Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

266. Met deze natuur der engelen komt hun dienst en werkzaamheid overeen. Duidelijk maakt de Schrift daarbij onderscheid tussen een buitengewone en een gewone dienst der engelen. De buitengewone dienst neemt eerst een aanvang na de val, en is noodzakelijk geworden door de zonde. Hij is een belangrijk element in de bijzondere openbaring. Wij zien de engelen het eerst optreden tot bewaking van de hof, Gen. 3:24, maar dan verschijnen ze en brengen openbaringen over, treden zegenend of straffend op in de geschiedenis der Aartsvaders en der Profeten, en door heel het Oude Testament

heen. Zij verschijnen aan Abraham, Gen. 18, Lot, Gen. 19, Jakob, Gen. 28:12; 32:1; zij dienen bij de wetgeving, Hebr. 2:2, Gal. 3:19, Hand. 7:53; zij nemen deel in de strijd van Israël, 2Kon. 19:35, Dan. 10:13,20 zij verkondigen Gods raad aan Elia en Eliza, aan Ezechiël, Daniël en Zacharia. Als om te weerleggen, dat ze geen overblijfsels uit het polytheïsme zijn en niet tot een prehistorisch tijdperk behoren, neemt hun buitengewone dienst in de dagen des Nieuwe Testament nog toe. Zij komen voor bij de geboorte van Jezus, Luk. 1:13, 2:10, bij Zijn verzoeking, Matth. 4:11, vergezellen Hem gedurende heel Zijn aardse leven, Joh. 1:51, en verschijnen vooral bij Zijn lijden, Luk. 22:43, opstanding, Matth. 28, en hemelvaart, Hand. 1:10. Daarna treden zij nog enkele malen op in de geschiedenis der apostelen, Hand. 5:19; 12:7,13; 8:26; 27:23; Op. 1:1, om dan de buitengewonen dienst te staken en eerst weer op te treden bij de wederkomst van Christus, Matth. 16:27, 25:31, Mk. 8:38, Luk. 9:26, 2Thess. 1:7, Judas 14, Openb. 5:2 enz., waarbij zij strijd voeren tegen Gods vijanden, Op. 12:7, 1Thess. 4:16, Judas 9, de uitverkorenen verzamelen, Matth. 24:31, en de goddelozen in het vuur werpen, Matth. 13:41,49. De buitengewone dienst der engelen bestaat dus daarin, dat zij de heilsgeschiedenis in haar keerpunten begeleiden. Zij brengen dat heil niet zelf tot stand, maar zij nemen toch deel aan de historie van dat heil. Zij brengen openbaringen over, beschermen Gods volk, bestrijden Zijn vijanden, en doen allerlei dienst in het rijk Gods. Altijd zijn ze daarbij werkzaam op het terrein der gemeente; ook waar ze macht krijgen over de natuurkrachten, Op. 14:18, 16:5, of in de lotgevallen der volken in grijpen, geschiedt dit in het belang der gemeente. Daarbij verdringen zij nooit de soevereiniteit Gods, noch ook zijn ze bemiddelaars der gemeenschap Gods met de mens. Maar zij zijn gedienstige geesten in het belang van hen, die de zaligheid beërven zullen. Zij dienen God vooral in het rijk der genade, al is het rijk der natuur daarbij niet geheel buiten gesloten. Deze buitengewone dienst is daarom vanzelf ook opgehouden met de voltooiing der openbaring. Terwijl zij vroeger telkens bijzondere openbaringen hadden over te brengen en tot de aarde nederdaalden, zijn ze nu veeleer ons ten voorbeeld en klimmen wij tot hen op. Zolang de bijzondere openbaring nog niet was voltooid, naderde de hemel de aarde en daalde Gods Zoon tot ons neer. Nu is Christus verschenen, en het Woord Gods ja volkomen tot ons gesproken. Zo zien de engelen dan naar de aarde heen, om van de gemeente te leren de veelvuldige wijsheid Gods. Wat zouden engelen ons nog geven kunnen, nu God ons Zijn Zoon schonk?

