Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 34. De geestelijke wereld.

Oehler, Theol. d. A. T. 204 v. 684 v. Hofmann, Schriftbeweis I 314 v. Marti, Gesch. d. isr. Religion par. 54. 66. Davidson, Theol. of the Old Test. 289 v. Godet, Etudes bibliques. Paris 1873 I 1-34. Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. 161 v. Damascenus, de fide orthod. II 3. Pseudodionysius, de coelesti hierarchia. Augustinus, cf. Schwane, D. G. II 246 v. Lombardus, Sent. II dist. 2 v. Thomas, S. Theol. I qu. 50 v. 106 v. c. Gent. II 46-55. III 78-80. Petavius, Theol. dogm. III. Scheeben, Dogm. II 49 v. Heinrich, Dogm. V 500 v. Oswald, Angelologie. Paderhorn 1883.

Gerhard, Loci Theol. V c. 4 sect. 1 v. Quenstedt, Theol. I 442 v. Alsted, Encyclopedia 1630 I 647 v. Voetius, Disp. V 241-268. Turretinus, Theol. El. I 594 v. Moor, Comm. II 285 v. M. Vitringa, II 99 v. Kuyper, De Engelen Gods. Amsterdam. H. Oehler, Die Engelwelt. Stuttgart 1898. Cremer, art. Engel in PRE/8 V 364-372.

260. Naar de Heilige Schrift valt de schepping uiteen in een geestelijke en een stoffelijke wereld, in hemel en aarde, ta en toiv ouranoiv kai ta epi thv, ta aorata kai ta orata Col. 1:16. Het bestaan van zulk een geestelijke wereld wordt in alle religies erkend. Behalve de eigenlijke goden, zijn ook allerlei halfgoden of heroën, demonen, genii, geesten, zielen enz. voorwerp van religieuze verering. Vooral in het Parzisme werd deze leer der engelen sterk ontwikkeld. Een ganse schaar van goede engelen, Jazada, is daar verzameld rondom Ahuramazda, de god des lichts, gelijk de god der duisternis Ahriman omgeven is door een aantal boze engelen, Dewa’s1. Volgens Kuenen2 en vele anderen hebben de Joden hun leer van de engelen vooral aan de Perzen sedert de Babylonische Ballingschap ontleend. Maar hierin is zeer grote overdrijving. Want vooreerst erkent ook Kuenen, dat het geloof aan het bestaan en de werkzaamheid van hogere wezens oud-Israëlietisch is. Vervolgens is er een groot onderscheid tussen de angelologie in de canonische Schriften en in het Joodse volksgeloof. En tenslotte is er in de wederkerige verhouding van Judaïsme en Parzisme nog zoveel onzekers, dat James Darmesteter in zijn werk over de Zendavesta in 1893 juist omgekeerd de Perzische engelenleer afleidde uit het Judaïsme3. Weliswaar heeft deze mening weinig instemming gevonden, maar toch schreef Schürer nog enkele jaren later: Eine sorgfältige Detail- Untersuchung, besonders über de Einfluss des Parsismus, ist bis auf de heutigen Tag noch nicht geliefert worden. Man wird vielleicht diezen Einfluss auf ein verhältnissmässig geringes Mass zu reduciren haben4. Het bestaan der engelen werd echter volgens Hd. 23:8 ontkend door de Sadduceën, die daarom de engelverschijningen in de Pentateuch waarschijnlijk hielden voor momentane theofanieën. Josephus laat verschillende engelverschijningen onvermeld en tracht sommige natuurlijk te verklaren5. Volgens Justinus6 werden de engelen door sommigen gehouden voor tijdelijke emanaties uit het Goddelijk Wezen, die na volbrenging van haar taak weer in God terugkeerden. In later tijd werd het bestaan der engelen ontkend door de volgelingen van David Joris7, door de Libertijnen8, door Spinoza9 en Hobbes10, die er eenvoudig openbaringen en werkingen Gods in zagen. Balthazar Bekker ging in zijn ‘Betoverde Wereld’ zover niet, maar beperkte toch de werkzaamheid der engelen, hield hen menigmaal voor mensen en leerde evenals Spinoza, dat Christus en Zijn apostelen zich in de leer der engelen telkens naar het geloof hunner tijdgenoten hadden geschikt11. Leibniz, Wolff, Bonnet, Euler en de supranaturalisten trachtten hun bestaan vooral op redelijke gronden te handhaven; van de mens af kon er zomin naar boven als naar beneden een vacuum formarum in de opklimmende reeks der schepselen bestaan12. Zelfs Kant achtte het bestaan van andere denkende wezens dan de mensen niet onmogelijk13. De achttiende eeuw wiste het onderscheid tussen engelen en mensen uit, gelijk de negentiende dat tussen mensen en dieren. Swedenborg bijv. had van de engelen zelf vernomen, dat zij eigenlijk mensen waren; het innerlijk wezen van de mens is een engel en de mens is bestemd om een engel te worden14.

