Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

292. Ten derde openbaart zich het Beeld Gods in de deugden van kennis, gerechtigheid en heiligheid, waarmee de mens terstond geschapen werd. Voor een geregelde behandeling moest boven eerst afzonderlijk over de natuur en de vermogens der ziel worden gesproken, maar dit is niet anders dan als een logische onderscheiding bedoeld. De mens is niet als een neutraal wezen met louter indifferente potentiae geschapen, maar hij is terstond fysisch en ethisch volwassen geschapen, met kennis in het verstand, gerechtigheid in de wil, heiligheid in het hart. Voor de mens bestaat de goedheid in zedelijke volmaaktheid, in volkomen overeenstemming met de wet Gods, in een heilig en volmaakt zijn als God Zelf, Lev. 19:2, Deut. 6:5, Matt. 5:48, 22:37, Ef. 5:1, 1Petr. 1:15-16. Die wet is één en dezelfde voor alle mensen; de Schrift kent geen tweeërlei mensen, geen tweeërlei zedewet, geen tweeërlei zedelijke volmaaktheid en bestemming. Indien de mens goed geschapen is, dan moet hij geschapen zijn met de justitia originalis. Deze is eenerzijds niet op te vatten als kinderlijke onnozelheid, maar zij mag ook niet overdreven worden, alsof de status integritatis reeds gelijk is aan de status gloriae. De kennis van Adam was een zuivere, maar toch een beperkte en voor toeneming vatbaar; hij wandelde niet in aanschouwen, maar in geloof; hij kende niet alleen intuitief, maar ook discursief; hij wist de toekomst niet dan door bijzondere openbaring1. En evenzo was het met zijn gerechtigheid en heiligheid gesteld; ze waren van de beginne aan zijn eigendom, want anders had hij nooit enig goed werk kunnen doen. Goede vruchten onderstellen een goede boom; operari sequitur esse. Maar die ingeschapen gerechtigheid en heiligheid moest toch door de mens bewaard, ontplooid en in daden worden omgezet. Niet alsof Adam, met de nodige gaven toegerust, nu zelf in eigen kracht, zonder en buiten God, aan de arbeid moest gaan. De justitia originalis was een vrije gave Gods en ze werd van ogenblik tot ogenblik ook in hem onderhouden door de voorzienigheid Gods. Ze is geen ogenblik denkbaar zonder de gemeenschap met God. Gelijk de Zoon ook reeds vóór de val was Mediator unionis, zo was ook de Heilige Geest toen reeds de werkmeester van alle kennis, gerechtigheid en heiligheid in de mens. Sommige kerkvaders betoogden dit met Gen. 2:7 en zeiden dan, dat de mens eerst door de Logos gevormd was en dat hem daarna de adem des levens, d.i. de Heilige Geest was ingeblazen2. Deze exegese was onjuist, maar het is volkomen waar, dat ook de mens in statu integritatis de deugden der kennis en gerechtigheid niet bezat dan door en in de Heilige Geest. Wel is er tussen de inwoning van de Heilige Geest in de mens vóór de zonde en in de toestand der zonde een groot verschil. Nu is die inwoning immers supra naturam, omdat de Heilige Geest als het ware van buiten tot de mens komen moet en tegen heel zijn zondige natuur lijnrecht overstaat. Bij Adam echter bestond heel die tegenstelling niet; zijn natuur was heilig en behoefde dus niet, gelijk bij de gelovigen, heilig gemaakt te worden; zij was van stonde aan geschikt voor de inwoning van de Heilige Geest. Daarom was deze bij Adam dan ook natuurlijk. Er is geen waarachtig goed, volmaakt mens denkbaar zonder de gemeenschap van de Heilige Geest. Er staat geen homo naturalis in Roomse zin, tussen de gevallen, zondige mens en de volmaakte, naar Gods Beeld geschapen mens in. Wie mens is, mens in volle, ware zin, die is en moet zijn Beeld Gods, zoon Gods, geslacht Gods, met Hem in gemeenschap leven door de Heilige Geest. En zo was de mens ook vóór de val totius sacrosanctae trinitatis domicilium, pulcherrimum Spiritus Sancti templum.