Maar de Schrift spreekt ook nog van een gewone dienst der engelen. Allereerst behoort daartoe, dat zij God loven dag en nacht, Job 38:7, Jes. 6, Ps. 103:20,148:2, Op. 5:11; en de Schrift geeft de indruk, dat ze dat doen in hoorbare klanken, al is het ook, dat wij van het spreken en zingen der engelen ons geen voorstelling kunnen maken. Maar tot die gewone dienst behoort ook, dat zij zich verheugen over de bekering van de zondaar, Luk. 15:10, waken over de gelovige, Ps. 34:8 [Ps. 34:7], 91:11, de kleinen beschermen, Matth. 18:10, in de gemeente tegenwoordig zijn, 1 Cor. 11:10, 1 Tim. 5:21, haar volgen op haar gangen door de geschiedenis, Ef. 3:10, door haar zich laten onderwijzen, Ef. 3:10, 1Petr. 1:12, en de gelovige dragen in Abrahams schoot, Luk. 16:22. Zij zijn alzo werkzaam coram Deo consistendo, hominibus piis assistendo, atque diabolis et hominibus malis resistendo1. De Schrift blijft doorgaans bij deze algemene beschrijving van de gewone dienst der engelen staan en daalt niet in bijzonderheden af. Maar de theologie heeft zich daarmee niet tevreden gesteld; ze heeft die op allerlei wijze gespecialiseerd. Vooral geschiedde dit in de leer der beschermengelen. De Grieken en Romeinen hadden iets dergelijks in hun daimonev en genii; niet alleen schreef men aan iedere mens een goede en een kwade genius toe, maar men had ook genieën van huizen, families, genootschappen, steden, landen, volken, van aarde, zee, wereld enz. De Joden namen zeventig volken-engelen aan met beroep op Deut. 32:8 en Dan. 10:13, en gaven voorts aan elke Israëliet een engel tot geleide2. De christelijke theologie nam dit spoedig over. De Pastor van Hermas kent aan iedere mens twee engelen toe, eiv thv dikaiosunhv kai eiv thv ponhriav, en stelde voorts ook heel de schepping en de ganse bouw der kerk onder de hoede der engelen3. Met voorliefde werd deze leer der beschermengelen ontwikkeld door Origenes. Soms heeft ieder mens een goede en een kwade engel bij zich; soms voegt hij er aan toe, dat alleen de goede engelen van de gedoopte christenen het aangezicht Gods zien; of ook zegt hij, dat alleen de christenen en de deugdzame een beschermengel hebben, en dat ze al naar gelang van hun verdienste een lagere of hogere engel tot leidsman ontvangen. Maar voorts neemt hij ook bijzondere engelen aan voor kerken, landen, volken, voor kunsten en wetenschappen, voor planten en dieren; zo ja Rafaël de engel der genezing, Gabriël van de oorlog, Michaël van het gebed enz.4. En zo leerden zakelijk alle kerkvaders, al was er verschil over, of alle mensen dan wel alleen de christenen een beschermengel hadden; of ieder mens alleen een goede of ook een kwade engel had; wanneer de beschermengel aan de mens geschonken werd, bij de geboorte of bij de doop; wanneer hij van hem genomen werd, bij het bereiken der volmaaktheid of eerst bij de dood. Bij allen stond ook vast, dat er niet alleen beschermengelen der mensen zijn, maar ook van landen, volken, kerken, diocesen, provincies enz.5. Later werd deze bescherming der engelen ten dele beperkt en ten dele nog uitgebreid, Beperkt, in zo ver sommigen op het voetspoor van Pseudodionysius6 leerden, dat de drie hoofdklassen der engelen, Cherubim, Serafim en tronen, God alleen dienden in de hemel7. Uitgebreid, in zover de scholastiek heel de voorzienigheid Gods in natuur en geschiedenis, inzonderheid in de beweging der sterren, door engelen bemiddeld dacht8. Beschermengelen van mensen worden door de Roomse theologen algemeen aangenomen en worden ook in de Catech. Rom. IV c. 9 qu. 4 en 5 erkend. Maar overigens is er over al de bovengenoemde punten onder hen groot verschil van gevoelen9. Dezelfde leer vinden wij bij Luther10, maar de Lutherse theologen waren meest voorzichtiger11. Calvijn verwierp de angeli tutelares12, en de meeste gereformeerden volgden hem13; slechts enkelen namen beschermengelen van mensen aan14. In de nieuwere tijd heeft de leer der beschermengelen weer steun gevonden bij Hahn, Weiss, Ebrard, Vilmar, Martensen en anderen15. Voorts werd de gewone dienst der engelen ook nog daarin nader bepaald, dat zij met hun voorbede voor de gelovigen op aarde ten goede werkzaam waren in de hemel. Ook dit werd reeds door de Joden en ook door Philo geleerd, en dan door Origenes16 en de kerkvaders overgenomen en in de Roomse symbolen vastgesteld17. Ook de Lutherse belijdenisgeschriften spreken nog van deze voorbede18, en evenzo de Luth. dogmatici19. Daarentegen werd ze door de gereformeerden eenparig verworpen.

