïsme is hiermee niet tevreden en zoekt naar een dieper grond. Vooral op tweeërlei wijs tracht het dan de wereld uit het wezen Gods te verklaren. Of het stelt dat wezen als zo overvloeiende rijk voor, dat de wereld als vanzelf daaruit voortstroomt, en, naarmate ze zich verder van Hem verwijdert, het mh on nadert en tot zinlijke materie stolt. Dit is de leer der emanatie, die in het oosten opkwam, in Indië en Perzië vooral verbreiding vond en dan in de stelsels van het gnosticisme en het neoplatonisme ook tot het westen doordrong. Of het beproeft de wereld te verklaren, niet uit de ploutov, maar uit de penia tou yeou. God is zo arm, zo onzalig, dat Hij de wereld nodig heeft voor Zijn eigen ontwikkeling; Hij is in Zichzelf louter potentia, die niets is maar alles worden kan; Hij moet Zichzelf objectiveren, en door de tegenstelling met de wereld heen tot geest, tot persoonlijkheid worden in de mens. An sich is God nog niet het absolute, Hij wordt dit eerst door het wereldproces; eerst Deus implicitus, wordt Hij langzamerhand Deus explicitus. De wereld is dus nodig voor God, zij is een noodzakelijk ontwikkelingsmoment in Zijn Wezen; Ohne Welt ist Gott kein Gott. Tegenover dit pantheïsme, dat de persoonlijkheid Gods teniet doet en de wereld vergoddelijkt, handhaaft het theïsme de leer, dat de schepping een daad is van Gods wil. Maar toch is daarmee geen willekeur bedoeld. Zo is de wil Gods wel opgevat in de Mohammedaanse theologie en ook bij de Nominalisten, de Socinianen, de Cartesianen; de wereld is een product van loutere willekeur; zij is er, maar had er evengoed niet, of ook geheel anders kunnen zijn. De christelijke theologie heeft zich echter meestal voor dit uiterste gewacht, en heeft geleerd, dat, al was de wil Gods in de schepping ook ten hoogste vrij en al is alle dwang en noodzakelijkheid uitgesloten, toch die wil zijn motieven en God met Zijn werken naar buiten Zijn hoge en heilige bedoelingen had4.

Ook zo blijft er plaats voor de vraag, wat God bewoog om deze wereld te scheppen, m.a.w. wat doel Hij met de schepping Zich voorstelde. De antwoorden zijn daarop verschillend geweest. Velen hebben in de goedheid en de liefde Gods een genoegzaam motief tot verklaring der wereld gezien. De Schrift sprak er ook menigmaal van, dat God goed is, dat Zijn goedheid blijkt in al Zijn werken, en dat Hij al Zijn schepselen liefheeft en hun zaligheid wil. God kon ook niet gedacht worden als iets behoevende. Hij kon de wereld niet geschapen hebben, om iets te ontvangen, maar alleen om Zich te geven en mee te delen. Zijn goedheid was daarom de reden der schepping. Reeds Plato, Philo en Seneca spraken in die geest5: en christelijke theologen zeiden ook menigmaal, dat God de wereld niet uit behoefte maar uit goedheid, niet voor Zichzelf maar voor de mensen schiep. Deus mundum non sibi sed homini fecit6. Bona facere si non posset, nulla esset potentia; si autem posset nec faceret, magna esset invidia7, o, twn olwn yeov agayov kai uperkalov thn fusin esti, dio kai filanyrwpov estin. agayw gar peri oudenov an genoito fyonov, oyen oude to einai tisi fyosei alla pantav einai bouletai, ina kai filanyrwpeuesyai dunhtai8. Deze uitspraken wisselden echter telkens af met andere, waarin God Zelf en Zijn eer de oorzaak en het doel der schepping werd genoemd. Maar het humanisme plaatste de mens op de voorgrond; het socinianisme zocht zijn wezen niet in de gemeenschap met God maar in de heerschappij over de aarde; de leer van het natuurrecht, van de natuurlijke moraal en van de natuurlijke religie maakte de mens autonoom en onafhankelijk van God; Leibniz leerde, dat God door Zijn goedheid, wijsheid en macht zedelijk gebonden was, om uit vele mogelijke werelden de beste te kiezen en deze tot aanzijn te brengen; Kant riep door de praktische vernunft God alleen te hulp, om de mens hiernamaals de zaligheid te verschaffen, waarop hij naar zijn deugd aanspraak had. En zo werd in het rationalisme der achttiende eeuw de mens het interessantste schepsel; alles was er om hem en aan zijn volmaking dienstbaar; de mens was $Selbstzweck en al het andere, God Zelf daaronder begrepen, was middel9. En ook thans nog leren velen, dat God aan de wereldidee, welke Hij noodzakelijk denkt, realiteit moet geven, omdat Hij anders zelfzuchtig en niet de hoogste liefde is. Omdat Hij goed is, wil Hij niet alleen zalig zijn, maar sticht Hij een rijk der liefde en zoekt Hij de zaligheid zijner schepselen; deze is voor Hem het einddoel10.

