Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

259. Hieruit vloeit ook een geheel bijzondere wereldbeschouwing voort. Het woord schepping kan beide betekenen, de daad en het product van het scheppen. Naarmate de eerste opgevat wordt, verandert ook de beschouwing van het tweede. Het pantheïsme tracht de wereld dynamisch, het materialisme mechanisch te verklaren. Maar beide streven ernaar, om alles door één beginsel te laten beheersen. Daar moge de wereld een zwon zijn, waarvan God de ziel is, hier een mechanisme, dat door verbinding en scheiding der atomen tot stand komt; in beide wordt het onbewuste, blinde noodlot ten troon verheven: beide miskennen de rijkdom en de verscheidenheid der wereld, wissen de grenzen uit tussen hemel en aarde, stof en geest, ziel en lichaam, mens en dier, verstand en wil, eeuwigheid en tijd, Schepper en schepsel, het zijn en het niet-zijn en lossen alles op in een doodse eenvormigheid; beide loochenen een bewust doel en kunnen noch een oorzaak noch een bestemming aanwijzen voor het bestaan der wereld en voor haar geschiedenis. Gans anders is echter de beschouwing der Schrift. Hemel en aarde zijn van de aanvang af onderscheiden. Alles wordt geschapen met een eigen aard en rust op eigen door God daarvoor gestelde ordinantiën. Zon en maan en sterren hebben hun eigen taak; en plant en dier en mens hebben een onderscheiden natuur. Er is de rijkste verscheidenheid. Maar in die verscheidenheid is er ook de hoogste eenheid. Voor beide ligt de grond in God. Hij is het, die alle dingen schiep naar Zijn onnaspeurlijke wijsheid, die ze voordurend onderhoudt in hun onderscheiden natuur, die ze leidt en regeert naar de hun ingeschapen krachten en wetten, en die als het hoogste goed en als aller dingen einddoel door alle dingen in hun mate en op hun wijze nagestreefd en begeerd wordt. Hier is een eenheid, die de verscheidenheid niet vernietigt maar handhaaft, en een verscheidenheid, die aan de eenheid niet te kort doet, maar ze in haar rijkdom ontvouwt. Krachtens de eenheid kan de wereld in overdrachtelijke zin een organisme heten, waarin alle leden in verband staan met elkaar en wederkerig op elkaar inwerken. Hemel en aarde, mens en dier, ziel en lichaam, waarheid en leven, kunst en wetenschap, godsdienst en zedelijkheid, staat en kerk, gezin en maatschappij enz., ze zijn wel onderscheiden maar ze zijn niet gescheiden. Er bestaan tussen hen allerlei betrekkingen; een organische, of indien men wil, een ethische band houdt hen alle samen. De Schrift spreekt dit duidelijk uit, als zij het heelal niet alleen samenvat onder de naam van hemel en aarde, maar ook aanduidt als Mlwe, d.i. het verborgene, het onzichtbare, het onoverzienbare, de tijd in verleden of toekomst, de eeuw, de eeuwigheid, de wereld, Pred. 1:4; 3:11; en in het Nieuwe Testament als kosmov, Joh. 1:10, ta panta, 1Cor. 8:6, 15:25 v., ktisiv, Mark. 10:16, aiwnev, Hebr. 1:2, duur, levensduur, Zeitalter, wereld, cf. seculum a.v. sexus, mensenleeftijd, wereld, en ons wereld van waeralti, werolt, mannen- of mensenleeftijd. De namen Mlwe en aiwnev gaan uit van de gedachte, dat de wereld een duur, een leeftijd heeft, en dat er een geschiedenis in plaats heeft, die uitloopt op een bepaald doel. Het Griekse kosmov en het Latijnse mundus stellen echter de schoonheid en harmonie der wereld op de voorgrond. En de wereld is inderdaad beide. Gelijk Paulus de gemeente tegelijk bij een lichaam en een gebouw vergelijkt en van een wassende tempel spreekt, Ef. 2:21, en Petrus de gelovigen levende stenen noemt, 1Petr. 2:5; zo is de wereld een geschiedenis en een kunststuk tesamen. Zij is een lichaam, dat wast en een gebouw, dat opgetrokken wordt. Zij spreidt zich uit in de breedte der ruimte en zet zich voort in de lengte des tijds. Noch het mechanisch principe van het materialisme noch het dynamisch principe van het pantheïsme is genoegzaam tot haar verklaring; maar wat waarheid is in beide, wordt in de leer der wereld naar de Schriften erkend. Zij is tegelijk horizontaal en verticaal te beschouwen; zij streeft van de laagste schepselen af opwaarts, naar boven, het licht en het leven Gods tegemoet, en zij beweegt zich tevens voorwaarts naar een Godverheerlijkend einde. Zo spreidt zij Gods deugden en volmaaktheden ten toon, in beginsel reeds bij haar aanvang, bij haar voortgaande ontwikkeling in steeds hogere mate, en eens volkomen aan het einde der tijden.