In de nieuwere theologie is er echter van de engelen weinig overgebleven. Rationalisten als Wegscheider loochenen wel niet het bestaan der engelen, maar ontkennen toch hun verschijning15. Marheineke liet in de tweede uitgave zijner dogmatiek de paragraaf over de engelen weg. Strausz meende, dat de moderne wereldbeschouwing aan de engelen hun woning had ontnomen; zij danken hun ontstaan alleen aan volkssagen, aan de zucht, om de massa stof in de wereld door wat meer geest te doen opwegen16. Bij Lipsius zijn zij maar bildliche Veranschaulichung des lebendigen Wirkens der göttlichen Vorschung en horen ze alleen thuis in de religieuze symboliek17. En ook Schleiermacher achtte wel hun bestaan niet onmogelijk, maar oordeelde toch, dat Christus en de apostelen niets positiefs over hen leerden, wijl zij naar het volk zich hadden geschikt en van engelen hadden gesproken gelijk wij van feeën en elfen, en dat zij dogmatisch en religieus voor ons geen betekenis hadden18. Ook wie hun bestaan nog handhaaft, verandert menigmaal hun natuur. Schelling hield de goede engelen voor Potenzen, Möglichkeiten, die vanwege de val niet in werkelijkheid getreden waren en nu niets anders zijn dan de idee of Potenz van een individu of volk19. Anderen hebben de engelen veranderd in bewoners der planeten. Reeds vroeg vinden wij de mening, dat de planeten bewoond waren. Ze komt al voor bij Xenophanes en sommige Stoïcynen. Nadat de nieuwere astronomie het geocentrische standpunt verlaten en een flauw denkbeeld gekregen had van de ontzaglijke ruimte van het heelal, vond de voorstelling, dat er ook andere planeten dan de aarde bewoond waren, wederom ingang bij Cartesius, Wittichius, Allinga, Wilkins, Harvey, Leibniz, Wolff, Bonnet, Kant, Reinhard, Bretschneider, Swedenborg20 en bij vele anderen, tot in de nieuwere tijd toe21; en sommige theologen verbonden deze voorstelling met de gedachte, dat die sterrenbewoners engelen waren22. Daarbij kwam er tegenover het materialisme omstreeks de helft der negentiende eeuw een reactie in het spiritisme op, dat niet alleen het bestaan van afgestorven geesten erkent, maar ook een gemeenschap tussen hen en de mensen mogelijk acht en door zijn opzienbarende séances en uitgebreide literatuur duizenden bij duizenden aanhangers gewonnen heeft23.

1 Lehmann hij Ch. de la Saussaye, Religionsgesch./3 II 188 v.

2 Kuenen, Godsdienst van Israël II 254 v.

3 Verg. Prof. Geesink, Heraut 830, en tegen Darmesteter: Tiele, Versl. en Mededeel. v.d. Kon. Ak. v. Wet. Letterk. 1895 blz. 364 v. Lehmann, t.a.p. 190.

4 Schurer, Gesch. des Jüd. Volkes im Zeitalter Jesu Christi/3 II 1898 bl. 350. Verg. voorts Erik Stave, Ueber de Einfluss des Parsismus auf das Judentum. Haarlem 1898. Lindner, art. Parsismus in PRE/8 XIV 699-705.

5 Josephus, Ant. VIII 13, 7.

6 Justinus, Dial. c. Tr. 128.

7 Verg. Hoornbeek, Summa Controv. 1653 bl. 413.

8 Verg. Calvijn, Op. ed. Schippers VIII 383.

9 Spinoza, Tract. theol. pol. II 56.

10 Hobbes, Leviathan III 34.

11 B. Bekker, Betoverde Werelt II c. 6-15.

12 Reinhard, Dogm. 184. Bretschmeider, Dogm. I 746 v.

13 Zöckler, Gesch. der Beziehungen II 69. 249.

14 Swedenborg, Die wahre Christliche Religion, 2e Aufl. Stuttgart 1873 bl. 42. 178.

15 Wegscheider, Inst. theol. p 102.

16 Strausz, Chr. Gl. I 671 v.

17 Lipsius, Dogm. par. 518 v. Verg. Biedermann, Chr. Dogm. II/2 510 v.

18 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 42. 43. Verg. Bovon, Dogm. Chrét. Lansanne 1895 I 297.

19 Schelling, Werke II 4 bl. 284 v. Verg. Martensen, Dogm. par. 68-69.

20 Vergel. Zöckler, Gesch. der Bez. II 55 v. Lange, Gesch. d. Mater. 431. Strausz, Der alte und neue Glaube 165.

21 C. du Prel, Die Planetenbewohner. Pohle in Der Katholik 1884 en 1886 bij Heinrich, Dogm. V 236. C. Flammarion, Zijn de hemellichamen bewoond? Holl. vert. door Dr. H. Blink 1891. Vergel. ook Büchner, Kraft und Stoff 55. Haeckel, Welträthsel 1899 bl. 428 v. Liebmann, Analysis der Wirklichkeit/8 1900 bl. 405 v. Dr. C. Snijder, Tijdspiegel Febr. 1898 bl. 182-204. Bettex, Das Lied der Schöpfung/8 1901 bl. 245 v.

22 Kurtz, Bibel und Astronomie/3 173 v. 346 v. Keerl, Der Mens das Ebenbild. Gottes 1 278 v. Splittgerber, Tod, Fortlehen und Auferstehung/5 1879 bl. 150. Lange, Dogm. II 362 v. K. Keerl, Die Fixsterne und die Engel, Bew. d. Gl. Juni 1896 bl. 230 v.

23 H. N. de Fremery, Handleiding tot de kennis van het spiritisme. Bussum 1904. Id. Een spiritistische levensbeschouwing. Bussum 1907.

x
This website is using cookies. Accept