Deze leer van de mens als Selbstzweck is echter op christelijk standpunt onaannemelijk. Natuurlijk wordt in de schepping ook wel Gods goedheid openbaar; de Schrift spreekt dit telkens uit. Maar toch is het niet juist te zeggen, dat Zijn goedheid de schepping eist, omdat Hij anders zelfzuchtig is. God is immers de Algoede, de volmaakte liefde, de volkomen zaligheid in Zichzelf en heeft dus ook de wereld niet nodig, om Zijn goedheid of liefde tot ontwikkeling te brengen, evenmin als Hij haar behoeft, om tot zelfbewustzijn en persoonlijkheid te komen. Vervolgens ligt het in de aard der zaak, dat God er niet is om de mens, maar de mens er alleen zijn kan om God. Want hoewel de mens in zekere zin Selbstzweck mag genoemd worden, in zover hij als redelijk, zedelijk wezen nooit tot een willoos instrument kan of mag worden verlaagd; toch is hij van God ten diepste afhankelijk en heeft niets, dat hij niet heeft ontvangen. God alleen is Schepper, de mens is schepsel; en reeds daarom alleen kan hij het doel der schepping niet zijn. Omdat hij zijn oorsprong alleen in God heeft, kan hij ook in Hem alleen zijn doel hebben. En eindelijk is de leer, dat de schepping haar motief in Gods goedheid en haar einddoel in des mensen zaligheid heeft, ook met de werkelijkheid in strijd. Het heelal gaat toch waarlijk in de dienst des mensen niet op en moet nog een ander doel hebben, dan om hem nuttig te zijn. Het platte utilisme en de zelfzuchtige teleologie der achttiende eeuw zijn genoegzaam weerlegd. Het lijden en de smart, welke over de mensheid uitgestort wordt, is uit de goedheid Gods alleen niet te verklaren. En de uitkomst der wereldgeschiedenis, die niet alleen van de zaligheid der verkorenen maar ook van een een eigen triomf over de goddelozen spreekt, brengt nog gans andere deugden Gods tot openbaring dan Zijn goedheid en liefde alleen.

