Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

265. In al deze eigenschappen van geschapenheid, geestelijkheid, redelijkheid en zedelijkheid komen de engelen met de mensen overeen. Juist omdat in de Schrift de eenheid der engelen op de voorgrond treedt en hun onderlinge verscheidenheid terugwijkt, bestaat er gevaar, om het verschil tussen engel en mens over het hoofd te zien. Beider overeenkomst schijnt het onderscheid ver te overtreffen. Beiden, mens en engel, zijn persoonlijke, redelijke, zedelijke wezens; beiden zijn oorspronkelijk geschapen in kennis, gerechtigheid en heiligheid; beiden kregen heerschappij, onsterfelijkheid en zaligheid; beiden heten in de Schrift zonen Gods, Job 1:6, Luk. 3:38. En toch wordt hun onderscheid in de Schrift daardoor ten strengste gehandhaafd, dat wel de mens, maar nooit de engel naar Gods Beeld geschapen heet. In de theologie is dit onderscheid veelszins verwaarloosd. Volgens Origenes zijn de engelen en de zielen der mensen van dezelfde species; de vereniging der ziel met het lichaam is een straf voor de zonde en dus eigenlijk toevallig. Origenes kwam hiertoe, omdat hij leerde, dat alle ongelijkheid uit het schepsel was. God schiep alle dingen in de beginne gelijk, dat is, Hij schiep alleen redelijke wezens en die alle gelijk, engelen en zielen. Ongelijkheid kwam onder hen door de vrije wil; sommigen bleven staan en kregen loon, anderen vielen en kregen straf; de zielen werden bepaald aan lichamen gebonden. Heel de stoffelijke wereld en al de verscheidenheid, die in haar aanwezig is, is er dus door de zonde en door de verschillende mate van zonde; zij is er niet, om Gods goedheid te openbaren, maar om de zonde te straffen1. Deze leer van Origenes is nu wel door de kerk verworpen, en de theologie heeft het soortelijk verschil van mens en engel vastgehouden2. Maar toch is de gedachte niet geheel overwonnen, dat de engelen, wijl alleen geestelijk, hoger staan dan de mensen, en daarom nog meer of minstens evenveel recht hebben op de naam van beelddragers Gods3. In de hiërarchie der schepselen staan de engelen, als zuiver geestelijke wezens, het dichtst bij God. Tu eras et aliud nihil, unde fecisti coelum et terram, duo quaedam unum prope te, alterum prope nihil; unum quo superior tu esses, alterum quo inferius nihil esset4. Non tantum substantiam a se longinquam, scil. naturam corpoream producere debuit (Deus), verum etiam propinquam et haec est substantia intellectualis et incorporea5. Maar ook Luthersen en Gereformeerden hebben dit onderscheid van mens en engel te veel uit het oog verloren en de engelen beelddragers Gods genoemd6. Slechts enkelen zoals Theodoretus, Macarius, Methodius, Tertullianus en anderen bestreden dit7. Augustinus zegt uitdrukkelijk, Deus nulli alii creaturae dedit quod sit ad imaginem suam nisi homini8.