Ten vierde behoort ook het lichaam des mensen tot het Beeld Gods. De filosofie, die de openbaring niet kent of verwerpt, vervalt altijd weer tot empirisme of rationalisme, tot materialisme of spiritualisme. Maar de Schrift verzoent beide. De mens heeft een pneuma, maar dat pneuma is psychisch georganiseerd, en moet krachtens zijn natuur wonen in een lichaam. Het is het menselijk wezen, om lichamelijk, zinnelijk te zijn. Daarom wordt, zo niet temporeel dan toch logisch, eerst zijn lichaam uit het stof der aarde gevormd en daarna hem ingeblazen de adem des levens. Hij wordt Adam genoemd naar de aarde, uit welke hij gevormd is. Hij is en heet stof, Gen. 2:7, Ps. 103:14, Job 10:9, 33:6, Jes. 2:22, 29:16, 45:9, 64:8, ek ghv coikov, 1Cor. 15:47. Het lichaam is geen kerker, maar een wonderbaar kunststuk van Gods almacht, en even goed als de ziel het wezen des mensen uitmakende, Job 10:8-12, Ps. 8; 139:13-17, Pred. 12:2-7, Jes. 64:8; het is onze epigeiov oikia, 2Cor. 5:1, ons skeuov, d.i. ons dienend orgaan, ons gereedschap, 1Cor. 12:18-26, 2Cor. 4:7, 1Thess. 4:4, en de leden van het lichaam zijn de opla, waarmee wij strijden in de dienst der gerechtigheid of der ongerechtigheid, Rom. 6:13; het behoort zo wezenlijk tot de mens, dat het, ofschoon door de zonde gewelddadig van de ziel losgescheurd, toch in de opstanding weer met haar verenigd wordt. De aard der vereniging van ziel en lichaam is onbegrijpelijk, maar zij is veel nauwer, dan het occasionalisme of de harmonia praestabilita of het systema influxus zich die denkt; zij is niet ethisch, maar fysisch; zij is zo innig, dat één natuur, één persoon, één ik het subject van beide en van al hun werkzaamheden is. Het is altijd dezelfde ziel, die ziet door het oog, denkt door de hersenen, grijpt met de hand, wandelt met de voet. Ofschoon niet in ieder deel des lichaams aanwezig secundum totalitatem virtutis, is zij toch in alle leden aanwezig secundum totalitatem essentiae. Het is één en hetzelfde leven, dat door heel het lichaam stroomt, maar in ieder lid op een eigen dienovereenkomstige wijze werkt en zich openbaart. Ook dit lichaam nu, dat zo innig met de ziel is verbonden, behoort tot het Beeld Gods. Wel is dit niet zo te denken, dat God zelf een stoffelijk lichaam heeft, gelijk de Audianen meenden; noch ook, dat God, de mens scheppende, een lichaam had aangenomen, zoals Eugubinus leerde; en evenmin, dat God den mens geschapen had naar de Christus incarnandus, gelijk Osiander oordeelde. God immers is pneuma, Joh. 4:24, en heeft geen lichaam. Het menselijk lichaam maakt niet in zijn stoffelijke substantie, als sarx, maar wel in zijn organisatie tot werktuig der ziel, in zijn perfectio formalis, deel uit van het Beeld Gods3.