De Schrift neemt dan ook een ander standpunt in en geeft een hoger doel aan. Zij zegt, dat de ganse natuur een openbaring is van Gods deugden en een verkondigster van zijn lof, Ps. 19:1, Rom. 1:19. God schiep de mens naar Zijn Beeld en tot Zijn eer, Gen. 1:26, Jes. 43:7. Hij verheerlijkt Zich in Faraö, Ex. 14:17 en in de blindgeborene, Joh. 9:3. Hij schept de goddeloze tot de dag des kwaads, Spr. 16:4, Rom. 9:22. Christus is gekomen om Hem te verheerlijken, Joh. 17:4. Alle weldaden der genade schenkt Hij om Zijn Naams wil, verlossing, vergeving, heiligmaking enz., Ps. 105:8, 78:9, Jes. 43:25, 48:11, 60:21, 61:3, Rom. 9:23, Ef. 1:6 v. Hij geeft Zijn eer aan geen ander, Jes. 42:8. Einddoel is, dat alle koninkrijken Hem onderworpen zijn en alle schepsel zich voor Hem buigt, Dan. 7:27, Jes. 2:3-13, Mal. 1:11, 1Cor. 15:24 v. Hier reeds wordt Hem eer gebracht door al Zijn volk, Ps. 115:1, Mt. 6:13. Eens zal God alleen groot zijn, Jes. 2:3-13, en heerlijkheid ontvangen van al zijn schepselen, Op. 4:11, 19:6. Hij is de Eerste en de Laatste, de Alfa en de Omega, Jes. 44:6, 48:12, Op. 1:8, 22:13. Uit en door en tot Hem zijn alle dingen, Rom. 11:36. Hierop steunende, leerde de christelijke theologie bijna eenstemmig, dat de gloria Dei het einddoel van al Gods werken was. Ofschoon in de eerste tijd de goedheid Gods vooral als motief der schepping wordt genoemd, ontbreekt toch de eer Gods als aller dingen einddoel niet. Zo zegt Athenagoras, dat God propter se ipsum et elucentem in omnibus ipsius operibus bonitatem et sapientiam adductum fuisse, ut hominem faceret11. Tertullianus zegt, dat God heel de wereld schiep in ornamentum majestatis suae12. Vooral in de Middeleeuwse theologie kwam deze gloria Dei meer tot haar recht, bij Anselmus, die de eer Gods tot principe maakt van zijn leer over menswording en voldoening13, maar dan verder ook bij Lombardus, Thomas, Bonaventura enz.14. En deze zelfde leer vinden wij bij de latere roomsen15, dan bij de Luthersen16 en tenslotte en inzonderheid ook bij gereformeerden17. Het onderscheid tussen hen en de Luthersen en roomsen bestaat niet daarin, dat zij de eer van God en deze laatste de mens tot einddoel stellen, maar is hierin gelegen, dat zij deze eer van God tot principe hebben gemaakt van alle leer en leven, van dogmatiek en moraal, van huisgezin, maatschappij en staat, van wetenschap en kunst. Nergens is deze gloria Dei zo universalistisch toegepast, als onder de belijders der gereformeerde religie.

Nu is er echter tegen dit einddoel aller schepselen een dubbel bezwaar ingebracht. Vooreerst, dat God daardoor zelfzuchtig wordt, Zichzelf zoekt en de schepselen, bepaaldelijk de mensen, tot middelen verlaagt. Reeds vroeger is dit ter sprake gebracht en aangetoond, dat God als de volmaakt goede in niets dan in Zichzelf rusten en met niets minder dan Zichzelf tevreden mag zijn. Hij kan niet anders dan Zijn eigen eer zoeken. Gelijk een vader in zijn gezin en een vorst in zijn rijk de hun als zodanig toekomende eer eisen en zoeken moeten, zo is het ook met de Here onze God. Nu kan de mens deze hem toekomende eer alleen vragen in de Naam Gods en voor het ambt, door God hem opgedragen; maar God vraagt en zoekt die eer in Zijn eigen Naam en voor Zijn eigen Wezen. Omdat Hij is het hoogste en het enige goed, de volmaaktheid zelf, daarom is het de hoogste gerechtigheid, dat Hij in alle schepselen Zijn eigen eer zoekt. En zo weinig heeft dit zoeken van eigen eer iets met onze zelfzucht gemeen, dat God veel meer die eer, waar ze Hem wederrechtelijk onthouden wordt, in de weg van recht en gerechtigheid afeist. Gewillig of onwillig zal alle schepsel voor Hem de knie eens buigen. Gehoorzaamheid in liefde of gedwongen onderwerping is de eindbestemming van alle creatuur. De andere tegenwerping luidt, dat God dan toch, alzo zijn eer zoekende, het schepsel nodig heeft. De wereld dient tot Zijn verheerlijking; er ontbreekt dus iets aan Zijn volmaaktheid en zaligheid; de schepping voorziet in een behoefte Gods en draagt bij tot Zijn volmaaktheid18. Deze tegenwerping schijnt onweerlegbaar; en toch is er ook bij verschillende soorten van menselijke arbeid een analogie op te merken, die ons het scheppen Gods verduidelijken kan. Op lager standpunt arbeidt de mens, omdat hij moet; behoefte of dwang drijft hem voort. Maar hoe edeler de arbeid wordt, hoe minder er voor behoefte of dwang plaats is. Een kunstenaar schept zijn kunstwerk niet uit behoefte of dwang, maar naar de vrije aandrift van zijn genie. Ik stort mijn boezem uit als ‘t vinkjen in de abelen; ik zing en ken geen ander doel (Bilderdijk). De vrome dient God niet uit dwang noch door hoop op loon, maar uit vrije liefde. Zo is er ook in God een welgevallen, dat beide boven behoefte en dwang, boven penia en ploutov oneindig verheven is, dat in de schepping de kunstenaarsgedachten Gods belichaamt en daarin verlustiging vindt. Ja, wat in mensen slechts zwakke analogie is, is bij God in volstrekte oorspronkelijkheid aanwezig. Het schepsel heeft geen zelfstandigheid buiten en tegenover God, zoals de schepping van een kunstenaar. God zoekt dus nooit het schepsel, alsof dit Hem iets geven kan, wat Hij mist, of iets ontnemen kan, wat Hij bezit. Hij zoekt het schepsel niet, maar door het schepsel heen zoekt Hij Zichzelf. Hij is en blijft altijd Zijn eigen doel. Zijn willen is altijd, ook in en door de schepselen heen, volstrekte zelfgenieting, volkomen zaligheid. Daarom is de wereld niet voortgekomen uit een behoefte Gods, uit Zijn armoede en onzaligheid, want het is Hem in het schepsel niet om dat schepsel, maar om Zichzelf te doen. En evenmin is haar ontstaan aan een onbedwingbaar pleroma in God te danken, want Hij gebruikt alle schepsel tot Zijn eigen verheerlijking en maakt het dienstbaar aan de verkondiging Zijner deugden.

