Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

293. Alzo is de ganse mens beeld en gelijkenis Gods. Hij is het naar ziel en lichaam, naar alle vermogens, krachten en gaven. Niets is in de mens van het Beeld Gods uitgesloten; het strekt zich even ver als het menselijke uit; het is het menselijke in de mens. Het menselijke is niet het Goddelijke zelf, maar het is daarvan toch de eindige, creatuurlijke afdruk. Alwat in God is, Zijn geestelijk Wezen, Zijn deugden en volmaaktheden, Zijn immanente zelfonderscheidingen, Zijn mededeling en openbaring in de schepping; het vindt alles zijn, zij het dan ook eindige en beperkte, analogie en gelijkenis in de mens. Er ligt een diepe waarheid in de voorstelling van de kabbala, dat God, die de Oneindige is in Zichzelf, Zich in de tien sefiroth of eigenschappen openbaart en dat deze samen de Adam Kadmon uitmaken1; de menselijke natuur is onder de schepselen de hoogste en volkomenste openbaring Gods. En dat is ze volstrekt niet naar haar pneumatische zijde alleen, maar evenzeer naar haar somatische zijde; zij is het juist als menselijke, d.i. als psychische natuur. God en wereld, geest en stof zijn naar de leer der Schrift geen tegenstellingen. Er is in de stof niets verachtelijks en niets zondigs. De zichtbare wereld is even goed een schone, rijke openbaring Gods als de geestelijke. In de eerste spreidt Hij evengoed Zijn deugden ten toon als in de laatste. Alle schepselen zijn belichaming Zijner Goddelijke gedachten en alle vertonen zij vestigia Dei. Maar al deze vestigia, in de geestelijke en in de stoffelijke wereld naast elkaar verspreid, worden samengevat in de mens en zo onderling verbonden en hoger opgevoerd, dat zij duidelijk vormen het beeld en de gelijkenis Gods. De ganse wereld verheft zich opwaarts, sluit zich af, voltooit zich, ontvangt haar eenheid, haar doel, haar kroon in de mens. Om Beeld Gods te zijn, moest de mens daarom wezen een samenvatting der ganse natuur. De Joden zeiden, dat de stof voor het menselijk lichaam door God uit de verschillende landen der aarde bijeenverzameld was2. In deze vreemde vorm werd een ware, schone gedachte uitgedrukt. De mens is als geest aan de engelen verwant en klimt tot de onzienlijke dingen op; maar hij is ook burger der zienlijke wereld en aan alle lichamelijke schepselen verbonden. Er is in het menselijk lichaam geen enkele stof, welke niet in de natuur rondom hem heen voorkomt. Zo is de mens de eenheid van de stoffelijke en de geestelijke wereld, de spiegel van het universum, vinculum, compendium, epitome totius naturae, mikrokosmov, en juist daardoor ook beeld en gelijkenis Gods, zijn zoon en erfgenaam, mikroyeov. Hij is de profeet, die God verklaart en Zijn deugden verkondigt; hij is de priester, die met al het geschapene zichzelf als een heilige offerande Gode wijdt; hij is de koning, die in gerechtigheid alle dingen leidt en regeert. En in dit alles wijst hij heen naar Een, die in nog hoger en rijker zin de openbaring en het Beeld Gods is, naar Hem, die de Eengeborene is van de Vader en de Eerstgeborene aller creaturen. Adam, de zoon van God, was een type van Christus.

1 Franck, La Kabbale 1843 bl. 179.

2 Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. 202 v. Verg. ook een Friese mythe bij Dr. J. te Winkel, Gesch. der Ned. Lett. I 28.

x
This website is using cookies. Accept