Gelijk God, ofschoon pneuma zijnde, toch Schepper is van een stoffelijke wereld, die zijn openbaring en verschijning heten mag, en deze openbaring haar hoogtepunt erlangt in de menswording, zo is ook de geest des mensen als ziel op het lichaam als zijn verschijning aangelegd. De menswording Gods is het bewijs, dat niet de engel maar de mens naar Gods Beeld is geschapen en dat zijn lichaam daarvan een wezenlijk bestanddeel vormt. De schepping is van de beginne aan zó ingericht en de menselijke natuur is aanstonds zó geschapen, dat zij vatbaar en geschikt was voor de hoogste gelijkvormigheid aan en voor de innigste inwoning van God. God zou geen mens hebben kunnen worden, indien Hij niet eerst de mens naar Zijn Beeld had gemaakt. En juist, omdat het lichaam als orgaan der ziel ook behoort tot het wezen van de mens en tot het Beeld Gods, daarom deelde het oorspronkelijk ook in de onsterfelijkheid. God is niet een God der doden maar van levenden, Matt. 22:32. De dood is een gevolg der zonde. Gen. 2:7, 3:19, Rom. 5:12; 6:23; 1Cor. 15:21,56. Deze onsterfelijkheid bestond echter bij Adam nog niet in het non posse mori, in het eeuwige, onverderfelijke leven, maar slechts in het posse non mori, in het niet zullen sterven in geval van gehoorzaamheid. Ze was niet absoluut maar conditioneel, ze hing van een ethische voorwaarde af. Het is daarom niet juist, om met de Pelagianen, Socinianen, Remonstranten enz. te zeggen, dat de mens sterfelijk is geschapen en de dood met het stoffelijk organisme vanzelf gegeven en dus de normale, natuurlijke toestand is. Maar toch is er anderzijds een wezenlijk verschil tussen het niet-zullen-sterven van Adam, zolang hij gehoorzaam bleef, en het niet-kunnen-sterven, dat hij als loon op zijn gehoorzaamheid ontvangen zou hebben. Evenals de kennis, gerechtigheid en heiligheid bij Adam nog verstoken was van het donum perseverantiae, zo was de onsterfelijkheid nog niet met het eeuwige, onverliesbare leven één. De menselijke natuur van Adam was zo geschapen, dat zij, ingeval van overtreding van Gods gebod, sterven kon en sterven moest. Adam was nog aards uit de aarde, eerst Christus is de Heer uit de hemel; het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke, 1Cor. 15:45v. Door dit lichaam was nu de mens aan de aarde gebonden, maar kon hij ook over de aarde zijn heerschappij uitoefenen. De heerschappij over de aarde is evenals de onsterfelijkheid een stuk van het Beeld Gods. Wel gingen de Socinianen veel te ver, als zij in de heerschappij heel het wezen van de mens en de ganse inhoud van het Beeld Gods stelden; maar toch leert Gen. 1:26,28; 2:19-20; 9:2-3; Ps. 8:7-9 duidelijk, dat die heerschappij met de schepping naar Gods Beeld ten nauwste samenhangt en rechtstreeks gegeven is. Zij is geen uitwendig toevoegsel, zij berust niet op een daarbijkomende, bijzondere beschikking; maar de mens, die beeld Gods is, is daardoor tegelijk boven alle andere schepselen verheven en tot heer en koning over hen alle aangesteld. En tenslotte behoort tot het Beeld Gods ook de woning in het paradijs, Gen. 2:8-15. Heiligheid en zaligheid behoren bijeen; ons aller geweten getuigt, dat er tussen deugd en geluk verband behoort te bestaan; het ethische en het fysische, de zedelijke en de natuurlijke orde in de wereld, wezen en verschijning, geest en stof mogen geen tegenstelling vormen. Bij de gevallen mens past daarom een aarde, die ligt onder de vloek; de goddeloze wacht hiernamaals een plaats der duisternis; de rechtvaardige zal eens wandelen in het licht van Gods aanschijn; de nog niet gevallen en toch nog aardse mens woont in een paradijs.

1 Thomas, S, Theol, I qu, 94 art. 1-3.

2 Verg, Kleutgen, Theol. II 541 v, Thomasius, Christi Person und Werk I/3 155.

3 Augustinus, de Gen. ad litt. VI 12. Gregorius Nyss., de hem. opif. c. 8. Thomas, S. Th. I qu. 93 art. 6. S. c. Gent IV 26. Petavius, de sex dier. opif. II 4, 7 v. Gerhard, Loci VIII 3. Calvijn. Inst. I 15,3. Polanus, Synt. Theol. bl. 328. Zanchius, Op. III 677 v. Bucanus, Inst. theol. VIII 13. Synopsis pur. theol. XIII 13. Mastricht, III 9,30.

x
This website is using cookies. Accept