Voor deze speciale dienst van bescherming en voorbede beroept men zich op enkele plaatsen der Schrift, vooral Deut. 32:8, Dan. 10:13,20, Matth.18:10, Hand. 12:15, Hebr. 1:14, Op. 1:20, 2:1 enz., Job 33:23, Zach. 1:12, Luk. 15:7, Op. 18:3 en vooral ook op Tobias 12:12-15. Op zichzelf is deze leer van de bescherming en van de voorbede der engelen niet verwerpelijk. Dat God evenals in de bijzondere, zo ook in de algemene openbaring Zich dikwijls of zelfs geregeld van engelen bedient, is op zichzelf niet onmogelijk; en evenmin is het ongerijmd, dat de engelen voor de mensen hun gebeden opzenden tot God, daar zij toch belang stellen in hun lot en de gangen van het koninkrijk Gods in de geschiedenis der mensheid nagaan. Maar, hoe weinig er op zichzelf tegen in te brengen zij, de Schrift neemt in betrekking tot bescherming en voorbede der engelen een soberheid in acht, welke ons ten regel moet zijn. In Deut. 32:8 lezen we, dat God bij de scheiding der volken reeds gedacht heeft aan Zijn volk Israël en hun woning bepaalde larsy-ynb rkoml, naar het getal der kinderen Israëls, d.i. zó, dat Israël naar zijn getal een genoegzame erve ontving. De LXX heeft echter deze woorden vertaald door kata ariymon aggelwn en gaf daardoor aanleiding tot de leer der volken—engelen. De oorspronkelijke tekst leert hier echter niets van en valt dus als bewijsplaats geheel weg. Iets anders is het met Daniël 10:13,20. Daar wordt gezegd, dat de in Dan. 10:5 aan Daniël verschijnende gestalte stond tegenover de vorst van Perzië en, geholpen door Michaël, die een der eerste vorsten Dan. 10:13, de grote vorst voor de kinderen Israëls Dan. 12:1; 10:21 genoemd wordt, die vorst van Perzië verdreef en bij de koningen van Perzië zijn plaats innam. Calvijn en de Gereformeerden dachten bij die vorst van Perzië gewoonlijk aan de Perzische koningen. Maar het schijnt, dat onder die vorst toch iets anders, nl. de beschermgeest van Perzië moet worden verstaan. Want vooreerst is er geen twijfel aan, of Israël heeft zulk een beschermengel in Michaël, die zijn vorst heet, Dan. 10:13,21; 12:1; ten tweede worden de koningen van Perzië in Dan. 10:13 duidelijk van die vorst onderscheiden; en ten derde eist de analogie, dat de geestelijke macht aan de ene zijde strijd voert tegen een geestelijke macht aan de andere kant. Het boek Daniël geeft ons dus werkelijk de voorstelling, dat de strijd tussen het rijk Gods en de koninkrijken der wereld niet alleen hier op aarde, maar ook in het rijk der geesten tussen de engelen gestreden wordt. Meer mag en kan er niet uit worden afgeleid. Er ligt volstrekt niet in, dat elk land en volk zijn eigen engel heeft. Maar bij de geweldige strijd, die er tussen Israel en Perzië, dat is hier wezenlijk tussen het rijk Gods en dat van satan gestreden wordt, treden er aan weerszijde engelen op, die deelnemen aan de strijd en de volken ondersteunen. Nog veel minder kan uit Op. 1:20 enz. worden afgeleid, dat iedere gemeente haar engel heeft, want onder de aggeloi der zeven gemeenten zijn niets anders dan haar leraren te verstaan; ze worden toch geheel beschouwd als representanten der gemeenten; het zijn hun werken, die geprezen of gelaakt worden; aan hen worden de brieven geschreven.