1 In Op. 4:11 staat de praep. dia c. acc. en betekent dus eigenlijk propter. Maar hier en elders, Op. 12:11, Joh. 6:57, Rom. 8:10,20, 2Petr. 3:12, gaat deze betekenis in die van per of van een dativus over.

2 Augustinus, de civ. Dei XXI 8.

3 Augustinus, de Gen. c. Manich. 12.

4 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 30 De onmededeelbare Eigenschappen; 192

5 Plato, Timaeus p. 29 D. Philo hij PRE/2 XI 643. Seneca, Epist. 95.

6 Tertullianus, adv. Macr. I 43. adv. Prax. 5.

7 Augustinus, de Gen. ad litt. IV 16.

8 Athanasius, Or. c. gentes 41. Verg. Damascenus, de fide orthod. II 2. Thomas, s. Theol. I qu. 19. art. 2. Voetius, Disp. I 558 enz.

9 Bretschneider, Syst. Entw. 442 v. Id., Dogm. I 669. Wegscheider, Dogm. par. 95.

10 Rothe, Theol. Ethik par. 40.41. Dorner, Chr. Gl. I 448-459. Martensen, Dogm. par. 59. Hofmann, Schriftbew. I/2 205 v. Kahnis, Dogm. I 428. Müller, Chr. Lehre v.d. Sünde II/5 187 v. Schoeberlein, Prinzip u. Syst. der Dogm. 628, Thomasius, Christi Person u. Werk I/3 144. James Orr, Christ. view of God 155. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III/2 259 f., en ook Hermes en Gunther hij Kleutgen, Theol. I/2 642 v.

11 Athenagoras, de resurr. mort. 12.

12 Tertullianus, Apolog. 17.

13 Anselmus, Cur Deus homo c. 11.

14 Lombardus, Sent. II dist. I. Thomas, S. Theol. I qu. 44 art. 4. qu. 66 art. 2 qu. 103 art. 2. c. Gent. III 17. 18. Sent II dist. I qu. 2 art. 2. Bonaventura, Sent. II dist. 1 p. 2 enz.

15 Scheeben, Dogm. II 31 v. Simar, Dogm. 234 v. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I 640-692. Schwetz, Theol. dogm. I 396 v. Heinrich, Dogm. V 151 v. Jansen, Prael. II 319 v.

16 Gerhard, Loci theol. I. V c. 5. Quenstedt, Theol. I 418. Hollaz, Ex. theol. 360.

17 Verg. bijv. Edwards, The end in creation, Works II 193-257.

18 Strausz, Chr. Gl. I 633. Ed. v. Hartmann, Ges. Stud. u. Aufsätze 715.

x
This website is using cookies. Accept