Augustinus is de kerkvader geweest, die ook deze gedachten het diepst verstaan en het breedst uitgewerkt heeft. In zijn werk de civitate Dei levert hij een christelijke filosofie der geschiedenis; toont hij aan, hoe de christelijke wereldbeschouwing in de geschiedenis haar waarheid en haar bewijs vindt; schetst hij de civitas coelestis in haar oorsprong en wezen, in haar ontwikkeling en verhouding tot de civitas terrena, in haar einde en doel1. Maar tegelijk neemt hij daarin op de beschrijving van het heelal als een wonderschone harmonie. De wereld is bij Augustinus een eenheid; universum ab unitate nomen accepit2. Doch die eenheid is geen eenvormigheid, maar eindeloos rijke verscheidenheid3. God nl. is summum esse, summum verum, summum bonum, summum pulchrum. En daarom schiep Hij vele schepselen, die in verschillende mate deelhebben aan Zijn zijn, aan Zijn waarheid, goedheid en schoonheid. Aliis dedit esse amplius et aliis minus, atque ita naturas essentiarum gradibus ordinavit4. Met beroep op het woord uit het boek der Wijsh. 11:21, panta metrw kai ariymw kai staymw dietaxav, zegt Augustinus, dat alle dingen door modus, species, numerus, gradus, ordo onderscheiden zijn. En daardoor brengen zij juist die wereld, die universitas tot stand, waarin God naar Zijn welbehagen Zijn bona uitdeelt en die alzo een openbaring Zijner deugden is5. Want al die verscheidenheid is alleen aan God, niet aan de verdienste van het schepsel te danken. Non est ulla natura etiam in extremis infimisque bestiolis, quam non ille constituit, sine quibus nihil rerum inveniri vel cogitari potest6. En deze wereldbeschouwing is die van heel de christelijke theologie geweest. De wereld is één lichaam met vele leden. De eenheid, orde en harmonie in de wereld was bij de kerkvaders een krachtig bewijs voor het bestaan en de Eenheid Gods7. God is het middelpunt en alle schepselen groeperen in concentrische kringen en in een hierarchische orde zich om Hem heen8. Thomas vergelijkt de wereld bij een zuiver gestemd snarenspel, welks harmonieën ons de heerlijkheid en zaligheid van het Goddelijk leven vertolken. Haar delen inveniuntur ad invicem ordinatae esse quasi partes animalis in toto, quae sibi invicem deserviunt9. Nulla est mundi particula, zegt Calvijn, in qua non scintillae saltem aliquae gloriae ejus emicare cernantur10. Nihil in toto mundo prestantins, nobilius, pulchrius, utilius, divinius ista rerum multarum diversitate, distinctione, ordine, quo una altera nobilior est, et una pendet ab altera, una subest alteri, una obsequium accipit ab altera. Hinc enim totius mundi est ornatus, pulchritudo, prestantia; hinc multiplex usus, utilitas, fructus nobis exoritur. Hinc ipsa Dei bonitas, gloria, sapientia, potentia clarius elucet, illustratur11. En bij allen is de wereld een theatrum, een speculum lucidissimum glorie divinae12.