De meesten steun vindt de leer der beschermengelen in Matth. 18:10, welke tekst ongetwijfeld inhoudt, dat een bepaalde klasse der engelen belast is met de bescherming der kleinen, maar waar toch in het minst niet staat, dat aan elke uitverkorene een engel is toegevoegd. Dit wordt alleen gevonden in het apocriefe boek Tobias. Maar daarmee verraadt deze leer der beschermengelen ook haar oorsprong. Zij is wezenlijk van heidense afkomst. Zij leidt bovendien tot allerlei spitsvondige vragen en ijdele kwesties. Zij weet niet, of aan iedere mens, b.v. zelfs nog aan de antichrist, gelijk Thomas meende20, of alleen aan de uitverkorenen een engel wordt toegevoegd, of alleen een goede of ook een kwade engel allen vergezelt, wanneer hij aan iemand geschonken en van hem genomen wordt, wat zijn dienst is enz. Daarom mogen wij niet verder gaan, dan dat aan bepaalde klassen der engelen ook de behartiging van bepaalde belangen op aarde is opgedragen. En evenzo is het met de voorbede der engelen; ze wordt geleerd in Tobias 12:16, maar komt in de Schrift niet voor. In Job 33:23 is van de Angelus increatus sprake. Luk. 15:7 leert wel, dat de engelen zich over de bekering van een zondaar verheugen en onderstelt dus ook wel, dat zij die wensen, maar spreekt toch van geen voorbede in eigenlijke zin. En in Op. 8:3 ontvangt een engel wel een wierookvat met reukwerk, om de in zichzelf zondige gebeden der heiligen liefelijk en aangenaam te maken voor de Here; maar van voorbede wordt ook hier met geen woord melding gemaakt. De engel is eenvoudig dienaar, hij richt het altaar niet op, hij bereidt het reukwerk zelf niet, maar ontvangt het, en laat alleen de gebeden met dat reukwerk op stijgen tot God. Hij verricht een dergelijke dienst als de Serafim in Jes. 6:6-7.

1 Hollaz, Ex. Theol. 390.

2 Weber, System 161 v.

3 Hermas, Mand. VI 2. Vis. III 4.

4 Origenes. de princ. I 8. III 3. c. Cels. V 29. VIII 31 enz.

5 Schwane, D.G. II 244.

6 Dionysius, de coel. hier. c. 13.

7 Thomas, S. Theol. I qu. 112.

8 Thomas, S. Theol. I qu. 70 art. 3. qu. 110 art. 1. c. Gent. III 78 v. Bonaventura, Sent. II dist. 14 p. 1 art. 3 qu. 2.

9 Verg. Petavius, de ang. II c. 6-8. Becanus, Theol. schol. Tr. III de angelis c. 6. Theol. Wirceb. 1880 III 480. c. Pesch, Prael. dogm. III 210. Oswald, Angelologie 120 v.

10 Bij Köstlin, Luthers Theol. II 345.

11 Gerhard, Loc. V c. 4 sect. 15. Quenstedt, Theol. 1450. Hollaz, Syst. Theol. 390.

12 Calvijn, Inst. I 14, 7. Comm. op Ps. 91. Matth. 18:10.

13 Voetius, Disp. I 897 v.

14 Zanchius, Op. III 142 u. Bucanus, Inst. Theol. VI 28. Maccovius, Loci Comm. 394. Rivetus, Op. II 250 enz. Verg. Heppe, Dogm. 155. M. Vitringa, II 117.

15 Weisz, Bibl. Theol. des. N.T. 594. Ebrard, Dogm. õ 239. Vilmar, Dogm. I 310. Martensen, Dogm. õ 69. Ook zijn velen weer van gedachte, dat God bij Zijn onderhouding en regering van de engelen Zich bedient. Kahnis en Hofmann bijv. zeggen, dat de engelen als nothwendiges Medium der Weltbeziehung Gottes de samenhang vormen tussen onze en de bovenaardse wereld. Zij beroepen zich Op Ps. 104:4, Joh. 5:4, Op. 16:2,3,5,8 enz. Verg. ook Kuyper, De Engelen Gods 279. Daarentegen wordt dit gevoelen bestreden door Cremer in PRE/3 V 365 v.

16 Origenes, c. Cels. VIII 64.

17 Catech. Rom. III c. 12 qu. 5 n. 2.

18 Apol. Conf. art. 21. Art. Smalc. II. 2.

19 Filippi, Kirchl. Gl. II 324.

20 Thomas, s. Theol. I qu. 113 art. 4.

x
This website is using cookies. Accept