Hoeveel overeenkomst er ook zij tussen mens en engel, er is niet minder groot verschil. Er zijn wel allerlei trekken van het beeld Gods in de engelen, maar de mens is alleen het Beeld Gods. Dat Beeld Gods ligt niet alleen in datgene, wat mens en engel gemeen hebben, maar evenzeer in datgene, wat hen onderscheidt. De voornaamste punten van verschil zijn deze: vooreerst is de engel geest en als geest compleet; de mens daarentegen is ziel en lichaam samen; de ziel zonder het lichaam is onvolkomen. De mens is dus een redelijk maar evenzeer een zinnelijk wezen; door het lichaam is hij aan de aarde gebonden, behoort hij bij de aarde en de aarde bij hem. En van die aarde is hij hoofd en heer. Nadat de engelen al geschapen waren, zegt God, dat Hij de mens wil scheppen en hem heerschappij wil geven over de aarde, Gen. 1:26. Heerschappij over de aarde is wezenlijk eigen aan de mens, een stuk van het Beeld Gods, en wordt daarom door Christus ook aan de Zijnen teruggegeven, die Hij niet alleen tot profeten en priesters, maar ook tot koningen maakt. De engel echter, hoe sterk en machtig ook, is dienaar in Gods schepping, geen heer der aarde, Hebr. 1:14. Ten tweede zijn de engelen, als zuiver geestelijke wezens, ook onderling niet verbonden door banden des bloeds. Er is onder hen geen vader en zoon, geen fysische samenhang, geen gemeenschap des bloeds, geen consanguinitas; zij staan, hoe innig ook ethisch verbonden, toch los naast elkaar, zodat velen vallen konden en anderen toch staande blijven. In de mens is er daarom een afschaduwing van het Goddelijk wezen, waarin ook personen zijn, die niet alleen door wil en genegenheid, maar ook door wezen en natuur één zijn. Ten derde is er daarom wel een mensheid, maar in deze zin geen “Engelheit”. In één mens vielen allen, maar ook in één wordt het menselijk geslacht behouden. In de mensheid is een Adam en daarom ook een Christus mogelijk. De engelen zijn getuigen, de mensen zijn voorwerpen van Gods heerlijkste daden, van de werken Zijner genade. De aarde is het schouwtoneel van Gods wonderen; hier wordt de strijd gestreden, hier de triomf van het Godsrijk behaald, en de engelen wenden naar de aarde het oog en begeren in te zien in de geheimen des heils, Ef. 3:10, 1Petr. 1:12. Ten vierde moge de engel de machtiger geest zijn, de mens is toch de rijkere geest. In verstand en macht gaat de engel de mens ver te boven. Maar door de wonderbaar rijke relatie, waarin de mens tot God, de wereld en de mensheid staat, is hij dieper van ziel en rijker van gemoed. De verhoudingen, die het geslachts- en familieleven, het leven in gezin, staat en maatschappij, het leven voor arbeid, kunst en wetenschap meebrengt, maken ieder mens tot een wereld in het klein, welke in veelzijdigheid, in diepte, in rijkdom de persoonlijkheid der engelen ver overtreft. Daarom zijn ook de rijkste en heerlijkste deugden Gods alleen voor de mens kenbaar en genietbaar. Engelen ondervinden zijn macht, wijsheid, goedheid, heiligheid, Majesteit; maar de diepten van Gods eeuwige ontferming ontsluit zich alleen voor de mens. In de mens of beter nog in de mensheid wordt daarom alleen op creatuurlijke wijze het volle Beeld Gods ontvouwd. Tenslotte zij hier nog aan toegevoegd, dat de engelen dus ook in een gans andere verhouding tot Christus staan dan de mensen. Dat er een relatie bestaat tussen Christus en de engelen, is ontwijfelbaar. Vooreerst leren toch verschillende Schriftplaatsen, dat alle dingen, Ps. 33:6, Spr. 8:22v., Joh. 1:3, 1Cor. 8:6, Ef. 3:9, Hebr.1:2 en met name ook de engelen, Col. 1:16, door de Zoon zijn geschapen, en alzo ja Hij de Mediator unionis van al het geschapene. Maar in de tweede plaats bevatten Ef. 1:10 en Col. 1:19,20 de diepe gedachte, dat alle dingen ook in relatie staan tot Christus als Middelaar der verzoening. God heeft nl. alle dingen door Christus tot Zichzelf verzoend en vergadert ze alle onder Hem als het Hoofd. De relatie bestaat nu wel niet daarin, gelijk velen gemeend hebben, dat Christus voor de goede engelen de gratia en de gloria verworven heeft9, noch ook, zoals anderen oordeelden, daarin, dat de engelen membra ecclesiae zouden kunnen heten10. Maar ze is toch hierin gelegen, dat alle dingen, die door de zonde verstoord en uiteengeslagen zijn, weer in Christus onderling verzoend, in hun oorspronkelijke verhouding hersteld, en onder Hem als het Hoofd bijeenvergaderd worden. Christus is alzo wel Heer en Hoofd, niet Verzoener en Behouder der engelen. Alle dingen zijn door Hem geschapen en daarom zijn ze ook tot Hem geschapen, opdat Hij ze verzoend en hersteld teruggeeft aan de Vader. Maar mensen alleen vormen de gemeente van Christus; zij alleen is Zijn bruid, de tempel van de Heilige Geest, de woning Gods.

1 Verg. Thomas, S. Theol. I qu 47 art. 2. Heinrich, Dogm. V 177.

2 Thomas, B. Theol. I qu. 75 art. 7.

3 Damascenus, de fide orth. II 3. Thomas, B. Theol. I qu. 93 art. 3. Commentatores op Sent. II dist. 16. Oswald, Angelologie 25 enz.

4 Augustinus, Conf. XII 7.

5 Bonaventura, Brevil. II 6.

6 Calvijn, Inst. I 15, 3. Polanus, Synt. theol. V. c. 10. Synopsis pur. theol. XII 7. XIII 17. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. IX 187. Moor, II 335. Gerhard, Loc. V c. 4 sect. 5. Delitzsch, Bibl. Psych. 63.

7 Bij Petavius de sex dierum opif. II c. 3 õ 4-8.

8 Bij Thomas, S. Theol. I qu. 93 art 3. Verg. ook Maresius, Syst. Theol. v 37.

9 Verg. Voetius, Disp. II 262 v. Gerhard, Loc. XXXI c. 4 õ 42, en later bij de leer der voldoening.

10 Gerhard, Loc. XXII c. 6 sect. 9.

x
This website is using cookies. Accept