Door deze wereldbeschouwing heeft het christendom zowel de natuurverachting als de natuurvergoding overwonnen. In het heidendom staat de mens niet in de rechte verhouding tot God en daarom ook niet tot de wereld13. En evenzo wordt in het pantheïsme en materialisme de verhouding des mensen tot de natuur principiëel vervalst. Beurtelings acht hij zich oneindig ver boven de natuur verheven en meent hij, dat ze geen geheimen meer voor hem heeft; en dan weer voelt hij die natuur als een onbegrepen, duistere, geheimzinnige macht, wier raadselen hij niet oplossen, aan wier macht hij zich niet ontworstelen kan. Intellectualisme en mysticisme wisselen elkaar af; ongeloof maakt voor bijgeloof plaats; en het materialisme slaat in occultisme om. Maar de christen ziet opwaarts en belijdt God als de Schepper van hemel en aarde. Hij ziet in natuur en geschiedenis de onnaspeurlijkheid van Gods wegen en de ondoorzoekelijkheid Zijner oordelen, maar Hij wanhoopt niet, want alle dingen staan onder het bestuur van een almachtig God en een genadig Vader, en zullen daarom meewerken ten goede degenen, die God liefhebben. Hier is er dus plaats voor liefde en bewondering van de natuur, maar is ook alle vergoding buitengesloten. Hier wordt de mens in de rechte verhouding tot de wereld gesteld, want hij is in de rechte verhouding tot God geplaatst. Daarom is de schepping ook het fundamentele dogma; het staat heel de Schrift door op de voorgrond; het is de grondsteen, waar Oud en Nieuw Verbond op rusten. En deze leer sluit daarom tenslotte ook een egoïstische theologie en een vals optimisme uit. Zeker, er ligt waarheid in, dat alle dingen er zijn om de mens, of liever om de mensheid, om de gemeente van Christus, 1Cor. 3:21-23, Rom. 8:28. Maar die mensheid vindt haar einddoel met alle schepselen in de verheerlijking van God. Daaraan is alles ondergeschikt. Daartoe werkt alles, ook de zonde en het lijden, mee. En met het oog daarop is de wereld doelmatig ingericht. In de scholastiek werd ook de vraag behandeld, an Deus possit aliquid facere melius quam fecit. Abaelard zei van neen, omdat Gods goedheid altijd het beste moest willen en anders zelfzuchtig is14, en Leibniz redeneerde later geheel in dezelfde geest. Maar in God is geen onzekerheid, geen keuze te denken. Hij heeft niet uit vele mogelijke werelden de beste gekozen. Zijn wil is eeuwig bepaald. Een schepsel kan op zichzelf altijd beter, groter, schoner gedacht worden dan het werkelijk is, omdat een schepsel contingent en voor ontwikkeling en volmaking vatbaar is. En zelfs is het universum als contingent ook anders en beter voor ons mensen te denken. Wel zei Thomas: universum non potest esse melius propter decentissimum ordinem his rebus attributum a Deo, in quo bonum universi consistit; quorum si unum aliquod esset melius, corrumperetur proportio ordinis, sicut si una chorda plus debito intenderet, corrumperetur cithare melodia. Maar hij voegde er aan toe: Posset tamen Deus alias res facere vel alias addere istis rebus factis, et esset aliud universum melius15. De aard van het schepsel brengt mee, dat het beide in zijn zijn en in zijn zo-zijn niet anders dan als contingent kan gedacht worden. Maar voor God bestaat deze vraag niet. Deze wereld is goed, omdat zij beantwoordt aan het doel, door Hem bepaald. Zij is noch de beste noch de slechtste, maar zij is goed, omdat God haar zo heeft genoemd. Zij is goed, omdat zij dienstbaar is, niet aan de individuele mens, maar aan de openbaring van Gods deugden. En voor wie ze zo beschouwt, is zij ook goed omdat zij hem God kennen doet, Wien te kennen het eeuwige leven is. Daarom zei Lactantius naar waarheid: idcirco mundus factus est ut nascamur; ideo nascimur ut agnoscamus factorem mundi ac nostri, Deum; ideo agnoscimus ut colamus; ideo colimus ut immortalitatem pro laborum mercede capiamus, quoniam maximis laboribus cultus Dei constat; ideo premio immortalitatis afficimur, ut similes Angelis effecti, summo Patri ac Domino in perpetuum serviamus et simus eternum Dei regnum. Haec summa rerum est; hoc arcanum Dei; hoc mysterium mundi16.

1 Biegler, Die Civitas Dei des h. Augustinus. Paderborn 1894.

2 Augustinus, de Gen. c. Manich. I 21.

3 Id., de civ. Dei XI 10.

4 Id., de civ. Dei XII 2.

5 Id., de div. qu. 83 qu. 41. de ord. I 19. de Gen. ad litt. I 9. II 13. Conf. XII 9. de civ. Dei XI 33.

6 Id., de civ. Dei XI 15, verg. ook Scipio, Des Aur. Augustinus’ Metafysik. Leipzig 1886 bl. 31-80.

7 Athanasius, c. Ar. II 28. 48. Or. c. gentes c. 39.

8 Pseudodionysius in zijn geschriften de coel. en de eccl. hierarchia.

9 Thomas, S. Theol. I qu. 25 art. 6. Sent. II dist. 1 qu. 1 art. 1.

10 Calvijn, Inst. I 5. 1.

11 Zanchius, Op. III 45.

12 Verg. ook nog Dr. Armin Reiche, Die künstlerischen Elemente in der Welt- und Lebensanschauung des Gregor von Nyssa. Jena 1897 bl. 21 v. Otto Gierke, Johannes Althusius. Breslau 1880 bl. 60 v. Pesch, Die Welträthsel I 135 v. Scheeben, Dogm. II 94 v. Heinrich, Dogm. V 173 v.

13 Smend, Altt. Rel. 458: Mit souveranen Selbstbewustsein steht der Hebraer der Welt und der Natur gegenüber (-) Furcht vor der Welt kennt er nicht (-) aber auch mit dem Gefühl der höchsten Verantwörtlichkeit. Als Gottes Stelvertreter beherrscht der Mens die Welt, aber auch nur als solcher. Seiner Willkür darf er nicht folgen, sondern allein dem geoffenbarten Gotteswillen. Das Heidenthum schwankt zwischen ühermutigen Missbrauch der Welt und kindischen Furcht vor ihren Machten.

14 Abelard, Introd. ad theol. III c. 5.

15 Thomas. S. Theol. I qu. 25 art. 6 ad 3, cf. Lombardus, Sent. I dist. 44. Bonaventura, Sent I qu. 44 art. 1 qu. 1-3. Hugo Vict., de Sacr. II c. 22. Voetius, Disp. I 553 v. Mastricht, III 6, 11. Heidegger, Corpus Theol. VI 21.

16 Lactantius, Inst. div. VII 6.

x
This website is using cookies. Accept